• Jonge vrouw vindt haar kracht

    Jonge vrouw vindt haar kracht

    Jennifer Nansubuga Makumbi is een Oegandese schrijfster die in 2014 doorbrak met de bruisende roman Kintu, een verhaal over macht en beperkingen tussen vaders en zonen. Haar tweede grote roman, De eerste vrouw, is een familiegeschiedenis die zich focust op de macht en kracht van vrouwen. Het boek speelt zich af tussen 1975 en 1983 in Oeganda, grotendeels tegen de achtergrond van het schrikbewind van Idi Amin.

    De dertienjarige Kirabo is een open en nieuwsgierig meisje, een verhalenvertelster die alle aandacht krijgt en liefdevol wordt opgevoed door haar grootouders en familie in het plattelandsdorp Nattetta. Kirabo verlangt echter hevig naar haar afwezige moeder, over wie niemand haar informatie wil verschaffen. De puberende Kirabo merkt dat ze haar lichaam kan verlaten: ‘De ik die rare dingen deed, vloog haar lichaam uit.’ Daarmee legt ze het verband dat haar moeder haar niet wilde.

    Zelfs slim zijn werd onaantrekkelijk

    Op zoek naar haar identiteit gaat ze te rade bij de zogenoemde dorpsheks Nsuuta. Omdat de oude vrouw blind is maar toch van alles lijkt te zien, gelooft Kirabo dat ze ook echt een heks is. Ze bezoekt haar in het geheim omdat Nsuuta in een vete verwikkeld is met Alikisa, Kirabo’s oma. Nsuuta is wijs en geëmancipeerd en praat met Kirabo over het belang van de rol die vrouwen spelen in het familieleven. Dat Kirabo uit haar lichaam kan treden heeft volgens Nsuuta te maken met haar afstamming van de eerste vrouw, een wezen dat gemaakt is om mannen te behagen of te breken.

    ‘Wie zou er groot, luidruchtig of dapper willen zijn, of een van de andere eigenschappen willen hebben die volgens mannen mannelijk zijn? We doken ineen, sloegen onze ogen neer, gingen zachtjes praten en ons zwak en hulpeloos gedragen. Zelfs slim zijn werd onaantrekkelijk. En al snel werd het vrouwelijk om klein te zijn. Daarna werd het mooi en gingen vrouwen ernaar streven. Dat was het moment waarop we onze oerstaat uit onszelf begonnen te verdrijven. Toen we eenmaal klein waren geworden, moesten de mannen voor ons zorgen, en al snel werden we hun bezit. Vaders verkochten hun dochters, mannen kochten een echtgenote. En toen we eenmaal handelswaar waren, konden mannen alles met ons doen wat ze wilden. Zelfs nu nog is ons lichaam niet van onszelf. Daarom grijpen ze het als ze er behoefte aan hebben.’

    Dorpskind

    Kirabo’s vader, Tom, is een snelle jongen die in Kampala woont en voor een koffiehandelaar werkt. Over zijn rol in haar leven denkt Kirabo nauwelijks na, tot hij haar op een dag komt halen. Hij wil dat ze bij hem komt wonen en in Kampala naar school gaat. Daar wacht haar de eerste grote schok in haar jonge leven. Tom, redelijk bemiddeld, woont in een modern huis, is getrouwd, heeft twee kinderen en een bediende. Dat was Kirabo allemaal niet verteld. Ineens is het dorpskind getuige van een heel ander leven, waarin een klassiek jaloerse stiefmoeder haar pest. Gelukkig mag de diepongelukkige Kirabo bij haar tante Abi gaan wonen. Abi is bewust ongehuwd, vrijgevochten en liefdevol. Zij bereidt Kirabo voor op het volwassen leven van een vrouw, de menstruatie, en hoe ze moet omgaan met haar haar seksualiteit en haar ‘bloem’ (geslacht).

    Vervolgens gaat Kirabo naar een katholieke kostschool, waar ze wordt geconfronteerd met meisjes uit andere clans, steden en dorpen en de bijbehorende milieus, rituelen en discriminatie. Het einde van het Amin-tijdperk is aangebroken en de nonnen trachten de meisjes te beschermen tegen het grimmige oorlogsgeweld en de soldaten die op het terrein van de school bivakkeren. Ze hebben voor veel meisjes met actieve hormonen een grote aantrekkingskracht. Overigens komt het Amin-regiem in het boek niet erg dichtbij, behalve wanneer de vader van Kirabo’s jeugdvriend Sio, een arts die zich te westers gedraagt, wordt opgepakt en nooit meer terugkomt.

    Hartsvriendinnen

    Het vierde deel, ‘Toen de dorpen nog jong waren’, gaat terug naar de jaren dertig van de vorige eeuw en is deels een briefwisseling tussen Nsuuta en Alikisa. Dat is een verfrissende variatie in de tekst en een efficiënte manier om het verhaal te vertellen. De jeugd van Nsuuta en Alikisa speelde zich af in de koloniale tijd van de Engelsen, de komst van missionarissen en invloed van het westen. Nsuuta en Alikisa waren hartsvriendinnen die als tienjarigen een verbond van eeuwige trouw sloten door elkaar te beloven met dezelfde man te trouwen. Alikisa trouwde inderdaad met de grote liefde van Nsuuta, maar Nsuuta besloot inmiddels tot een onafhankelijk leven en werd verpleegster. Toch deelden ze later dezelfde man, Miiroo, de opa van Kirabo, wat tegelijkertijd de bron van de latere vete tussen de twee vrouwen werd.

    Heft in eigen handen

    In het laatste deel wacht Kirabo de rampspoed waardoor ze op slag volwassen wordt. En ze ontmoet Sio weer. Hij praat over ‘mwenkanonkano’, het Lugandese woord voor feminisme en laat merken dat hij vrouwen als zijn gelijke ziet, totdat hij haar verraadt met haar jeugdvriendin. Hij heeft hun toekomst samen al uitgestippeld zonder Kirabo’s mening te vragen. Kirabo snapt ineens hoe het werkt bij mannen. Ze staat op en neemt het heft in eigen hand door met een ferm staaltje feminisme op te komen voor zichzelf en haar vriendin, slachtoffer van Sio’s lust. Ze weigert de man te volgen op zijn voorwaarden. Dat is tevens de kern van dit verhaal vol sterke vrouwen met de boodschap: vrouwen mogen hun eigen weg gaan en moeten mannen blijven opvoeden.

    Mooiste zin: ‘Ze was op de lichtheid van een kippenveer de schaamte voorbij gezweefd.’ De zin hoort bij een prachtige scène tussen Sio en Kirabo. Sio wil haar ‘bloem’ zien. Kirabo stemt daarmee in, maar is nog niet toe aan seks. Ze schaamt zich voor ‘alles daaronder’, wat hij respecteert. Tot hij met een kippenveer haar geslacht beroert…

    De tijd vooruit

    De eerste vrouw is een fijne familiegeschiedenis vanuit het vrouwelijk perspectief. Kirabo is een bijzonder meisje dat onder je huid kruipt. Trouwens, alle vrouwen in het verhaal zijn warm, liefdevol en sympathiek, behalve de stiefmoeder en Kirabo’s eigen moeder, die op het einde opduikt.
    De roman is uit het Engels vertaald door Josephine Ruitenberg. Soms is het jammer als de Afrikaanse woorden niet worden verklaard, en de gewoonte om op de tanden te zuigen bij ergernis, verlegenheid of woede komt in ieder hoofdstuk wel een keer voor. Dat had wat minder gekund. Maar het verhaal is een integere coming-of-age, intelligent en speels gecomponeerd. Achtergrondinformatie over politiek, het leven op het platteland versus de stad, de diepgewortelde rites en mythes en de rol van vrouwen binnen hun clans wordt subtiel gedoseerd en geeft een beeld van de macht en kracht van vrouwen in Oeganda ruim veertig jaar geleden. De Oegandese vrouwen waren hun tijd ver vooruit.

     

  • Groots epos over Oeganda

    Groots epos over Oeganda

    Af en toe wordt er een boek geschreven dat mythische proporties aanneemt. In Oeganda is dat Kintu, de debuutroman van de Brits-Oegandese schrijfster Jennifer Nansubuga Makumbi. Tien jaar lang werkte ze eraan, waarna ze hem probeerde te slijten aan verschillende uitgeverijen. Uiteindelijk werd het boek in 2014 in Oeganda uitgegeven en kreeg het in 2018 een Engelse vertaling plus eensklaps internationale roem. Even plotseling werd de schrijfster overladen met prijzen, waaronder de fameuze Windham-Campbell Prize van Yale University. Ondertussen staat Kintu bekend als dé grote Oegandese roman en wordt Jennifer Nansubuga Makumbi beschouwd als een van de belangrijkste BAME-schrijvers (Black, Asian and Minority Ethnic) van de wereld.

    Kintu start met een korte proloog waarin ene Kamu Kintu op 5 januari 2004 brutaal en zonder reden wordt vermoord in een volkstoeloop in Bwaise, een buitenwijk van Kampala. Daarna begint het eerste van de zes boeken (hoofdstukken) die deel uitmaken van Makumbi’s epos. Ze grijpt terug op de oude mondeling overgeleverde verhalen en begint in 1750. Kintu Kidda, stamvader van een hele clan en gouverneur van de Budduprovincie is onderweg naar de nieuwe kabaka (koning) om deze zijn eer te bewijzen. Per ongeluk brengt hij zijn adoptiezoon om het leven, maar heeft niet de moed om dat in zijn dorp te vertellen. De biologische vader spreekt een vloek uit over de clan. Deze vloek is het uitgangspunt van de volgende hoofdstukken waarin telkens een ander lid van de clan centraal staat, verspreid over de jaren tussen pakweg 1960 en 2004.

    Moderne geschiedenis

    Vanaf het tweede hoofdstuk ontpopt de roman zich als een soort geschiedenis van Oeganda. Door de ogen van de verschillende personages laat Makumbi de recente ontwikkelingen zien. Ze wil alleen tonen, niet oordelen en doet een schijnbaar objectief relaas van haar land, de beproevingen en problemen. De verhalen zijn soms grappig, vaak schrijnend en meelijwekkend. De persoonlijke problemen van de hoofdpersonages lijken een weerspiegeling van de problemen waar Oeganda mee worstelt. De grote thema’s uit andere Afrikaanse romans, migratie en kolonialisme, raakt Makumbi slechts zijdelings aan. Bij haar wordt duidelijk hoe Oeganda worstelt met zijn onafhankelijkheid en het op zichzelf aangewezen zijn. Naar de kolonialen wordt zeker niet de hele tijd met de vinger gewezen. De politieke regimes van onder andere Idi Amin worden vermeld en kritisch belicht, zowel in positieve zin – op economisch vlak hielp Amin het land wel degelijk vooruit – als in de gekende negatieve zin. Grote thema’s in het verhaal zijn echter relaties en familie, arm versus rijk,  de aidsepidemie, volksgebruiken en christendom, maar vooral het dagelijkse leven en het gevecht om te overleven.

    Kleurrijke personages

    De personages zijn stuk voor stuk levensecht en geloofwaardig: of het nu gaat om de oude man die al tien van zijn twaalf kinderen aan aids heeft verloren, de jongen die als gevolg van een verkrachting wordt geboren, het verstoten meisje dat tracht tegen wil en dank te overleven of om de uit incest tussen tweelingbroer en -zus geboren jongen. Makumbi gaat geen taboe uit de weg. Op bewonderenswaardige wijze kruipen de mensen uit de verhalen uit het dal en gaan ze gewoon verder met hun leven. De lezer raakt geïntrigeerd door hun belevenissen, door het opboksen tegen religie en bijgeloof, tegen rituelen en tradities. De personages zijn kleurrijk en gevarieerd en zijn ongetwijfeld een mooie afspiegeling van de hedendaagse Oegandese samenleving.

    Makumbi gebruikt in Kintu ook vaak woorden in het Luganda waarvoor ze van het Britse lezerspubliek veel kritiek kreeg omdat ze weigerde een verklarende woordenlijst toe te voegen. Ze heeft het boek geschreven met een Oegandees publiek voor ogen en anderen moeten maar uit de context afleiden wat die woorden betekenen. Dat maakt het werk, hoewel zeer authentiek, soms ook lastig om te lezen.
    Makumbi’s taal is beschrijvend. Ze tekent en schetst er een uniek portret van landschappen en personages mee en weet de juiste sfeer op te roepen om het verhaal meeslepend te maken. Toch houdt ze altijd een zekere afstand tot haar onderwerp en onthoudt ze zich van commentaar. Het is aan de lezer om conclusies te trekken en zich een beeld te vormen van recht en onrecht bij de opbouw van Makumbi’s land.

    Subliem sluitstuk

    In een magistraal laatste hoofdstuk, De thuiskomst, laat de auteur alle vijf vorige boeken samenkomen in een soort zuiveringsritueel om af te rekenen met de oude vloek die nog steeds over de Kintu-stam heerst. De personages en hun ideeën worden met elkaar geconfronteerd en dat leidt vaak tot voortschrijdende inzichten. Zo krijgt het oude bijgeloof een flinke deuk en accepteert men de moderne tijd. Er wordt beweerd dat Jennifer Nansubuga Makumbi met Kintu het magnum opus van haar land heeft geschreven, net zoals Chinua Achebe dat eerder deed voor Nigeria. Kintu is inderdaad een groots boek, passend in de grote traditie van voorheen mondeling overgeleverde verhalen. Het is een machtig epos over een land in moeilijkheden, al wil de schrijfster dat zelf niet zo gezegd hebben. Kintu is een knap staaltje vertelkunst dat een belangrijke plaats inneemt in de Afrikaanse cultuur en literatuur.