• Oogst week 40 – 2023

    De nachtzijde van de rivier

    De Britse schrijfster Jeanette Winterson (1959) publiceerde in 1985 Oranges are not the only fruit, een autobiografische roman over een lesbisch meisje dat opgroeit in een streng christelijk milieu. Ze verwierf er internationale bekendheid mee en van het boek werd ook een tv-serie gemaakt. Winterson studeerde Engels en begon aan een schrijverscarrière met verhalen, kinderboeken en essays. Ideeën uit de natuurwetenschap, tijd en ruimte, metafysica, fictie versus werkelijkheid en genderidentiteit zijn de kwesties waarover zij zich buigt. Haar eerste jeugdroman De tijdhoeder (2005) is een science-fictionverhaal en de roman Frankusstein, om er maar een te noemen, handelt onder meer over kunstmatige intelligentie en robotica.

    De nachtzijde van de rivier bestaat uit huiveringwekkende korte verhalen over verleiding, angst en wraak, liefde en verdriet. Van de geesten en de doden wel te verstaan en tegen de achtergrond van onze digitale wereld. We staan voortdurend met elkaar in contact. We weten alles over anderen en over de ontwikkelingen in de wereld. Wat we niet kennen is de wereld van de geesten, de verhalen van de doden. Winterson op haar website: ‘Ik geloofde nooit in geesten, totdat ik met ze samen begon te leven.’ Wintersons geesten hebben nieuwe manieren gevonden om ons te bereiken, verstoren met technologie de grens tussen leven en dood en regelen ontmoetingen met het bovennatuurlijke.

    De nachtzijde van de rivier
    Auteur: Jeanette Winterson
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Tenminste voor een bepaalde tijd

    Met het schrijven van Tenminste voor een bepaalde tijd komt de ik-verteller een onuitgesproken belofte aan Frida na. Het is 1974. Frida is de tiener die zwanger is en, zo komt de ik te weten van haar broer Nico met wie hij vriendschap heeft aangeknoopt, daarom door haar ouders van school wordt gehouden. De vijftienjarige ik is hopeloos verliefd op haar. ‘Want door Frida trad het leven – en zeker ook mijn leven – voor even uit zijn verstikkende begrenzing.’

    Hij is in de ban van zijn verliefdheid, maar ook van het verdriet om zijn zus die door een verkeersongeluk om het leven is gekomen. Al die heftige gevoelens kwellen hem voortdurend. Om daaraan en aan de droevige sfeer thuis te ontsnappen zoekt hij een baantje. De boekwinkel waarin hij gaat werken wordt zijn houvast, evenals het voor een klant bijhouden van een archief van mysterieuze verdwijningen. In het boek is het overlijden van de zus van de auteur een autobiografisch gegeven.

    Het verhaal speelt zich af in Zutphen, waar ook Heesens debuutroman Een naderend begin van iets nieuws (2021) – met dezelfde ik-verteller maar dan een paar jaar ouder – en de verhalenbundel Naar Zutphen (2019) zijn gesitueerd.

    Tenminste voor een bepaalde tijd
    Auteur: Hans Heesen
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer 2023

    Over de berekening van ruimte I

    De Deense schrijfster Solvej Balle (1962) studeerde literatuur en filosofie. In 1984 verscheen haar eerste boek, de novelle Lyrefugl. Vele verhalen en gedichten verder brak ze in 1993 door met de roman Ifjølge Loven en er volgde internationaal erkenning. Voor haar fictie laat Balle zich inspireren door Kafka en Borges, liefde en existentiële eenzaamheid zijn haar thema’s.
    Voor de delen een t/m drie van Over de berekening van ruimte – een titel die in totaal zeven romans zal beslaan – ontving ze in 2022 de Literatuurprijs van de Noordse Raad.

    In deel 1 botsen twee tijdsbelevingen. Thomas, samen met zijn vrouw Tara handelend in 18e eeuwse boeken, wordt elke ochtend wakker op 18 november. Zijn geheugen is gewist, zijn geestelijke gevangenschap doet denken aan dementie. Voor Tara loopt de tijd gewoon door en iedere dag vertelt zij hem wat er is gebeurd. Alles wat Tara ziet en hoort schrijft ze op. In het begin van de roman is het voor de 121e keer 18 november. Tara wordt elke dag ouder en voor haar is het haast een obsessie om te proberen bij 19 november te komen, in een wereld waar de tijd normaal verstrijkt. Maar wat is normaal? Op het mysterie tijd hebben natuurkundigen, filosofen en geriaters nog altijd geen antwoord. Solvej Balle houdt de lezer vast met de vraag wat er in Thomas’ en Tara’s wereld aan de hand is.

     

    Over de berekening van ruimte I
    Auteur: Solvej Balle
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Kunstmatig of matige kunst?

    Kunstmatig of matige kunst?

    De voetbalwereld en de autobranche kennen al jaren een geduchte concurrent wat de oververtegenwoordiging van mannen betreft: de informaticawereld. Met haar essaybundel Twaalf Bytes bindt Jeanette Winterson de strijd aan met seksisme en misogynie in haar werkveld. Klinkende cijfers, harde statistieken en inspirerende verhalen bewijzen dat genderongelijkheid zelfs in de hoogste regionen van de computerwetenschappen voortwoekert. Winterson heeft echter meer willen schrijven dan een activistisch pamflet, getuige de ondertitel Heden en toekomst van kunstmatige intelligentie. Dat maakt van Twaalf Bytes een boek met twee gezichten.  

    Waar Winterson de stand van zaken rond AI beschrijft en feminisme propageert, overtuigt haar werk. Maar regelmatig waagt ze zich aan filmische speculaties zonder onderbouwing, met veel misschien-zinnetjes. Ten slotte probeert ze te bewijzen wat er deugdelijk zou zijn aan kunstmatige intelligentie, maar verslikt ze zich in haar ambitie naar alomvattendheid. Religie, mythologie, literatuur, ras, sociologie, genderpolitiek, geschiedenis, film, liefde en Big Tech. Al deze thema’s propt ze in amper 300 pagina’s; de rode draad wordt algauw een onontwarbare knoop.

    Vrijheid, gelijkheid, zusterschap

    Voor progressievelingen is Twaalf Bytes een feest van herkenning. In haar pleidooi voor emancipatie binnen de informatica houdt Winterson zich bij de feiten. Zo had het Duitse ENIGMA-systeem in de Tweede Wereldoorlog nooit gekraakt kunnen worden zonder vrouwelijke, zwaar onderbetaalde rekenaars. Ada Lovelace, Lord Byrons dochter, is dé grondlegger van de hedendaagse pc en Spotify, maar waar haar mannelijke tijdgenoten de credits voor krijgen. Over deze vrouw die nota bene Alan Turing inspireerde, wordt gezegd ‘dat ze meeliftte op andermans succes, dat haar berekeningen niet klopten, dat ze de aantekeningen waarin ze de werking van de analytische machine uitlegt niet zelf heeft geschreven. Dat ze zichzelf overschatte, ijdel was en dat Babbage haar alleen maar tolereerde.’ 

    De revanche voor de vrouw gaat gestaag, maar niet snel genoeg. Winterson haalt John Stuart Mill aan die in 1869 zegt: ‘‘‘Geen slaaf is in dezelfde mate – en in de volle betekenis van het woord – slaaf als een getrouwde vrouw.’’’ Tot ver in de 20ste eeuw blijft de vrouw wilsonbekwaam en financieel afhankelijk van haar man in het ‘beschaafde’ Westen. En tegenwoordig verergert kunstmatige intelligentie dit probleem slechts. Banken maken bij kredietverstrekkingen gebruik van algoritmes die discrimineren op geslacht. Oftewel, vrouwen hebben een lagere bestedingslimiet dan (witte) mannen. Drie keer raden welke soort mensen de algoritmes vormgeeft? Juist. Bovendien is deze doelgroep fervent liefhebber van een wel heel specifieke vorm van kunstmatige intelligentie.

    Eigenlijk keurt Winterson maar één kunstmatige levensvorm af: de sekspop. Sekspoppen zeggen nooit ‘nee’, zijn in 99 van de 100 gevallen veredelde pornopitspoezen en hebben soms zelfs een verkrachtingssimulatie als nieuwste gadget. Daarnaast hebben ze geen eigen wil. Winterson weet dr. Kathleen Richardson van De Montfort University aan haar zijde: ‘Als hoogleraar Ethiek en AI is ze bang dat seksrobots stereotypes zullen versterken, objectificatie en commercialisering van het vrouwenlichaam zullen bevorderen en tot meer geweld tegen vrouwen zullen leiden.’ Als consument kan de man zichzelf wijsmaken dat hij echt wel weet dat seks met een vrouw van vlees en bloed niet zo werkt, maar corruptie van de geest gaat sluipenderwijs: ‘Als ze het niet zo doet, zich niet zo kleedt en zich niet zo gedraagt, is ze gewoon frigide. En als ze het wel zo doet, is ze een slet.’
    Waarvoor dient kunstmatige intelligentie dan wel? Daarin is Winterson niet altijd even duidelijk.

    Confucian confusion

    In de inleiding stelt Winterson haar bescheiden doel voor Twaalf Bytes vast: ‘Ik wil lezers die denken dat ze geen belangstelling hebben voor AI, biotech, Big Tech of datatech laten ontdekken dat deze verhalen boeiend (…) angstaanjagend zijn en allemaal met elkaar samenhangen.’ Vooral dat laatste punt, de onderlinge samenhang van haar subonderwerpen, nekt de schrijfster. Omdat haar bundel essays bevat, en geen wetenschappelijke artikelen, neemt Winterson alle ruimte om uit te weiden over talloze niet-wetenschappelijke kwesties. Aangezien het wetenschappelijke kader ontbreekt waaraan ze haar onderwerpen toetst, bezigt ze het holistische cliché dat alles uiteindelijk allemaal naar hetzelfde wijst. 

    Theoretisch vormt de vermenging van allerlei mythes met de Verlichting en de evolutiebiologie het grootste bezwaar. Het Gilgamesj-epos, het Thomasevangelie, het taoïsme, Jezus Christus, Frankenstein; al deze literaire en religieuze fenomenen koppelt ze aan theorieën van de verlichters John Maynard Keynes, René Descartes en Charles Darwin. Onwillekeurig roept Twaalf Bytes herinneringen op aan het omstreden 12 Rules for Life van pseudo-intellectueel Jordan Peterson, die ook niet vies is van een psychoanalysetje hier en een Oedipuscomplexje daar. Bovendien noemt Winterson de Industriële Revolutie de zwartste dag voor de mensheid, terwijl volgens haar het kapitalisme – dé aanjager van massaconsumptie, klimaatproblemen en inkomensongelijkheid – de oplossing is waarmee kunstmatige intelligentie de mens op aarde redt. Om de verwarring compleet te maken bombardeert Winterson even later de venture capitalists Elon Musk, Richard Branson en Peter Thiel dan wel weer tot volksvijand nummer één. Volgt u het nog?

    De filmcultuur komt in Twaalf Bytes eveneens rijkelijk aan bod. Het geeft te denken dat Wintersons toekomstverwachtingen meer op kaskrakers dan op wetenschap gebaseerd zijn. De bundel barst van de aannames, eventuele mogelijkheden en plompverloren filmfantasieën: ‘In het komende decennium zal het internet van dingen de gedwongen evolutie en de geleidelijke verdwijning van Homo sapiens zoals we die kennen in gang zetten.’ Het majesteitelijk wij tiert welig: ‘We stellen ons God altijd voor als een niet-belichaamd netwerksysteem.’ Dit soort verkondigingen doen mij smachten naar de roman Mogelijkheid van een eiland, waarin Michel Houellebecq op overtuigende wijze een wereld van gekloonde, via fotosynthese levende post-mensen creëert. Waarom overtuigt dat wel? Omdat de Fransman zijn boek niet over álles wil laten gaan, zoals Winterson dat wel tevergeefs probeert. Ook in het vrije genre van de essayistiek geldt blijkbaar het devies: vrijheid schuilt ‘m in de beperking.

    SkAI Radio

    Kunstmatige intelligentie wordt binnen de muziekwereld gebruikt om klassieke composities te simuleren. Zo bestaan er machines die stukken componeren met de complexiteit van Bach, om maar iemand te noemen. Sceptici zeggen dat op deze wijze gecomponeerde muziek onvolwaardig is, want de mens heeft haar niet zelf gemaakt. Voor velen is het onderscheid tussen AI en de mens dus: het een is gemaakt door machines, het andere is ontstaan. Winterson noemt een ander verschil, waar zij meer in gelooft: ‘We hebben de technologie. We hebben de wetenschap. We hebben de kennis. We hebben de gereedschappen. We hebben de universiteiten, de instellingen, de structuren, het geld. Where is the love?’ Met liefde is alles mogelijk. Zo springt Twaalf Bytes van Bach naar de Black Eyed Peas, van #MeToo naar #Doeslief. Door verwarring en open deuren boet Twaalf Bytes in aan relevantie, hoe krachtig Winterson de maatschappijkritiek op het patriarchaat ook optuigt.

     

     

  • Boeiende weergave van de nabije toekomst

    Boeiende weergave van de nabije toekomst

    Dit opmerkelijke, eigentijdse boek, Frankusstein van Jeanette Winterson, begint met de verregende vakantie in 1816 van Mary Shelley en haar echtgenoot de dichter Percy Bysshe Shelley, haar wat simpele halfzus Claire die tevens de minnares is van dichter Lord Byron, en diens arts Polidori, beiden ook aanwezig. Uit verveling besluiten ze een griezelverhaal te bedenken, voor Mary Shelley de aanloop naar Frankenstein.
    In de tweede verhaallijn, de hedendaagse, klinkt de stem van transgender en arts Ry Shelley, geboren als vrouw (Mary) maar op weg man te worden. Tot het einde van het boek wisselen de twee verhalen elkaar af, ieder met een eigen stem: die van de negentiende-eeuwse Mary en die van de hedendaagse Ry. Deze Ry wordt verliefd op professor Victor Stein, expert op het gebied van kunstmatige intelligentie en geobsedeerd door de cryogenetica (cryoneren = het vriesdrogen van een lichaam). Hij droomt ervan ingevroren lichamen weer tot leven te wekken en van het kunnen uploaden van de inhoud van het menselijk brein in een computer.* Data zonder lichaam, geest zonder materie ziet hij als een ideaal toekomstbeeld.

    Seksrobots

    Stein is het equivalent van Frankenstein; beiden willen levenloze lichamen tot leven wekken. Ook de andere personen uit de negentiende eeuw worden gespiegeld in het nu. Voor Lord Byron staat Ron Lord, een zakenpartner van Stein en een nogal botte, vrouwonvriendelijke ondernemer. Hij verhuurt opvouwbare vrouwelijke sekspoppen die verrijkt met de kunstmatige intelligentie van Stein tot leven komen. Dan is er de zeer vrome christelijke Claire die na aanvankelijke weerzin tegen Rons business wel brood ziet in een christelijke seksrobot voor naar zinnelijke lust hunkerende mannen.

    De dialogen tussen Ron en Claire zijn geestig en ook in de rest van het boek valt te glimlachen om Wintersons humor. Een hilarische scène is die wanneer op een officiële ontvangst Ron per ongeluk een van zijn seksrobots activeert, waarna deze luid en duidelijk haar erotische vermogens verbaal ten gehore brengt. Ondanks de nonchalante humor en de luchtige sfeer van de gebeurtenissen heeft het boek een koele ondertoon. En als Stein de anderen meeneemt diep een nucleaire bunker in, waar onder andere het licht uitvalt, de vloer onverklaard volstroomt met water en Stein zijn gecryoniseerde hoofden toont, wordt de sfeer bepaald dystopisch.

    Ondergeschikt aan verhaal

    In 1816 krijgt Mary Shelley het idee voor haar beroemde gothic novel Frankenstein, de arts die een monster creëert. In het nu merkt Victor Stein op: ‘Kunstmatige intelligentie is niet sentimenteel, ze zoekt naar de best mogelijke oplossingen. Het menselijk ras is niet de best mogelijk oplossing.’ De Shelley’s, zowel Mary als Percy, zijn bekende historische figuren en kunnen het als personage in dit geval wel zonder veel diepgang stellen. Anders is het met de hedendaagse personages: zij blijven aan de oppervlakte en zijn ondergeschikt aan het verhaal. Maar Wintersons weergave van de nabije toekomst is boeiend en verdient op zich al bewondering.

    Liefdesverhaal?

    In alles heeft Winterson de tegenstelling gezocht en dat heeft ze knap gedaan: man vrouw, geest lichaam, heden verleden, utopie dystopie, kunst technologie, liefde horror.

    De ondertitel van Frankusstein is Een liefdesverhaal. Over de liefde tussen Mary en Percy Shelley hoeft geen twijfel te bestaan, die van Ry en Victor ziet er ondanks de lichamelijke relatie een stuk koeler uit. Vooral Ry blijft een onbewogen, afstandelijk type. In een interview met The Guardian geeft auteur Winterson aan dat zij zichzelf man noch vrouw en misschien zelfs geen mens voelt. Dat zien we terug in Ry. Ze levert Victor illegaal lichamen voor zijn experimenten, behalve uit liefde ook uit eigen interesse voor wat kunstmatige intelligentie allemaal vermag.

    Hedendaagse thema’s

    Jeanette Winterson is een Britse schrijfster, geboren in 1959. Met haar eerste boek Sinaasappels zijn niet de enige vruchten uit 1985 won ze al meteen de Whitbread Prize. Het  fors autobiografische boek gaat over een lesbisch meisje dat opgroeit in een streng religieuze gemeenschap. Winterson schreef tot nu toe zo’n twintig boeken, waaronder verhalen, romans, non-fictie, kinderboeken en essays. Haar thema’s zijn (gender)identiteit, fictie en werkelijkheid, tijd en ruimte, en ze gebruikt ideeën uit de natuurwetenschappen waarmee haar verhalen een science fiction-achtige uitstraling krijgen. In 2006 werd ze benoemd tot ‘Officer of the British Empire’ voor haar verdiensten voor de literatuur. In 2011 schreef ze een ‘echte’ autobiografie.

    Onsterfelijk

    In The Guardian verklaart Winterson dat zij (nog steeds) een enthousiaste christen is. ‘Maar dat is wie ik ben, dus ik moet het gebruiken.’ Religie en geslacht hebben haar gevormd en in de robotica zag ze dit samenkomen. ‘Ik dacht ineens, wacht even, dit komt allemaal samen. Hebben we niet altijd gezegd dat de lichamen zullen wegvallen, de geest doorgaat, er daarbuiten een eeuwigheid is? Dit is nu wat de wetenschap belooft, dat we de inhoud van onze hersenen zullen uploaden of onszelf zullen uitbreiden met slimme implantaatgenen. […] …langzaam vorderend tot dit punt, waar we onsterfelijk konden worden, zoals we altijd wilden zijn, en altijd dachten dat we waren.’ Wie technologie en toekomst fascineren, die leze Jeanette Winterson.

     

    * Meer informatie: Alcor Life Extension Foundation op internet.

     

     

  • Op papier schreeuwen

    Op papier schreeuwen

    Nu mijn eigen schrijven overhoop ligt, lees ik veel autobiografische verhalen, memoires en non-fictieboeken over persoonlijke gebeurtenissen uit het leven van schrijvers. De scheidingen van respectievelijk Elke Geurts en Henk van Straten; de bijna-dood ervaringen van Maggie O’Farrell; de onzalige jeugd van Jeannette Winterson; de keelkanker van Willem Melchior of de migraine van Mariëtte Baarda; de rouw van Julian Barnes en C.S. Lewis: ik slik het allemaal. Ook Ariel Levy moet er weer aan geloven.
    Waar ik nieuwsgierig naar ben, natuurlijk, is de aanpak. Hoe maak je het extreem particuliere interessant voor lezers die niet bekend zijn met jouw specifieke pijn?

    Waarom zou iemand over de relatieproblemen van Ariel Levy willen lezen, over die keer dat Maggie O’Farrell bijna verdronk? Sommige verhalen zijn bijna te intiem: alsof je door een raam naar binnen gluurt en ontdekt dat daar iemand niet alleen bloot is, maar zichzelf ook nog eens bevredigt. Ja, sommige boeken lezen als het gadeslaan van andermans masturbatie. Andere schrijvers gebruiken kunstgrepen als overbrugging, bewaren afstand door citaten, stutten het persoonlijke met de universele ervaring. Voor iedere methode valt wat te zeggen. Als schrijver zoek ik antwoord op technische vragen, maar bovenal wil ik weten hoe deze of gene eruit is gekomen. Waaruit? Dat verschilt per boek. Waarschijnlijk zoek ik naar geruststelling – ah kijk, niemand ging eraan onderdoor. Waaraan? Ook dat verschilt per boek.

    Eerder kreeg ik de kans Levy te ontmoeten en deinsde ik terug. Liever leer ik de schrijvers die ik bewonder niet anders kennen dan door wat ze maken, door wat zij aan de wereld willen laten zien. Het is niet de schok van de herkenning die ik vrees, alsof hun menselijkheid afbreuk zou doen aan hun werk, het is – ik weet niet wat het is. Ja, in het geval van Levy weet ik het wel: taal. Ik spreek prima Engels maar tegen de tijd dat ik de knop heb gevonden denkt mijn omgeving al dat ik niet wijs ben. Ik ben alleen verlegen in andere talen. En dan nog, wat zou ik vragen of zeggen? Ik ook, Ariel, ik ook? Wat moet iemand met zo’n emotionele gijzeling van een onbekende?
    Dat is ook een keerzijde van het persoonlijke: de reacties. Dat mensen met je aan de haal gaan, zich aan je vastklampen met hun hele zelf, letterlijk en figuurlijk, tijdens signeersessies of interviews, in emails of wat dan ook, of je dat nu aankunt of niet. 

    En toch. Bovenstaande schrijvers moeten ieder risico, elk potentieel verwijt (navelstaarderij, gemakzucht, aandachtsgeilheid, larmoyant gedoe) hebben gekend. Het hield ze niet tegen, de nood was zo hoog dat fictie niet volstond. Dat snap ik – soms schreeuw je het hardst op papier. Literatuur maken van die schreeuw, dat is de uitdaging.
    Ook in mij zit een kreet, woordloos nog. Hoe en wanneer die op papier komt, weet ik niet, of ik hem wil delen evenmin. Dus doe ik wat ik altijd heb gedaan: lezen. Daarmee heel ik. Uiteindelijk vind ik een vorm voor mijn eigen geluid. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Elsie

    Elsie

    Een boek kan zomaar aan betekenis winnen of verliezen door een achteloze opmerking van de schrijver. Dat de interpretatie van die opmerking zeer persoonlijk is, ligt voor de hand. Ik wil, en ik weet niet waarom, of het moet zijn dat ik zelf worstel met teksten, dat schrijven a hel of a job is. Als een schrijver achteloos opmerkt dat hij een boek, dat ik met bewondering heb gelezen, in exact 90 dagen geschreven heeft, is voor mij de romantiek eraf en daalt mijn waardering voor dat boek. Ja, beetje belachelijk eigenlijk. Maar goed, onlangs zag ik Jeanette Winterson op een stormachtige vrijdagavond. De wind joeg langs de ramen van de oude Lutherse kerk aan het Spui waar de trams met ijzeren regelmaat voorbij jengelden. Binnen was het cosy and warm. Winterson stond klein en felbesnaard onder het spreekgestoelte, de kerk was vol. Ze was het wel gewend, zei ze, kerkpubliek als gehoor.

    Als lagere schoolkind schreef ze al gepassioneerde diensten waarmee ze zelfs zieltjes won. Nu sprak ze van anarchie en van perfect days (even daarvoor had Lou Reeds Perfect day door de kerk geklonken). Ze sprak van moeders, echte en aangenomen en hoe ze in haar debuutroman, Sinaasappelen zijn niet de enige vruchten, Elsie erin had geschreven omdat ze iemand naast zich wilde. Ze liet het zich achteloos ontvallen. Haar woorden reikten, even achteloos, tot achterin de aula, waar ik met mijn rug tegen de muur zat. Zo simpel kan een verhaal dus aan inhoud winnen. Winterson bracht Elsie als een noodzakelijke aanwezigheid.  Ze had haar erin geschreven ‘because I needed some one next to me’. Alsof ze, schrijvende aan haar werktafel, om zich heen had gekeken, Elsie zag aankomen en haar mee nam haar verhaal in. De behoefte aan een hand om in te knijpen als het leven pijn doet. En ook had ze Elsie nodig om haar te laten zeggen ‘dat verhalen je hielpen om de wereld te begrijpen’.

    En om de sinaasappelen – het enige fruit dus dat haar moeder haar liet bezorgen toen de Jeanette uit het boek in het ziekenhuis lag – te delen met haar. Om met Elsie van de sinaasappelschillen een iglo te bouwen op de dekens van het ziekenhuisbed. Zonder Elsie zou het kind Jeanette in het boek in zichzelf gesloten zijn gebleven. Door dat ‘because I needed some one next to me’ zag ik de kwetsbaarheid van een schrijver die aan alle kanten uitstraalde ‘ik heb niemand nodig’. Later werd ze geïnterviewd maar ze verdroeg de vragen niet. Ze kapte af, zei dat het genoeg was, de interviewster fronste haar wenkbrauwen.  De schrijver had al zoveel gezegd het moest maar eens klaar zijn. Het was confronterend maar ze miste Elsie naast zich. En ach, missen we niet allemaal een Elsie die ons vorm en volume geeft?

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat nog wel even blijven. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Een week lang feest

    Spui25, genoemd naar het pand bij de Amsterdamse boekenmarkt en het Maagdenhuis waarin het academisch-culturele podium is gehuisvest, bestaat tien jaar. Dat wordt een week lang met allerlei activiteiten gevierd.
    De aftrap was vrijdag 15 september met een opfriscursus over het werk van Jeanette Winterson en de start van het nieuwe seizoen met de Spui25-lezing door Winterson zelf, een paar deuren verder in de Aula van de Lutherse Kerk. De afsluiting is 22 september met een overigens al volgeboekt gesprek tussen Orhan Pamuk en Abdelkader Benali. De opfriscursus werd gemodereerd door Fiep van Bodegom, bekend van onder meer De Gids en De Groene Amsterdammer. Moderator van de lezing was Simone van Saarloos. Omdat de Nederlandse vertaling van de volledige lezing van Winterson de komende week in De Groene zal worden gepubliceerd, worden hier wat thema’s aangestipt die zowel in de opfriscursus als in de lezing aan bod kwamen.

    Verhalen vertellen
    De eerste spreker tijdens het middagprogramma, Maarten Polman, die zes boeken van Winterson vertaalde, begon zijn inleiding aan de hand van Wintersons Vuurtorenwachter (2004) met het schetsen van de thema’s in haar werk. Een daarvan, verhalen vertellen, is in genoemde roman nadrukkelijk aanwezig omdat de vuurtorenwachter leefde bij het vertellen van verhalen.
    Winterson kwam hier ook mee toen zij zich in haar lezing afvroeg wat het is om mens te zijn. De mens, zei ze, ontwikkelde kunst, de taal en vertelde de ander verhalen bij het haardvuur. Het is een vorm van creativiteit die je met alle robotisering om ons heen niet kunt kopiëren. Het verbindt ons met het verleden, waardoor we nog steeds in gesprek kunnen zijn met een dode schrijver als Shakespeare, haar held, wiens The Winter’s Tale ze bewerkte tot Het gat in de tijd (2015).

    Kunst
    Kunst is volgens Winterson een plaats om in te leven, virtual reality. Maar wat op het toneel gebeurt, is echt, is waar. Winterson geeft niets om experience, een belevenis, maar om intensiteit.
    Joyce Goggin, de tweede inleider van de middag en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, benoemde het op een soortgelijke manier: in het werk van Winterson zit vaak een open plek, een ruimte tussen binaire opposities als man-vrouw, zwart-wit, binnen-buiten. Hierin kan, stelde zij met de filosoof Hans Gadamer, betekenis worden gecreëerd. De plaats die Winterson benoemde, de lege plek waar Goggin het over had, is een vrijplaats waar je volgens Winterson voor moet vechten.

    Verbinding
    Fiep van Bodegom vroeg in het tafelgesprek en het gesprek met de zaal dat bij Spui25 altijd volgt op een of meerdere inleidingen, hoe de inleiders zich tot het werk van Winterson aangetrokken voelden. Goggin antwoordde het gevoel te hebben dat ‘ze in mijn hoofd kijkt, altijd bij me is.’ Polman kroop als vertaler in haar boeken en zo kwam zij bij hem binnen.
    Winterson begon haar lezing, nadat Lou Reeds Perfect day was gedraaid, over pure vreugde, zowel cognitief als fysiek (ook hier was de oppositie opgeheven), die je kunt ervaren in muziek, in een kus op de brug, in lezen. Er vindt een verbinding plaats met jezelf, het is leven meer dan in louter biologische zin en van haar zou je het tot op zekere hoogte religieus mogen noemen.

    Ontwikkeling
    Een interessante vraag tijdens het middagprogramma kwam uit de zaal, van biograaf, publicist en begeleider van promovendi Maaike Meijer. Zij vroeg zich af of er een ontwikkeling kan worden geconstateerd in het werk van Winterson. Polman stelde dat de vondeling die Winterson is, inmiddels haar biologische moeder heeft ontmoet, zodat dit thema (het zoeken naar identiteit) volgens hem is afgesloten. Hij vroeg zich in alle eerlijkheid af hoe het nu verder moet. Goggin zag de ontwikkeling vooral in de veelzijdigheid van Wintersons oeuvre: romans, brievenromans, essays, science fiction. De conclusie was dat ze elke keer weer verrast met een boek op hoog niveau.
    De schrijfster zelf kwam aan het eind van haar met plezier gebrachte lezing voor een grotendeels uit vrouwen bestaand publiek in wezen ook met een antwoord, in de woorden van Miranda uit Shakespeares The Tempest:

    Oh wonder!
    How many goodly creatures are there here!
    How beauteous mankind is! O brave new world,
    That has such people in it!

    In het interview met Van Saarloos zei Winterson voorts nog dat je niet kunt verwachten dat de wereld verandert, als je zelf niet kunt veranderen. Er klonk iets van de radicaliteit in door die Polman al had aangegeven. Zo kennen we haar en zo is het goed.

     

    foto: Yve du Bois

     

     

  • Venetië zien. En dan?

    Venetië zien. En dan?

    Zeven (of acht) was ik toen Venetië zich voordeed. We waren op vakantie in Lido di Jesolo en dan ben je er bijna. Ik wilde wel en gooide Marco Polo in de strijd. Mijn moeder bracht gondels in. Toen we eenmaal in Venetië waren, bleek het water onstuimig en de gondeliers onverstaanbaar en zat er dus niets anders op dan naar Marco Polo te lopen. Het was warm, en het was heel ver. Ondanks dat maakte Marco Polo indruk en zorgde zijn rode jas voor een historische sensatie. Mijn eerste.

    Een klein glazen schildpadje herinnert aan dat bezoek. Na lang wikken en wegen gekozen op glasblazerseiland Murano. Ik neem aan dat we daar niet te voet naar toe gingen, maar ik herinner me geen vaporetto. Eigenlijk herinner ik me heel weinig van de dag dat we in Venetië waren. Ik weet dat ik de Brug der Zuchten zag. Ik weet ook nog dat iemand de duiven op het Piazza San Marco voerde. Maar ik herinner het me niet.

    Het meisje van zeven (of acht) dat ik was, had geen benul van Venetië. Ze kende de geschiedenis en de reputatie van de stad niet. Venetië was nog geen verhaal. Venetië was wat ze zag. Meer niet.
    Ze kende alleen Marco Polo. Daar had ze een boek over gelezen. Ze was nog maar net lid van een bibliotheek waar de vloer kraakte, ook als je heel voorzichtig van de ene naar de andere kast liep. Het boek over de ontdekkingsreiziger was het eerste dat ze leende.

    De tijd verstreek en het meisje verdween achter de horizon. Het bleef bij dat ene bezoek aan de stad in het water, maar ondertussen ben ik oneindig vaak in Venetië geweest. Voorzien van ‘een landkaart van de dood’ zwierf ik over San Michele. Aan het eind van de dag moest ik hollen om de laatste vaporetto te halen. Had ik maar op de dochter van de gondelier gewacht. Zij houdt van de nacht en kent de weg. Ik was het ook die me met mijn lichaam een tunnel baande door de mist en mezelf zo een half uur later de weg naar huis wees.

    Door de ogen van anderen kwam ik overal. Ik leerde mensen kennen en kon achter maskers en andere façades kijken. Ik heb de stad zien veranderen. Het water zien stijgen. Venetianen hun stad zien ontvluchten. Even heb ik overwogen er te gaan wonen, maar ondanks het verval blijven de huizen er onbetaalbaar.

    Dat ik La Serenissima nooit los heb hoeven laten, dank ik aan dat meisje van zeven (of acht). Onbevangen en onbeschreven als ze was, gaf zij Venetië de kans zich voorgoed in mij te nestelen. En dat terwijl ik geboren ben op een eiland waar Venetianen het eeuwenlang voor het zeggen hebben gehad.
    Ik vertel verhalen, maar dit is geen sprookje. Geloof me nou maar.

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:
    Watermark: An Essay on Venice – Joseph Brodsky
    De onzichtbare steden – Italo Calvino (vertaling: Henny Vlot)
    Venetiës
    – Paul Morand (vertaling: Geerten Meijsing)
    Venetiaanse vignetten – Cees Nooteboom
    The Passion – Jeanette Winterson

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Oostende, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

  • Oogst week 46

    Lenteloos voorjaar Oorlogsdagboek 1940-1942

    Bij de oogst van deze week bevindt zich de uitgave van het eerste deel van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis, de tiende roman van Jan van Mersbergen, een klassieker van Regina Ullmann en een verhalenbundel voor de donkere winteravonden van Jeanette Winterson.

    Na de dood van dichteres Hanny Michaelis (1922-2007), werd in haar nalatenschap een dagboek aangetroffen waarin ze gedurende enkele periodes van haar leven dagelijks notities had bijgehouden. Een verslag van haar ervaringen als gymnasiast, dienstmeisje en onderduikster. In dit eerste deel van het dagboek, Lenteloos voorjaar, worden de jaren beschreven tussen haar zeventiende en twintigste.
    Het dagboek gaat voor een groot deel over haar verliefdheden. Waarbij de aankomende oorlog een dreigende rol speelde. ‘Ik stond voor ’t raam en keek naar de zoeklichten, die als lange blauwlichtende vingers de stille, besterde hemel afzochten. En terwijl de zoeklichten uit en aan flitsten en een vliegtuig gedempt en angstaanjagend ronkte, had ik een vreemd, triestig gevoel; ik ondervond het als een soort heiligschennis van deze lichte, doorsterde voorjaarsavond.’
    In 2017 zal deel twee, Stilstaand water. Oorlogsdagboek 1942-1945, verschijnen.

     

    Lenteloos voorjaar Oorlogsdagboek 1940-1942
    Auteur: Hanny Michaelis
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De ruiter

    In De ruiter is de verteller een paard, wat op zich een intrigerende wijze van inzicht geeft in de menselijke beslommeringen. Er is een meisjes dat zich aangetrokken voelt tot een bendeleider die de halve stad terroriseert en meisjes als inwisselbaar behandelt. En dat kan niet goed gaan natuurlijk. Als dan ook blijkt dat het meisje in de stad niet meer veilig is, vertrekt ze naar haar grootvader. Een zwijgzame man die buiten de stad op een strook land woont nadat hij na de dood van zijn vrouw de polder introk om ruimte en rust te zoeken. Maar ook (of juist) op het platteland liggen dood en leven dicht bij elkaar.

    Hij richt zich tot de baas: Dus het is oké? Bij mij is er niks veranderd, zegt de baas.
    De man ademt uit, en met die adem de woorden: Ze heeft een beetje rust nodig. Goed, zegt de baas tegen hem, en tegen het meisje, iets harder: Kom. Dat ken ik van hem – kom, hop hup, klak klak met zijn tong. En weer krullen haar vingers als vogelpootjes om het handvat en ze trekt de koffer achter zich aan en loopt met de baas mee, trrr trrr doen de wieltjes weer, en als ze bij de tegels komen wordt het geluid trager t-r-r-r. Dan blijft het meisje staan en zegt: Is dat hem? Dat is hem, zegt de baas. Allebei kijken ze naar mij.
    Groot is-ie, zegt het meisje.

     

    De ruiter
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De landweg

    Regina Ullmann (1884-1961) is een belangrijk Zwitsers schrijfsters. Ze debuteerde in 1910, maar verwierf pas bekendheid met haar verhalenbundel De landweg(1921). In totaal publiceerde zij acht boeken.
    Volgens de achterflap spelen de verhalen zich af op het Zwitserse platteland en in een tijdperk waarin het archaïsche en het moderne samenkomen. De personages in haar verhalen worstelen met de dood, eenzaamheid in een onheilspellende wereld. In elk verhaal toont zij zich een meesterlijk observator van de kwetsbare mens. Haar proza is eigenzinnig en mysterieus wordt wel vergeleken met het werk van Robert Walser.

    De landweg
    Auteur: Regina Ullmann
    Uitgeverij: Lebowski

    Kerstdagen, 12 dagen, 12 verhaeln (plus1)

    Magie is een hoofdingrediënt in het speelse, vindingrijke oeuvre van Jeanette Winterson.  In de twaaf verhalen voor kerst, laat ze haar fantasie de vrije loop. Er is een verhaal van een afgelegen victoriaans huis aan zee, waar tijdens de langste nacht van het jaar, een eenzame gast ’s nachts mysterieuze geluiden hoort. Een verhaal van een vrouw alleen die wordt getroost door een filosofische fee die haar een wens laat doen. En over een ezel, die zijn bijzondere visie geeft op het verhaal van de geboorte van Jezus. Verhalen die het geloof in de kerst opnieuw zullen kunnen aanwakkeren. Deze verhalen worden door Winterson aangevuld met haar eigen bijzondere kerstherinneringen waarbij twaalf feestelijke recepten., de kerstsfeer op tafel zullen brengen.

     

    Kerstdagen, 12 dagen, 12 verhaeln (plus1)
    Auteur: Jeanette WInterson
    Uitgeverij: Atlas/Contact
  • Eenzame reus en een hersenloze patser

    Eenzame reus en een hersenloze patser

    Recensie door Patrick Bassant

    De Engelse uitgever Jamie Byng bedacht in 1999 een groot project: internationaal gerenommeerde auteur uitnodigen een mythe opnieuw te vertellen. Deze serie boeken wordt wereldwijd tegelijk gepresenteerd en uitgegeven in 24 verschillende landen.

    Het eerste boek is een inleiding op de serie, een beknopte geschiedenis van mythen, geschreven door Karen Armstrong. Een taai boekje, en een beetje overbodig ook. Waarom een schrijver zo nodig een historisch overzicht moet geven van mythen, sagen en verhalen, is mij niet duidelijk. Maar het wordt allemaal goedgemaakt in de eerste ‘echte’ mythe. De Britse schrijfster Jeanette Winterson vertelt de mythe van Atlas opnieuw.
    Atlas is een Titaan, broer van Prometheus, die voor zijn aandeel in de strijd tegen het leger van de Goden gestraft wordt door de wereld op zijn schouders te moeten dragen. Atlas is zo sterk dat alleen Herakles (of Hercules) hem kan vervangen en gedurende één dag ruilen ze omdat Herakles voor het uitvoeren van één van zijn 12 werken de hulp van Atlas nodig heeft.

    Winterson heeft van Atlas een berustende eenzame reus gemaakt en van Herakles een hersenloze patser. De beschrijving van een ronddazende Herakles is grappig en het gesprek dat ze samen voeren is zelfs hilarisch. Dat neemt niet weg dat het boek verre van licht is. De eenzaamheid van de man die duizenden jaren die aarde vasthoudt, zijn ontsnapping voor één dag en daarna de terugkeer naar zijn straf zijn meevoelend beschreven en maken van Atlas meer mens dan Titaan, meer vlees dan steen.
    Als Atlas uiteindelijk ontsnapt met het ruimtehondje Laika en zich terugtrekt ergens in het heelal, voel je de bevrijding, de last die van zijn schouders valt.

    Winterson is een schrijver die graag verhalen opnieuw vertelt, dat heeft ze in haar eerdere romans wel bewezen. Met een ongekende stuwing kan ze haar boeken urgent en onontkoombaar maken, sleept het verhaal de lezer achter zich aan en is alles wat ze vertelt, zowel relevant als hedendaags. En altijd gaan haar boeken ook over Winterson zelf. In dit boek komt ook een ik-personage voor dat commentaar geeft op zichzelf en op het verhaal. Tijd en ruimte zijn relatief, de verhalen die Winterson vertelt, overstijgen dat moeiteloos. Ze schetst verhalen die altijd over het hier en nu gaan.

    Als de serie het niveau van Winterson vast kan houden, wordt het een fijne tijd voor lezers. Als dat niet lukt, heeft Winterson toch weer eens bewezen bij de allergrootsten te horen.