• De dood op afstand houden

    De dood op afstand houden

    Volgens Toussaint wordt het belang van het voetbal bepaald ‘in de wereld van de verbeelding en alleen daar op waarde geschat’. Als kleine jongen wil je bij een potje straatvoetbal graag Johan Cruijff zijn. Je droomt van schitterende schijnbewegingen, maar de realiteit valt doorgaans tegen. Op de kinderjaren, de tijd van de dromen, volgt onvermijdelijk de pubertijd, de tijd van de teleurstellingen en uiteenspattende dromen. Vandaar dat hij het voetbal elders ook  wel ‘bederfelijke waar’ noemt. ‘Dromen zijn bedrog’, zouden wij zeggen, maar om te leven heb je dromen nodig.

    Als een mens een bepaalde tijdsspanne te leven heeft, kan hij dit alleen maar welgemoed volbrengen door te dromen. Dromen zijn voor Toussaint eigenlijk een intensivering van de tijd. Zo ook dus de voetbalwedstrijd. Deze duurt, inclusief de pauze, exact anderhalf uur. Dat is de tijd om (mee) te leven met het spel van 11 van de 22 artiesten. In die tijd mag je ongegeneerd chauvinistisch zijn. Je laat toe dat het verstand ‘op nul gaat’, je laat je agressieve driften de vrije loop en maakt de scheidsrechter en de tegenstander uit voor rotte vis. De spanning kan hoog oplopen en leiden tot tranen van vreugde en verdriet. Het is een soort catharsis, een klaarkomen in de schoot van een vrouw. Na de wedstrijd is er weer de echte tijd. De wedstrijd houdt de dood eventjes radicaal op afstand.

    Voetbal is nauw verbonden met de seizoenen. Je kijkt uit naar het begin van het nieuwe seizoen. De spanning: hoe zal jouw club of land het dit jaar doen? De teleurstelling aan het eind: je club is weer niet verder gekomen dan de grauwe middenmoot. Het voetbalseizoen bepaalt het ritme van het leven van alledag. Het voetbal is ook nauw verbonden met de weemoed van de kinderjaren: in het gezelschap van je vader en je broers maakte je elke veertien dagen de gang naar het stadion en luisterde naar de voetbaluitslagen opgelezen door Frits van Turenhout.

    Aan de hand van vijf Wereldkampioenschappen voetbal schrijft Toussaint over het leven en de dood, over de tijd, over hartstocht en bezinning en over de spanning tussen deze dingen. Zo begint hij bewust met het door zijn jaartal al haast mythische WK van 1998, toen hij voor het eerst enthousiast over voetbal begon te schrijven. 1998, een jaartal verzonken in de nostalgie van de tijd van een vorig millennium, prehistorisch bijna, een zwartwit foto nog. Hij eindigt met het WK in Brazilië van 2014. Hij heeft het eigenlijk helemaal gehad met het voetbal. Dit gevoel van teleurstelling valt samen met een crisis in zijn leven: de dood van zijn vader en het eind van een periode van tien jaar schrijven aan zijn romancyclus. Hij gaat zich vragen stellen naar de zin van het leven en van zijn literaire betrokkenheid. In die zin is het boekje van Toussaint sterk autobiografisch. Het boek Overleven van de vuurvliegjes van Georges Dibi-Huberman en het werk van Hannah Arendt zetten hem weer op het juiste spoor. Hij begint te beseffen dat de dagelijkse dingen alleen betekenis voor hem krijgen als hij bezig is met het schrijven van een boek, zijn verdikking van de tijd, zijn persoonlijke voetbalwedstrijd om ‘de dood eventjes radicaal op afstand te houden’, en dat het belang van zijn werk ligt in het belang van vuurvliegjes in de nacht, nl. het afgeven van een signaal, iets kleins en zeldzaams zoals die schitterende schijnbeweging van Cruijff of dat wonderschone doelpunt van Maradonna, kortom, het scheppend bezig zijn om anderen wellicht een moment van gelukzaligheid te schenken in hun persoonlijke voetbalwedstrijd.

    Het boekje van Toussaint is een fraai gecomponeerd kleinood. Je leest het en herleest het, niet omdat het moeilijk leesbaar is, maar wel om de schoonheid van de gedachte goed tot je te nemen en je te laten nadenken over je eigen kijk op het leven.

     

     

  • Verbeelding

    Het Achtuurjournaal zou me zó op straat hebben kunnen aanschieten om te vragen wat mijn herinneringen waren aan de onlangs overleden musicus Nikolaus Harnoncourt. Ik zou ze hebben verteld over de eerste keer dat ik hem in levende lijve zag, zittend op het frontbalkon van het Amsterdamse Concertgebouw bij een concert waarin een geinig stuk van Misha Mengelberg werd uitgevoerd: Anatoloose. Hij vertrok geen spier.

    Ik zou hebben verteld over het moment dat ik op de Spiegelgracht voor de etalage stond van een inmiddels opgeheven boekhandel, en dat toen ik in gedachten de hoek omging en regelrecht in zijn armen liep. Zijn vrouw, de violiste Alice Harnoncourt, moest er hartelijk om lachen. Hij vertrok geen spier.

    Maar ik zou zeker níet hebben verteld van de gênante ervaring toen ik uitgerekend op Palmzondag 1975 een afspraak had gemaakt met een collega. Ik was volwassen, maar kreeg een uitbrander van mijn ouders: hoe kon ik dát nu doen, nu Harnoncourt voor ’t eerst Bachs Johannespassion in het Amsterdamse Concertgebouw dirigeerde! Sterker nog: de Johannespassion zo afstofte en tot een onvergetelijke, diep indringende belevenis maakte. Een Historische Gebeurtenis.

    Enkele jaren later had ik een kaartje gekocht voor de traditionele Palmzondaguitvoering van die andere Passion van Bach, de Matthäus. Harnoncourt zou de uitvoering leiden, maar had afgezegd en werd vervangen door Ton Koopman. Er gingen allerlei geruchten over het waarom hij had afgezegd. Maar dat zou ik het journaal weer niet aan de neus hangen. Of ik de meester uit Wenen ooit wel eens in het ‘echt’ heb zien dirigeren, is daarmee nog maar de vraag.

    Ik betwijfel of het Achtuurjournaal zou vragen wat Harnoncourt nu eigenlijk voor de muziekwereld heeft betekend. (En eigenlijk überhaupt of zijn dood het journaal heeft gehaald). De tijd ervoor zou te kort zijn, het antwoord zou volgens de redactie waarschijnlijk teveel van de kijkers vragen. Vast staat dat hij een groot musicus was die een enorme invloed heeft gehad op de manier van uitvoeren van met name oude muziek die decennia lang ‘het’ ijkpunt was van alles wat op dit terrein gebeurde.

    Het is niet zoals Philippe Claudel over zijn roman Het verslag van Brodeck zei: dat het zomaar zou kunnen dat enkele van zijn personages niet hebben bestaan en evengoed aan de verbeelding van de hoofdpersoon kunnen zijn ontsproten. Harnoncourt heeft echt bestaan, al betwijfel ik zelf of ik hem ooit heb zien dirigeren. Ik zag hem in ieder geval op het frontbalkon in het Concertgebouw, op straat en op televisie natuurlijk. En ik erfde zijn cd-opnamen van mijn vader. Vooral die houden hem levend. En daar gaat het uiteindelijk om.