• Een lekker tussendoortje

    Een lekker tussendoortje

    Jean Echenoz is een Franse auteur die in 1999 voor zijn roman Ik ben weg de Prix Goncourt won. Geen kleine jongen dus. Hij waagde zich eerder, naast romans, verhalenbundels en novellen, aan boeken over bijzondere personen (Maurice Ravel, Emile Zatopek, Nikola Teska). Echenoz wordt gerekend tot de grootste moderne Franse schrijvers.

    De spionne is een soort detective. Soort, want deze roman voldoet niet aan de clichés die bij dit genre horen. Hier geen butler die het gedaan heeft of een massamoordenaar en allerlei gruwelijke details.
    De roman beschrijft hoe Constance, een onschuldige en naïeve jongedame, wordt gekidnapt in opdracht van een oude generaal van de geheime dienst door twee op zijn zachtst gezegd nogal idiote geheim agenten, een soort Jansen en Janssen, de stuntelige detectives uit Kuifje.
    Gedurende de tijd dat ze is gekidnapt moet Constance voorbereid worden voor een geheime missie in Noord-Korea, waar ze een hooggeplaatste Koreaan moet verleiden om hem geheimen te ontfutselen.

    Ruim de helft van het boek gaat over deze voorbereiding. Constance weet absoluut niet waar het allemaal over gaat, maar laat zich de aandacht en de verzorging door Jansen en Janssen geduldig welgevallen: ze geniet er zelfs van en heeft, terwijl ze de kans krijgt, niet de neiging om te ontsnappen.
    Uiteindelijk komt ze in Noord-Korea terecht en in contact met de Koreaan die de geheime dienst op het oog had. Maar door allerhande amateurisme en de archaïsch aandoende methoden van de geheime dienst mislukt de operatie. En dan moet Constance uit Noord-Korea zien weg te komen.

    Je zou bijna gaan denken dat Echenoz moet hebben voorzien dat Noord-Korea zo in het centrum van de belangstelling zou komen te staan. Hij heeft zich heel goed ingelezen over dit geheimzinnige land. Hij beschrijft het land alsof hij er zelf is geweest.

    Hoe moet deze roman gekarakteriseerd worden? Tegenwoordig wordt aan dit soort boeken nogal eens het predikaat ‘literaire thriller’ gegeven. Dat is De spionne zeker niet. Het is een virtuoze en hilarische parodie op een genre dat veel liefhebbers heeft. De vraag is of deze lezers ook van dit boek zullen genieten. Er zitten veel onwaarschijnlijkheden in, waar het schrijfplezier en de humor weliswaar van afspatten, maar die waarschijnlijk niet gewaardeerd zullen worden door de lezers van de traditionele detective. Het is te weinig een puzzel en te veel een demonstratie van: ’Kijk mij eens leuk, humoristisch en virtuoos een boek in elkaar zetten’.

    De verteller in deze roman spreekt regelmatig buiten het verhaal om de lezer aan om allerlei zaken uit te leggen of te verklaren. Dat is leuk, vooral omdat Echenoz daarmee de lol van het schrijven benadrukt en aangeeft dat we alles maar niet al te serieus moeten nemen.
    Echenoz geeft in deze terzijdes ook heel veel en heel vaak informatie over bus-, trein- en metrolijnen, over de departementen in Parijs, over de looptijd tussen twee locaties, wat het tempo en het ritme van de roman niet ten goede komt.

    Zou je deze roman tot ‘de literatuur’ kunnen rekenen? Los van het feit dat niemand nog duidelijk heeft kunnen maken wat dat precies is, is dit boek daarvoor wat teveel uit de losse pols geschreven. Natuurlijk: mix avonturen in een land dat midden in de belangstelling staat met een aantal hilarische avonturen, gooi er een parodieus sausje over, hanteer een inderdaad behoorlijk virtuoze stijl, meng er een scheutje seks, spanning en sensatie (een afgesneden vinger!) doorheen, waarmee je laat zien dat je alle aspecten van het schrijverschap beheerst en je hebt zo’n roman.
    Maar toegegeven: De spionne leest lekker weg en is een heerlijk tussendoortje.

     

     

  • En toen was het oorlog

    Zo fiets je op je vrije zaterdagmiddag nog door de ruisende velden van de Vendée, en zo sta je tot je enkels in de modder van de loopgraven met een ransel die niet te tillen is. Vóór je bevindt zich de vijand, achter je sluiten de rijen zich met gendarmes die geen desertie dulden en naast je kruipen de ratten. Dit is het verhaal van Anthime, een eenvoudige boekhouder in een schoenenfabriek, die in dienst moet en van de ene op de andere dag terecht komt in een wereld waarin de enige zekerheid de onzekerheid van je bestaan is. Met 14, zijn nieuwste novelle, laat Jean Echenoz zien hoe zoiets groots als een oorlog in feite al snel heel alledaags wordt. Dit is de Eerste Wereldoorlog door de ogen van de gewone Fransman.

    Alleen al de manier waarop de oorlog voor Anthime en zijn vrienden begint lijkt terloops. Iedereen hield wel min of meer rekening met zoiets als de mobilisatie, maar ‘dat het op een zaterdag zou gebeuren’ had Anthime nooit verwacht. Overbluft door de gebeurtenissen laten Anthime, drie van zijn vrienden die hij kent uit het café en de arrogante onderdirecteur van de schoenenfabriek, Charles, zich meesleuren door wat er van ze wordt verwacht. Tijd voor veel heftige gevoelens is er bij hun vertrek niet, al vraagt Anthime zich wel af of hij Blanche ooit terug zal zien. Hoewel zij een relatie heeft met Charles lijkt ze toch een bijzondere belangstelling voor Anthime aan de dag te leggen, maar de oproep zet alles in de wacht. Leven in oorlogsjaren draait om wachten, zo komt heel sterk naar voren in 14: niet alleen voor de soldaten, die soms dagen aaneengesloten marcheren zonder precies te weten waarheen, maar evenzeer voor hen die achterblijven. Ze wachten op hun mannen, hun zonen, broers en neven, die soms terugkeren als onherkenbaar verminkte schimmen, maar nog veel vaker helemaal niet terugkomen. De willekeur regeert, net als de onmacht.

    En het is precies deze afwachtende en schouderophalende houding van de personages, die 14 tot zo’n treffende novelle maakt. Echenoz schept mensen van vlees en bloed: wat zou iemand als jij of ik doen als de oorlog komt? Dat Echenoz bedreven is in het tekenen van prachtige portretten heeft hij ook eerder laten zien in zijn ‘biofictionele’ trilogie, waarin hij componist Maurice Ravel (Ravel), wetenschapper Nikola Tesla (Flitsen) en hardloper Emil Zatopek (Hardlopen) onder de loep neemt. Maar waar het in die trilogie ging om bekende figuren, is het hier juist het portret van de nobody die bewondering oproept. We weten eigenlijk vrij weinig van de hoofdpersonages – ze zijn zo onbeduidend, zo normáál, dat er simpelweg weinig meer te vertellen valt – en toch is dat afdoende.

    Bovendien staat tegenover deze summiere informatie over de hoofdpersonages een uiterst gedetailleerde manier van vertellen. Met een voelbaar genoegen doet Echenoz de stinkende, lawaaiige en oogverblindende oorlog uit de doeken. Exemplarisch is de beschrijving die hij geeft van de bepakking van een soldaat, waar hij zo’n drie pagina’s voor uittrekt:

    Daarna aten ze, sliepen ze, vertrokken weer onder klaroengeschal na zich te hebben uitgerust met geweer, weitas en veldfles dwars over de borst, patroontas aan de koppelriem en allereerst de ransel weer op de rug, model 1893 bijgenaamd ‘ruitenaas’, waarvan de infrastructuur een houten raamwerk met een omhulsel van dik linnen was, van wagongroen tot mahoniebruin. (…) De ransel woog aanvankelijk, leeg, maar zeshonderd gram. (…) Het geheel van dat bouwwerk kwam dan minstens rond de vijfendertig kilo te liggen, bij droog weer. Voordat het dus begon te regenen.’

    In deze laatste zin schuilen de ironie en droge humor die zo typisch zijn voor Echenoz. Hij laat zich niet meeslepen door het drama van de oorlog, maar observeert en relativeert. Natúúrlijk is de oorlog een traumatische ervaring, maar weet je wat ook vervelend is? Dat dat nieuwe helmkapje zo oncomfortabel zit en steeds afglijdt, en zelfs zoveel hoofdpijn veroorzaakt dat de soldaten het maar ‘beginnen te gebruiken voor culinaire doeleinden, om een ei te bakken of als extra soepbord.’

    Ook wanneer Anthime gewond raakt door een granaatscherf (voor een zeer beeldende beschrijving van een afgerukte rechterarm bladert u naar pagina 80) vervalt de schrijver niet in emotionele bewoordingen:

    ‘Vijf uur later werd Anthime in het veldhospitaal door iedereen gefeliciteerd. Ze lieten allemaal blijken hoe jaloers ze waren op die goeie kwetsuur, een van de beste die je je kon voorstellen – die weliswaar ernstig was en je blijvend invalide maakte, maar in wezen niet ernstiger dan allerlei andere, en waar iedereen naar hunkerde omdat het er zo een was die je voorgoed bij het front vandaan kon houden.’

    Anthime is nauwelijks opgelucht dat hij de ‘stinkende opera’ van de loopgraven kan verlaten en lijkt er vrijwel niet bij stil te staan dat een verloren arm hem het leven redt. In plaats van blij te zijn met de mogelijkheden die zijn verwonding hem biedt – zoals een leven met Blanche, nu Charles niet meer in beeld is – wordt Anthime volledig in beslag genomen door zijn verloren rechterarm en de fantoompijn. Hoe moet dat nu met veters strikken?

    En zo blijkt dat de oorlog geen helden creëert, geen grootse verhalen oplevert en niet gaat over nationale trots. De oorlog is niets dan willekeurigheid, is terug te brengen tot een persoonlijk verlies. Een geamputeerde natie? Een geamputeerde arm, een geamputeerd gezinsleven, dáár gaat het over. En over hoezeer het leven je soms overkomt.

    Hoewel er het afgelopen jaar een ware hoos aan Eerste Wereldoorlogliteratuur verschenen is en Echenoz geenszins pretendeert iets toe te voegen aan de gigantische stapels over het onderwerp, is 14 een novelle die niet ongelezen mag blijven. Het doet pijn, deze oorlog vol dood, verderf en stank, maar wordt op zo’n beheerste en ironische manier beschreven, dat je ervan geniet. Schurend, hilarisch en geenszins alledaags. En – dat moet gezegd – een prachtige vertaling van Martin de Haan.


  • Oogst week 4

    Door Ingrid van der Graaf

    Er verschijnt veel poëzie deze eerste maand van 2015. Wellicht dat mooie poëzie dit  jaar wat in evenwicht kan zingen. En een novelle van de Franse auteur Jean Echenoz.

    Classicus, dichter, essayist en poëziecriticus, Piet Gerbrandy (1958) publiceerde verschillende dichtbundels die niet onopgemerkt zijn gebleven. Zijn debuutbundel Weloverwogen en onopgemerkt (1996) kreeg de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. De in 2013 verschenen bundel Vlinderslag werd bekroond met de Jan Campertprijs 2014 en is genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2015. Voor zijn gehele oeuvre ontving Piet Gerbrandy in 2005 de Frans Kellendonkprijs. Het moment dus om dit jaar het complete poëziewerk van Gerbrandy onder de aandacht te brengen. Gerbrandy zoekt in zijn latere poëzie de grens van de vorm op en zit daar zo tegenaan te dringen dat zijn gedichten uit de voegen barsten. Je kunt wel spreken van een uniek en eigenzinnig oeuvre, dat het zeer waard is om in zijn gehele ontwikkeling te volgen. Alle gedichten van Gerbrandy worden nu  uitgebracht in de bundel Voegwoorden, Blz.: 672, bij Atlas/Contact voor € 39,99.

    normal_pac_9789044534795_cvrDe novelle 14 van Jean Echenoz, speelt rond het uitbreken en tijdens de Eerste Wereldoorlog. De boekhouder Anthime leidt een geregeld leven: doordeweeks werken, de weekenden brengt hij in het café door. Hij toont grote interesse in Blanche, de dochter van zijn baas die al een relatie heeft met Charles, de onderdirecteur. Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit en worden beiden, Charles en Anthime naar het front gestuurd. Dan laat zich denken wat  daar zich tussen beide rivalen ontwikkelen zal. Echenoz (1947) won in 1999 de prestigieuze Prix Goncourt voor Ik ben weg. In het Nederlands verscheen eerder zijn trilogie over bijzondere personen: de componist Maurice Ravel (Ravel), de atleet Emil Zátopek (Hardlopen) en de uitvinder Nikola Tesla (Flitsen). Echenoz wordt gerekend tot de grootste Franse schrijvers van de laatste drie decennia. 14, vert. Martin de Haan, Blz: 128, De Geus kost € 15,95.

     
    Van Gasse - Zand op een zeebed JPG voor websiteVan de Vlaamse beeldend kunstenaar en dichter Lies van Gasse (1983) verscheen een nieuw ‘graphic poem’ met schitterende schrijf- en schildertechnieken. Van Gasse is één van de actiefste jonge stemmen in de Vlaamse poëzie. Ze ontwikkelde een schitterende verteltechniek door middel van geschilderde afbeeldingen en het geschreven woord.
    In Zand op een zeebed is een vrouw in de hectiek van het grote stadsleven op zoek naar de essentie van het menselijk bestaan. Blz: 176, uitgegeven bij de Wereldbibliotheek en kost: € 29,95.

     

    9200000030108015Ellen Deckwitz (1982) was Nederlands Kampioen Poetry Slam in 2009. Met haar debuut De steen vreest mij won ze de C. Buddingh’-prijs. Van haar is ook deze prachtige strofe uit het gedicht 1948, Siboga, dat in de eerste editie 2014 van Het Liegend Konijn werd opgenomen: ‘(…) de doden groeien met je mee. En we noemen / het pas afgesloten als we er niet meer bij kunnen.’ Nu te vinden in haar nieuwe bundel De blanke gave, waarin ze een wereld beschrijft van oprukkend water. Waarin de A2 verandert in een kalm en groot kanaal en moeders hun kinderen op het droge slepen. ‘Want wat kun je met een land waarin de krant niet meer is dan een sudoku met wat foto’s eromheen, en er achter iedere voordeur geheimen schuilgaan?’ Uitgegeven bij Atlas/Contact en kost: € 15,00.

  • Puzzelstukjes voor de vrede

    Puzzelstukjes voor de vrede

    Was het een arrogante egocentricus? Een verlegen onderzoeker? Een geniale ziener? Was hij zweverig? Naïef? Een ongeleid projectiel? Een moedige wetenschapper?Waarschijnlijk had hij van alles wel wat, maar viel hij niet met één van die karakteriseringen samen: Gregor, de hoofdfiguur van Flitsen van Jean Echonoz, gebaseerd op het leven van Nikola Tesla.

    Het is de derde opeenvolgende roman van de Franse schrijver (1947), waarin hij het leven van een historisch persoon tot uitgangspunt neemt voor een novelle. De drie zijn in Nederland verschenen onder de titels Ravel (2007), Hardlopen (2011) en nu dus Flitsen. Ging het in Ravel om diens aftakeling in zijn laatste levensjaren en in Hardlopen om de vraag hoe het was voor Emile Zatopek een succesvol hardloper te zijn onder een communistisch regime, in Flitsen gaat het opnieuw om iemand die gemeten naar een aantal van zijn prestaties een grootheid is, maar wiens schaduwkanten en omstandigheden diens biografie een heel andere kleur geven.

    Nikola Tesla, Gregor dus in de roman, werd in 1856 geboren in Kroatië in de nacht van 9 op 10 juli. Maar of hij op de 9de of de 10de ter wereld kwam is niet bekend. Volgens Echenoz eiste die nacht een noodweer zo de aandacht op dat niemand eraan dacht het geboorteuur te noteren. De rest van zijn leven zal Gregor bijna maniakaal met tijd, getallen en elektriciteit (onder andere bliksem) bezig zijn. Hij blijkt al snel geniaal. Hij ziet in zijn hoofd te ontdekken apparaten al in werking nog vóór er maar een model van is uitgetekend. Dat maakt ook dat hij moeilijk kan samenwerken met wetenschappers die zijn snelheid van denken niet delen.

    In 1884 komt hij in Amerika in dienst van Edisons bedrijf General Electric. Als Edison tegen problemen oploopt door de beperkte mogelijkheden van gelijkstroom, maakt hij misbruik van het vertrouwen van Gregor, die de oplossing vindt in de toepassing van wisselstroom. Gregor voelt zich bedrogen en stapt over naar de concurrent George Westinghouse, een bedrijf dat in korte tijd rijk wordt door Gregors vindingen. Westinghouse geeft hem alle ruimte voor experimenten, maar raakt financieel in problemen als het op basis van het arbiedscontract gigantische vergoedingen aan hem moet betalen. Het dreigt zo ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Gregor ziet op verzoek van Westinghouse echter af van zijn financiële aanspraken, blij als hij is met alle ruimte die hij van zijn baas krijgt. Het is niet de eerste, maar vooral ook niet de laatste keer dat hij een ongelooflijke naïviteit aan de dag legt. Hij blijkt een groot natuurkundige, maar een slecht zakenman. Voor tal van uitvindingen legt hij de rechten zo slecht vast dat later anderen er stinkend rijk van worden en hijzelf armlastig achterblijft.

    Hij snapt de wereld om hem heen niet, zoals in het geval van het in zijn ogen haalbare idee om een energievoorziening op te zetten waar de hele wereld gratis gebruik van kan maken. Wat hij vergeet is dat de geldschieters voor de ontwikkeling van dat idee de uiteindelijke bedoeling hebben om er winst op te maken en niet om iedereen er gratis van te laten profiteren.
    Een ander voorbeeld is zijn uitvinding van een massaal vernietigingswapen dat zo dodelijk is dat het alleen als afschrikking kan dienen. Om de zes machtigste staten ter wereld te dwingen tot vredesakkoorden knipt hij zijn idee letterlijk in zes stukken die hij aan deze zes landen verstuurt. Ze hebben pas wat aan hun eigen puzzelstukje door met de vijf andere staten te overleggen. Maar tot zijn teleurstelling komt er van geen enkel land een reactie.

    En de wereld snapt hem niet: als hij de Amerikaanse marine een hulpmiddel aanbiedt wordt dat als té fantastisch afgedaan. Pas jaren later zal in de marine de radar zijn intree doen, de uitvinding die Gregor destijds had aangeboden.

    Uiteindelijk komt Gregor steeds meer alleen te staan. Jaloezie van anderen ondergraaft zijn leven. Uit smetvrees, maar ook uit angst voor vrouwen is hij al nooit een individuele relatie aangegaan, maar terwijl zijn schulden oplopen verliest hij ook de mensen die hem af en toe nog wel uit de brand wilden helpen. In zijn hoofd gaat er dan ook wat mis. Hij had al eens beweerd contact te kunnen maken met marsmannetjes, maar nu hij zich terugtrekt in een leven met duiven (hij richt op zijn hotelkamertje een kliniek voor die beesten in en raakt op één duif zelfs verliefd), wordt hij door iedereen uitgelachen. In 1943 sterft Gregor in eenzaamheid, na een auto-ongeluk waarin de duiven een rol spelen. Pas na een dag of drie wordt hij gevonden.

    Echenoz blijft in zijn vertelling dicht bij de feiten uit het leven van de historische Nikola Tesla, maar het gaat hem niet om de feiten zelf. De roman (beter: de novelle, want net als de boeken over Ravel en Zatopek beperkt de auteur zich tot ongeveer 150 pagina’s) somt ze slechts op wanneer dat te pas komt, maar Echenoz probeert vooral in ’s mans hoofd en ziel te kijken. Hij is daarbij tevens de voorzichtige commentator met sympathie voor zijn hoofdfiguur: ‘Gregor is onsympathiek, ik weet het, zo onaangenaam dat hij voor ons gevoel misschien wel zijn verdiende loon krijgt, maar toch’.

    Echenoz serveert ons de geschiedenis op een lichtvoetige, zelfs humoristische manier alsof je met hem op een terrasje zit. Zonder diepzinnige zinnen. Zonder grootsheid van stijl of taal. En toch bereikt hij dat de complexe levensloop van zijn ‘held’ lang blijft hangen.