• Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Uit de ondertitel van de verhalenbundel Kwaidan – Japanse spookverhalen van de Grieks-Ierse schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904) weten we dat het om spookverhalen gaat. Heel erg spookachtig zijn ze niet, eerder zijn het grimmige sprookjes. Japanse sprookjes en legendes die vaak al eeuwenoud zijn en mondeling overgeleverd werden. Het is dankzij Hearn, die ze in het Engels opschreef, dat ze een weg vonden buiten Japan. Na vele omzwervingen over de wereld kwam Hearn op zijn veertigste in Japan terecht, eerst als journalist, later werd hij leraar Engels. Hij voelde zich er thuis. Hij ontmoette zijn Japanse vrouw, een dochter van een vooraanstaande Japanse Samoerai-familie, en werd ineens een insider. Hearn raakte – inmiddels meer dan honderd jaar geleden – gefascineerd door de Japanse mythologie en folklore. Gemengd met zijn herinneringen aan zijn Griekse en Ierse jeugd schreef hij de verhalen in zijn eigen woorden op. Ze werden weer vertaald naar het Japans en worden nog steeds gezien als klassiekers.

    Zingen voor zielen

    Het openingsverhaal Mimi-nashi-Hôichi zet meteen de toon; zevenhonderd jaar geleden werd de laatste zeeslag geleverd tussen twee clans, de Heike en de Minamoto-clan. ‘De Heike kwamen daarbij jammerlijk om het leven, samen met hun vrouwen en kinderen en ook hun kindkeizer. (…) En al zevenhonderd jaar spookt het op die zee en aan die kust.’ Er zijn vreemde krabben te vinden, de zogenaamde Heike krabben, met een mensengezicht op hun rug, het zouden de geesten van de Heikekrijgers zijn. Er is ook een begraafplaats aangelegd op de kust met een gedenkteken van de verdronken keizer en zijn vazallen. Hôichi, een blinde bard, leefde een paar honderd jaar later. Hij was een begenadigd zanger en beroemd omdat hij de geschiedenis van de zeeslag zo voortreffelijk kon voordragen. Op leeftijd gekomen leefde hij in een klooster en werd beschermd door een priester. Op een dag werd hij opgehaald door een vreemdeling die hem meenam naar zijn hooggeplaatste meester. Die wilde Hôichi’s voordracht horen. Hôichi zong en speelde met zijn luit de sterren van de hemel. Om hem heen prevelden stemmen: ‘Wat een kunstenaar.’ ‘Nooit is er in onze provincie zulke geweldige muziek gehoord.’ En Hôichi speelde maar wist niet welke monsters hij voor zich had. Hij zat op de begraafplaats en speelde voor hun dolende geesten. Langzamerhand raakte hij uitgeput, de priester kwam hem redden, maar toen was het eigenlijk al te laat.

    Schuld en trouw

    Oshidori is ook zo’n prachtig betekenisvol verhaal. De jager Sonjô had honger en schoot het mannetje van een mandarijneendenpaartje dood. Volgens de noot, waar de verhalen rijkelijk van zijn voorzien, zijn mandarijneenden in het verre oosten van oudsher een symbool voor huwelijkse liefde. De vrouwtjeseend, verteerd door verdriet, bezocht Sonjô in zijn dromen en huilde zo smartelijk, dat hij het gevoel had dat zijn hart uit zijn lijf werd gerukt. De volgende dag zag hij de vrouwtjeseend weer en met haar doordringende blik op hem gericht deed ze zichzelf iets aan. Sonjô voelde zich zo schuldig dat hij monnik werd.

    Menselijke spookverschijningen

    De verhalen zijn kort en helder geschreven met veel poëtische vertalingen van Japanse gedichtjes en Haiku’s. Ze gaan over trouw en eer, religie en ronddwalende zielen als spookverschijningen, die zich voordoen als een mens, zoals de Heike krab met een mensengezicht op zijn pantser, of een ranke schoonheid die als ze zich omdraait een monster blijkt te zijn. Of een kersenboom die al honderden jaren bloeit op 16 januari. Hearn is gefascineerd door die verpersoonlijking van natuurverschijnselen.

    Zielen van overledenen zwerven graag rond in Hearns vertolkingen, zoals de overleden vrouw die iedere nacht iets kwam zoeken in haar oude huis en daarmee haar kinderen angst aanjoeg. Ook dromen, als uiting van het onderbewustzijn, spelen een rol. Een man beleefde drieëntwintig jaar een heerlijke droom, uiteindelijk bleek deze slechts een paar minuten te hebben geduurd, maar dan vindt hij een bewijs van iets dat in zijn droom plaatsvond. Al is het slechts het dode lichaam van een vrouwtjesmier.

    Een Samoerai met uitzonderlijke lichaamskracht wordt monnik – ‘een wolk en waterreiziger’. Om een gezin te behoeden voor het kwaad, hakt hij het hoofd af van een ‘rokuro-kubi’, een monster met een uitgerekte hals. Bij deze monsters kan het hoofd terugkeren naar het lichaam, zolang dat niet verplaatst wordt. Precies dat doet deze dappere monnik, het lichaam verplaatsen, maar dan bijt het hoofd met de angstaanjagende gelaatsuitdrukking zich aan hem vast en zit hij er voortaan mee opgescheept. Welgemoed neemt hij het hoofd mee op zijn reizen, tot hij er afstand van weet te doen. In die zin zijn de verhalen ook humoristisch.

    Insectenstudies

    De zeventien spookverhalen worden afgesloten met drie insectenstudies. De eerste gaat over vlinders. Veel symboliek over vlinders komt overigens uit China, zegt Hearn. ‘In de Japanse overlevering kan een vlinder echter zowel de ziel van een dood als van een levend iemand zijn. Zielen hebben zelfs de gewoonte een vlindervorm aan te nemen om aan te kondigen dat ze definitief het lichaam hebben verlaten; en daarom moet elke vlinder die een huis binnenkomt altijd vriendelijk tegemoet worden getreden.’
    Opgenomen zijn een prachtige Haiku en het gesprek met een vlinder, beide poëtisch door Hearn verwoord.

    In de tweede insectenstudie gaat Hearn in op ‘Muggen’, een hilarisch verhaal, want de muggen leggen hun eieren in zogenaamde ‘mizutanes’, langwerpige waterbakjes, en bloembakken waarvan er duizenden zijn te vinden op de boeddhistische begraafplaats achter Hearns huis. Met andere woorden, hij wordt geteisterd door de muggen en zint op een manier om van ze af te komen.

    Mieren is de derde studie en verreweg het interessantst. Het essay begint met een man die met een crème op zijn oren de gesprekken tussen mieren kan verstaan. Hearn bestudeert de Cambridge Natural History en beschrijft naar aanleiding daarvan de opmerkelijke verschijnselen in het leven van mieren. Mieren verstaan de kunst van het samenleven in maatschappijen in veel opzichten beter dan onze eigen soort en ‘zijn ons ver vooruit in de verwerving van bepaalde kundes en kunsten die sterk bevorderlijk zijn voor het maatschappelijk leven.’ Vervolgens schept hij de sociale maatschappij van een mierenvolk met: ‘Ontzagwekkend fatsoen, de vreselijke moraliteit van de mier. (…) Vergeleken bij de ethiek van de mier schieten onze aantrekkelijke gedragsidealen minstens miljoenen jaren tekort.’

    In het persoonlijke nawoord van kunstenares en schrijfster Jannie Regnerus, die in 2000 een jaar in een artist residence in Japan woonde, vertelt ze hoeveel ze heeft gehad aan Hearns gids, die haar met zijn heldere en poëtische beschrijvingen hielp de Japanse wereld betekenis en reliëf te geven. Dankzij de uitstekend lezende vertaling uit het Engels door Barbara de Lange zijn Hearns Japanse spookverhalen een luchtige leeservaring voor het slapengaan. Ze zijn ook interessant voor de beeldvorming van Japanse, en Chinese, oude cultuur.

     

  • Oogst week 44 – 2024

    Oogst week 44 – 2024

    Waarom het kind in de polenta kookt

    In Waarom het kind in de polenta kookt van de van oorsprong Roemeense Aglaja Veteranyi (1962–2002) komt de achtergrond van de schrijfster herkenbaar naar voren. Haar familie vluchtte tijdens het regime van Ceauşescu naar Zwitserland. Omdat haar ouders beide circusartiest waren, was de familie altijd onderweg en overal een buitenstaander, met alle problemen van dien. Ze bleven niet alleen in Zwitserland, maar reisden ook door Europa, Afrika en Zuid-Amerika. Hierdoor bleef Veteranyi lange tijd analfabeet. Toen ze weer terug was in Zwitserland leerde zij zichzelf Duits lezen en schrijven. Dat werd ook de taal waarin ze schreef.

    Waarom het kind in de polenta kookt uit 1999 is haar debuut. Het was meteen een groot succes. Het is een coming-of-age roman die gaat over twee zusjes in een Roemeense circusfamilie. Zij maken zich elke dag zorgen om hun moeder die elke avond in de trapeze hangt. Om die zorgen te vergeten, vertellen ze elkaar verhalen die soms erg gruwelijk worden.

    Aglaja Veteranyi pleegde in 2002 zelfmoord

     

     

    Waarom het kind in de polenta kookt
    Auteur: Aglaja Veteranyi
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers (2024)

    Ik wens mijn huis as 

    Darja Serenko (1993) is een Russische dichter, curator en politiek activist. Zij is medeoprichter van de Feminist Anti-War Resistance (FAS)-beweging die in februari 2022 opgericht werd als protest tegen de Russische invasie van Oekraïne. Al snel had de organisatie veel aanhangers. Nog geen jaar later wordt de FAS in Rusland als ‘buitenlands agent’ betiteld, maar krijgt daarna ook de Vredesprijs van Aken 2023.
    Vanwege een bericht op social media om steun te betuigen aan Alexsej Navalny krijgt Serenko 15 dagen celstraf. In die dagen begint ze aan Ik wens mijn huis as. Momenteel woont zij in Georgië.

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee afzonderlijke delen: Meisjes en instituties (2021), dat gebaseerd is op eigen ervaringen, en Ik wens mijn huis as (2023), waarin zij haar verblijf in de gevangenis centraal zet.

    Eva Hartog gaat op 1 november a.s. in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag met Serenko in gesprek. Hartog woonde en werkte jarenlang als correspondent in Rusland. In 2023 kreeg zij te horen dat ze dat land uit moest. Ze is als journalist verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer en Time Magazine.

    Ik wens mijn huis as 
    Auteur: Darja Serenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Kwaidan

    Kwaidan zijn Japanse spookverhalen en legendes. De schrijver van deze bundel Kwaidan werd in 1850 in Griekenland geboren als Patrick Lafcadio Hearn. Zijn vader was Iers, zijn moeder Grieks. Na zijn jeugd in Dublin emigreerde hij op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten, werd journalist en kwam uiteindelijk als correspondent terecht in Japan waar hij het staatsburgerschap kreeg en hij de rest van zijn leven zou blijven. Zijn Japanse naam is Koizumi Yakumo.

    Kwaidan bevat huiveringwekkende spookverhalen die gebaseerd zijn op Japanse folklore maar ook vol zitten met herinneringen aan de eigen spookachtige jeugd van de auteur in Ierland. Het wordt bevolkt door allerlei angstaanjagende en enge wezens.

    Het is een verzameling verhalen geworden die inmiddels tot de Japanse klassiekers behoort. Kwaidan is door Barbara de Lange vanuit het Engels vertaald, en is voorzien van een nawoord door Jannie Regnerus. Specifieke Japanse begrippen worden in noten onderaan de pagina toegelicht.

    Kwaidan
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)
  • Een zorgvuldig gebouwd werk

    Een zorgvuldig gebouwd werk

    Jannie Regnerus is een schrijver met een klein, zorgvuldig geschreven en fijn oeuvre, waarvan Het Wolkenpaviljoen de laatste uitgave is. Voorheen verschenen onder meer Het lam, De ent en Nachtschrijver, korte maar grote romans met grote thema’s. En haar verslag van haar verblijf van een jaar in Japan heet niet voor niets Het geluid van vallende sneeuw, waarmee ze al aangeeft waar het haar om gaat: niet om grote gebaren, maar om gevoel en stijl, om esthetiek en schoonheid, om zen. 

    Het wolkenpaviljoen sluit daar naadloos bij aan. Het is een kaal geschreven, bijna minimalistische roman, waarin veel is weggelaten, waardoor je veel kunt invullen en eigenlijk ook weer niet. Er staat geen overbodig woord in, maar om dit boek samen te vatten zijn nogal wat woorden nodig.

    Motto

    Regnerus is behalve schrijver ook beeldend kunstenaar en dat is goed te merken. Het begint al bij het motto, een citaat van de schilder Jan Mankes, die kale landschappen schilderde en van wie de wereld noodgedwongen steeds kleiner werd waardoor hij klein moest schilderen. Dat motto luidt: ‘Je kent de teedere kant van mijn werk … Ik voel de blijdschap om dat teedere het sterkst, als ik aan een vinkennest denk, met spinrag en korstmos op een Mei-ochtend’. Later in het boek wordt verwezen naar de schilderende stratenmaker Willem van Althuis, wiens landschappen ook al uitblinken door soberheid.

    Bouwen in betekenis

    Beide kunstenaars vinden we in de hoofdpersoon van Het wolkenpaviljoen terug. Architect Luut vraagt zich mistroostig af hoe zijn achtjarige dochter Tessel zich na de scheiding van haar ouders in twee huizen thuis kan gaan voelen. Jarenlang heeft Luut zorgvuldig gebouwd aan een huis voor zijn gezinnetje, maar als het huis klaar is, is zijn huwelijk voorbij. Luut verliest zijn vrouw, zijn huis en raakt ook zichzelf kwijt.

    Schuldgevoel ten opzichte van zijn dochter, onzekerheid over zijn rol in huwelijk en scheiding, een zekere mate van dakloosheid omdat hij zich nergens thuis voelt, spelen hem parten. Een architect bouwt, is constructief en een scheiding breekt af, maakt kapot, is destructief. Luut moet voor zichzelf weer een huis vinden waar hij zich thuis kan voelen. Daarover denkende komt hij ook in conflict met de architectuur in Nederland waardoor hij bovenal zichzelf terug dient te vinden. ‘Luut weigert nog langer mee te doen aan het opgejaagde bouwen, de huizen die hij ontwerpt krijgen geen tijd om te wortelen’.

    Toewijding

    De begrippen bouwen en wonen, je ergens thuis voelen, verblijven, verhuizen, een dak boven je hoofd, betekenis geven aan wat je bouwt, alles laat Regnerus aan de orde komen als een constante stroom in Luuts gedachten. Zijn vader was metselaar. Luut fantaseerde over hem dat hij een toren bouwde die hem elke dag een stukje dichter bij de wolken bracht, waar zijn vader een paviljoen ging bouwen. De Sagrada Familia van Gaudi is voor Luut een voorbeeld van toewijding omdat er generaties lang gebouwd wordt aan een zinvol project.

    Toewijding is in het werk van Regnerus een sleutelbegrip dat zij ook aan haar hoofdpersoon heeft meegegeven. Of je nu met zorg een stapel stenen metselt, vindt Luut, of een monumentje maakt van een gevonden steentje dat je zorgvuldig op een ander steentje legt, of dat er meer dan honderd jaar wordt gebouwd aan Gaudi’s kathedraal, het gaat om toewijding, zorg en aandacht.

    Japan

    Om met zichzelf in het reine te komen gaat Luut naar Japan, het land waar hij zich als student ook liet inspireren. Hij wil er daar achter komen waar zijn toekomst ligt, losbreken uit de heersende ideeën over architectuur en kijken hoe in Japan wordt omgegaan met bouwen, buiten en binnen, met duurzaamheid en met betekenis geven aan dat wat gebouwd wordt. Hij bezoekt de Ise Jingu-tempel die elke twintig jaar wordt afgebroken en op dezelfde manier weer opgebouwd. Daardoor worden de eeuwenoude constructietechnieken bewaard en doorgegeven. Dat inspireerde de jonge Luut eerder en hij hoopt daar nu weer perspectief  te vinden. ‘… moet hij terug naar Japan (…), niet om daar zijn verleden opnieuw te beleven maar er zijn toekomst terug te vinden’.

    Anekdotiek is in deze roman niet te vinden, tenzij je het verhaal van de duiven zo zou willen benoemen. Een in een verlaten fabrieksgebouw ingesloten duivenechtpaar heeft daar een nest gebouwd van restjes ijzer, zorgvuldig in rondingen verbogen. Het nest was prachtig , maar voldeed niet aan zijn doel: onderin lagen twee koude eieren.

    Onder de oppervlakte

    Regnerus geeft haar kijk op iemands plaats in het leven weer. Waar een mens verblijft is hij thuis en een thuis moet en kan iemand zelf bouwen. Het leven is te bouwen, steentje voor steentje. Elke gebeurtenis, elke gedachte, elke invloed draagt bij aan het bouwwerk van het menselijk bestaan.

    De lezer die deze roman oppervlakkig leest en alleen het verhaal tot zich neemt, zou het saai en vooral braaf kunnen vinden. Maar door de oppervlakte heen raakt je de schoonheid en de zorgvuldigheid waarmee Regnerus Het wolkenpaviljoen heeft gebouwd. Elk woord op de juiste plek, als een constructie waarvan iedere steen even belangrijk is. Het wolkenpaviljoen is een prachtig boek en Regnerus een schrijver die een veel groter publiek verdient.

     

    Lees hier het interview van Just Houben met Jannie Regnerus.

     

  • Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer

     

  • Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

    Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

    De Nachtwacht heeft zijn eigen vluchtweg uit het Rijksmuseum. Bij brand kan het enorme doek door een even enorme spleet via de passage onder het Rijksmuseum rechtstandig in veilige haven worden gebracht. Schijnbaar eenvoudig, maar heel ingenieus. Misschien wel een kwalificatie die ook opgaat voor de korte roman Nachtschrijver van Jannie Regnerus.

    Hannah werkt als restaurateur in het Rijksmuseum. Met een loep en engelengeduld haalt ze stukje bij beetje het vernis van doeken weg om ze vervolgens hun originele kleur en vernislaag weer terug te geven. Hoewel het natuurlijk altijd de vraag is of we ooit zullen weten wat de originele kleur toen was. We kijken tenslotte allemaal naar een schilderij waarvan wij aannemen dat het er nog zo uitziet als de schilder het bedoelde toen– zeker weten doen we het niet.

    Hannah raakt gefascineerd door een blinde dichter, ze noemt hem Blindman, die ook moet afgaan op hoe hij aanneemt dat de wereld eruit ziet. Hij heeft de wereld ooit gezien maar kan het licht en de kleuren van het land en de hemel slechts veronderstellen: ‘Hij beheert een klein Rijksmuseum in zijn hoofd (…) Zalen en depots gevuld met stillevens en landschappen, weilanden vol klaver en paardenbloem. (…) Misschien zijn de kleuren in Blindmans herinneringen zo intens omdat ze in beslotenheid van zijn verduisterde schedel worden bewaard, geen lichtstraal kan de pigmenten vergelen of verbleken.

    De reukzin en het gehoor zijn bij blinde mensen daarentegen veel beter ontwikkeld; ziende kun je dus juist ook van alles missen dat je als blinde maar al te goed registreert. Zo verhaalt Hannah over haar jeugd waarin ze eens met een blinddoek een plakje leverworst moest zoeken in huis. De truc: zo langzaam mogelijk lopen en elk zweempje geur inademen. Je zou Regnerus’ roman kunnen lezen als een subtiele kritiek op het 21-eeuwse chronisch jachtige leven waarin snelle prikkels en smartphones vooral gelukkig lijken te maken. Daar was de passage over het feit dat niemand naar buiten kijkt op de veerboot misschien niet eens voor nodig: ‘de meeste mensen zitten met het hoofd naar voren geknikt, kin op de borst, de ogen gericht op hun handpalm waarin een schermpje oplicht’. Ook zij zijn blind voor al het moois om hen heen, maar zonder het rijke binnenleven van de dichter als wisselgeld.

    Nachtschrijver is een korte roman, en ergens is het jammer dat we niet nóg meer fraaie zinnen van Regnerus kunnen lezen. Daar staat tegenover dat geen enkel woord overbodig is. De uiteindelijke ontmoeting tussen Hannah en Blindman lijkt in eerste instantie niet echt te zijn uitgewerkt. Voordat we Blindman eindelijk ontmoeten zijn we beland op pagina 92 van de 110. De lezer krijgt maar 20 pagina’s van de ontmoeting tussen Hannah en Blindman mee; de proloog meegerekend. Was het daar niet juist allemaal om te doen?

    Het kan bijna niet anders of dit is Regnerus’ eigen ingenieuze manier om dit op het oog tamelijk eenvoudige verhaal in veilige haven te brengen. Het hele boek bestaat als het ware uit de gesprekken met Blindman en de daaruit voortkomende inzichten, gelardeerd met mooie observaties over wat, onder andere, het zicht vermag. We nemen in retrospectief kennis van de manier waarop Hannah te weten komt wat Blindmans geschiedenis is. En nog in schitterend, bij vlagen zinnelijk proza ook. Nachtschrijver prikkelt alle zintuigen en maakt blindheid inzichtelijker.

  • Wanhoop van een moeder

    Wanhoop van een moeder

    Van Jannie Regnerus verschenen eerder boeken over verre landen zoals De volle maan als beste vriend dat in Mongolië speelt en Het geluid van vallende sneeuw, gesitueerd in Japan. Mooie verslagen van ontheemde mensen in een vreemde cultuur en omgeving. Hier excelleerde Regnerus door een mooie verteltrant, loepzuivere observaties en verstilde gedachten. Nu komt ze met een novelle over ziekte en dood. Opvallend genoeg is er de laatste jaren erg veel geschreven over dit thema. Thomése, Enquist, Van der Heijden, Aleid Truijens, Kluun en Peter Terrin, zij schreven over ziekte en dood. En ook de poëzie van Esther Jansma en Hester Knibbe was ervan doordrenkt. Gevaar van dit soort ‘bespiegelingsliteratuur’ is, dat het ‘menslich-alzumensliche’ verzandt in sentimentaliteit en onnodige uitwijdingen over détails, die voor de schrijver wellicht erg interessant waren, maar voor de lezer duidelijk minder.

    Regnerus valt direct met de deur in huis. Joris ziet een dood lam op een plein liggen. Symbool voor naderend onheil? Even later plast de vijfjarige jongen bloed. Moeder Clarissa raakt in een ontkenningsfase, maar gaat toch met haar zoon naar de dokter. Onderzoek volgt en daarna de onverbiddelijke diagnose. Joris heeft een tumor in zijn nieren, en zijn leven zal niet meer hetzelfde zijn. Wat volgt is een eindeloze reeks chemo’s en andere pijnlijke behandelingen om uitzaaiingen van het gezwel af te remmen. De moeder is in verwarring, maar raakt gaandeweg dat proces ook in depressies. Dat probeert Regnerus te schetsen door de waarnemingen van Clarissa steeds grijzer in te kleuren. Waar het kind ziek is en steeds meer terrein verliest, ziet Clarissa de wereld om zich heen instorten. ‘Ze naderen het ziekenhuis, een grijze kolos die als een zerk oprijst tussen de woonerven van een afgelegen stadswijk, lange rijen armoehuizen waar op iedere vensterbank symmetrie wordt nagestreefd.’ De verloedering en afbraak, maar ook het ontbreken van logica in ons soms verstoorde bestaan, vormen voor de moeder een onoplosbare brei, waaruit steeds de vraag opwelt: ‘Waarom treft ons dit vreselijke lot, in een aftakelende wereld?’

    Gelukkig heeft de moeder ook wel gevoel voor afstand en humor. Het feit dat op school de luizenmoeder in het weinige haar van Joris een luis heeft ontdekt viert ze thuis met taart. In ieder geval is er nog iets gewoons, aan haar zoon, wil ze zeggen.  Of ze stelt vast: ‘De ziekste mensen eten opvallend vaak een kroket en nemen zelf de kleur van mosterd aan.’ Maar de kikkervisjes van Joris groeien en groeien en moeten uiteindelijk het huis verlaten omdat kikkers niet worden gewenst. Uiteindelijk wil ze haar ten dode opgeschreven zoon Het Lam Gods van de gebroeders van Eyck laten zien in Gent. Een confrontatie waarbij Joris zijn mond volpropt met Belgische bonbons maar er verder weinig aan beleeft. Een symbolische daad van de moeder.

    Regnerus heeft het zich erg moeilijk gemaakt in deze novelle. De korte hoofdstukjes van vaak amper drie bladzijden zijn niet pregnant genoeg en de poging om het innerlijk behang van de moeder te schetsen komt niet overal uit de verf. Daarvoor ontbreekt het Regnerus aan virtuositeit. Een moedige poging is het wel.

     

    Het lam

    Auteur: Jannie Regnerus
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: €19,95