• Oogst week 12 – 2019

    Ware aard gedichten

    In de oogst van deze week twee dichtbundels en twee vertaalde romans.

    Jan-Willem Anker (1978) debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. In de daaropvolgende vier jaar verschenen er nog twee dichtbundels. En daarna was het stil. Tot in 2012 Anker kwam met zijn romandebuut Een beschaafde man. Die zeer goed ontvangen werd. In 2017 verscheen de roman Vichy en nu zijn nieuwste dichtbundel Ware aard.

    In Ware aard maakt de dichter de balans op. Er lijkt een bepaalde leeftijdsgrens te zijn bereikt waardoor mogelijkheden beperkt blijken. In deze bundel vraagt Anker zich af wat hij nog kan worden en vooral hoe hij (voorwaarts) zou moeten leven. In zijn poëzie probeert hij antwoorden te formuleren. Hij doet dat langs de weg van kleine autoriteiten als de Vader, de Europeaan, de Weesper, de Dichter. Maar ook door zijn verontrusting uit te spreken over het klimaat en de verrechtsing in de politiek. Een bundel die na deze laatste verkiezingen wel eens de vinger op de zere plek zou kunnen leggen.

     

    Ware aard gedichten
    Auteur: Jan-Willem Anker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Jacobsboeken

    De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962), won vorig jaar de Man Booker International voor de Engelstalige uitgave van haar roman Flights. De Man Booker International is een prijs voor Engelstalige literatuur waar Tommie Wieringa met zijn vertaalde De heilige Rita dit jaar ook voor genomineerd staat.
    Tokarczuk schreef twaalf romans, en wordt sinds 2011 bij De Geus uitgeven. Niet alles van haar werd nog vertaald maar De rustelozen (2007) wel. Een boek over vluchten, thuisloos zijn en de op zoek zijnde mens en voor de goede lezer lijkt het een voorbode te zijn van  het omvangrijke De Jacobsboeken dat deze maand verschenen is. Het gaat over een historische sekteleider, Jakob Frank (1726-1791) die  duizenden joden bekeerde tot het ‘frankisme’. Het is een allesomvattend boek geworden over het leven, religie en de mens.

    In Polen werd het enerzijds ontvangen als het literaire meesterwerk dat het is (Tokarczuk won er de belangrijkste Poolse literaire prijs mee en werd een bestseller). Maar het ontketende ook een ware hetze jegens Tokarczuk, vooral nadat zij op tv sprak over de zwarte bladzijden in de Poolse geschiedenis en dat het land deze onder ogen moest zien. Het werk haar niet in dank afgenomen, ze werd met haat overladen en moest een tijdlang beveiligd worden.

    De Jacobsboeken
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    Vallende tijd

    Het tiende deel van de Berberbibliotheek is een poëziebundel. De Berberbibliotheek werd in 2007 geïnitieerd door schrijver Asis Aynan en vertaalster Hester Tollenaar. Hoewel het een proza reeks was, werd het nodig geacht – om een volledig beeld van de Marokkaanse literatuur maar ook een politiek beeld van Marokko te vangen – poëzie toe te voegen. Vallende tijd is een bloemlezing van gedichten die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geschreven zijn. Voor wie de gedichten leest en weet heeft van de situatie in Marokko moet wel vaststellen dat er in het land weinig veranderd is in de afgelopen decennia.

    Vallende tijd bevat een selectie uit het werk van de vier grootste dichters uit de Rif, in het noorden van Marokko. De dichters Mohammed Chacha (1955-2016), Ahmed Ziani (1954-2016) , Fadma el Ouariachi (1957) en Mimoun el Walid (1959) hebben hun leven gewijd aan de poëzie, op het gevaar af gevangen genomen te worden of verbannen. In de gedichten wordt de liefde bezongen, de migratie verfoeid en om emancipatie geschreeuwd. Stemmen uit de vorige eeuw die nu nog steeds weerklinken; luid en duidelijk.
    In een verklarend nawoord beschrijft Asis Aynan het ontstaan en het afsluiten van het Berberbibliotheek project.

    Vallende tijd
    Auteur: Mohammed Chacha ; Ahmed Ziani ; Fadma el Ouariachi ; Mimoun el Walid
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De Poolse bokser

    Van de Spaanstalige schrijver uit Guatemala Eduardo Halfon (1971) de roman De Poolse bokser.
    Halfon schreef zo’n twaalf romans waarvan De Poolse bokser een eerst kennismaking is met zijn werk voor de Nederlandstalige lezers.

    Op het eerste gezicht lijkt De Poolse bokser net een verhalenbundel maar het is in werkelijkheid een web van vertellingen die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. De vertellingen vloeien uit elkaar voort en beïnvloeden elkaar – voor wie na het laatste verhaal opnieuw begint, leest de eerste bladzijden alsof het een ander boek betreft.
    Al vertellend brengt Eduardo Halfon de lezers steeds dicht bij een antwoord, om ze er vervolgens weer van weg te voeren. Een boek om niet meer weg te leggen.

    In de buitenlandse pers werd Halfon geprezen als ‘Een ongelooflijk goede schrijver, (…) zijn woorden zijn droog als kiezelstenen.’

    De Poolse bokser
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Leven onder een stolp

    Leven onder een stolp

    In het Egypte van de derde eeuw stapt een man rond, Antonius die als kerkvader en stichter van het kloosterleven de geschiedenis in zou gaan maar zijn grootste bekendheid ontleende aan de verhalen omtrent zijn ‘bezoekingen’ door demonen, aan welke hij onderhevig was. De schilderkunst maakte dankbaar gebruik van het fraaie thema en ook de letteren kennen voorbeelden van navolging te over.

    De verzoekingen of ‘beproeving’, proeven of martelingen die het uitgangspunt vormen voor Jan-Willem Ankers bundel prozagedichten zouden wij tegenwoordig beter een stevige midlife crisis noemen.  Ankers demonen zijn een lekke band, een scheur in het asfalt, een bezoek aan een Waddeneiland, zijn eigen nietigheid en de troosteloze gang van de eenling. ‘Het ik, het ik, het luizigste van alle voornaamwoorden,’ werpt Anker als motto de lezer meteen maar bij wijze van handzaam sleuteltje voor zijn poëzie in de schoot. Erboven staat dan nog een handige leeswijzer in een motto van J. G. Ballard over de ficties van deze wereld en de dooddoeners van de huidige mediacultuur. In 50 korte prozagedichten, korte verhaaltjes veelal vanuit een ‘ ik’ verteld, doorlopen we de lauwe wereld van een teleurgestelde.

    Jan Willem Anker, auteur van drie eerdere bundels en een roman kan goede, aansprekende  soms zelfs swingende zinnen schrijven. ‘Ik overwoog mijn laatste geld te spenderen aan een reis naar Beiroet om daar bij een aanlandig windje stijlvol te verkommeren,’ is er zo eentje. Of: ‘omringd door het geheupwieg van zoveel singles voelde ik hoe voldoeninggevend de opvoering van je eigen wanhoop is.’ Wanhoop, veel van deze bundel ademt de diepe wanhoop van de redelijk welvaren, redelijk gezonde maar verveelde en niet uitontwikkelde dertiger. Daarmee kan Anker je soms in de taal naar de strot grijpen. Maar vaker druk je een gaapje weg met een I couldn’t care less.

    Dat is niet omdat Anker geen goede dichter is, het komt ook gedeeltelijk door de vorm die hij koos: de vrije regelval van het korte prozagedicht is hier toch bij uitstek het imperium van de onmacht. Had hij zich strengere eisen gesteld, dan was er voldoende spankracht geweest. Maar ja, strenge eisen… ‘Ik lepelde in een bordje ontbijtgranen. Terwijl ik mijn bord aan het leegvreten was, dacht ik “Dit is dus het leven.” En zo is het weinig van de dichter eisende prozagedicht ook de beste weerspiegeling van een laconieke depressie.

    De tijd waarin reactionairen het hadden over een schop onder de kont en langharig werkschuw tuig is wel voorbij, maar de dichter heeft zich in deze bundel te weinig laten leiden door de een veeleisende vorm. Hierdoor ervaart de lezer in plaats van een intense ‘levensleegte’ toch vaker de onverschilligheid van het gedicht. Over een lauw bestaan niet dwingend dichten, levert een lauw geheel op.

    In een aantal gedichten doet Anker het net iets anders, er zijn erbij die bijna ‘zen’ zijn, een enkele heeft een verfrissend licht absurdisme van Charms, of misschien veeleer Toon Tellegen in zijn korte dierenverhalen.

    Wanneer de dichter iets langer of iets dieper nadenkt, een iets gepolijstere zin formuleert treft hij wel eens doel. ‘Ik ben gedwongen voor altijd op het podium te blijven terwijl het donker van de zaal steeds meer bevolkt raakt met mensen van wie ik niet wist dat ze altijd al onbereikbaar voor me waren.’ Of ‘ Ik was nietig op het extreme af, eigenlijk al te gering voor een eerste persoon enkelvoud. Soms echter voelde ik me groots. Dan trok ik de gelukzaligheid aan haar staart en hield me voor dat alles maar spel en droom was en dat ik veilig was, zoals de kern van een vlam ’s nachts veilig is voor duisternis.

    Eerste persoon enkelvoud, de kortste samenvatting van deze bundel. Dit gedicht bezweert de demon van het niets, de leegte. En dit gedicht doet dat goed,  maar de bundel in zijn geheel slaagt daarin helaas te weinig. ’

    Confrontatie

    ‘Toen ik mezelf voor de zoveelste keer confronteerde met de al te menselijke onverschilligheid die mijn wedervaren binnen en buiten het publieke domein opriep, overwoog ik serieus de mogelijkheid er niet te zijn. Na een tijdje concludeerde ik dat ik er weliswaar was, doch in zeer beperkte mate.’

     

    Deze bespreking verscheen eerder in het poëzietijdschrift Awater

     

  • Tempelschender door het leven gestraft

    Tempelschender door het leven gestraft

    Recensie door Rein Swart

    Het is een genot om in een historische roman een boeiend verhaal voorgeschoteld te krijgen over een andere wereld, in dit geval de Ottomaanse cultuur, die zich uitstrekte tot ver in Azië. De Schotse graaf Thomas Elgin reist met zijn vrouw en enkele medewerkers naar Constantinopel om daar een buitenlandse post te bekleden. Historische en persoonlijke gebeurtenissen wisselen elkaar af. Het is de tijd van Napoleon, die tijdens een zeeslag een nederlaag wordt toegebracht door Nelson, die in het boek als een oude kreupele circusbeer wordt voorgesteld.

    Het verhaal begint met een proloog: in 1771 verliest Elgin in korte tijd zowel zijn vader als zijn broer, beiden aan een andere ziekte. Zijn oom zegt dat Elgin nu graaf is en dat het lot van de familie in zijn handen ligt.

    Op een bal in Weymouth vraagt Koning George de Derde Elgin in 1798 om een buitenlandse post in Constantinopel, het latere Istanbul, op zich te nemen, maar vindt dat hij daar wel als getrouwde man naar toe moet gaan. Elgin laat een oogje vallen op de twaalf jaar jongere Mary Nisbet, die een rijke vader heeft. Hij weet haar te verleiden met hem te trouwen en mee te gaan naar Constantinopel. Op zee is Mary misselijk en zwanger. Elgin heeft zijn pruik afgezet omdat die vies ging ruiken. Omdat Elgin een verzoek heeft gekregen van de bouwmeester van zijn landhuis om wat oude Griekse beelden te kopiëren, chartert hij tijdens een tussenstop in Palermo een geschikte kunstkenner, Lusieri, die belast wordt met kopieerwerkzaamheden op de Akropolis.

    Op weg naar hun standplaats stelen ze marmeren stoelen bij Troje. Volgens Elgin zijn die beter op hun plaats in Engeland dan wanneer ze door de locale bevolking gebruikt worden als heiligdommen. Op bezoek bij de sultan in het Topkapi-paleis vraagt hij om een vergunning voor opgravingen op de Akropolis. Hij krijgt meer dan waarom hij gevraagd heeft en zijn medewerkers gaan druk aan het graven en hakken. Langzaamaan schuift de grens van wat toelaatbaar is op. Als de ouders van de zwangere Mary op bezoek komen, vraagt zijn schoonvader hem om in plaats van kopieën enkele originelen mee naar Engeland te nemen.

    Gemakkelijk is het leven van Elgin niet. Zijn vrouw Mary raakt verzwakt door veel moeilijke bevallingen en wil terug naar Schotland. Zijn neuspunt wordt weggehaald vanwege een infectie, waarna hij een masker moet dragen. Een schip met marmer vergaat bij Kythera. Op de terugweg over land naar Engeland komen Elgin en zijn vrouw vast te zitten in Pau vanwege de oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Tot overmaat van ramp wordt De Britse Elgin ook nog eens vastgezet in Lourdes. Elgin gaat niet in op het voorstel van de Fransen hem vrij te laten in ruil voor de kunstschatten die per schip naar Londen gaan. Mary verkast naar Parijs en krijgt daar een relatie met Ferguson, een andere Engelsman. Als Elgin vrij komt is hun verhouding verslechterd. Mary geeft aan dat ze zich bij Elgin net een broedkip voelde. Elgin dreigt met een scheiding in de hoop dat hij dan ook de erfenis van Mary krijgt, maar zover komt het niet.

    Het boek eindigt wat vaag met een wandeling van Elgin vanuit zijn landhuis in Schotland naar het water. Het is onduidelijk of hij zich het leven beneemt, maar in ieder geval heeft hij weinig plezier aan het roven van de kunstschatten beleefd.

    Anker schrijft het allemaal heel degelijk, zonder veel opsmuk op, in korte hoofdstukken met de titel van de plaats en het jaar waar we ons bevinden. Op de omslag is een marmeren paardenhoofd te zien. Aan het eind wordt gesproken over het paard van de maangodin Selene dat geroofd is en in een binnenplaats in Londen staat te vergaan. ‘Het hoofd toonde uitputting. Een hemellichaam door de hemel trekken was heel vermoeiend. Het paard was een vreemd dier. Het had een hoofd, maar geen gezicht. Een gebekt hoofd.’

    Dat had Jan-Willem Anker nog wel wat beter kunnen uitleggen. Het  blijft een losstaand gegeven dat verder niet in het verhaal verweven wordt, maar verder is en blijft het een fantastisch verhaal.

     

    Een beschaafde man

    Auteur: Jan Willem Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 364
    Prijs: € 21,95