• Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Schokkend familiedrama

    Schokkend familiedrama

    In We moeten praten van Jan van Mersbergen lezen we het verhaal van de elfjarige Koen. Hij moet zoals alle leerlingen een spreekbeurt houden in groep zeven, hoewel hij al sinds zijn derde geen woord meer heeft gezegd. De juf is benieuwd waar hij mee komt. Koen is vastbesloten om alles te vertellen en doorbreekt zeven jaar zwijgen. Wat een mooi begin van dit boek is, je zit meteen in het verhaal. ‘Ik ga jullie alles vertellen en dus ook waarom ik zo lang mijn mond heb gehouden. (…) Mijn spreekbeurt is lang. We zullen misschien een paar keer een pauze moeten houden.’
    Koen zit in een klas met kinderen die Omar, Hasan en Amir en Sofia heten. ‘Ik weet heel goed dat jullie zeggen dat ik een sukkel ben of een moron of een freak, maar ik ben wel hier op school om iets te leren, al heb ik meer van opa geleerd. Sorry, juf.’

    Hij woont bij ‘opa’, die niet zijn biologische opa is, maar de buurman met een moestuin. Dat hij geen ouders heeft en dat de buurman zich over hem ontfermt, blijkt al snel. Opa met zijn Brabantse tongval is Koens referentiekader geworden. Van opa leert hij over sterrenstelsels, zoals Cygnus, het sterrenbeeld Zwaan. Koen voegt soms grappige zinsneden van opa aan zijn verhaal toe. Koens vader was fan van de Red Hot Chili Peppers. Hun teksten vertaalt opa naar een Brabantse variant. ‘M’n achterdeur is nie op slot umdakkum openloat, veur ooit.’

    Onvermogen

    We moeten praten is opgebouwd uit drie delen. Koens verhaal met zijn spreekbeurt heet Praten en beslaat bijna honderd bladzijden. Daarna komt Moeten, een monologue intérieur van de vader waarin een trieste man naar voren komt die zijn vrouw en zoon niet kan vertellen wat hem scheelt. ‘Het gras wordt gedroogd. De langste dag. Koen kan praten. Ik ga hem vertellen van zijn ontstaan, van jouw ontstaan en van mijn afstand tot hem. Sorry.’ Onvermogen om je te uiten is een thema dat Van Mersbergen vaker gebruikt in zijn boeken.

    In We komt opa aan het woord. Opa vindt het nodig om zijn verhaal aan de conciërge van de school te vertellen en dat maakt veel duidelijk. ‘Toen de spreekbeurtendag aangebroken was, zei hij tegen Koen dat hij in de buurt zou zijn. Zodat hij zich gesteund voelde, en veilig, of zoals de oude man het zelf noemde, als back-up. Ik ben er.’ Zijn verhaal leidt naar de onvermijdelijke en navrante plottwist toe en voor Koen is het goed dat hij de back-up is.

    Spreekbeurt en levenslessen

    Koens spreekbeurt had wel hele boek mogen beslaan omdat het een prachtig deel is. Hoewel het een kind-perspectief is, ontroert Koen en is hij grappig en wijs. Van zijn vader heeft hij alle moeilijke woorden geleerd, en ‘opa’ is de enige die hem echt begrijpt. De juf en de klasgenoten hangen aan zijn lippen, hij weet ze mooi bij zijn leven te betrekken. Hij heeft van ieder van hen iets kleins gepikt of weggenomen uit ergernis om hun pestgedrag. Dat geeft hij tijdens zijn spreekbeurt terug met een reden en een waarschuwing erbij. Als lezer denk je, dat kind komt er wel, ondanks zijn tegenslagen.

    Koen hangt zijn relaas op aan vier steekwoorden: ‘Mama – opa – zwaan – papa.’ Mama, Helena, is van Griekse komaf, ze verlaat het gezin als Koen drie jaar is en gaat terug naar huis. Haar laatste woorden ‘We moeten praten’, hoort Koen in de telefoon van zijn vader en op dat moment besluit hij nooit meer te praten.

    Zwaan

    Kort daarna zien Koen en zijn vader een aangereden zwaan dood langs de weg liggen. De volgende dagen zit een vrouwtjeszwaan treurend bij die plek. Hoewel Koen niet praat, maakt hij wel contact met de zwaan en lokt hij het dier mee naar huis. Hij krijgt zelfs een sterke band met de vogel, wat een mooie metafoor voor de Griekse moeder is en verwijst naar Leda en de zwaan uit de Griekse mythologie. Want, zo blijkt in het tweede deel, de vader heeft teelbalkanker en vergelijkt zichzelf met Zeus. Hij praat tegen zijn tumor, maar kan zijn vrouw en kind niet over zijn ziekte vertellen. Zijn onvermogen en eenzaamheid en het daaruit voortkomend schuldgevoel zijn de oorzaak van de breuk in het gezin.

    Koen blijft alleen achter. De buurman – opa – redt hem en bouwt aan de sloot een hok voor de zwaan. Goede daden van de buurman. Maar aan de conciërge vertelt hij ook dat hij de herinnering aan de vader al die zeven jaren voor Koen levend heeft willen houden. Wat dan volgt doet de lezer het boek enigszins ontgoocheld, maar ook met afgrijzen dichtslaan.

    We moeten praten is een familiedrama over stilte, eenzaamheid, onvermogen, vooroordelen en het nemen van de verkeerde beslissingen door volwassenen, zodanig dat het kind er de dupe van is. Van Mersbergen, die diverse prijzen won en in meerdere talen vertaald is, schrijft knap, toegankelijk en compact en weet aan het denken te zetten. Toch doet We moeten praten wat geforceerd en vergezocht aan.

     

  • Oogst week 48 – 2023

    Oh the world Ah the world

    In 2021 overleed A.L. Snijders op de leeftijd van 83 jaar. Tijdens zijn leven werkte hij als leraar Nederlands en schreef columns in verschillende kranten. Hij bedacht het zkv, het Zeer Korte Verhaal, een ‘nieuw literair genre’. In 2006 verscheen de eerste zkv-bundel Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er volgden nog vele zkv’s, die hij ook op de radio voorlas. Dan klonk zijn donkere, sonore stem, met de wat aarzelende, trage manier van spreken die hij zich had eigen gemaakt en hem net zo bekend maakte als het genre dat hij had bedacht. Wie hem eenmaal had horen praten herkende zijn karakteristieke stemgeluid onmiddellijk.

    Even kenmerkend is zijn handschrift, te zien in Oh the world, ah the world, dat zijn laatste zkv’s en een keuze uit zijn brieven bevat. Vrijwel dagelijks schreef hij een brief, in rode en zwarte inkt. Hij maakte er ook tekeningen bij en kalligrafeerde het motto. Een daarvan was Oh the world Ah the world. Snijders vond brieven schrijven leuker dan stukjes te schrijven, omdat ‘een brief zomaar aan mijn hand ontsnapt’.

    Een van de 54 zkv’s in het boek, grotendeels uit 2021: ‘Ik schrijf een verhandeling over de liefde. Een jonge man vraagt de hand van zijn meisje aan haar vader. De man ziet er niets in. Hij is niet onvriendelijk, het is geen ploert. Hij is integer, hij doet niet alsof. Hij vindt zijn dochter niet passen bij de jongen, hij veinst niet. Hij legt uit dat hij geen toestemming geeft, maar hij voegt er nonchalant aan toe dat hij het jonge paar niets in de weg zal leggen.’
    En de lezer zal nieuwsgierig verder lezen.

     

    Oh the world Ah the world
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: Afdh Uitgevers

    We moeten praten

    ‘Langzaam draait hij zich om. Hij zet zijn tas naast zich op de vloer. Hij heeft de hele tijd naar de vloer gekeken en nu kijkt hij naar zijn klasgenootjes en kort naar mij, en zegt: “Ik ga echt mijn spreekbeurt houden.” (…) Hij zegt iets! Hij kan wel praten! (…) “Ik ga jullie alles vertellen (…) wat bij mij hoort, wat van mezelf is, en van mijn opa, waar ik woon, de spullen in mijn kamer (…) de muziek waar mijn papa naar luisterde, het verhaal van ons gezin.”‘ De klas en verteller juf luisteren verbijsterd want Koen, zoals de jongen heet, praatte nooit eerder in We moeten praten van Jan van Mersbergen.

    Toen Koen drie jaar was speelde hij eens met de mobiele telefoon van zijn vader en hoort plotseling zijn moeder aan de telefoon die denkt dat haar man aan de lijn is en zegt: ‘We moeten praten’. Het blijkt het einde van het huwelijk, Koen blijft met zijn vader achter. ‘Als dit is wat er van praten komt, denkt Koen, dan houd ik voortaan mijn mond.’ En dat doet hij, totdat hij in klas 7 zijn spreekbeurt moet houden. Op het digitale bord zet hij een afbeelding van het schilderij De Bedreigde Zwaan van Jan Asselijn.

    Jan van Mersbergen schrijft onder meer romans, novellen, korte verhalen en thrillers (onder pseudoniem), Hij schreef over mannenzaken en vaderschap, over zijn vader. Prijzen bekroonden zijn werk dat in negen talen is vertaald. Hij publiceert ook beschouwingen en interviews in diverse dagbladen en geeft workshops.

     

    We moeten praten
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Bedenktijd

    Meredith Greer (1988) zegt over haar debuut Bedenktijd in een interview: ‘Ik dacht: ik wil onthouden hoe het was en hoe het op dat moment was om mij te zijn.’ In coronatijd, tijdens de lockdown, onderging Greer een abortus, geheel alleen, zonder steun van een naaste. ‘Niemand kon mijn hand vasthouden in de wachtkamer.’ Daarna vroeg ze zich af wat verlies en verdriet doen met mensen als ze die het liefst willen vergeten en voor anderen verbergen. Maar dergelijke gevoelens laten zich niet verdringen. Greer geeft er schriftelijk aan toe. Zo schrijft ze over een wraakzuchtige fantasie over de man van wie ze zwanger raakte. ‘Het was heel bevredigend om zo’n wraakzuchtig spookverhaal op papier te zetten.’ In Bedenktijd haspelt ze verschillende genres door elkaar: proza, essayachtige stukken, poëzie en dagboekaantekeningen over haar gevoelens van rouw, verdriet en woede.

    Omdat ze geen boek over enkel een vrouwenonderwerp wilde schrijven bespiegelt ze ook andere rouw, bijvoorbeeld als mensen wegens de lockdown of omdat ze in de gevangenis zitten geen afscheid kunnen nemen van geliefden en niet bij de begrafenis kunnen zijn.

    Het boek is vormgegeven in zeer verschillende lettertypes ‘zodat het lezen ook een fysieke ervaring is’, zegt Greer. De schrijfster is een Amerikaans-Nederlandse journalist en schrijver. Ze werkte onder meer als eindredacteur voor de Volkskrant en als redacteur voor BNR-Nieuwsradio, en had een column in HP/De Tijd.

     

    Bedenktijd
    Auteur: Meredith Greer
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Oogst week 12 -2023

    De Zanzibardriehoek

    De boeken van historicus Martin Bossenbroek hebben een vaste insteek: altijd vanuit de standpunten van betrokken hoofdpersonen. Op deze manier heeft hij al een groot aantal toonaangevende boeken over belangrijke perioden uit de hedendaagse wereldgeschiedenis geschreven.

    In zijn waarschijnlijk bekendste boek De Boerenoorlog bijvoorbeeld (dat de Tweede Boerenoorlog van 1899- 1902 behandelt) verplaatst hij zich in alle partijen en volgt hij drie belangrijke personen op de voet: de Nederlandse jurist Willem Leyds, de Engelse oorlogsverslaggever Winston Churchill en de Boerencommando Deneys Reitz.

    In zijn andere boeken, bijvoorbeeld Fout in de Koude Oorlog (Nederland in tweestrijd 1945-1989), en De wraak van Diponegoro (Begin en einde van Nederlands-Indië) gaat hij op eenzelfde manier te werk.

    Met De Boerenoorlog won hij in 2013 de Libris Geschiedenis Prijs. Hij is daarnaast vele malen genomineerd geweest voor verschillende prijzen.

    Onlangs is van hem De Zanzibardriehoek verschenen met als ondertitel ‘Een slavernijgeschiedenis 1860-1900’.
    Het vertelt over de geschiedenis van de Oost-Afrikaanse mensenhandel in Zanzibar die onder Britse dwang in 1873 wordt afgeschaft waarna Zanzibar een Brits protectoraat wordt.
    In dit boek beschrijft Bossenbroek de laatste episode in deze slavernijgeschiedenis, ook weer vanuit direct betrokkenen, in dit geval o.a. David Livingstone, de bevrijde slaaf James Chuma, Sultan Barghash, slavenhandelaar Tippu Tip en de diplomaat John Kirk.

    De Zanzibardriehoek
    Auteur: Martin Bossenbroek
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    Hoe ik de vissen ontmoette

    De Tsjechische schrijver Ota Pavel, geboren als Ota Popper (1930-1973), was journalist, sportverslaggever en schrijver. Hij wordt geroemd om zijn korte verhalen en autobiografische romans.

    Een bipolaire stoornis betekende het einde van zijn carrière als sportverslaggever en later ook als journalist. Hij zou regelmatig worden opgenomen in een inrichting. Wrang is dat er wordt gezegd dat hij juist in die periodes het meest creatief was en hij toen zijn mooiste boeken geschreven zou hebben.

    In Hoe ik de vissen ontmoette schrijft Ota Pavel aanvankelijk over zijn onbezorgde jeugd in Tsjecho-Slowakije, een tijd waar door de inval van de Duitsers bruut een einde aan komt. Zijn vader en twee broers worden naar het concentratiekamp afgevoerd en Ota voelt zich verantwoordelijk voor de voedselvoorziening van de rest van het gezin en steelt de door de Duitsers gevorderde karpers terug.

    Op de flaptekst omschrijft de uitgeverij het als volgt: ‘De ontroerende verhalen over de strijd van zijn sprankelende vader om voor zijn gezin te zorgen en over de heroïsche vindingrijkheid van de jonge Ota Pavel, zijn boven alles een gepassioneerd en aangrijpend pleidooi voor leven, liefde, vrijheid en vissen.’

    Hoe ik de vissen ontmoette
    Auteur: Ota Pavel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    Onder het Luchtspoor

    Jonge, talentvolle kunstenaars kraken in de jaren tachtig van de vorige eeuw samen een leegstaand pand in Rotterdam. Ze leven van de bijstand in een tijd van grote woningnood en jeugdwerkeloosheid. Zij hopen op succes, verwachten dat ook, maar zijn onvoldoende in staat hun talent tot bloei te laten komen. Een van hen is fotograaf Arend Zwart die na een aantal mislukte studies weer is teruggekeerd naar zijn geboortestad.

    ‘Na een kansloos avontuur aan de Faculteit der Aardwetenschappen en twee halverwege afgebroken studies op kunstacademies elders in het land keer ik noodgedwongen terug naar de stad waar ik ben opgegroeid.’
    Zo begint Onder het Luchtspoor. De toon is gezet.

    Peter Swanborn (1963) is vooral bekend als dichter. Onder het Luchtspoor is zijn prozadebuut.

    Onder het Luchtspoor
    Auteur: Peter Swanborn
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium (2022)
  • Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

    Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

     


    Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.


    Jan van Mersbergen
    (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.


    We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.


    Schrijver worden door te lezen

    Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer, begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.

    ‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’

    Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.


    Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.

    ‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’ 

    Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’


    Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.

    Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.

    Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
    Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’

    ‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’

    Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden. 


    Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.

    Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’

    Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
    Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.


    Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst 

    ‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht,  hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’

    In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’ 


    Overlevingsdrang en het volgen van patronen

    Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
    Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’

    ‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’

    Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’ 

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Jan Willem Kaldenbach

  • Aardige man

    Aardige man

    Begin jaren tachtig had ik een winkeltje in Deventer met een vriendin. We maakten jassen van Perzische tafelkleden, broeken met hoge taille, capes van velours. Stoffen kochten we in de Jodenbreestraat in Amsterdam. Op een middag kwam er een man in het winkeltje. Hij had interesse in een cape, paste er een, kocht er twee. Zo stel je de toekomst een beetje veilig. Ik ben er vrijwel zeker van, hoewel herinneringen nogal suggestief zijn, dat die man Jozef van den Berg was. Hij speelde die dagen in de stad. Aardige man. Toen hij begin jaren negentig zijn gezin, het theaterleven verliet, dacht ik ‘Woh’, er zomaar vandoor gaan (hij wel). Doen wat je niet laten kunt. Soms denk ik aan hem, ‘Hoe zou het zijn? Zou hij nog in dat fietsenhok zitten, kluizenaar zijn?’ Daarbij zie ik dan het beeld van de man die de panden van een cape om zich heen slaat bij het verlaten van het winkeltje. Tien jaar later verliet hij dus vrouw en kinderen. Een van zijn kinderen zei nog, ‘Dat gaat zomaar niet, ik ga met je mee.’ Maar hij ging alleen, hij was geroepen door God. Dit lees ik in Jan van Mersbergens boek Mijn pa is nooit alleen.

    Bij voorbaat een goed boek, om Jozef van den Berg die erin voorkomt. De man die mijn voorstellingsvermogen van ‘leven in vrijheid’, tartte. Van Mersbergen schrijft zich via verschillende kluizenaars een weg naar zijn vader, naar zichzelf. Zijn vader was een alleenganger, bouwde zich op een hectare land, buiten het dorp waar ze woonden, een eigen ruimte. Hoewel zijn vader niemand verliet, net geen kluizenaar werd. Zijn moeder bleef, zijn vader ging niet weg. Ik lees, ‘Van mensen die ervoor kiezen ergens ver van andere mensen te leven, begrijp ik helemaal niets en toch fascineert hun keuze me.’ Van Mersbergen onderzoekt het leven als kluizenaar van Jozef van den Berg, er is een boek over hem, interviews. Hij zoekt hem niet zelf op. Wel bezoekt hij een zwerver in Slotervaart, geeft hem een jas, stelt hem vragen hoe hij hier zo gekomen is. Een huwelijk, gokverslaving, huis uitgezet, niets vrijwillig.

    Dat zou hij ook aan Jozef willen vragen, hoe het zo gekomen is. ‘Eigenlijk wil ik van hem weten of hij zijn thuis mist.’ Een cruciale vraag voor iemand die trouw is aan zijn mensen. Hij schrijft, ‘Hij vertrok op de fiets, volgde Gods roeping, was van plan de wereld in te trekken, maar kreeg een lekke band in het eerstvolgende dorp, en daar is hij in een fietsenstalling gaan wonen. Dat is het verhaal van Jozef: een lekke band.’ Zelf vertrok hij tien jaar geleden ook op de fiets, weg van zijn gezin dat niet meer ging. Kreeg geen lekke band, trok in bij een vriend. Een boek over de vader is altijd een boek over de zoon, en in deze, over Jozef van den Berg. Hij schrijft, ‘Het schrijven van deze autofictie is als het lopen van een estafette. De kluizenaars zijn al vertrokken, (…) geen van de voorgangers komt mij het stokje doorgeven. Kluizenaars zijn niet goed in het doorgeven van hun verhaal.’ Van Mersbergen is (goddank) geen kluizenaar. Hij geeft zijn verhaal, verhalen van anderen en wat die met hem doen, wel door. Mooi om te lezen. Ondertussen ben ik er steeds zekerder van dat het de poppenspeler was, toen, in dat winkeltje. Aardige man.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

  • Nog van alles mogelijk

    Nog van alles mogelijk

    In de boekenkast zou Josien Laurier tussen de schrijvers Michael Laub en Violette Leduc moeten staan. Ik wist het zeker, haar boek Een hemels meisje en een verhalenbundel zouden daartussen staan. Boekenkasten veranderen van inhoud, zij was er niet meer. Laurier is een van die schrijvers waar ik wel eens aan denk, me afvraag waar ze gebleven is. Net als Annelies Passchier, waarvan ik nu weet dat zij in 2009 is overleden.

    Vorige week schreef Jan van Mersbergen op zijn blog over de genomineerden voor de DIF/BNG Aanmoedigingsprijs 2005, waartoe hijzelf ook behoorde. Hij had een foto gevonden waarop ze alle zeven poseerden. Zes van die schrijvers zijn nog in het literaire veld actief. De zevende, Josien Laurier was verdwenen. Van Mersbergen vroeg zich af waar ze gebleven was. Na zijn post op Facebook vroegen velen zich dat af: ‘Oja, Josien Laurier’. ‘Schrijft ze nog?’ Er werden foto’s gedeeld met haar boeken die uit kasten waren getrokken als bewijs. In mijn boekenkast dus niets. Een dag later dacht ik aan mijn oudste dochter, ik appte haar, of Josien Laurier bij haar stond. Ja, daar stond ze. Opeens wilde ik alles van haar terugzoeken.

    Ik vond een (verouderde) website, teksten op DBNL, verhalen die in literair tijdschrift Parmentier (ook verdwenen) stonden. Ik vond een e-mailadres, kopieerde het, plakte het in een op te stellen mail. Schreef dat haar boek Een hemels meisje in mijn geheugen als belangrijke literatuur lag opgeslagen. Ik vroeg hoe het haar ging. In de tussentijd tweette Marja Pruis dat ze haar laatst in Amsterdam op straat had gezien, dat er in die zin dus niks aan de hand was. Ze bedoelde: ze leeft. Er zou dus nog van alles mogelijk kunnen zijn. Een schrijver blijft een schrijver blijft een schrijver. Er dook een laatste interview met haar op, uit 2010. Daarin zegt ze te stoppen met schrijven, dat ze nu leest, Aristoteles, Thomas van Aquino, Hume en Kant. Dat ze dat veel eerder had moeten doen. Dat er in de vorm van verhalen en romans voor haar geen uitdaging meer zit. En dan moet er ook steeds maar weer die psychologie bij, die mij eigenlijk helemaal niet interesseert.’ Mooi interview, intrigerende persoonlijkheid. Ik zou een ideeënroman van haar hand willen lezen. 

    Op DBNL staat de tekst, ‘Veel gestelde vragen’ van Josien Laurier. Dat begint zo: Hoe gaat het met u? Zijn er omstandigheden waaronder methaanrivieren op Titan tot de mogelijkheden behoren? Waarom geen mooie blouse in champagne- of goudkleur? Is net-art dood? Was de aarde, in de eerste vijfhonderd miljoen jaar dat hij bestond, een hel? Is dat een integratieprobleem, een communicatieprobleem, of helemaal geen probleem? Zijn dit nu de reacties van een geschokte samenleving? Wie heeft in Europa de macht over de euro? Wat verstaat men onder de halveringsdikte van een stof? We hebben toch een probleem met de migratie? Hoor ik een gelukkige vrouw aan de andere kant van de lijn?’ Zeven pagina’s gaat dat zo door, waar je doorheen leest als een gek die constant pingpongballetjes van zich af moet slaan, onderwijl de geest vullend met verhalen, aangespoord, door die vragen.
    Een paar dagen terug ontving ik een antwoord van de schrijfster. Dat het haar uitstekend gaat. Dat ze jaren geleden met schrijven gestopt is, dat het ‘denkelijk’ daarbij blijft. ‘Maar een mens weet nooit…’ schreef ze nog. Dus is er nog van alles mogelijk.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een tekst, is een gevoelig lezer.

     

     

  • Zet het even op de mail!

    Zet het even op de mail!

    Is een boek dat vooral aanstuurt op spanning, wel echte literatuur? Die vraag domineert de altijd voortjakkerende discussie over het genre literaire thriller. Volgens gearriveerde schrijvers Connie Palmen, Arie Storm en Gerrit Komrij is die benaming een innerlijke tegenspraak: thrillers kúnnen geen literatuur zijn. Met oordelen als ‘De thriller leeft bij de gratie van het cliché’, ‘Pulp is het en de pulpigste pulp blijft het’ en ‘De literatuur heeft te lijden onder de ‘‘vrolijke lectuur’’ van thrillerauteurs’ weren zij dit boektype uit de canon. Het moet worden gelezen aan een zwembadrand in Marbella of op een badhanddoek in Marmaris, niet aan de salontafel van de Rode Hoed. 

    De druppel van Frederik Baas, beter bekend als Jan van Mersbergen, lost zijn verwachtingen wat spanning betreft, ruimschoots in. In deze thriller volgen we de gescheiden Tom, die rust, reinheid en regelmaat nastreeft in alle facetten van zijn leven; hij schrijft er zelfs zelfhulpboeken over. Zijn zoon David logeert beurtelings bij vader en naamloze moeder en hij gamet veel op zijn PlayStation. Dat Tom zijn gehorige bovenbuurman Gerard de trap af duwt en zijn lijk opruimt, geeft de kaft prijs. Blijkbaar is het Van Mersbergen dus niet om de moord zelf te doen. Geen sprake van clichés, vrolijkheid of pulp. Met een staccato schrijfstijl maakt de auteur de lezer deelgenoot van de waanzin van de hoofdpersoon. De schrijver geeft daarnaast een aanzet tot een nieuw genre. En de schoonheidsfoutjes die een boek normaliter tot lectuur maken, hebben zowaar een functie… Dat is de druppel. Dit is literatuur.

    Slow, don’t rush

    Zelden las ik een boek dat zo veel bijzinnen vermijdt, als De druppel. De verteller trapt voortdurend op de rem. Omdat de plot hierdoor voortkruipt, is de boektitel niet alleen vanwege de bekende martelmethode uitstekend gekozen. De schrijver brengt droog verslag uit, de lezer wordt dorstig en krijgt druppelsgewijs informatie toegediend. Van Mersbergen lijkt totaal geen haast te maken om de vele vragen die zich opdringen, te beantwoorden. Waarom is bovenbuurman Gerard verlaten door zijn vrouw Sonja? Waarom is Gerard opgepakt voor stalking? Waarom weet zoon David altijd precies welke film zijn vader kijkt om half negen ’s avonds, zelfs als hij bij zijn moeder is? Hoe komt het dat Gerard exact dezelfde handelingen verricht als Tom? Waarom blijft Gerard ene JM bestoken met mails over schrijfopdrachten, nota bene na zijn overlijden? 

    Hoofdpersoon Tom, die autistische karaktertrekken vertoont, bepaalt ogenschijnlijk de regie, zowel in zijn leefwijze als in zijn mededelingen: ‘Zes uur eten, duidelijk vooruitzicht. Het is zo fijn te weten wat er gaat gebeuren. Ik eet.’ Dat stramien wordt zijn zoon te veel. Altijd weer chicken jambalaya op vrijdag, elke avond die lompe actiefilms die zijn vader al drie keer gezien heeft, steeds Toms doodsangst als David zijn schooltas niet precies op de goede plek opbergt. En dan de sneer dat zijn zoon op zijn slonzige moeder lijkt: ‘ze heeft nog geen grip op het koken van een ei’. Juist in deze ziekelijke hang naar controle verliest Tom het overzicht. David gaat weg, hij komt alleen te staan. Alle rumoer die Gerard veroorzaakt, ziet hij nu als een provocatie: ‘Is de man die de hele dag geluidjes van een ander nadoet gek of is de man die zich daar iets van aantrekt gek?’  

    Briefroman nieuwe stijl

    Om de waanzin in zijn hoofd enigszins te beteugelen heeft Tom zijn woning minimalistisch ingericht. Rommel is momenteel erger dan ooit, want binnenkort komt het tv-programma Ons Leven langs voor een portret van de mens achter de schrijver. Dat móét een succes worden, wil zijn zelfhulpboek tegen chaos een top 10-plek in de nationale boekenlijst heroveren! Van Mersbergen besteedt verder geen aandacht aan de schrijfkunsten van de zenuwpees, maar reserveert wel ruimte voor mailcorrespondentie tussen Gerard (GDV) en diens ontvanger én schrijfdocent JM (die niet toevallig dezelfde initialen heeft als Jan van Mersbergen). Waar de door JM opgegeven opdrachten aanvankelijk eenvoudig zijn, wenst GDV iets te schrijven wat mensen dingen laat doen die ze niet achter zichzelf zochten. Het moet hen en hun perceptie van realiteit veranderen. De druppel creëert via het schrijfproces van de nieuweling een nieuw genre: dat van de mailroman.

    Langzamerhand ontsluit zich een diepgaand online contact, zij het niet tussen twee mensen die allebei iets persoonlijks delen. Eigenlijk komt de lezer over JM niets te weten; GDV zendt. Hij zegt iets kwijt te willen. In een lange mail die één lang hoofdstuk beslaat, biecht hij op zijn bovenbuurman van de trap te hebben geduwd. Het lijk heeft hij in een kist gepropt en ergens een kanaal in gegooid. Na gedane arbeid bestelt hij in de polder een biertje en blikt terug: ‘Mensen moeten elkaar vaker helpen, denk ik. Dat doen mensen die normaal zijn. Die pesten niet hun medemens, die schuiven de gevolgen niet af op de buurman.’ Wie pest nu wie? Welke buurman geeft nu welke buurman wáárvan de schuld? De lezer blijft verward achter, al duurt het niet lang voor duidelijk wordt wat er nu echt aan de hand is. Het laatste woord in de mailroman binnen De druppel is voor JM. Zijn antwoord op de nagelaten bekentenis luidt: ‘Ik kan wel zeggen: je laat zien hoe sterk fictie kan zijn.’ 

    Hup, de canon in!

    De druppel is geen boek voor de gevoelige taalliefhebber die snakt naar poëtische liflafjes. Door de gapende afwezigheid van bijzinnen kraakt het, piept het en schokt het voort in een weinig ritmische, soms zelfs irritant uitleggerige stijl. Toch valt dit stilistisch te verdedigen: de hoofdpersoon is eenkennig, een rigide denker, bijna een eenentwintigste-eeuwse adept van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar dan een weinig originele, die niets aan het toeval overlaat. Van Mersbergen schrijft zonder opsmuk, ontneemt de lezer zijn denksnelheid door te vertragen en laat hem aan alles twijfelen. Hij belooft niets, hij houdt de aandacht vast, hij vertelt. Bovendien introduceert hij een nieuw soort vertelling, de mailroman, gebruikmakend van het Droste-effect: een verhaal over een burenmoord dat datzelfde misdaadverhaal in zich draagt. Maar dan nog: is dit literatuur?

    Voordat briefromans voor vol werden aangezien, hadden ze een slechte reputatie. Ze stonden bekend als ‘verbasterde literatuur’, ondanks (of ingegeven door) hun enorme verkoopsucces. Zie echter hoe de eeuwenoude werken Sara Burgerhart, Les liaisons dangereuses en Die Leiden des jungen Werthers inmiddels tot de canon gerekend worden. Misschien is De druppel van Jan van Mersbergen een wegbereider voor een moderne variant van het epistolaire proza. Heb ik al gezegd dat ook de Whatsapp-gesprekken tussen vader Tom en zoon David zeer lezenswaardig zijn, evenals de andersoortige online correspondentie waar het boek mee doorspekt is? Van Mersbergen verheft het vertellen tot kunst. De druppel is literatuur.

     

     

  • Het mysterie van de eerste sekse

    Het mysterie van de eerste sekse

    In de door Maartje Laterveer samengestelde essaybundel Wolf uit 2019 beantwoorden dertien vrouwen de vraag ‘Wat maakt de vrouw?’ In Sfinx, het logische vervolg op Wolf, buigen dertien mannen (schrijvers, journalisten, redacteurs, historici en essayisten) zich daarom in even zoveel essays over het verschijnsel ‘man’. Volgens Simone de Beauvoir in De tweede sekse (1949) wordt een vrouw niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Wat betekent dat dan voor de ‘eerste sekse, wordt die wel als man geboren, en zo ja, wat betekent dat dan? Het staat vooraf uiteraard buiten kijf dat ‘de man, net als ‘de vrouw’ niet bestaat. Toch is Sfinx een interessante bundel omdat de auteurs zich vanuit allerlei invalshoeken ‘eerlijk en diepgaand’ gebogen hebben over het fenomeen “man”.

    Achterstand van 1-0

    De rol van de man is in de afgelopen decennia veranderd, mede door de emancipatie van de vrouw, betoogt Laterveer in haar inleiding. Van oudsher is mannelijkheid verbonden met ‘dominantie, leiderschap, voetbal en onafhankelijkheid’, terreinen waar vrouwen steeds zichtbaarder zijn geworden. En om in voetbaltermen te spreken staan mannen volgens Laterveer inmiddels zelfs met 1-0 achter; waar meisjes namelijk het mooiste meisje van de klas zouden moeten zijn, moeten ‘jongens het mooiste meisje van de klas veroveren’. De wat mysterieus aandoende titel Sfinx wordt uitgelegd middels een kat die op het omslag prijkt, verwijzend naar een diersoort die relatief veel aandacht zou opeisen. In de Griekse mythologie stond een sfinx daarnaast bekend als half vrouw, half adelaar en in de Egyptische als half man, half leeuw. Mannen krijgen, net als vrouwen, ‘etiketten opgeplakt die helemaal niets met hun werkelijke identiteit te maken hoeven te hebben, en die hen in beginsel net zo onvrij maken als vrouwen.’ Vrijheid blijkt voor mannen dus evenmin een vanzelfsprekendheid te zijn als voor vrouwen. 

    Macht

    In Sfinx houdt Casper Thomas zich in het essay waar de bundel mee begint bezig met een zoektocht naar het succes van leiders als Trump, Poetin, Modi en Bolsonaro. Hij ziet een opkomst van een antiliberale politiek die gedreven wordt door ‘mannelijke dominantie en stoffige rolpatronen.’ In zo’n klimaat van macht en overheersing moest wel een beweging als MeToo ontstaan, volgens Hans Hogenkamp omdat ‘de man vindt dat de vrouw de macht heeft omdat zij hem kan weigeren, maar in de ogen van de vrouw de man de macht [heeft] omdat hij haar kan dwingen.’ Op humoristische wijze schetst Hogenkamp de verwarring waar mannen onder gebukt gaan als het gaat om die machtsverhoudingen. Rutger Lemm constateert dat hij als vader anders op zijn kind reageert dan zijn vriendin en vraagt zich af waar zijn egocentrisme en luiheid vandaan komen. Hij komt tot de conclusie dat ‘er altijd wel een vrouw is die dat mogelijk maakt.’ En over patriarchaat gesproken: ook Thomas Heerma van Voss en Lotfi El Hamidi zien daarmee een duidelijke relatie. De eerste vraagt zich af in hoeverre het feit dat hij als man geboren is doorslaggevend is geweest voor wie hij geworden is, de tweede legt uit dat wanneer mannen tot God bidden om hen een zoon te schenken, is dat niet alleen vanwege status of het doorgeven van een familienaam, maar ook ‘omdat ze zelf weten in welke niet te benijden positie vrouwen in de samenleving terechtkomen.’ Een pijnlijke constatering.

    Waar is de oerman gebleven

    Passages als bovenstaande zetten de lezer aan het denken. In vrijwel ieder essay zijn ook min of meer humoristische overwegingen te vinden, bijvoorbeeld het advies van Mohammed Benzakour aan ‘identiteitsworstelaars’ om een hengel aan te schaffen, of verhelderende uiteenzettingen, zoals het door Martin de Haan zeer genuanceerd uitgelegde standpunt van Michel Houellebecq over vrouwen en mannen, of verontrustende zaken zoals de cijfers die Nathan Vos schetst over het aantal zelfdodingen onder mannen. Maxim Februari schrijft een heel persoonlijk stuk waarin hij uiteenzet dat zijn manbeeld ooit ontleend was aan maatschappelijke structuren, dat mannen (en vrouwen) niet geboren worden maar gemaakt (zoals De Beauvoir indertijd ook al betoogde), maar dat hij tot de ontdekking is gekomen dat mannelijkheid in wezen ‘iets puur statistisch’ is. Peter Giesen relativeert de rol van de oerman als heroïsche jager; de ‘prehistorische rolverdeling was volgens hedendaagse archeologen lang niet zo stereotiep als vaak wordt aangenomen.’ Tjeerd Posthuma en Maurits de Bruijn maken de lezer er vooral van bewust dat mannen kwetsbare wezens kunnen zijn, dat er ook van hen misbruik kan worden gemaakt en dat kleedkamers het toneel van afwijzing kunnen zijn. Met het laatste essay, van Jan van Mersbergen, heeft Laterveer voor een prachtig en evenwichtig einde van haar bundel gekozen. Vanwege een nogal moeizame relatie met zijn ex besluit Van Mersbergen dat hij het niet meer wil hebben over mannelijk en vrouwelijk. Het gaat volgens hem om ‘evenwicht, verantwoordelijkheid, doen en zorgen’. Dat zorgen is niet typisch vrouwelijk, dat is volgens hem gewoon een werkwoord en egoïsme is niet typisch mannelijk, het is onzijdig.

    Genuanceerd en persoonlijk

    Laterveer heeft een bundel samengesteld waarin door de auteurs op genuanceerde en vaak ook persoonlijke wijze wordt nagedacht over de complexiteit van mannelijkheid. Er komen thema’s naar voren als vriendschap, macht, verantwoordelijkheid, kwetsbaarheid en schaamte die door mannen weliswaar anders worden beleefd dan door vrouwen, maar die voor beide seksen relevant blijken te zijn. Sfinx is een veelzijdige bundeling van essays die stuk voor stuk stof tot nadenken geven, maar waarin het verschijnsel ‘man’ gelukkig ook nog voldoende mysterie overhoudt.

     

  • Roman in spreektaal met sprookjesachtige elementen

    Roman in spreektaal met sprookjesachtige elementen

    De nieuwe roman van Jan van Mersbergen draagt een wat omslachtige titel, De onverwachte rijkdom van Altena en een – aangename – omslachtigheid kenmerkt ook de stijl van de vertelster in dit verhaal. Zij is Marlies, cryptogrammen-puzzelaarster en partner van Frank die vijvers bouwt en niet houdt van lange woorden. Zij hebben een lichamelijk gehandicapte zoon, Willem, en wonen in een klein dorpje in de heerlijkheid Altena, Noord-Brabant. Een geïsoleerde gemeenschap, om naar de stad te gaan moest je ‘een brug over die er nog maar twintig jaar lag en iedereen kende de verhalen van daarvoor, van toen je met een pontje naar de overkant moest. Niemand wilde naar de overkant, niemand wilde naar die stad, alleen twee keer per jaar om kleren te kopen (..)’

    Dertig jaar eerder

    Eén meisje vertrekt wel naar de stad, Eveline, schoolvriendin van Marlies en eerste liefde van haar partner Frank. Zij wordt een bekende schrijfster en komt pas na dertig jaar terug als haar vader is overleden. En wat die vader dertig jaar eerder deed, is de centrale gebeurtenis in deze roman.   Hij sloot De Put af, een zandafgraving die dankzij regen een enorm grote vijver was geworden. De tieners van Altena plachten er te zwemmen en op het veld rondom de plas te zonnen en te doen wat tieners verder nog doen. Marlies herinnert zich die tijd en de eerste aanraking van Frankie als de dag van gisteren:
    ‘De avond in juli ’87, net na de langste dag, was het nog lang warm en lekker lang licht en zeker nog boven de twintig graden dus we bleven op dat veldje hangen en er waren traytjes bier en voor de meisjes bessenjenever. (…) Die dag was net het nieuws bekend dat de complete Put dicht ging. Verslagenheid, verzet, woede. Frankie kwam bij mij in de buurt zitten, schuin voor me (…) en op een gegeven moment leunde hij tegen mijn been en dat was het. Dat had hij nodig.’

    Manoeuvres

    Het kilometers lange hek dat Rochat om De Put liet zetten maakte toegang voor de jeugd onmogelijk. Wat hij met De Put deed bleef dertig jaar lang onbekend. Maar als hij sterft en dochter Eveline het beheer over het grote water overdraagt aan Marlies en vijverdeskundige Frank ontdekt dit tweetal dat op de bodem van De Put een levende schat te vinden is. Het duo besluit die schat voor zichzelf te houden, eigenares Eveline maar ten dele in te lichten en de opbrengst te gebruiken voor de operatie en revalidatie van hun zoon. Ze zijn niet gewend te liegen en bedriegen en de omzichtige manoeuvres die zij daarbij uitvoeren behoren tot de hoogtepunten van deze roman.

    Spreektaal

    Van Mersbergen heeft wel eens laten weten dat hij streeft naar een schrijfstijl die eigenlijk een praatstijl is en schrijfster Eveline, de jeugdvriendin van Marlies, deelt die wens:
    ‘Ik vraag haar of ze er goed van kan leven. Ja, knikt ze, gespeeld bescheiden. (…) En dan zegt ze iets opvallends: Ik zoek een taal die werkelijk dicht bij me staat. Hoe bedoel je?
    En dan zegt ze: Dat. Precies zoals jij het nu zegt: hoe bedoel je? Ze komt met een heel betoog, dat ook zij hier vandaan komt maar dat haar schrijftaal anders is dan onze spreektaal. Eigenlijk wil ze schrijven zoals de mensen hier praten, zoals we nu aan dit tafeltje zitten, hoe we kijken en van die korte woorden zeggen als Welk? en Hoe bedoel je? in plaats van Wat zeg je?’

    Boeiende vertelster

    In dit boek is dat Van Mersbergen heel goed gelukt. Vertelster Marlies zit op een terras in het Franse ski-oord Chamrousse een cryptogram op te lossen (elke hoofdstuktitel is een cryptozin) en vertelt aan een ongenoemde luisteraar het verhaal van de onverwachte rijkdom van Altena. Van Mersbergen laat haar onbelemmerd en ongeremd aan het woord, terwijl ze zichzelf af en toe een glaasje inschenkt en vertelt over haar angsten en beperkingen, over de stoere en zwijgzame maar o zo kwetsbare Frank, over haar dappere gehandicapte zoon Willem, over de kinnesinne in het dorp, over haar vrees dat schrijfster Eveline haar man van haar af zal pakken.

    Moeder-de-vrouw Marlies is een boeiende vertelster en houdt de spanning er goed in tot en met de laatste pagina’s, als eindelijk onthuld wordt waaróm ze in dat ski-oord zit en wie het is die haar gesproken verhaal heeft opgeschreven.
    Dit verhaal is eigenlijk een tot roman uitgesponnen sprookje met de bij een sprookje behorende onwaarschijnlijkheden en als moraal: stelen mág, als het maar voor je kind is. In dat sprookje past ook naadloos een bejaarde Japanner die enkele keren het dorp bezoekt met raadselachtige uitspraken en kennelijk Rochat heeft geholpen bij het creëren van zijn schat. Ook de vele Japanse sprookjes die Marlies vindt in een door Rochat nagelaten boekje met metingen, wijsheden en aantekeningen, dragen bij aan wat de sage van Altena’s onverwachte rijkdom is geworden. Een mooi verhaal.

     

  • Oogst week 13 – 2019

    Vallen is als vliegen

    Alleen maar ervaren en gewaardeerde Nederlandse schrijvers, deze week in de Oogst.

    In Vallen is als vliegen valt de zestien jaar oudere zus van de hoofdpersoon, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap en sterft. Dat doet de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.

    De nieuwe roman van Uphof begint direct met die val:

    ‘Henne Vuur

    Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
    Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
    Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
    Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!’ […]

     

    Vallen is als vliegen
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De onverwachte rijkdom van Altena

    Jan van Mersbergen viert op vier april a.s. vanaf 17.00 uur de presentatie van zijn nieuwe roman bij boekhandel Athenaeum op het Spui in Amsterdam.

    In een dorp verschijnt een persoon met de mededeling dat de man is overleden die dertig jaar eerder een geliefd meer door een hek liet omheinen en afsluiten. Waarom deed hij dat? De dorpelingen denken dat hij voor zichzelf deed. Maar is dat zo? Diens dochter komt vervolgens met de sleutel van het hek.

    Het boek begint als volgt:

    ‘1 horizontaal: Beloning voor de portier

    Er staat een Chinees voor de cafetaria.
    Dat is niet een van de opgaven van de puzzel die hier voor me ligt, al zou het ervoor door kunnen gaan. Ik denk aan iets heel anders en dat begon met die Chinees, bij de cafetaria. Daarvoor gebeurde er veel en daarna gebeurde er nog veel meer, geloof me, maar het werd in gang gezet door die oude Chinees op het stoepje.
    Het zou iets met bami kunnen zijn, als die Chinees een crypto was, of met mayo. De eerste opgave van deze puzzel, één horizontaal, is: Een beloning voor de portier.’ […]

    De uitgeverij: ‘De onverwachte rijkdom van Altena laat zien dat delen pas zin heeft als iedereen ervan profiteert. Een intrigerend verhaal over afgunst en solidariteit onder de uitgestrekte hemel van de Nederlandse polder.’

     

    De onverwachte rijkdom van Altena
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Voorwaarts

    Eva Meijer (1980) debuteerde in 2011 met Het schuwste dier (2011). Later volgden  Dagpauwoog (2013) en Het vogelhuis (2016), beiden op Literair Nederland besproken.

    Meijer (filosoof, kunstenaar, singer-songwriter en schrijver) is zowel voor haar literaire als essayistische werk genomineerd voor verschillende prijzen, haar werk wordt in veel landen vertaald en zij won in 2017 de Halewijnprijs voor haar gehele oeuvre.

    Op haar blog van 16 maart jl. schrijft ze over haar nieuwe roman Voorwaarts!:

    Uit betrouwbare bron vernam ik dat mijn nieuwe roman Voorwaarts al in de winkel ligt. Nog voor ik het boek zelf gezien heb. Dus ren naar je favo boekhandel en koop het voor jezelf, je geliefde, en/of je buurvrouw. Over het boek:
    In 1923 verlaat een groep anarchisten Parijs om nabij Luynes een commune op te richten. Veganisme, nudisme en gelijkheid tussen man en vrouw bieden volgens hen de mogelijkheid om in harmonie met de aarde te leven. Bijna honderd jaar later leest student politieke filosofie Sam een oude uitgave van het dagboek van één van hen, Sophie. Sam raakt betoverd door de verhalen over het leven op de boerderij, haar liefde voor Clémence, en de vele discussies die ze hebben over de juiste manier van leven. Ze overtuigt haar eigen vrienden om de stad te verlaten en zelfvoorzienend te gaan leven. In het noorden van het land krijgen ze te maken met spirituele gelukszoekers, geldminnende makelaars, de grenzen van de open liefde en de beklemming van afzondering. Hun dromen lijken niet bestand tegen het experiment en één voor één verlaten ze het huis. Of kan het toch anders? Voorwaarts is een roman over liefde en vrijheid, en de strijd voor wat de moeite waard is.’

     

    Voorwaarts
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De verboden tuin

    Dan de heruitgave van de debuutroman De verboden tuin uit 1986 van Wessel te Gussinklo die hem meteen de Anton Wachterprijs opleverde en een debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren

    De verboden tuin beschrijft het leven van een kind met een blik op de wereld zoals alleen kinderen die hebben. De roman beschrijft ook de wijze waarop je – zowel kind als volwassene – probeert je de wereld toe te eigenen. Het heimwee naar de ongeschondenheid, naar het samenvallen van de eigen werkelijkheid met dé werkelijkheid: een droom die in iedereen leeft, maar die bij het kind nog ongerept is.

    De verboden tuin is de eerste roman met als hoofdpersoon Ewout Meyster, die later terug zal keren in de romans De opdracht en De hoogstapelaar.

     

     

    De verboden tuin
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Een van ons zal omkijken

    Tot slot de meester Toon Tellegen die een bloemlezing samenstelde uit al zijn gedichten. In al zijn bundels dicht hij over ons, de mens, over het leven, de liefde, de twijfel en de dood. De uitgeverij schrijft daarover: ‘Soms zijn die gedichten ingetogen en melancholisch, dan weer spreken ze met uitroeptekens van hoop, verlangen en geluk. En steeds gaan ze over herkenbare gedachten en gevoelens, van het verdrietigste treurgedicht tot de gloedvolste liefdespoëzie.’

    Geniet ervan!

     

    Een van ons zal omkijken
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Querido
  • Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Niets dan proza en poëzie in de eerste editie van dit jaar van het halfjaarlijks tijdschrift Revisor. Eenvoudiger kan het niet en volgens het introducerende redactioneel door Daan Stoffelsen, wordt er eens niet met thema’s gewerkt of anderszins gekaderd. Zo blijft er voor de lezer ruimte om zelf zijn thema’s te ontdekken. Stoffelsen sluit af met: ‘(…), Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang.‘ Zie de cover met het leeggeschudde doosje afgebrande lucifers op mediterraan blauw; of die nog ooit zullen ontvlammen is de vraag.

    Het leven van een groepje outcasts in het verhaal ‘Leven’ van de Amerikaanse schrijver David Ray Pollock (zoek die naam op) (vertaling Luc de Rooy) is een kwijnende toestand. Een verhaal met een hooggespannen verhaallijn over outcasts die niets meer te eten en te roken hebben (voornaamste levensbehoeften). Bij de eerste twee regels weet je al dat vanuit niets een vuur kan ontvlammen: ‘Randy was alweer door zijn peuken heen, en hij trok het niet langer. Godverdomme niet een van hen had nog een baan; en nu was in het voorjaar ook nog moeder overleden en zat hij, de oudste, met verantwoordelijkheden opgezadeld die te hoog voor hem gegrepen waren, tering ja.
    Schrijnend en rauw, daar schijnt Pollock een patent op te hebben. Hij beschrijft de levens van mislukte zielen. Met trefzekere en krachtige stijl werpt hij het de lezer voor de voeten. Prachtig!

    De personages van Sanneke van Hassel, nu we het toch over patent hebben, hebben een uitzonderlijke voorkeur ‘voor dingen die niet gebeuren’. In het verhaal ‘Nederzettingen’ waarin een schrijfster met een archeoloog samenwerkt aan een boek, houdt de schrijfster bij alles wat ze doet rekening met de archeoloog, zonder echt deel uit te maken van zijn leven. Op elke moment van de dag maakt zij zich een voorstelling van wat hij aan het doen is. In de slotzinnen van het verhaal wordt de betekenis van deze non-relatie duidelijk: ‘We bestonden in wat we achterlieten. We bestonden in wat we verkozen niet te doen. We konden vrienden worden.’ Maar dat werden ze niet. En dat niet worden; dat wordt gekoesterd in het verhaal. Betoverend proza.

    ‘Ik ben de hond’ van Jente Posthuma, gaat over een kunstenares, die bezoek krijgt van de volwassen dochter van een overleden vriendin. De oude kunstenares heeft een weekend daarvoor open atelier gehouden; ze had tien cakes ingeslagen. Er waren tweehonderd mensen langs geweest, de cake bleef onaangeroerd. ‘Iedereen had het over het uitzicht, zei ze. Niemand zei iets over mijn aquarellen.’ Een verhaal met ongelukkige handelingen en verkeerd geplaatste opmerkingen, als waren ze zo uit de werkelijkheid van het dagelijkse leven opgetekend.

    ‘Wafelbakker’ is een bijdrage van Merijn de Boer die tegenwoordig vanuit New York zijn verhalen de wereld instuurt.
    Over Ole, die op een begrafenis van een oud collega is genodigd maar niet begrijpt waarom. De man in kwestie negeerde hem altijd en heeft hij in drie jaar niet meer gezien. Waarom werd hij uitgenodigd en mag hij ook nog in het huis van de overledene wonen? Een verhaal waarin personages op knappe wijze gespiegeld worden en langzaamaan elkaars gedaante aannemen, waardoor een verrassende apotheose volgt (in traditie van klassiekers in de wereldliteratuur). Zeer Boeriaans kunnen we zeggen.

    Vincent Merjenberg schreef het weergaloze verhaal ‘Het water’. Over een relatie waarin een groot verdriet gedeeld wordt om het verlies van een kind, en een bosmeer dat ontstaan is door een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. Merjenberg verstaat de kunst een verhaal te vertellen door juist niet alles te beschrijven. Met zinnen als, ‘Ik wist, kortom, van niets en zag alle veranderingen aan voor aarzelend terugkerend geluk.’ Een stevig verhaal waar je van moet bekomen als van een stevig maal.

    Verder verhalen van Jan van Mersbergen, Klaas Knooihuizen en Robin Kramer. Poëzie van Luca Hirsch, Runa Svetlikova, Simone Atangana Bekono en Marwin Vos.

    Mooie verhalen en gedichten van auteurs die eerdere publicaties op hun naam hebben staan. In die zin geen ‘echte’ debutant te bespeuren. Een tijdschrift die het niet om nieuwe oogst gaat, maar de verhouding tussen schrijver en lezer gaande houd terwijl de eerste werkt aan een nieuw boek en even van de radar is. Revisor houdt met niet eerder gepubliceerd werk de lezer en schrijver bij de les, opdat ze elkaar niet uit het oog verliezen.’