• Vormen van rouw

    Vormen van rouw

    ‘Egidius waer bestu bleven.’ Deze versregel schiet mij de laatste weken geregeld te binnen. Hij is afkomstig uit het Egidiuslied dat rond 1400 in Brugge werd geschreven. Het hardop uitspreken ervan geeft troost, nu ik in de rouw ben om twee onlangs overleden vrienden. De literatuurlessen op het atheneum hebben toch iets nuttigs achtergelaten. Troost geeft ook het zingen van psalmen die ik wekelijks uit mijn hoofd leerde op de School met den Bijbel.

    De twee vrienden stierven in de afgelopen zomer, beiden na een ziekbed. Ze waren van mijn leeftijd en dat klopte niet. Sterven doe je toch pas na je tachtigste? Twee jaar geleden waren zij nog volop actief. Toen de ziekte werd geconstateerd, was er voor hen geen houden meer aan. Hun ziekte en overlijden bracht mij in de rouw. Een periode van herinnering en gemis, van het besef dat alles wat mij omringt breekbaar is. En dat er voor mij ook ooit een einde aan komt.

    Rouwen komt van het Germaanse woord hreuwan wat jammeren, verdriet hebben betekent. En dat verdriet kwam, het gemis werd gevoeld. Op de momenten waarop ik tijdens hun leven normaliter contact met hen had. Of zomaar, in een flits, terwijl ik iets heel anders deed, wat niets met hen te maken had. Alles in mijn omgeving lijkt de afgelopen maanden wel op rouwen betrokken. Ik struikel over een ‘walk of grief’, een wandelpad van 75 kilometer op Terschelling.  Volgens de tekst op de site kun je je er wandelend ‘weg van de drukte van het dagelijks leven’ openstellen voor ‘wat gezien wil worden.’ Blijkbaar moeten mensen daar speciaal de tijd en de ruimte voor nemen. Alsof rouwen sowieso niet allesoverheersend is.

    Rouwen om een vriend is echter heel anders dan rouwen om een echtgenoot of kind. Iemand zei me: ‘Als je vriend overlijdt is dat een heftig moment van pijn, maar je leven gaat door. Als je vrouw overlijdt staat je hele leven stil, je moet opnieuw leren leven.’ Heel treffend komt dat naar voren in het Rouwjournaal van Jan Siebelink. Hij schreef het na het overlijden van zijn vrouw Gerda. De 125 passages in het boek lijken zonder literair filter te zijn geschreven, waardoor je het proces dicht op de huid komt.

    Een ziekte- en stervensproces kent overeenkomsten. Herkenbaar in Rouwjournaal is de af en toe opvlammende hoop bij Gerda beter te worden, afgewisseld met bittere teleurstelling als dat niet voor de hand ligt. De dichtbije gesprekken tussen Jan en Gerda over wat er echt toe doet, afgewisseld met de momenten waarin de geliefden ver van elkaar staan. De huisarts die het proces begeleidt met goede raad, komt ook bekend voor. Hij raadt Siebelink bijvoorbeeld aan geen tijd te verliezen met onzinnige dingen, want ‘nooit is tijd kostbaarder geweest.’ Ook de raad om niet bij Gerda te gaan slapen, omdat hij dan te weinig nachtrust krijgt. Ook dat herken ik uit het ziekte- en stervensproces van mijn vrienden. Het komen en gaan van de jongens en meisjes, mannen en vrouwen van de thuiszorg.

    Onmiskenbaar zijn de ingewikkelde medische termen, die tot opzoeken dwingen. Bij Siebelink is dat cholangiocarcinoom. De middelen voor palliatieve sedatie: pomp, morfine en dormicum, komen langs. Herkenbaar is ook het vochtig houden van de lippen, met allerlei middeltjes, door deze of gene aangeraden. Liefdevol is de opoffering voor de partner. Siebelink schrijft: ‘Steeds meer ben ik erachter gekomen dat alles wat ik doe, onderneem, doe ik voor haar, zij wordt er rustig van’. Siebelink schrijft met liefde over zijn vrouw zonder zichzelf of haar te verheerlijken.

    Na Gerda’s dood voelt Jan zich in een vreemd land, waar hij de weg niet weet: ‘Ik lijk verborgen onder een glazen mand.’ Op de eerste zondag na haar begrafenis moet hij bekennen dat hij naast haar in het graf wil liggen. ’s Morgens vroeg verlangt hij soms al naar het einde van de dag, ‘om dan, boordevol slaapmiddelen, in bed te tuimelen, als in een graf, om niet te worden lastiggevallen door het beeld van een trotse vrouw, die, zonder morren, het blauwige, vernederende absorptiebroekje aantrekt.’

    Siebelink beseft dat hij niets is zonder Gerda die opgesloten ligt in de aarde. De enige die hem warmte geeft is hond Sarah. ‘Nevelslierten tegen de ramen, de hond dicht tegen me aan, op de bank, waar eerder je bed stond. De nevel zelf is donker, rouw op het dak, om mijn huis, rauw op het dak.’ Hij denkt dat hij haar nog werkelijk in zijn armen heeft, ze is ‘meer dan ooit aanwezig’.

    Jan Siebelink zou Jan Siebelink niet zijn als zijn vader en de religie niet in het boek zouden verschijnen. In de laatste passage herdenkt hij het overlijden van zijn ouders dat hij eindigt met: ‘Niet alleen verse wonden doen pijn, ook diepe littekens blijven pijnlijk. De afgelopen tijd heb ik de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis extra gemist.’

    Illustratief voor zijn vader en religie is de passage waarin hij beschrijft hoe hij na Gerda’s dood met zijn hond Sarah wandelt op de Ginkelse heide. Het is al een hele stap voor hem om die open vlakte binnen te treden zonder bescherming van bomen of muren. Het is een donkere dag, maar rondom hem wordt het opeens licht, helder licht. Hij heeft het idee van bovenaf bekeken te worden. Dan schiet hem te binnen dat zijn vader ooit een teken van boven ontving, een stem die zijn leven radicaal veranderde. Zijn vader kwam tot bekering. Siebelink schrijft: ‘Ik was ooit jaloers op mijn vader, en sindsdien lijkt God te zwijgen.’ Maar nu ontvangt hij ook een teken. Hij ziet het als een teken van zijn vader en moeder en van Gerda, aangekomen op de plaats van hun bestemming.

    In één van de passages loopt hij de tuinpoort van zijn woonhuis uit. Als hij in de auto wil stappen komt de jonge buurvrouw naar hem toe. Ze vraagt hem hoe het gaat en geeft zelf een antwoord: ‘U wilt uw vrouw terug hebben.’ Ze kijkt hem aan en zegt: ‘Ik bid elke dag voor u.’ Jan bedankt haar en herinnert zich een zin die thuis vaak werd gebruikt: ‘Het gebed van een rechtvaardige vermag veel.’ De passage eindigt cryptisch met de zin ‘De mythe van de secularisatie’. Siebelink wordt getroost omdat het geloof van zijn vader blijft doorwerken en niet alleen bij hem.

    Rouwjournaal is een schitterend, droevig, maar ook hoopgevend boek. Het is niet alleen kommer en kwel. Het toont ook aan hoe dicht geliefden elkaar kunnen naderen in zo’n fataal ziekteproces. Liefde is sterker dan de dood.

    Het overlijden van mijn vrienden heeft minder impact op mijn dagelijks leven, dat staat niet stil. Geregeld schiet mij een herinnering aan één van hen te binnen. Als Ajax voor de Champions League speelt, mis ik het appcontact met de ene vriend. Ik denk aan een wedstrijd in het afgelopen voorjaar. Ajax speelde tegen het Brusselse Royal Union St Gilles. De wedstrijd werd gespeeld in het stadion in Brussel waarvan de grasmat zo kaal was dat het wel een zandbak leek. Mijn vriend appte dat het knap van Ajax was om drie punten mee te nemen uit die zandbak. Waarop ik terug appte dat Ajax de tweede helft prima had gevoetbald in de Sahara. Na enkele ogenblikken schreef hij: ‘Kun je toch zien dat die klimaatsverandering geen onzin is. De Sahara komt steeds dichterbij.’ Het lezen van de app troost me, maakt me zelfs een beetje gelukkig omdat ik zo’n humoristische vriend heb gekend. Meteen denk ik aan een gedicht van Kees van Domselaar.

    ‘Geluk is nooit volledig
    is nooit af
    geluk lijkt een beetje op rouw
    het is nooit helemaal klaar.

     

    Rouwjournaal / Jan Siebelink / De Bezige Bij

     

  • Brengschuld en haalboete

    Brengschuld en haalboete

    Recensie door Peter Samuel

    In zijn nieuwe roman Brengschuld beschrijft auteur Jan Siebelink een maatschappelijk verschijnsel, dat tot de ondergang van de kwekerij uit zijn succesboek Knielen op een bed violen leidt. Jan Geurt Siebelink, geboren op 13 februari 1938, groeide als Gelderse bloemkwekerszoon op in een streng godsdienstig gezin. Het protestantse milieu vormt zonder twijfel de basis voor zijn schrijverswerk. De streek rond zijn geboorteplaats Velp is voor hem kennelijk een broedplaats vol frustraties. In een sfeer van doem en machteloosheid creëert hij met Brengschuld een deerniswekkend verhaal over schuld en boete.

    Aan zijn meesterwerk Knielen op een bed violen, dat hem de AKO-literatuurprijs en uiteindelijk de Ridderorde van de Nederlandse Leeuw opleverde, voegt de 84-jarige schrijver een puzzelstuk uit zijn jeugd toe. Waar het monstersucces bijna drie keer zoveel pagina’s beslaat (paperback, 446 blz.) als de fraaie hardcover Brengschuld (173 blz.), keert Siebelink terug naar de familie Sievez uit Knielen op een bed violen. Hij voegt als het ware een nieuw hoofdstuk toe. Hans en Margje Sievez zijn hardwerkende ouders in hun bloeiende kwekerij, die het belangrijk vinden dat hun zonen Ruben en Tom het beter krijgen dan de ouders zelf.

    Tennishal

    Werd in Knielen op een bed violen het geloof van vader Hans, onder invloed van een strenggelovige groepering, als oorzaak voor de teloorgang van het familiebedrijf gezien, in Brengschuld werpt een andere gebeurtenis zicht op de ondergang van wat eens een bloeiend bloemenparadijsje was. De bouw van een grote tennishal verstoort het alledaags bestaan van het kwekersgezin, hoewel hun vroegtijdig gestorven buurman, tevens huurbaas – zoon Ruben mocht de huishuur telkens contant in een enveloppe langsbrengen – daar later, via een nagelaten epistel, anders over bleek te oordelen.

    In plaats van de later ontdekte garantie dat zij zonder probleem in hun huis konden blijven wonen, moesten de Sievez’ door geldgebrek een deel van hun grond verkopen. Waar zoon Ruben buiten medeweten van zijn ouders een andere buurman om financiële hulp vroeg, bleek deze bemiddelde aannemer een louche sujet. Hij liet geen beloofde kleine manege, maar een reusachtige sporthal op het door hem verworven stukje grond neerzetten. Vele sporters en bezoekers van wedstrijden bedierven daarmee grondig het leven en werk van de kwekersfamilie. Hoe het mogelijk is geweest om zo’n groot bouwwerk ter plaatse te realiseren, laat auteur Siebelink in het midden. De aannemer heeft mogelijke regels ter zake van een vergunning kennelijk weten te omzeilen. Verwerpelijk, niettemin een vaker in onze maatschappij voorkomend verschijnsel. Rijken trekken immers regelmatig aan het langste eind. Eigenlijk zou dit de ‘patserachtige’ aannemer een fikse ‘haalboete’ moeten bezorgen, al was het maar om de ‘brengschuld’ te vereffenen.

    Herkenbaar decor

    Na het afronden van de kweekschool was Jan Siebelink ruim drie decennia leraar Nederlands en Frans op een middelbare school. Als schrijver was hij niet te stuiten. Sinds 1975 verscheen een waslijst van bijna vijftig boeken van zijn hand. Vaak is het decor in zijn verhalen eender door terugkerende elementen. In de roman Brengschuld blijken gebeurtenissen anders, al zijn de personages dezelfde als in Knielen op een bed violen. Hardwerkende ouders, een vader in de ban van het geloof, waarmee hij een wig drijft tussen de gezinsleden, en een oudste zoon die probeert het gezin bijeen te houden. De leden van de familie Sievez – vader Hans, moeder Margje, zoon Ruben en zijn jongere broer Tom – lijden ieder op hun eigen manier onder de gebeurtenissen en doen ieder hun best om tot oplossingen te komen.

    De schrijfstijl van Siebelink is soepel, zijn verhaallijn in Brengschuld is ontroerend, aangrijpend en indringend tegelijk. Een mooie zin luidt bijvoorbeeld: ‘Zijn broer, in de loop van zijn leven, was de verjaardag als een lichtzinnige aangelegenheid gaan zien’. In andere woorden, een roman om in één adem uit te lezen.

     

     

  • Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

    Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Boekencafé in debat met verschillende auteurs, thema: 'De zeven hoofdzonden'

     Agenda

    De laatste vijf dagen van januari staan in het Boekencafé in het teken van De zeven hoofdzonden. Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, vanaf 17.00 uur gesprekken met schrijvers. Vijf achtereenvolgende avonden waarop gedebatteerd zal worden tussen een bekende auteur en evenzo bekende interviewer over De zeven hoofdzonden. Toegang is gratis, iedereen is welkom.

    Het Boekencafé opent maandag 27 januari met een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.

    Waarna de volgende auteurs met de daarbij behorende thema’s aanwezig zullen:
    Di. 28 januari: Poëzie en beeldende kunst verenigd in een boek / Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.
    Wo.29 januari: Het succes van culinaire boeken / Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.
    Do. 30 januari: Caraïbische letteren / Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.
    Vr. 31 januari: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.

    Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur inloop, 17.30 uur start gesprek
    Na afloop tijd voor een borrel (18.45 uur).
    Adres: Amsterdamse Academische Club,
    Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam.
    Graag aanmelden via aac.uva.nl/agenda

    Boekencafé is een nieuw begrip in Amsterdam en een initiatief van Boekface. Programmering is in handen van Vera de Kort. Zie ook boekface.

     

  • Een huiveringwekkend beeld van het onderwijs

    De vaderfiguur in Knielen op een bed violen gaat in zijn jonge jaren het vak van kweker leren in Den Haag. Daar woont hij een tijd op kamers aan de Laan van Meerdevoort. Diezelfde Laan, volks en statig, vormt het decor voor de nieuwe roman van Jan Siebelink, Suezkade. Aan die kade woont de hoofdpersoon Marc Cordesius en op de lange Laan van Meerdervoort gaat hij werken als docent Frans aan het Descartes-gymnasium.

    Er zitten nogal wat verhaallijnen in deze roman. De moeder van de hoofdpersoon is op jonge leeftijd voor zijn ogen ontvoerd. Nooit heeft hij haar teruggezien. Zijn vader speelt geen rol in het boek, wel zijn oma, maar die is net overleden. Vandaar dat Marc het grote, lege huis aan de Suezkade ontvlucht om aan een school te gaan werken. Op die school is hij in het begin een graag geziene figuur vanwege zijn belezenheid. De rector stelt alles in het werk om met hem bevriend te raken, maar moet tot zijn spijt zien dat Marc direct vriendschappelijkere gevoelens heeft voor een nogal recalcitrante collega.

    Het lesgeven gaat Marc bijzonder gemakkelijk af. Hij verzwaart de stof en de leerlingen vinden dat juist erg leuk. Een bijzondere positie krijgt Najoua, een meisje met een allochtone achtergrond (met dat gegeven wordt verder niets gedaan) dat zich erg aanhankelijk gedraagt ten opzichte van Marc, alhoewel er van seks geen sprake is. Het meisje lijdt naarmate de jaren voorbijgaan in steeds ergere mate aan anorexia; zo erg zelfs dat zij opgenomen moet worden. De liefde van Marc voor haar blijft tot het einde en alle andere vrouwen die hij tegenkomt in het boek wijst hij af. Of de situaties die bijna tot seks leiden worden erg gênant. Het is niet moeilijk om verlatingsangst of bindingsangst als reden voor aan te voeren en die is direct te herleiden op zijn verdwenen moeder. Als op het eind Marc ‘Mamma-Najoua’ op het bord heeft geschreven dan is dat wel wat al te expliciet. We hadden al genoeg aanwijzingen in die richting, bijvoorbeeld een blind zwerfkatje dat aankomt lopen en die door Marc uitvoerig geknuffeld wordt; hoe duidelijk schrijf je een verwijzing naar Oedipus op?

    Interessanter en leuker om te lezen is het beeld dat Siebelink schetst van het huidige onderwijs. Het onderlinge machtsvertoon van docenten, de nietszeggende vergaderingen, de nietszeggende toespraken van de rector, de schrikbarende achteruitgang in leerstof, de hemeltergende mondelingen (‘Marc bekeek intussen de boekenlijst, die opende met L’avare van Molière, alleen het eerste bedrijf. Van de twintigste eeuw waren twee boeken gelezen: Le silence de la mer van Vercors en Le petit prince van Antoine de Saint-Exupéry. Dit was zes gymnasium.’), de akelige rapportenvergaderingen, de jaloezie en de haat. Marc zondert zich steeds meer af van de rest van het lerarenkorps en krijgt zelfs een noodgebouw tot zijn beschikking waar hij zijn eigen onderwijsparadijs kan bouwen. Eigen leerstof, boeken in het lokaal en tegen de officiële richtlijnen in behandelt hij zelfs de subjonctif. Het lijkt vermakelijk, het klinkt grotesk allemaal, maar Siebelink schetst een realistisch beeld van de teloorgang van het huidige onderwijs. Bijna alle scènes die op school spelen, herken ik, inclusief deze:
    ‘Waarom staan die dozen hier?’
    ‘Ze zijn afgeschreven door de bibliotheek. De dozen worden voor de collega’s in de hal neergezet. Wie er wat van zijn gading in vindt, mag dat meenemen. Wat overblijft komt in de oudpapiercontainer.’

    Misschien zitten er wat losse eindjes in dit verhaal en misschien zie je de noodlottige afloop van verre aankomen (een verhaal als dit kan moeilijk een gelukkig einde kennen) en misschien is Suezkade minder vanuit een innerlijke noodzaak geschreven dan Knielen op een bed violen, als men over tweehonderd jaar deze roman opduikelt onder het stof in een der laatste bibliotheken dan zal men een huiveringwekkend precies beeld krijgen van het onderwijs aan het begin van de eenentwintigste eeuw.

    Coen Peppelenbos

    Jan Siebelink: Suezkade. De Bezige Bij, Amsterdam, 382 blz. €19,90.

    Eerder verscheen op Literair Nederland deze recensie van Karel Wasch over hetzelfde boek.