• Laten we ons best gaan doen

    Laten we ons best gaan doen

    In reactie op een recensie over Voettocht naar het hart van het land, door Jan Schuurman Hess, stuurde Cees van Mourik ons een essay over dit boek dat wij hier graag publiceren.


    Voor een essay is het belangrijk dat je je het boek, dat het onderwerp is eigen maakt: er even in bladeren, de geur opsnuiven, voorkant, achterkant, bladspiegel bekijken en dan lezen. Het is een kloek boek van 300 pagina’s geworden, het resultaat van het opschrijven van gehoorde verhalen en ervaringen tijdens een voettocht door Nederland. Die voettocht duurde twee jaar, op twee dagen per week en was hemelsbreed gemeten ongeveer 1.320 kilometer lang, dus zo’n 1750 echte kilometers. Een heel eind! Die tocht leverde 200 verhalen in 100 wandeldagen op. Er werd elke week gewandeld, weer of geen weer, verjaardagen of geen verjaardagen en pijn of geen pijn. Jan Schuurman Hess heeft twee paar degelijke wandelschoenen tot op de draad versleten. Qua intensiteit is het een beetje vergelijkbaar met het vertaalwerk van de Bijbel uit de brontalen door Peter Oussoren. Hij werkte een uur per dag , elke dag; na dertig jaar was de Naardense Bijbel af. Gedreven mensen brengen iets tot stand.

    Als je het boek bekijkt, valt de prachtige voorplaat op. Daarop is Jan Schuurman Hess te zien, wandelend, met rugzak. Het bijzondere is, dat hij naar rechts het beeld uitloopt: hij is op weg, op weg naar de mensen, wier verhalen hij zal aanhoren en opschrijven om de toestand van de democratie aan den ore te ondervinden. Het boek heeft een goede informatieve achterkant, waaruit duidelijk wordt dat de betrokkenheid bij en de compassie voor de gewone mensen de drijfveren voor dit boek waren. Jan Schuurman Hess is een betrokken lid van de PvdA en benut zijn banden met partijleden om mensen te helpen. Maar het boek is geen loflied op de PvdA, integendeel. Zo kunnen we ook de voorplaat interpreteren: de PvdA vaart een verkeerde koers, je moet verder kijken dan de strikte partijdogma’s. Dan krijg je een PvdA’er die naar rechts het beeld uitloopt… dat is zeker bijzonder! Jan Schuurman Hess observeert scherp en de basis is dat Jan Schuurman Hess begaan is met het lot van de gewone mensen, die het in de wereld van nu moeilijk hebben en hun vertrouwen in de politiek verloren hebben.

    Het boek heeft een oersterk en prachtig, bijna poëtisch begin. Beschreven wordt hoe de boeren en het lokale bestuur in Zeeland demonstreren tegen de ontpoldering. De kracht van de mens in zijn specifieke habitat wordt zichtbaar. Haagse ambtenaren begrijpen er niets van en staan daar maar “in hun deftige pakken” (blz. 8).

    Het boek is dus een reisverhaal dat de voettocht van Zeeland naar Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland, Noord-Holland, Flevoland, Utrecht, Zuid-Holland en weer terug naar Zeeland beschrijft. Het is een pleidooi voor gezond verstand, dat door sommige ambtenaren en bestuurders hardnekkig niet wordt gebruikt met tot gevolg dat er hartverscheurende situaties ontstaan. Het blijft bij beschrijvingen en wat ik sterk vind: nergens wordt het een aanklacht of ontaardt het in een oordeel.

    Wat wil dat ons zeggen? Jan Schuurman Hess is begaan met de toestand van het land, die door hem consequent wordt vertaald met de toestand van de gewone mensen. Hij laat zien hoe de besten van de gemeenschap hun verantwoordelijkheid nemen, hun rug rechten en het woord nemen. Of dat nu boerinnen of arbeiders zijn, zij willen de gevoelens van de gemeenschap waartoe zij behoren, vertolken.

    Jan Schuurman Hess schrijft veel over hechte gemeenschappen in de maatschappij. In de jaren tachtig is er een onderzoek geweest naar de normen en waarden in plattelandsgemeenschappen – dorpen en buurtschappen zeg maar – ik meen in Zuid-Amerika, Rusland, Australië, China en Duitsland. De normen en waarden in de kleine gemeenschappen bleken overal vrijwel identiek. Dat is niet zo vreemd als het op het eerste gezicht lijkt. Iedereen heeft in de groep, waarin hij leeft, een taak, moet zich aan afspraken houden en meewerken aan de leefbaarheid van het geheel.

    In het boek Ik is niks (uitgeverij SEP, november 2013), beschrijft Ton Baetens de processen in zo’n kleine gemeenschap, het dorp Elsendorp in Noord-Brabant. Een prachtig voorbeeld van de wijze waarop een dorp zich tegen ambtenarennota’s in, in leven houdt en overal het beste van maakt. Dat gebeurt daar precies zo als hierboven genoemd:  iedereen draagt zijn of haar steentje bij en wordt daartoe ook aangemoedigd. Als in Elsendorp een probleem opduikt, kijken ze met elkaar hoe dit het beste opgelost kan worden, of het nu gaat om een nieuw trainingsveldje, het inrichten van de mantelzorg of het behouden van de school. Ook in Gaastmeer, het dorp waarin ik woon, gebeurt dat zo. Als er een nieuw hek bij de herberg of een nieuw doopvont moet komen, wordt dat met elkaar gedaan. Na afloop een kop snert en dan is het ook weer goed.

    Het beeld dat uit het boek van Jan Schuurman Hess naar voren komt, kent soms Kafkaëske proporties. Werknemers die tegen elkaar worden opgezet om omzet in de zorg te draaien, mensen die na lange dienstverbanden plotseling op straat staan en niet meer weten hoe het verder moet, en vissers die door belachelijke regeltjes hun beroep niet meer kunnen uitoefenen. Wetten en voorschriften worden vaak bedacht om vermeende wantoestanden aan te pakken. Dat de plank dan ook wel eens wordt misgeslagen en dat dan ongewenste neveneffecten ontstaan, lijkt van minder belang. Dit moet bijna wel leiden tot de conclusie – in het boek overigens niet met zoveel woorden benoemd – dat sommige vertegenwoordigers van ons land gewoon de weg kwijt zijn. Maar ik zei al: het boek gaat over ons dus het zegt ook iets over ons. Geven wij ambtenaren en bestuurders de verkeerde signalen mee? Letten wij niet voldoende op hen? Jan Schuurman Hess constateert alleen dat het draagvlak verdwijnt voor een politieke partij, die zich voorheen bekommerde om het lot van deze mensen, maar zich nu blijkbaar niet langer verantwoordelijk voelt, afgezien van betrokken en gedreven enkelingen.

    Toch is het geen negatief boek geworden, integendeel. De overtuiging dat we met elkaar iets kunnen bereiken, als we maar naar ons gezonde verstand luisteren en dat volgen, is overweldigend. Dat vergt inzet, moed en veerkracht, maar het kan wel. Het zijn vaak kleine stapjes, die worden beschreven, maar ze beklijven wel. Maar ook een bouwvakker wordt beschreven, die door kleine stapjes te zetten, nu een internationaal verkopende schilder is, dat soort dingen komt ook voor.

    De taal in het boek is helder. Het woordgebruik getuigt soms van afgunst, van spot. De deftige pakken uit het begin, een angorawollen pullover komt langs en een mevrouw uit het onderwijs met een salaris waar een minister jaloers op is.

    Maar wat prevaleert na het lezen? De zorg om de gewone mensen. Jan Schuurman Hess wijt die zorg voor een groot deel aan het Nederlandse onderwijssysteem. Onderwijsmanagers die alleen maar grote scholen willen en die scholen sluiten en zo het hart uit een dorp halen, MBO-leerlingen die geen suiker kunnen afwegen, scholen die moeten fuseren om verkeerde prioriteiten, de zoon van Jan Schuurman Hess die van een ROC gestuurd wordt, omdat hij geen grote bek heeft. Niet te geloven, maar toch waar. Jan Schuurman Hess heeft begrepen dat de samenhang van een maatschappij daarvoor benadrukt moet worden en dat begint in de kleine organische eenheden, de buurtschappen, de dorpen en de wijken. Goed onderwijs is daarvoor een eerste vereiste, met andere woorden: de scholen voor primair onderwijs moeten behouden blijven. Daarvoor heeft hij naar partners gezocht en in het slot van het boek wordt duidelijk dat het een redelijk begaanbare weg is, die weliswaar heel lang is en vol obstakels ligt, maar wel eentje die zou kunnen leiden naar een blijvend leefbaar platteland, waar we met elkaar om elkaar denken.

    Naast de diepe menselijke warmte die het boek uitstraalt, is er het ontzag voor de natuur. Nooit moppert hij als het slecht weer is, nooit klaagt hij over kou of regen, nooit zeurt hij over een te warme dag. Hij beleeft Nederland en daarvan is dit boek een geslaagde weergave.

    Eén aspect is zeker nog vermeldenswaard. Jan Schuurman Hess heeft niets verdiend met zijn voettocht, die begon als eigen onderzoek naar de toestand van het land, naar de beleefde democratie en naar ons sociaal bewustzijn. Toen hij een poos bezig was kwam uitgeverij Atlas Contact met het voorstel om zijn ervaringen te bundelen in een boek. Daar heeft hij uiteindelijk in toegestemd om anderen te laten weten hoe ons land erbij ligt. Laten we met elkaar ons best gaan doen!

     

    Gaastmeer, 17 september 2014

    Lees hier de recensie
    En hier een mooi fragment met de auteur op Omroepzeeland.nl

     

  • Hoe hoop te houden in Absurdistan?

    Hoe hoop te houden in Absurdistan?

    Het openbaar bestuur is het contact met de samenleving kwijt, niet alleen in het ‘verre’ Brussel, maar ook in de gemeenteraden. Dat geldt in het algemeen, maar evenzeer voor de sociaal-democratie omdat die zich drukker maakt over bestuursstructuren dan over de mensen die de maatschappij levend houden. Die voelen zich niet meer gehoord en keren zich af. Dat is de conclusie van de Zeeuwse PvdA-er Jan Schuurman Hess. Hij onderzocht de staat van democratisch en sociaal Nederland op een bijzondere manier. Hij wandelde tussen 3 februari 2011 en 2 februari 2013 door Nederland ‘tegen de geest en het tempo van de tijd in: te voet, twee dagen per week’. Op zijn pad vroeg hij aan werkers op straat, in scholen, in ziekenhuizen, aan jongeren in bushokjes, aan partijgenoten, aan vissers, bouwvakkers, zwervers, boeren, kunstenaars, winkeliers enzovoort enzovoort, hoe ze overeind bleven in het huidige Nederland en of ze zich begrepen voelden door de politiek. Hij hield op zijn website een verslag bij van zijn ontmoetingen en een neerslag daarvan is nu gebundeld in het boek Voettocht naar het hart van het land.

    ‘Ik ben geen politicus maar een betrokken waarnemer’ schrijft hij over zichzelf. En dat is inderdaad het verademende aan het boek. Hij is geen praatjesverkoper die, net als in de verkiezingstijd, door het land stapt om het verhaal van de partij uit te leggen. Hij luistert, verwondert zich, vraagt zich af wat hij doen kan, waarom het contact verloren is gegaan.

    Waar het aan ligt is niet duidelijk, maar het eerste deel van de tocht, door Zeeland, Brabant en Limburg, lijkt wel door een soort Absurdistan te voeren. In Tilburg ontmoet hij bijvoorbeeld twee Turken die al 15 en 18 jaar voor dezelfde baas werken in Nederland en plotseling een inburgeringscursus moeten doen. Onderdeel: een uitzendbureau benaderen en daar een sollicitatiegesprek voeren. Maar er blijkt geen enkel uitzendbureau te zijn dat daar tijd voor vrij wil maken.
    Of neem de vrachtwagenrijder die hij spreekt op weg naar Westelbeers. Hij rijdt af en aan voor een project om ‘natte natuur’ aan te leggen. Schuurman Hess vraagt hem hoe dat kan op zandgrond. ‘Dat begrijpt niemand’, zegt de chauffeur, ‘ik doe wat er gezegd wordt’.
    Of de orgelman in Weert. Hij zit in een project begeleid wonen en is Nederlands en Europees kampioen draaiorgel. Hij spreekt foutloos Engels en Duits. Maar hij zit al meer dan een jaar ziek thuis omdat hij verplicht is in de sociale werkplaats schroefjes aan te draaien in plaats van zijn talent bot te vieren. Schroefjes draaien kan hij niet.
    Je wordt er als lezer zwartgallig van.

    Maar boven de rivieren gekomen, vooral in Groningen en Friesland, barst het van de creativiteit in het vinden van eigen oplossingen met een neus naar de hoge heren. Nogmaals: waar het aan ligt is niet duidelijk; het kan toeval zijn in de ontmoetingen. In het Friese Nij Beets was geen geld voor een zwembad. Toen bouwden de dorpelingen met elkaar een bungalow, verkochten die en legden van de opbrengst het gewenste zwembad zelf aan.
    En toen de bewoners van drie dorpen in de Fryske Marren AED-apparaten wilden hebben vingen ze bot bij de gemeente. Ze klopten vervolgens aan bij verenigingen en bedrijven in de dorpen en binnen twee weken was het geld bij elkaar. Plus twintig vrijwilligers.

    Absurdistan blijkt ook in Gelderland te liggen. De eigenaresse van de speelgoedwinkel in Buren moet haar winkel na 47 jaar sluiten. Ze kan 175 euro voor Buma Stemra, het verschuldigde auteursrecht omdat ze af en toe een radio aan heeft staan voor wat achtergrondmuziek, niet meer opbrengen. En de 440 euro rioolrecht wordt haar teveel. Rioolrecht? Er is in de winkel geen aanrecht, geen wc en zelfs geen waterleiding. Thuis heeft ze twee badkamers en betaalt ze veel minder: ‘Wat kan ik nog?’

    Wat kan ik nog?, vraagt ook Schuurman Hess zich af.
    Die vraag moet hij, als pleitbezorger voor de leefbaarheid in de kleine dorpen, ook zichzelf stellen. Hij woont in Kats in Zeeland. Daar heeft de school veel te weinig leerlingen. Sluiting dus. Hij wendt alle lobbykunsten en creativiteit aan om dat te voorkomen. Ondanks weerbarstigheid van de politiek, die alleen heil ziet in grootschaligheid, boekt hij uiteindelijk resultaat: de macht in het onderwijs is teruggegeven aan de gemeenschap in Kats.
    En ook de ontmoetingen tijdens het wandelen krijgen een vervolg. Hij lobbyt net zo lang tot de Weertse orgelman wordt benoemd tot stadsorgeldraaier. Nog één duwtje, dan mag hij als zodanig aan de slag als arbeider voor de sociale werkplaats.

    En zo wordt een boek dat je af en toe treurig stemt toch nog een pleidooi om de moed niet te verliezen.