• Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Babi Jar heeft als ondertitel ‘een document in de vorm van een roman’. De Oekraïens-Russische schrijver Anatoli Koeznetsov (1929-1979) schreef de eerste versie van Babi Jar als veertienjarige in een dik schrift tijdens de Tweede Wereldoorlog nadat hij de gruwelijkheden rond het ravijn Babi Jar bij Kiev had meegemaakt. In 1966 werd het zwaar gecensureerde boek in twee miljoen exemplaren in de Sovjet Unie gepubliceerd en in Nederland verscheen de vertaling ervan in 1967. Na zijn vlucht uit de Sovjet Unie kon Koeznetsov de ongecensureerde versie met aanvullingen in 1970 in Londen publiceren. 

    Hoe het mogelijk is dat die laatste versie van het boek nu pas in het Nederlands is vertaald, vermelden de flaptekst en inleider Arnold Grunberg niet, maar vorig jaar verscheen ook een Amerikaanse herdruk ter gelegenheid van één jaar Russische inval in Oekraïne. In zijn voorwoord schrijft Grünberg dat een voorwoordschrijver ‘angstaanjagend veel op de recensent’ lijkt, omdat er van hem wordt verwacht dat hij veel in eigen woorden samenvat, maar hij laat Koezetsov zelf aan het woord als deze cynisch schrijft over het Duits humanisme van de moordenaars: ‘(…) er zijn evenveel humanismes op de wereld als moordenaars. En elke moordenaar heeft zijn eigen, edelste humanisme, en zijn eigen culturele vernieuwing.’ 

    Catastrofale goedgelovigheid

    In het ravijn Babi Jar bij Kiev werden door de nazi’s meer dan 100.000 mensen vermoord, te beginnen met ruim 33 duizend Joodse burgers op twee dagen in september 1941; zij waren een dag eerder opgeroepen voor een gedwongen verhuizing onder bedreiging van executie voor het niet opvolgen van de oproep. Opvolgen of niet, het maakte in feite niet uit wat je deed, maar goedgelovigheid deed de meeste Joden het bevel opvolgen. Koeznetzsov schrijft daarover: ‘De systemen gebaseerd op leugen en geweld hebben handig een zwakke plek in de mens ontdekt en tot eigen nut aangewend: zijn goedgelovigheid.’ Ook dit maakt het boek bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen, nepnieuws en desinformatie.     

    Volgens Grünberg heeft ‘wie meent alles over de Tweede Wereldoorlog te weten (…) geen recht van spreken’ als hij niet dit boek van Koezetsov heeft gelezen. En terecht, dit boek laat door de dagboeken van de jonge Russische Koeznetsov zien wat in Kiev is gebeurd en de nazi’s aan het eind van de oorlog geprobeerd hebben te verbergen. Net als dit na de oorlog door de Sovjet Unie onder leiding van Stalin nogmaals is geprobeerd, omdat de dood van de Joden niet belangrijk genoeg werd geacht en bovendien in het verlengde lag van het antisemitisme en de moord op Joden in de Sovjet Unie in de vooroorlogse jaren. 

    In de uitgave van het boek in 1970 zijn, net als in deze vertaling, drie verschillende soorten tekst te onderscheiden: de eerste uitgegeven tekst uit 1967 – in normaal lettertype – , de door de censuur geschrapte tekst – in vet lettertype – en wat Koeznetsov na 1967 heeft toegevoegd – tussen vierkante haakjes.  

    Gecensureerde bladzijden

    De vet gedrukte, gecensureeerde  tekst komt  op iedere bladzijde voor, soms bladzijden achter elkaar en bevat volgens Koeznetsov  in zijn voorwoord ‘Aan de lezers’, ‘de belangrijkste betekenis waarvoor het boek geschreven werd’. Het begint al in het inleidende hoofdstuk waar hij schrijft: ‘Ik ben vaak begonnen met het schrijven van een gewone documentaire roman, maar zonder enige hoop die ooit gepubliceerd te zien.’ En even verder: ‘Ik schrijf alsof ik onder ede voor het hoogste gerecht een getuigenverklaring afleg en ik sta in voor elk woord. Dit boek vertelt alleen de waarheid.’ Een onvoorstelbare waarheid waarin mensen niet alleen werden neergemaaid door machinegeweren, maar ook tot worst werden vermalen door een Oekraïense slachter in deze tijd van onvoorstelbare hongersnood.

    De roman begint in september 1941 als het Rode Leger zich heeft teruggetrokken uit Kiev, de Duitsers binnentrekken en het plunderen begint, door de Duitsers … en door de inwoners. Voor een groot deel bestaat het boek uit de observaties die de jonge Anatoli in een dik schrift heeft geschreven dat hij later had verstopt. Zijn moeder vond het schrift na de oorlog en moest erom huilen. ‘Zij was de eerste die zei dat ik er een boek over moest schrijven.’ Koeznetsov woonde in een buitenwijk in de buurt van het ravijn dat een van de speelplekken in zijn jeugd was. Het werd een verboden zone, met prikkeldraad onder hoogspanning. Hij hoorde er ‘machinegeweren ratelen, met verschilende tussenpozen: ratata,rata…Twee jaar lang heb ik dat gehoord, dag in, dag uit, en ik hoor het nog steeds. Tegen het eind steeg uit het ravijn een dikke, vette rook op. Dat duurde drie weken.’

    Ooggetuigenverslagen

    Nadat hij met een vriend in het ravijn had rondgelopen en zij er geen grof zand vonden zoals vroeger maar witte steentjes die restanten van botten bleken te zijn in grijze mensenas, besloot hij dat hij alles moest opschrijven zoals het echt gebeurd was. Naast zijn eigen dagboeken gebruikt Koeznetsov documenten, onder meer bekendmakingen in het Oekraïens  Parool, later het Nieuw Oekraïens Parool toen het bestaande werd verboden wegens ‘verraderlijke doelen’ en de hoofdredacteur in Babi Jar werd gefusilleerd.  En hij citeert uit Sovjetpublicaties uit de jaren zestig over de nazi-Duitse bezetting. Koeznetsov beschrijft zijn eigen observaties, die van vrienden en familie en de verhalen die hij hoorde van overlevenden die hij na de bezetting opspoorde.  Eerst zijn de Okraïeners opgelucht dat ze van de Sovjets af zijn na jaren uithongering en onderdrukking, en hebben ze sympathie voor de bezetter, maar dat verandert als ze er al snel achter komen dat ook zij gebruikt worden voor de Duits oorlogsindustrie en met razzia’s opgepakt konden worden.  

    De ooggetuigenverslagen van de explosies in de binnenstad van Kiev, van de executies in Babi Jar en over de arbeiderswijk Darnitsa, die was afgesloten met prikkeldraad om zo’n 60 duizend gevangenen vast te houden, behoren tot de gruwelijkste over de Tweede Wereldoorlog. Evenals de bekende verhalen over concentratie- en of vernietigingskampen in Oost Europa. Deze tragische gebeurtenissen zijn nog schrijnender met de huidige oorlog van Rusland in het nu zelfstandige Oekraïne. Het boek eindigt met de lafhartige pogingen van de Duitsers om voor hun terugtocht de moord op ruim honderdduizend slachtoffers in Babi Jar te verbergen en de latere ontkenning door de Sovjet Unie van wat er zich heeft afgespeeld. Op de plek van het ravijn van Babi Jar werd een woonwijk gebouwd en er was lang – tot 2001 – geen aandenken of monument. 

    Koeznetsov bespiegelt tussen zijn ervaringen door zijn eigen lot en dat van de mensheid. Zijn toon is niet alleen dramatisch. Hij vindt dat hij mazzel heeft gehad: ‘ik hoefde door mijn leeftijd niet naar Duitsland, bommen en kogels raakten me niet, patrouilles vingen me niet (…)’. Maar hij is ook geschokt, misselijk en wanhopig. ‘Waarvoor ben ik geboren, waartoe kruip ik rond in deze wereld als in een gevangenis?’ Hij vraagt zich af wat er morgen zal gebeuren. ‘Staat ons meer barbarij te wachten?’ Zijn boek is een onmisbaar pleidooi voor de vrijheid van de mens als kostbaarste bezit. 

     

     

  • Oorlogsleed in een zinken kist

    Oorlogsleed in een zinken kist

    Weet u nog wie in 2015 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg? Nee, geen zanger, maar een grande dame van de Russische literatuur: schrijver en onderzoeksjournaliste Svetlana Alexijevitsj. De combinatie is vermeldenswaardig, want haar werk bevindt zich in het grensgebied van de literaire non-fictie, een genre dat bijvoorbeeld ook wordt beoefend door Frank Westerman of Chris De Stoop.

    In Zinkjongens – Sovjetstemmen uit de Afghaanse oorlog richt ze haar aandacht op de oorlog in Afghanistan, waar van 1979 tot 1989 meer dan vijftienduizend Sovjetsoldaten sneuvelden. Met het conflict werd de kiem gelegd voor de terreur van de Taliban, die het straatarme land nog steeds teistert. De Sovjets hadden – althans officieel – de bedoeling om het Afghaanse volk te helpen het feodale stelsel af te schaffen en een stralende socialistische maatschappij op te bouwen. Helaas viel het communisme in de feodale, theocratische samenleving niet in goede aarde: pachtboeren wilden de akkers die hun door de herverdeling van het land te beurt vielen zelfs niet aanvaarden, want ‘de grond is van Allah’ en ‘de islam laat zich niet kleinkrijgen door de beschaving’.

    Voor haar boek interviewde Alexijevitsj talloze soldaten, verpleegsters, artsen, moeders en vrouwen van gesneuvelde of verminkte militairen. Die interviews herwerkte ze enigszins, maar de spreektaal werd grotendeels behouden: ‘Ik hou van spreektaal, taal die onbelast de vrijheid in vliegt. Waar alles vrolijk zijn gang gaat: syntaxis, intonatie, accent en nauwkeurig weergegeven gevoel.’ Het resultaat is rauw en ongepolijst, bijna uitgesproken anti-literair, een taal die beter geschikt lijkt om de smerigheid van de oorlog te benaderen dan een esthetiserende, gedragen stijl. De gedachtestroom van de personages doet denken aan de manier waarop de Portugees António Lobo Antunes de oorlog in Angola beschreef, en door het veelvuldige gebruik van beletseltekens en afgekapte zinnen is zelfs de vergelijking met Célines Reis naar het einde van de nacht niet eens zo vergezocht.

    De desillusie van de (te) jonge soldaten doet dan weer denken aan Karl Marlantes’ magistrale Matterhorn, wellicht de beste roman over de Vietnamoorlog. En de gruwel waaraan veel soldaten zich vergrijpen, daartoe naar eigen zeggen ‘gedwongen’ door omstandigheden, roepen herinneringen op aan Jonathan Littells De welwillenden: ‘In de oorlog is alles anders: jijzelf, de natuur en je gedachten. Hier begreep ik dat mensen heel wreed kunnen denken.’ Alexijevitsj laat er echter geen twijfel over bestaan: de uitvoering van een misdadig bevel is een misdaad. De bij momenten onverdraaglijke gruwel wordt verteerbaar doordat de auteur hier en daar toch een lichtpunt van hoop in de duisternis laat stralen. Haar vermogen om schoonheid in de gruwel te zien, deelt ze bijvoorbeeld met Curzio Malaparte: ‘Elk dier kan nooit zo wreed zijn als een mens, zo creatief, zo kunstzinnig wreed.’

    Ten tijde van de oorlog in Afghanistan leek de val van de Berlijnse muur nog ver weg, maar het bouwsel begon toch al barsten te vertonen en het verval van de Sovjet-Unie was duidelijk ingezet. Soldaten verzachtten de pijn met drank en drugs en vulden hun schamele soldij aan door alles wat los en vast zat te verpatsen, soms zelfs de wapens en munitie waarmee ze later werden aangevallen. Idealistische Russische vrouwen in Afghanistan werden onder druk gezet om de lakens te delen met officieren en legerartsen moesten zich behelpen met het inferieure materiaal dat door de geleide planeconomie werd geproduceerd. De regimepers schreef verbloemend over de oorlog: gesneuvelden waren volgens de officiële versie vaak omgekomen in een ‘ongeluk’. In tegenstelling tot de helden van de Grote Vaderlandse Oorlog, die het nazimonster hadden bedwongen, kwamen dode soldaten uit Afghanistan naar huis in zinken kisten, die discreet werden verspreid over begraafplaatsen en met stille trom begraven. Wie heelhuids thuiskwam, voelde zich vaak helemaal vervreemd van zijn omgeving: ‘De mens van wie je hield en die van jou hield bestaat niet meer. Ik ben een ander.’

    Tijdens Gorbatsjovs perestrojka groeide het besef dat de uitzichtloze oorlog in Afghanistan een verloren strijd was. In Rusland toonden velen begrip voor de Afghaanse moedjahedien, die tenslotte ‘hun vaderland verdedigden, en keerde een deel van de publieke opinie zich tegen de soldaten. ‘Niemand wil zich een verloren oorlog herinneren,’ mijmert een door Alexijevitsj geïnterviewde luitenant. Veel getraumatiseerde veteranen konden hun draai niet meer vinden in de Russische maatschappij: ‘In Afghanistan weet je tenminste wie je vriend is en wie je vijand.’

    Het laatste deel van het boek handelt over de processen tegen Zinkjongens. De bal ging aan het rollen in 1992, toen een groep soldatenmoeders een rechtszaak aanspande tegen Alexijevitsj omdat ze vonden dat hun woorden niet juist waren weergegeven in het boek. Hoewel alles erop wees dat de anonieme, maar voor hun omgeving vaak herkenbare getuigen in het boek onder druk waren gezet om een klacht in te dienen en Alexijevitsj de steun kreeg van allerlei mensenrechten- en auteursverenigingen, brak voor de schrijfster een periode aan van beledigingen, doodsbedreigingen en verwijten dat ze munt sloeg uit het oorlogsleed van mensen die zelfs geen geld hadden om ‘bloemen op het graf van hun zonen’ te leggen.

    In haar slotrede schreeuwde ze haar onschuld uit: ‘Waarom kunnen ze alles met ons doen? Eerst een moeder een zinken doodskist thuisbezorgen en diezelfde moeder daarna opdringen om de schrijfster aan te klagen die schreef dat ze haar zoon niet eens een laatste zoen had kunnen geven, dat ze de zinken kist met kruiden had afgeboend en gestreeld… Wie zijn we eigenlijk?’ Vlak voordat het verdict viel, legde ze nog even de vinger op de wonde: ‘Het blijkt onmogelijk mannen ongestraft hun favoriete, dierbare speelgoed af te nemen, de oorlog. Dat is voor hen een mythe… een oeroud instinct… Maar ik haat de oorlog, alleen al de gedachte dat de ene mens het recht heeft op het leven van een ander.’ Aanbevolen lectuur voor elke wereldleider die oorlogje wil spelen.

     

  • ‘De nauw begrijpbare schoonheid van het menselijke leed’

    ‘De nauw begrijpbare schoonheid van het menselijke leed’

    Op 16 januari van dit jaar werd de Nederlandse FARC-strijdster Tanja Nijmeijer geïnterviewd door NRC Handelsblad. Ze las net op dat moment een boek van Svetlana Alexijevitsj en zei daarover: ‘Ik herken heel veel in dit boek. In een oorlog lopen dingen vaak dwars door elkaar, het is niet zwart-wit. Oorlog kun je niet begrijpen vanuit een vredesperspectief.’
    Alexijevitsj zelf zei ooit over haar manier van schrijven, dat je de grote geschiedenis kruimel voor kruimel bijeen kunt sprokkelen door naar de verhalen van kleine mensen te luisteren.

    Beide uitlatingen passen uitstekend bij het al uit 1985 stammende De oorlog heeft geen vrouwengezicht, het boek dat op Nijmeijer zo’n indruk maakte en nu in Nederlandse vertaling is verschenen. In dat boek zelf verwoordt Alexijevitsj haar werkwijze nog poëtischer: ‘Hoe graag ik ook naar de hemel en de zee kijk, toch zie ik liever een zandkorrel onder de microscoop.’

    De Wit-Russische onderzoeksjournaliste won in 2015 de Nobelprijs voor literatuur. Een jaar eerder was in Nederland al haar Het einde van de rode mens verschenen, dat alom lovend werd besproken en in menig lijstje van ‘Beste boeken van 2014’ voorkwam.

    Mannenzaak
    Het einde van de rode mens en De oorlog heeft geen vrouwengezicht volgen hetzelfde procédé. Alexijevitsj interviewde grote aantallen gewone mensen en rangschikte die getuigenissen tot een boeiend overzicht van wat de geschiedenis teweeg brengt in gezinnen, dorpen en persoonlijke levens. Cirkelde Het einde van de rode mens grotendeels om de vraag wat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie de Russische mens heeft gebracht (vooral teleurstelling, desillusie en nieuwe pijn) na de Revolutie, onder Stalin, in de Tweede Wereldoorlog en daarna, in De oorlog heeft geen vrouwengezicht spreekt ze talloze vrouwen, destijds meisjes van 17 tot 20 jaar, die in de Tweede Wereldoorlog vrijwillig naar het front trokken om mee te vechten. Uit haat tegen Duitsland. Uit liefde voor het Vaderland. Zeven jaar lang interviewde ze hen. Aanvankelijk met grote moeite. Bijna niemand wilde er over praten: ‘Oorlog is een mannenzaak. Hebt u voor uw boek niet genoeg mannen om over te schrijven?’, zegt één van hen.

    De rol van die vrouwen werd lang verzwegen. Pas tien jaar na de oorlog viel in de Pravda te lezen dat de Sovjet-Unie ook jonge meisjes aan het front had. En pas dertig jaar na ‘de Overwinning’ van 1945 werden ze uitgenodigd op herdenkingsbijeenkomsten: ‘In het begin hielden we ons koest, droegen zelfs onze medailles niet. Mannen waren winnaars, helden, potentiële verloofden, het was hun oorlog, ons bekeken ze met heel andere ogen (…) Ons werd de overwinning afgepakt’, vertelt een vrouwelijke sergeant.

    Twee oorlogen
    Alexijevitsj lijkt zelf nauwelijks in het boek aanwezig. Natuurlijk is er het eerste hoofdstuk waarin ze met aantekeningen uit haar eigen dagboek duidelijk maakt hoe haar onderzoek te duchten had van de censuur en wat ze zelf besloot weg te laten. Maar alle volgende hoofdstukken bevatten hooguit enkele inleidende regels van haar zelf.

    Haar oogst aan gesprekken staat op kasten vol cassettebandjes. Tijdens de interviews stelde ze vragen, maar die blijven buiten de uitgeschreven tekst. Ze geeft letterlijk, dat wil zeggen ongekuist en zonder in te grijpen, weer wat er wordt gezegd. Dat maakt dat de schuchterheid van de vrouwen en hun pijn niet wordt benoemd, maar de lezer tegemoet komt in de transcripties. Puntjes laten zien waar stiltes vallen; zinnen worden niet afgemaakt, onvoltooid tegenwoordige tijd en onvoltooid verleden tijd worden lukraak afgewisseld en er wordt van de hak op de tak gesprongen. Je ervaart als lezer bijna hoe de spreekster slikt, wegkijkt en het goede woord niet vindt.
    En toch is Alexijevitsj ook voelbaar in die ononderbroken weergaves aanwezig: blijkbaar weet ze vertrouwen te wekken, want uiteindelijk vertellen de spreeksters wat ze tot dan toe verzwegen; sommigen zijn zelfs blij dat het ze eindelijk lukt.
    Af en toe mengt zich een echtgenoot in een gesprek van zijn vrouw. Dan wordt duidelijk hoe ze zelfs elkaar moeilijk kunnen vertellen over frontervaringen: ‘We hebben inderdaad twee oorlogen. Zodra we erover beginnen merk ik dat zij zich haar oorlog herinnert en ik de mijne.’

    Zintuigen
    Ook aanwezig is Alexijevitsj in de selectie die ze maakt. Ze heeft oor voor – wat ze noemt – ‘de nauw grijpbare schoonheid van het menselijke leed’. Ze noteert bijvoorbeeld uit de mond van de een hoe het slaan van takken tegen de vrachtwagen leek op kogelinslagen omdat met de oorlog ‘woorden en geluiden veranderden’ en later zegt iemand anders: ‘we reden op onze paarden en hoorden ineens muziek. Een viool… Voor mij was de oorlog op die dag afgelopen… Dat was zo’n wonder: ineens muziek. Andere geluiden… Alsof ik ontwaakte.’

    Opvallend is dat de vrouwen veel over zintuiglijke indrukken vertellen omdat de werkelijke pijn onzegbaar is. Een vrouw die mitrailleurschutter was zegt dat ze niet onder woorden kan brengen hoe ze huilde als ze vuurde: ‘U bent schrijfster. Verzint u zelf wat. Iets moois. Zonder luizen en vuil, zonder braaksel… Zonder de geur van wodka en bloed…’ En een chirurg over haar verborgen herinneringen: ‘soms hoor ik muziek… Of een lied… Een vrouwenstem. Daarin vind ik terug wat ik voelde.’

    En dan zijn er de schrijnende beelden die blijven hangen, zoals dit, beschreven door een verzetsstrijdster in een getto, die uit het raam keek: ‘Dinsdag… De datum en de maand weet ik niet meer. Maar het was een dinsdag.’ Ze zag op een bank een jongen en een meisje die elkaar zoenden: ‘Rondom waren pogroms en executies aan de gang. Maar zij waren aan het zoenen! Ik was kapot van dat vredige tafereeltje.’ Er kwam een Duitse patrouille uit een zijstraat, knalde het stelletje neer, en liep door: ‘Dat moet je begrijpen: ze zoenden niet thuis maar op straat. Waarom? Zo wilden ze kennelijk sterven… Ze wisten dat ze toch in het getto zouden omkomen en wilden op een andere manier sterven.’

    Inderdaad: oorlog kun je niet begrijpen vanuit een vredesperspectief. Svetlana Alexijevitsj sleept je aan de hand van vrouwenstemmen mee terug in de drek, de verlatenheid en de persoonlijke crises door alleen maar te luisteren en wat ze vernam aan ons door te geven.

     

  • Oogst week 13

    De oorlog heeft geen vrouwengezicht

    De Wit-Russische Svetlana Alexijevitsj won in 2015 de Nobelprijs voor de literatuur (‘voor haar meerstemmige werk, een monument voor lijden en moed in onze tijd’). De publicatie van haar eerste boek, De oorlog heeft geen vrouwengezicht kostte haar midden jaren tachtig haar baan, maar inmiddels zijn er in Rusland ruim twee miljoen exemplaren van dit boek verkocht.
    Eerder verscheen van Alexijevitsj in Nederland Het einde van de rode mens (over het leven na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie).  Zij schrijft vooral over de Tweede Wereldoorlog, de oorlog in Afghanistan en de ramp in Tsjernobyl.

    De oorlog heeft geen vrouwengezicht vertelt de herinneringen van honderden vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dienden in het Russische leger als o.a. scherpschutter, tankbestuurder of verpleegkundige.

    Alexijevitsj herzag haar boek in 2002 en voegde delen toe die eerder niet door de Sovjetcensuur waren gekomen.

     

    De oorlog heeft geen vrouwengezicht
    Auteur: Svetlana Alexijevitsj
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Een les voor het sterven

    Voor Een les voor het sterven, zijn roman over de ter dood veroordeelde jongeman Jefferson ontving Ernest J. Gaines de National Book Critics Circle Award. Dit boek verscheen in 1993, is inmiddels een internationale bestseller, maar verschijnt nu pas voor het eerst in het Nederlands.

    Het boek beschrijft de relatie tussen een jonge zwarte man op death row en zijn docent in het Amerika van de jaren veertig.

    Jefferson wordt ten onrechte beschuldigd van moord op een blanke. Hij word ter dood veroordeeld. Dorpsleraar Grant Wiggins neemt de taak op zich om hem begeleiden. Jefferson heeft weinig zelfrespect en Wiggins is een bitter man, maar het lukt hem wel om Jefferson uiteindelijk te doen inzien dat hij een volwaardig mens is.

    Een les voor het sterven is geschreven in 1993, speelt in de jaren veertig en heeft een thema dat anno 2016 nog steeds actueel is. Het verschijnt bij de nieuwe uitgeverij Bananafish (‘een uitgeverij voor vreemd genoeg onvertaalde literatuur’).

     

     

    Een les voor het sterven
    Auteur: Ernest J. Gaines
    Uitgeverij: Bananafish

    Een duister voorgevoel

    In Een duister voorgevoel beschrijft Cees Nooteboom zijn reizen naar zeven schilderijen van Jheronimus Bosch in Lissabon, Madrid, Gent, Rotterdam en Den Bosch. En hij vraagt zich af of hij als twintiger een andere Jheronimus Bosch zag dan nu als tachtiger. Wat heeft een schrijver uit de twintigste eeuw gemeen met een schilder uit de vijftiende eeuw? Ze komen uit hetzelfde land, maar zouden ze elkaar nog verstaan als ze met elkaar konden spreken?

    De tickets voor de huidige grote Jheronimus Bosch tentoonstelling (Jheronimus Bosch – Visoenen van een genie, t/m 8 mei) zijn uitverkocht, maar er staat nog een groot aantal andere festiviteiten op het programma in dit Jheronimus Bosch-herdenkingsjaar (zie daarvoor bosch500.nl). Maar voor iedereen met of zonder kaartje is Een duister voorgevoel van Cees Nooteboom een boeiende aanrader.

     

     

     

    Een duister voorgevoel
    Auteur: Cees Nooteboom
    Uitgeverij: De Bezige Bij