• Vader-zoon gedoe

    Vader-zoon gedoe

    Het valt niet mee om man in de literatuur te zijn, althans volgens de bundel Jongens waren we, de problematische sekse in de literatuur, samengesteld door essayist en redacteur van de Groene Amsterdammer Jan Postma, uitgegeven door Das Mag. Het betreft een bundel essays. Een bespreking van Nescio’s Titaantjes door Rob van Essen waar deze uitgave zijn titel aan ontleent, ontbreekt uiteraard niet. Andere boeken die ter sprake komen zijn onder meer Brief aan mijn vader van Kafka door Xandra Schutte, Karakter van Bordewijk door Niña Weijers, Twee vrouwen van Harry Mulisch door Femke Essink, Rabbit Redux van Updike door Joost de Vries en Mijn Strijd van Knausgård door Mirjam Rasch.

    Veel vader-zoon gedoe. Vaak herkenbaar voor mij. Ik ben expert op dit gebied na een hard gekookte opvoeding door een tirannieke vader die beroepsmilitair was. Wie man wil worden, moet zich tot de vader verhouden. Dat zegt Xandra Schutte in haar essay over Brief aan mijn vader. Het is volgens haar het oerboek van de zoon die niet tegen de kracht van zijn vader op kan. En het is tevens een boek over een universeel conflict, namelijk dat de mens zich heeft te verhouden tot de maat der dingen, doorgaans opgelegd door ‘het gezag’.

    Niña Weijers beschrijft onder meer een scène uit Karakter waarin de zoon weigert de hand aan te nemen van een vader die hem al die jaren alleen maar heeft tegengewerkt. ‘Of meegewerkt,’ zegt de vader zachtjes. De suggestie dat de vader zijn zoon klein hield met de bedoeling hem groot te maken, is ook zo’n universeel gegeven. Wie kent niet het liedje ‘A boy named sue’ (Johnny Cash)? Dat liedje deelt volgens Weijers zijn thematiek met de Brief aan de Hebreeën uit de Bijbel; universeler kan het bijna niet.

    Behalve in de titel kent de bundel nog een parafrase op een beroemde eerste zin: ‘Alle gelukkige huwelijken lijken op elkaar, elk ongelukkig huwelijk daarentegen is een onuitputtelijke bron voor gelaagde bespiegelingen over de beproeving van de liefde’. Dit schrijft Margreet Fogteloo in haar essay over Huwelijksleven van de Russische schrijver David Vogel. In dit boek is het mannelijke hoofdpersonage geheel overgeleverd aan grillen van zijn Kenau-achtige vrouw die hem niet alleen afbreekt tot op het bot, maar hem zelfs verkracht. Het verhaal werkt als een spiegel van het noodlot dat doorgaans is weggelegd voor vrouwen en waartegen het feminisme al meer dan anderhalve eeuw strijd voert, schrijft Fogteloo. De slaafse houding van het slachtoffer maakt de dader nog wreder.

    Ik kreeg deze bundel, vormgegeven met twee eikeltjes op een roze (?!) kaft, begin maart van een vriendin. Het was ter ere van de presentatie van mijn eigen roman getiteld Starfighter, tevens de bijnaam van het gevechtsvliegtuig F 104 waar mijn illustere vader namens de Koninklijke Luchtmacht mee vloog. De geefster is psychotherapeut in ruste. Toeval kan het niet zijn dat ze me juist dit boek gaf – thuis uit te pakken.

     

     


    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

  • Zinnen als vuistslagen met waarde voor het heden

    Zinnen als vuistslagen met waarde voor het heden

    In 2022 kwam in Italië Fratelli d’Italia (Broeders van Italië) aan de macht. De leider van die partij, en thans premier van Italië, Giorgia Meloni, won die verkiezingen met een tamelijk onwelriekende nationalistische, en in feite post-fascistische, agenda (‘God, land en familie’). Meloni is rechtstreeks afkomstig uit de inmiddels niet meer bestaande politieke partij Movemente Sociale Italiano die opgericht is door aanhangers van de Italiaanse dictator Benito Mussolini. Ze zal nu, wellicht voor de bühne, een iets gematigder toon aanhouden, maar dat zoiets zorgwekkend is, staat buiten kijf. Ook nu weer lijkt Italië met andere woorden klaar te staan ‘om zich te plooien naar de ergste regeringen. Het is zoals bekend een land waar alles slecht functioneert. Het is een land waar chaos, cynisme, incompetentie, verwarring heerst.’

    Deze zinnen verschenen echter niet vorig jaar, maar ruim zestig jaar geleden in een essay dat samen met tien andere essays van Natalia Ginzburg uit de jaren veertig en vijftig is gebundeld onder de titel De kleine deugden. De bundel verscheen al in de loop van de jaren zestig, in dezelfde volgorde en met deze titel, maar zijn nu in het Nederlands vertaald en ingeleid door journalist Jan Postma. In deze recensie komen overigens niet alle essays aan de orde.

     Verzet tegen het fascisme

    Ginzburg (1916-1991), geboren in Palermo als Natalia Levi, was een Italiaanse romancière, essayist en op latere leeftijd politica wier leven werk getekend zijn door precies datgene waar Italië nu weer mee te maken lijkt te krijgen: fascisme en nationalisme. Haar vader is joods en haar moeder katholiek, maar gelovig wordt ze niet opgevoed. Haar hele familie verzet zich tegen het in die tijd oprukkende fascisme; haar broer vlucht naar Zwitserland en haar vader en haar eerste man, Leone Ginzburg, een professor in de Russische literatuur worden vastgezet. Wanneer hij vrijkomt, wordt hij verbannen naar een klein dorpje in de Abruzzen.

    Over die tijd komt de lezer meer te weten in het openingsessay ‘Winter in de Abruzzen’, waarin ze in een droge, bijna ironische stijl beschrijft hoe zij die tijd met haar gezin doorbrengt. Ze verhaalt over de manier waarop ze proberen in te burgeren in een klein dorpje waar zij als stadsmeisje in eerste instantie geen voet aan de grond kan krijgen. Uiteindelijk keert haar man terug naar de stad, nadat de Duitsers Italië zijn binnengevallen. Hij wordt daar op gruwelijke wijze doodgemarteld door de Gestapo.

    Geknakt vertrouwen

    Achteraf moet ze constateren dat zij voor de dood van haar man en nota bene in ballingschap nog ‘vertrouwen in een lichte vreugdevolle toekomst [had], vol ingeloste verlangens, vol ervaringen en gewone heldendaden. Maar dat was de beste tijd van mijn leven en pas nu die me voorgoed is ontglipt, pas nu besef ik dat.’ En in een later essay, getiteld ‘De Mensenzoon’ dat na de oorlog verscheen, noteert ze: ‘Ik heb altijd het gevoel dat we op een goede dag weer ’s nachts moeten vluchten en alles, rustige kamers en brieven en herinneringen en kleding achter moeten laten (…). We genezen niet meer van de oorlog. (…) We zullen nooit meer onbezorgde mensen zijn, mensen die nadenken en studeren en in vrede hun leven leiden. Jullie zien wat er met onze huizen is gebeurd. Jullie zien wat er met ons is gebeurd. We zullen nooit meer geruste mensen zijn.’ Het zijn zinnen die je als vuistslagen treffen.

    Het zijn de essays waarin de (nasleep van) de oorlog een rol speelt, die het meest indringend zijn. Het essay waar het citaat in de inleiding uit komt, is zelfs een wat klagerig aandoend stuk over waarom Engeland geen fijne plek is. Ook het bekende en veelgeprezen ‘Hij en ik’, over haar relatie met haar tweede man, is een stuk minder indrukwekkend omdat het de lading lijkt te missen die essays als ‘Winter in de Abruzzen’ en de ‘Mensenzoon’ wel hebben.

    Aansprekend

    Maar onder aan de streep maakt dat niet uit; haar ogenschijnlijk eenvoudige stijl en de als gezegd soms licht ironische ondertoon maken dat ook de mindere essays de moeite van het lezen waard zijn – de zin met actualiteitswaarde aan het begin komt nota bene uit één van de mindere stukken. Maar haar persoonlijke blik op de gevolgen van het nationalisme en fascisme blijven de lezer het meeste bij. Zoals Jan Postma in zijn mooie inleiding terecht opmerkt, is de ‘materie autobiografisch, maar dat geldt niet voor het resultaat. Het proza is tegelijkertijd specifiek en intiem en voorzichtig losgeweekt van de particuliere omstandigheden van Ginzburgs leven. Ja, het is haar leven waarover ze schrijft, maar door erover te schrijven begint dat ene leven toch en beetje te voelen als hét leven.’

    Misschien is dat wel de reden dat de teksten ook nu nog aanspreken. Laten we hopen dat Ginzburg ook in het huidige Italië veel gelezen wordt – zodat Fratelli d’Italia het niet al te lang uithoudt in het centrum van de macht.

     

     

  • Anekdotes en essays

    Anekdotes en essays

    Of het niet wat pretentieus is, je debuut Vroege werken noemen, is de vraag op de achterflap. Behalve van ironie, getuigt het ook van lef, wat eigenlijk wel past als het gaat om een essaybundel – niet bepaald het populairste genre in de letteren. Maar waarom ook niet? ‘Ik begin graag bij het begin en laat bescheidenheid liever over aan betere mensen,’ ‘antwoordt’ Jan Postma (1985) op deze vraag. In Vroege werken brengt hij vijftien essays bijeen, met uiteenlopende onderwerpen als zijn bewondering voor Josseph Brodsky, rood haar of een muizenplaag.

    Postma’s essays zijn soms scherp, soms wat lichtzinnig, in ieder geval vaak speels geformuleerd. In ‘Ga door, maak ons gek’ buigt hij zich over de tentoonstelling Selfmade die in 2014 te zien was in het Letterkundig Museum (inmiddels omgedoopt tot Literatuurmuseum) in Den Haag. De tentoonstelling bestond uit selfies van Heleen van Royen rond thema’s als, onder andere, liefde, seks, vergankelijkheid. Veel bloot, misschien meer dan je zou willen. ‘Ik kan de kut van Heleen van Royen dromen,’ opent Postma zijn stuk.

    Maar al snel verlegt hij zijn aandacht van het onderwerp van de foto’s en de reacties daarop (‘exhibitionistisch’) naar de omgeving van Van Royen. Het interessantste aan haar, schrijft Postma, zijn de mannen om haar heen. ‘Wat was er aan de hand? Heleen van Royen was in control. Ze hoefde niets te doen om de hele tafel [van De wereld draait door] tot een stelletje bumbling fools te reduceren.’ Mooie observatie.

    Verdwaling
    De meeste stukken in Vroege werken zijn (deels) eerder gepubliceerd, in literaire bladen als Das Magazin of De Gids, of in tijdschriften als De Groene Amsterdammer, waar Jan Postma ook redacteur is. Veel van de essays ‘neigen naar waargebeurde verhalen’, in Postma’s eigen woorden. Het zijn veelal verslagen van reisjes of vakanties en overdenkingen daarbij, zoals wanneer hij schrijft over de dorpsgemeenschap in Westkapelle of in het essay ‘Snorkelen in een massagraf’. In dit essay koppelt hij zijn reis naar Sicilië aan immigratieproblematiek en het werk van de essayiste Rebecca Solnit.

    Wat het essay is, is niet zo eenduidig. Het genre is weinig vormvast, wat door de beoefenaars juist ook als het wezenskenmerk wordt beschouwd, schrijft Postma in het inleidende stuk ‘Alledaags narcisme’. In zijn definitie is het, onder andere, ‘een verdwaling’ en ‘een wandeling waarbij zo nu en dan het een en ander wordt opgeraapt, niet per se om het te wegen of een oordeel te vellen, maar ook om het even te bekijken’. Zo moeten de essays in Vroege werken inderdaad gelezen worden.

    ‘Bewondering & ballingschap’ is met bijna vijftig pagina’s het langste essay uit Vroege werken. Het gaat over Joseph Brodsky, maar Postma verdwaalt graag tijdens deze wandeling. Stukken over de Russische dichter worden afgewisseld met particuliere anekdotiek, over een toevallige ontmoeting in het bos, de gelegenheden wanneer hij iets van Brodsky leest en een lezing van Zadie Smith. Waar Postma heen wil, wordt niet altijd duidelijk. Dat zou op zich ook niet zo’n probleem zijn als de omwegen die hij neemt dan in ieder geval de moeite waard zijn. Maar dat valt – ook in andere essays – helaas nog wel eens tegen.

    Het eigen, kleine narcisme
    Een persoonlijke inzet bij essays is te prijzen, maar niet geheel zonder gevaar. De mate waarin de schrijver aanwezig is in zijn teksten kent een delicate balans. De eigen ervaring kan een mooi vertrekpunt vormen, maar het wordt oppassen als het de reis zelf wordt. Exhibitionisme ligt al snel op de loer – precies de reactie op de foto’s van Van Royen. Had het meer te vertellen dan alleen het tonen van het eigen ik?

    Jan Postma gaat niet voorbij aan deze overwegingen: ‘Ik moet voorzichtig zijn. Narcisme is tenslotte iets.’ Maar de valkuil aanwijzen is niet hetzelfde als er met een boog omheen lopen. Van veel herinneringen, anekdotes en ontboezemingen is de vraag wat ze toevoegen. Een enkele persoonlijke noot is geen probleem, maar alles bij elkaar is het wel wat veel. Postma is op zijn sterkst als hij een ander onderwerp heeft om over te schrijven dan zichzelf.

    ‘Het mag niet verwonderlijk heten,’ schrijft Postma met de guitige ondertoon van ironie, ‘maar mijn eigen, kleine narcisme blijft me, in tegenstelling van dat van een amorfe groep anderen, gemakkelijk boeien.’ En dat blijkt in Vroege werken. Maar het is ook niet verwonderlijk, als dat voor de grote amorfe groep, de lezers, wellicht wat minder geldt.