• Ernst Jansz bezingt de liefde

    Ernst Jansz bezingt de liefde

    In Een liefdeslied vertelt de Nederlandse zanger/schrijver Ernst Jansz over de liefdesgeschiedenis van zijn ouders, waarin zowel het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland als het onafhankelijkheidsstreven van Nederlands-Indië zijn verweven. Meestal verschijnen dit soort familiegeschiedenissen in eigen beheer, vol met namen en geboortedata, soms geïllustreerd met talrijke foto’s uit de oude doos, trouw de chronologische lijn volgend met een vaak verspringend decor van verhuizingen, waar dan weer nieuwe loten aan de stamboom worden gepresenteerd. Een liefdeslied volgt dit patroon, maar is niet in eigen beheer verschenen. Het boek is uitgegeven door In de Knipscheer dat ook Jansz’ eerdere zes boeken het licht liet zien. 

    Op de proef gesteld

    Wat dit boek onderscheidt van doorgaans voor buitenstaanders nauwelijks interessante familieverhalen is natuurlijk de persoon van de inmiddels 76-jarige Ernst Jansz. Een bekende Nederlander, oprichter van Doe Maar, de man die (samen met de in 2022 overleden Hennie Vrienten) in het geheugen is gegrift van iedereen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw volwassen probeerde te worden. Wie wil er niet weten hoe zijn persoonlijke geschiedenis in elkaar zit? Maar Jansz stelt de lezer in de eerste alinea al danig op de proef: ‘Jeanne werd geboren op 16 september 1892. Haar vader was Martinus Reep, geboren op 4 januari 1831 te Madoera. Jeanne’s (sic) moeder, Caroline Evangeline Strüwer, was diens tweede vrouw. Martinus was eerder getrouwd met Djembrang, een inlands meisje zonder achternaam (…).’

    Dit soort opsommingen van namen en data kenmerkt het boek. In zijn voorwoord verontschuldigt Jansz zich min of meer als hij schrijft dat hij een romanschrijver van het kaliber van een Reggie Bay zou willen zijn. ‘Maar dat ben ik niet. Ik kan slechts optekenen wat op mijn pad komt. Ooit heb ik een van mijn boeken omschreven als een documentaire roman. Nou, laat dat roman in dit geval maar achterwege (…).’ Toch doet hij zichzelf daarmee tekort. Hij gebruikt wel degelijk literaire fictietechnieken. Alle hoofdstukken die Jopie zijn getiteld — de naam van zijn moeder — schrijft hij bijvoorbeeld in de ik-vorm. Zo kruipt hij in de huid van zijn moeder. Dat doet Jansz verdienstelijk. Vooral als zijn moeder Jopie en zijn vader Rudi in de wilde oorlogsjaren plotseling een voor die tijd bijzonder modern open huwelijk aangaan en Jopie beschrijft hoe zij stapelverliefd werd op een andere man, ook een Indo, net als Rudi. Raden Saleh Sadeli is zijn naam en hij verwekt een kind bij Jopie, een meisje dat Ati wordt genoemd. Zij is dus de (half)zus van Ernst. De waarheid over haar verwekker wordt lang voor het meisje verzwegen.

    Op zoek naar Indische wortels

    Een liefdeslied beschrijft vooral de liefde tussen Jansz’ ouders Jopie en Rudi, maar is het meest ontroerend in de passages waarin op latere leeftijd, als Rudi al is overleden, Ati op zoek gaat naar haar eigen Indische wortels en zich eindelijk verzoent met haar achtergrond. Het boek vertelt bovendien overtuigend het vaker vertelde verhaal over de enorme afstand tussen het leven in Nederlands-Indië en het bestaan van Indische Nederlanders in het koude kikkerlandje aan de Noordzee. Vader Rudi zag het als zijn levenswerk om die afstand voor zijn mede-Indo’s zoveel mogelijk te overbruggen. Maar tijdens en na de onafhankelijksoorlog bleek dat een onmogelijke opgave. Misschien dat zijn beroemde zoon, door veel in Indonesië op te treden, daar later alsnog een steentje aan heeft bijgedragen.

    Wie het boek koopt, krijgt de gelijknamige cd Een liefdeslied erbij, te beschouwen als de soundtrack van het boek. Het zijn fraaie, vaak verstilde en melancholische liedjes die belangrijke momenten in de levens van Jansz’ protagonisten onderstrepen. Het album zou op zichzelf kunnen staan, maar de combinatie met het boek is een mooie meerwaarde. Overigens is het album ook te vinden op Spotify, handig voor mensen die geen cd-speler meer bezitten.

     

     

  • Couperus in levende lijve

    Couperus in levende lijve

    In zijn novelle voert Coen Peppelenbos de schrijver Louis Couperus levend op. Hij doet dat aan de hand van de eerste druk van Couperus’ boek De stille kracht, een bibliofiele uitgave die dankzij de fluwelen omslag duizenden euro’s waard is. Het boek uit 1900 speelt zich af in Nederlands-Indië. Couperus laat zijn westerse personages, ten prooi aan de stille kracht van de oosterse cultuur, zowel politiek als erotisch geheel ontsporen. Couperus zelf typeert de kunstzinnige omslag in een brief aan zijn uitgever als ‘de luxe waarin ge dat onfatsoenlijke boek hebt gekleed’. Aan dit citaat heeft Peppelenbos de titel van zijn boekje ontleend: Onfatsoenlijk en luxueus.

    Hoofdpersonage Chris probeert als adviseur van het Groninger Museum kunstwerken aan een oude weduwe te ontfutselen. Onderwijl ziet hij kans voor eigen gewin uit haar boekenkast zo’n fluwelen Couperus te ontvreemden. Daarbij gaat van alles mis, wat leidt tot een schandaal in de Groningse museale wereld. Het verhaal biedt de auteur de mogelijkheid venijnig te spotten met die wereld. Chris denkt bijvoorbeeld: ‘Je kon een leven lang toe met een handjevol termen die je met veranderende bijvoeglijke naamwoorden in verwisselbare volgorde kon zetten – lijnvoering, kadrering, kleurgebruik, losse toets, focus, beeldtaal, bevreemding, spanningsveld, patronen, urgentie, vlakverdeling, spel met licht, dieptewerking en ga zo maar door – en hop weer een artikeltje klaar waarin nooit iets wezenlijks stond.’

    Broeierig

    Het verhaal kent drie perspectieven, uitgewerkt in de delen ‘Chris’, ‘Louis’ en ‘Jaap’. In elk deel hanteert de schrijver een verschillende stijl, om ook op die manier uit te drukken dat er iemand anders aan het woord is. In het (tweede) deel, dat door Couperus zelf wordt verteld, is dat natuurlijk een tour de force. Peppelenbos heeft er (terecht) voor gekozen modern Nederlands te gebruiken. Alleen in broncitaten handhaaft hij de oude spelling. In dit deel vertelt de grote schrijver hoe hij aan het begin van de twintigste eeuw op uitnodiging van een studentendispuut naar Groningen reist. Een van de studenten is Jaap, de overgrootvader van de Jaap in het derde deel. Er ontstaat een broeierige sfeer tussen de twee mannen, want Couperus is weliswaar getrouwd maar dat huwelijk was vooral een maatschappelijk alibi.

    In het derde deel, ‘Jaap’, is sekswerker Gio aan het woord. Jaap/Gio heeft onder beide namen een relatie met Chris en is betrokken bij het schandaal. Zo biedt Peppelenbos een onthullend perspectief op de gebeurtenissen in het eerste deel. Een uitgever overweegt de ervaringen van Jaap/Gio in boekvorm uit te geven, wat op zich al grappig is. Maar dat voornemen sneuvelt omdat, zoals de uitgever aan Jaap schrijft, ‘onze uitgeverij op dit moment opgaat in een wat groter concern (…)’ En als Couperus begin twintigste eeuw van Den Haag naar Groningen reist, een reis per trein die vier uur in beslag neemt, laat Peppelenbos de schrijver zich afvragen: ‘Hoeveel sneller zal dat zijn over honderd jaar?’ Het wemelt van dit soort geestige kleinigheden in dit boekje, dat qua sfeer, omvang en vermaak een aardig Boekenweekgeschenk had kunnen zijn.

    Semantisch

    Hoewel Onfatsoenlijk en luxueus een novelle wordt genoemd, heeft het meer weg van een uit de kluiten gewassen kort verhaal. De verschillende perspectieven verhullen enigszins dat er nauwelijks ontwikkeling in de personages zit, iets dat in een novelle toch wel verwacht mag worden. Chris is aan het eind nog steeds de man voor wie automatische deuren gesloten blijven. Couperus is en blijft uiteraard Couperus en Jaap/Gio persisteert als een heerlijke opportunist. Deze semantische kwestie doet er echter niets aan af dat dit boekje gegarandeerd een prettig leesuurtje oplevert. Peppelenbos publiceerde eerder de romans Victorie (2008) en De valkunstenaar (2016). Hij is oprichter en hoofdredacteur van het literaire platform Tzum, waar hij vaak de geestig-spottende toon weet te treffen die ook dit boekje kenmerkt.

     

     

  • Op wolken lopen

    Op wolken lopen

    Het oorspronkelijk in het Duits geschreven boek Boven aarde, beneden hemel van de Duits/Japanse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980) heeft een aangename nonchalante toon. Deze is ongetwijfeld het resultaat van juist niet nonchalant schrijven. Er zit zes jaar tussen de publicatie van haar vorige roman — Meneer Katõ speelt familie — en deze. Haar debuut, Een bijna volmaakte vriendschap, verscheen in 2015.

    Boven aarde, beneden hemel wortelt ondanks de half-Duitse achtergrond van de schrijfster in de Japanse cultuur. Het boek speelt zich bijna geheel af in Tokio. Flašar kiest in de 25-jarige juffrouw Suzu een hoofdpersonage dat haar dagen het liefst in volledige eenzaamheid slijt. Saai? Niet als het fijne pennetje van de schrijfster haar tot leven wekt. ‘Landschappelijk bekeken situeerde ik mezelf ergens tussen woestijn en steppe.’ Haar hamster Punsuke spiegelt haar leven. Punsuke kruipt weg in zijn holletje, weigert elk contact, maar als juffrouw Suzu noodgedwongen haar zieke collega Takada een tijdje in huis opneemt, leeft de hamster helemaal op. Hij komt uit zijn holletje en laat zich zelfs weer een beetje aaien.

    Kodokusha

    Juffrouw Suzu komt vooral goed tot haar recht in het contrast met de energieke meneer Sakai. Hij is de uitbater van een hoogst merkwaardig bedrijf waarvoor juffrouw Suzu als schoonmaakster gaat werken. Het bedrijf, met nog een aantal grappige en bijzondere werknemers, is gespecialiseerd in het opruimen en schoonmaken van huizen waarin lijken langere tijd onopgemerkt hebben gelegen. In het Japans worden dat soort overledenen kodokusha genoemd. ‘Het gaat erom dat je iets voor een dode doet wat je anders alleen voor een levende doet’, zegt meneer Sakai om uit te drukken dat elke dode, ook al is hij of zij nog zo eenzaam en verlaten gestorven, respect verdient.

    Via meneer Sakai en juffrouw Suzu brengt de schrijfster in een aantal adembenemende portretten de zo tragisch gestorvenen tot leven. ‘Samen met de bewoners waren ook de spullen blijven liggen, en hoewel het dode, onbeweeglijke voorwerpen waren, weerspiegelde hun toevallige groepering iets van het moment waarop een mens een lijk was geworden’, bedenkt juffrouw Suzu bijvoorbeeld. Zodoende houdt elke dode de levenden een spiegel voor. Als juffrouw Suzu steeds geconfronteerd wordt met haar eigen tamelijk levenloze bestaan, begint er iets te veranderen. De vraag is of ze uiteindelijk het lef heeft haar leven op de kop te zetten. Want, zo bedenkt ze, als de aarde boven en de hemel beneden was, zouden we op wolken lopen.

     

     

  • Zonder woorden

    Zonder woorden

    In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit is de aanvang van het evangelie van de apostel Johannes. Niet toevallig is Johannes ook de naam van het hoofdpersonage in Ochtend en avond, de recente novelle van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. En is het niet zo dat Johannes ook een visser was, ja zo is het, Johannes was ook een visser, net als de Johannes van Fosse. En na het begin volgt het eind zoals na de ochtend de avond moet komen. En als in de avond de dood onherroepelijk is geworden, schrijft Fosse, zullen de woorden waarmee alles begon verdwijnen. Is dat een typische schrijversgedachte? Is het niet zo dat voor een schrijver alles begint en eindigt met woorden? Ja, zo is het.

    Bovenstaande is een (onbeholpen) poging om het poëtische metrum van Fosses novelle te imiteren. Hij stelt vragen en beantwoordt deze in vrijwel dezelfde bewoordingen. Ochtend en avond is mede daarom eigenlijk geen novelle, maar een prozagedicht. Er ontbreken leestekens, de zinnen lopen eindeloos door en springen naar volgende regels zonder kapitalen te gebruiken. Het is een interne monoloog waarin Johannes zich afvraagt hoe het kan dat hij zich als oude man ineens weer lenig en fit voelt. Hij ontmoet allang gestorven vrienden en geliefden, weet dat ze dood zijn, maar vergeet dat ook weer, al ziet hij wel dat hij bijvoorbeeld een steen dwars door zijn oude vriend Peter heen kan gooien en voelt hij de kou in de hand van zijn overleden vrouw Erna.

    Johannes gaat dood, maar komt onder de hand van de schrijver juist tot leven. Moeiteloos laat hij af en toe het perspectief verspringen, bijvoorbeeld naar Johannes’ jongste dochter, die het dichtst bij hem woont en na de dood van zijn vrouw een beetje op hem toeziet. Vader Johannes noemt ze hem. Door haar ogen zien we hoe hij op zijn sterfbed ligt. In de slaap gestorven, zo lijkt het. Maar wij weten beter. Johannes is klaarwakker gestorven.

    In Ochtend en avond staat de geboorte van Johannes voor de ochtend. Die geboorte wordt in het eerste hoofdstuk beschreven in dezelfde stijl, in een overeenkomstig gedachtenspel. Maar nu is Olai het hoofdpersonage, de vader van Johannes. Olai verwacht veel van zijn zoon, groot geluk doorstroomt hem als het kind zich aankondigt, maar hij mag niet bij de geboorte aanwezig zijn. De vroedvrouw weerhoudt hem ervan. Juist daarom is die vaderlijke verwachting zo aanstekelijk. In het tweede deel laat Fosse Johannes in een kort fragment op deze manier denken aan zijn vader: ‘(…) tussen hem en zijn vader boterde het immers niet zo, en daarna kwamen er nog twee kinderen, Signe en de kleine Olai, ja, want uiteindelijk moest hij toch een kind naar zijn vader vernoemen, denkt Johannes, (…)’. Dat komt binnen, vooral als je zelf vader bent van een zoon en zoon van een vader. In de ochtend van het leven spelen mooie verwachtingen een hoofdrol. Als de avond is gevallen, blijkt het vaak anders te zijn gegaan en rest slechts het zwijgen.

     

    Ochtend en avond / Jon Fosse/ vertaling Marianne Molenaar / uitgeverij Oevers


    Jan Kloeze is schrijver, begin maart debuteerde hij met de roman Starfighter.

  • Schrijf niet

    Schrijf niet

    Niet schrijven, maar vooral veel lezen. Dat advies geeft Alex Boogers aan aspirant-schrijvers in zijn essay De schrijver als samoerai, uitgegeven door Hollands Diep. Er is een overaanbod aan romans en een nog veel groter surplus van mensen die een boek willen schrijven, terwijl er nauwelijks nog Nederlandse literaire romans worden gelezen. Die tegenstrijdigheid verklaart Boogers uit de behoefte van het eigentijdse ego gezien en gewaardeerd te willen worden. Maar die vorm van egoïsme is volgens Boogers niet de drijfveer van de pure schrijver. Een pure schrijver is iemand die niet anders kan dan schrijven, zelfs als hij droog brood moet eten, zijn relatie opoffert en zijn familie van zich vervreemdt. Zo’n schrijver houdt met niemand rekening en is compromisloos, net als de samoerai in de traditionele Japanse vechtkunst die uitsluitend is gericht op perfectie en daar alles voor over heeft.

    (Auto)didact

    Boogers neemt, zoals de meeste mensen, zichzelf als maatstaf. Wie zich vanuit een kansarm arbeidersmilieu opwerkt tot een gewaardeerd schrijver met inmiddels een vijfentwintigjarige carrière en een bibliografie die ertoe doet, denkt kennelijk dat dit de enige weg is die een schrijver moet afleggen. Autodidactisch. Lijdend. Strijdend tegen klassenjustitie. De klassieke kunstenaar. Vanzelfsprekend wijst hij schrijversvakscholen af. Heeft hij zelf ook niet nodig gehad. En hij heeft in de krant gelezen dat studenten daar vooral over techniek praten, maar zich niet afvragen waarom ze eigenlijk niet willen maar moeten schrijven. Boogers vindt dat schrijversvakscholen zich zouden moeten omturnen tot lezersvakscholen.

    Het is duidelijk dat hij nauwelijks weet heeft van de praktijk op schrijversvakscholen, waar al gauw de helft van de tijd wordt gespendeerd aan lezen. Er is geen docent die niet hamert op het belang van veel lezen als iemand zijn schrijverschap wil ontwikkelen. Een schrijversvakschool is een hogedrukpan, waar getalenteerde schrijvers sneller en met meer bagage uit komen dan wanneer ze op hun zolderkamertje het allemaal zelf hadden moeten doen. Hetzelfde geldt overigens voor kunstenaars op toneelscholen, film- en kunstacademies; opleidingen die vreemd genoeg vanzelfsprekender worden gevonden. Net zo evident vindt Boogers dat kickboksers (verwant aan samoerai) in de dojo getraind worden. Hij heeft zelf jaren van training achter de rug. Jaren waarin hij niet alleen de techniek van het vechten leerde, maar naar eigen zeggen ook en vooral de betekenis ervan. Een zwaard is niet zomaar een zwaard. Het gaat erom een geslepen, schitterend, onbreekbaar, verblindend zwaard te worden. Daartoe moet het naar erkenning strevende ego sterven.

    Acceptatie

    De romankunst gaat wat Boogers betreft dan ook ‘over het accepteren van de dood, de wetenschap dat we zullen sterven, en dat we er weinig tegenover kunnen stellen, behalve de verhalen die we elkaar vertellen en die op wat voor manier dan ook beklijven.’ Ook hier ziet hij een analogie met de oude Japanse krijgskunst, want hij citeert een Japanse zwaardvechter die zegt dat de weg van de samoerai het vastberaden accepteren van de dood is. Los van de minder interessante hoofdstukken waarin Boogers ingaat op gedoe met uitgevers, recensenten en collega-schrijvers, los ook van het gedram over de oorspronkelijke miskenning van zijn schrijverschap (hij werd eindeloos geframed als de kickboksende schrijver), en los ook van de tegenstrijdigheden als het gaat om het belang van scholing, heeft Boogers met De schrijver als samoerai een interessant essay geschreven waarin hij zich laat kennen als een ouderwetse romanticus die waarschijnlijk zelfs bereid zou zijn harakiri te plegen voor zijn werk.

     

     

  • Niet te negeren

    Niet te negeren

    Het boek verscheen in het Nederlands in 2020. Toen heb ik het niet gelezen. Soms ben ik allergisch voor een hype. Uit een soort recalcitrantie wil ik dan niet lezen wat iedereen leest. Maar de titel is me bijgebleven. Zo’n titel die iets in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden. En dan ook nog van een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, ik kon het niet langer negeren.

    Op de omslag wordt het een gothic detective genoemd. Het hoofdpersonage zou doen denken aan Miss Marple, de bejaarde hobbyspeurder van Agatha Christie. Onzin wat mij betreft. Het is gewoon een grote, zo niet briljante ‘Roman’. De hoofdletter is geciteerd. Tokarczuk gebruikt namelijk op een ongebruikelijke manier hoofdletters in haar tekst. Hoewel, eigenlijk doet het vertellende personage dat, mevrouw Duszejko. Een stevige vrouw van een jaar of zestig, geregeld gekweld door ‘Kwalen’, nauw verbonden met de ‘Natuur’, de ‘Dieren’ en de ‘Sterren’: ‘Ik geloofde niet dat iemand het überhaupt zou afdrukken, maar misschien dat iemand erover zou Nadenken’.

    Het nadenken betreft hier haar ‘Theorie’ dat er overeenkomsten bestaan tussen de stand van de sterren en de filmprogrammering van televisiezenders. Mevrouw Duszejko heeft vele theorieën, allemaal tamelijk wezensvreemd, vaak gebaseerd op haar fenomenale astrologische kennis. Dat maakt haar een buitenstaander. In de ogen van anderen een gek maar ongevaarlijk oud wijf. Toch zijn sommige van haar overwegingen zo gek nog niet. Bijvoorbeeld als ze aankomt met de theorie dat het cerebellum niet correct is verbonden met de hersenen: ‘Was die verbinding goed aangelegd, dan zouden we volledige kennis hebben van onze anatomie, van wat er in ons lichaam gebeurt. Het kaliumgehalte in mijn bloed is gedaald. De derde halswervel staat wat onder spanning. Lage bloeddruk vandaag, ik moet bewegen, en na die eieren met mayonaise gisteren is het cholesterolniveau te hoog, dus moet ik letten op wat ik eet.’

    Haar belangrijkste theorie is dat de ‘Dieren’ wraak nemen op de mens, op de vaak gedachteloos wrede mens die reeën en zwijnen naar believen dood schiet, die bomen omhakt en vossen in een pelsfokkerij opsluit. Die wraak bestaat uit moord, vandaar de annotatie met een detective of thriller. En inderdaad, de moorden vormen een voortstuwend element in het boek; ze zijn in eerste instantie een aanleiding om mensen en gebeurtenissen in een afgelegen en geïsoleerd gebied van Polen te beschrijven. Zonder nadruk is het boek ook nog eens buitengewoon geestig. ‘Eunjer was waarschijnlijk geschapen voor een leven in eenzaamheid, net als ik, maar onze eenzaamheden waren op geen enkele manier verenigbaar’, schrijft mevrouw Duszejko bijvoorbeeld. Ze heeft trouwens een hekel aan haar naam, aan de meeste namen. Daarom verzint ze voor iedereen een treffende bijnaam. Eunjer is zo’n bijnaam, net als Grootvoet en Goednieuws.

    Nu het boek uit heb, weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd geraakt door een schrijver. Als ik twee alinea’s had gelezen dan wilde ik al naar mijn eigen schrijftafel rennen. Niet om een pastiche op Tokarczuk te maken (dat zou niet alleen onmogelijk, maar zelfs potsierlijk zijn), maar wel om te proberen eveneens een meeslepend verhaal te vertellen. Om ook origineel te zijn, theorieën tot leven te wekken en personages te laten schitteren in hun eigen universum.

     

    Jaag je ploeg over de botten van de doden / Olga Tokarczuk / vertaling: Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra / De Geus



    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

  • Vader-zoon gedoe

    Vader-zoon gedoe

    Het valt niet mee om man in de literatuur te zijn, althans volgens de bundel Jongens waren we, de problematische sekse in de literatuur, samengesteld door essayist en redacteur van de Groene Amsterdammer Jan Postma, uitgegeven door Das Mag. Het betreft een bundel essays. Een bespreking van Nescio’s Titaantjes door Rob van Essen waar deze uitgave zijn titel aan ontleent, ontbreekt uiteraard niet. Andere boeken die ter sprake komen zijn onder meer Brief aan mijn vader van Kafka door Xandra Schutte, Karakter van Bordewijk door Niña Weijers, Twee vrouwen van Harry Mulisch door Femke Essink, Rabbit Redux van Updike door Joost de Vries en Mijn Strijd van Knausgård door Mirjam Rasch.

    Veel vader-zoon gedoe. Vaak herkenbaar voor mij. Ik ben expert op dit gebied na een hard gekookte opvoeding door een tirannieke vader die beroepsmilitair was. Wie man wil worden, moet zich tot de vader verhouden. Dat zegt Xandra Schutte in haar essay over Brief aan mijn vader. Het is volgens haar het oerboek van de zoon die niet tegen de kracht van zijn vader op kan. En het is tevens een boek over een universeel conflict, namelijk dat de mens zich heeft te verhouden tot de maat der dingen, doorgaans opgelegd door ‘het gezag’.

    Niña Weijers beschrijft onder meer een scène uit Karakter waarin de zoon weigert de hand aan te nemen van een vader die hem al die jaren alleen maar heeft tegengewerkt. ‘Of meegewerkt,’ zegt de vader zachtjes. De suggestie dat de vader zijn zoon klein hield met de bedoeling hem groot te maken, is ook zo’n universeel gegeven. Wie kent niet het liedje ‘A boy named sue’ (Johnny Cash)? Dat liedje deelt volgens Weijers zijn thematiek met de Brief aan de Hebreeën uit de Bijbel; universeler kan het bijna niet.

    Behalve in de titel kent de bundel nog een parafrase op een beroemde eerste zin: ‘Alle gelukkige huwelijken lijken op elkaar, elk ongelukkig huwelijk daarentegen is een onuitputtelijke bron voor gelaagde bespiegelingen over de beproeving van de liefde’. Dit schrijft Margreet Fogteloo in haar essay over Huwelijksleven van de Russische schrijver David Vogel. In dit boek is het mannelijke hoofdpersonage geheel overgeleverd aan grillen van zijn Kenau-achtige vrouw die hem niet alleen afbreekt tot op het bot, maar hem zelfs verkracht. Het verhaal werkt als een spiegel van het noodlot dat doorgaans is weggelegd voor vrouwen en waartegen het feminisme al meer dan anderhalve eeuw strijd voert, schrijft Fogteloo. De slaafse houding van het slachtoffer maakt de dader nog wreder.

    Ik kreeg deze bundel, vormgegeven met twee eikeltjes op een roze (?!) kaft, begin maart van een vriendin. Het was ter ere van de presentatie van mijn eigen roman getiteld Starfighter, tevens de bijnaam van het gevechtsvliegtuig F 104 waar mijn illustere vader namens de Koninklijke Luchtmacht mee vloog. De geefster is psychotherapeut in ruste. Toeval kan het niet zijn dat ze me juist dit boek gaf – thuis uit te pakken.

     

     


    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

  • Samsara

    Samsara

    Monniken met hun ogen dicht hebben een slaapverwekkend effect op me, vooral in de bioscoopzaal waar de overgang van licht naar donker de productie van melatonine stimuleert. In de film Samsara dragen de monniken fraaie oranje gewaden, zijn sommigen zo jong dat ze nauwelijks stil kunnen zitten en produceren gezamenlijk een soort gezoem dat resoneert in mijn borst en me automatisch aanzet tot bewust ademhalen. Aandachtiger ademen is een oude reflex. Jarenlang hield ik me bezig met boeddhistische leringen en retraites. Meditaties deed ik dagelijks. De drie edele waarheden bestudeerde ik aandachtig net als het achtvoudige pad. Ik wist dat ik me bevond in de eindeloze cyclus van leven en dood – samsara – maar probeerde daaraan te ontstijgen door te streven naar verlichting. Totdat ik me realiseerde dat het boeddhisme veel boeddhisten voortbracht, maar nul boeddha’s, wat vreemd was omdat de religie haar volgelingen wel het Nirwana beloofde. 

    Nee, nu spring ik niet naar Tommy Wieringa. Zijn boek heb ik nog niet gelezen. Ik blijf bij Samsara, de nieuwste film van Lois Patiño. Daarin gaat het over het wonderlijke geloof in reïncarnatie. Het schijnt dat de eerste christenen besloten de mogelijkheid van wedergeboorte niet op te nemen in hun nieuwe religie omdat het fatalistisch en lui maakte: ‘lukt het nu niet om het juiste te doen, dan komt het wel in een volgend leven.’ Daarom creëerden de christelijke aartsvaders het concept van hel en hemel; je moest het in dit ene leven goed doen, anders werd je op de Dag des Oordeels afgewezen. Het is een effectief werkprincipe gebleken. De kerk kreeg zijn zieltjes onder controle. Maar het idee van de hel is net zo bespottelijk als dat van reïncarnatie. Er is geen leven na de dood. Dat is het enige concept. Dood is dood. Misschien is het leven slechts een illusie van levende doden, maar dat is een mindfuck die een eigen column verdient. Hier beperk ik me tot de onmogelijkheid dat na de dood een samenhangend ik-besef rond blijft cirkelen in Bardo – de tussenwereld – totdat er een moment aantreedt waarop die arme dolende ziel opnieuw in den vleze mag treden.

    Lois Patiño doet in Samsara niettemin zijn best dat Bardo tot leven te brengen. Een kwartier lang wordt de bioscoopbezoeker met zijn ogen dicht geteisterd door harde, om niet te zeggen keiharde geluiden, en felle lichtflitsen, daarmee de tussenwereld simulerend. Volgens de Patiño is er na de dood een enorme herrie. Dat is op zich een grappige gedachte. Want de vooronderstelling is dat het na de dood stil is, doodstil. Soms schijn je ook een warm licht en een niet oordelende liefde mee te maken, zoals uit verhalen over bijna-doodervaringen blijkt. Maar bijna dood is niet dood. Bijna dood is iets wat iemand wellicht nog kan meemaken. Dood niet. Niemand  die dood is, kan iets ervaren. Wees niemand, zei een grappenmaker in dit verband ooit. Al het andere wat hierover wordt beweerd, is geloof.

     

     


    Jan Kloeze schrijft voor Literair Nederland maandelijks een column. Begin maart verschijnt zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

     

  • Oogst week 9 -2024

    Mijn moeder lacht

    De Belgische regisseur Chantal Akerman (1950 – 2015) begon al op jonge leeftijd met films maken, en is vooral bekend van de film die zij op 25-jarige leeftijd maakte en die wordt beschouwd als een van de eerste en grootste voorbeelden van de feministische film: Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Brussel uit 1975. De film werd in 2022 door het Britse Film Institute uitgeroepen tot ‘beste film aller tijden’.

    Daarvóór had zij al diverse films op haar naam staan waaronder Hotel Monterey (1972) en Je, Tu, Il, Elle (1974), maar ook daarna heeft zij nog tal van films gemaakt. Akerman was en bleef een inspiratie voor een hele generatie regisseurs.

    Akerman kwam uit een Joods-Pools gezin. Haar moeder met wie zij een hechte band had, was een overlevende van Auschwitz. Haar grootouders stierven daar. De band met haar moeder en de oorlogsgeschiedenis van haar familie zijn terugkerende thema’s in haar werk.

    Akerman schreef Mijn moeder lacht toen ze haar moeder verzorgde toen die in 2013 op sterven lag. Mijn moeder lacht gaat over haar jeugd, de ontsnapping van haar moeder uit Auschwitz, haar liefde voor haar vriendin C. en de angst voor de tijd na het overlijden van haar moeder.
    Niña Weijers schreef het voorwoord bij Mijn moeder lacht.

    In het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is vanaf half maart t/m half juli 2024 een expositie over het werk van Chantal Akerman te zien.

    Meer informatie over Chantal Akerman is terug te vinden op de website van de Chantal Akerman Foundation.

    Mijn moeder lacht
    Auteur: Chantal Akerman
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Starfighter

    Binnenkort verschijnt er bij uitgeverij Palmslag het boek Starfighter van Jan Kloeze.
    Op de flaptekst is te lezen: ‘Aanvankelijk is Job een dromerige jongen die in de jaren tachtig opgroeit met een onverdraagzame vader en een behoeftige moeder. Hij is bereid ver te gaan om zijn ouders het hoofd te bieden; hij kruipt in de grond, brengt een offer, strijdt letterlijk tegen het leger, dreigt bij partnerruil zijn vaders plaats in te nemen en schaart zich aan de kant van het zwarte schaap in de familie. Steeds echter blijft hij met lege handen achter.

    Jaren later kenmerkt zijn volwassen leven zich door voorzichtigheid. Hij durft niet meer voluit te leven. Gedwongen door zijn vrouw treedt hij toe tot een therapiegroep aan de Waal. Daar wordt hij als het ware wakker geschud. Hij verandert in een handelende man die na het overlijden van een vriendin besluit tot een radicale actie. Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang, alsnog leidend tot de confrontatie met zijn verleden.’

    Jan Kloeze (1959) studeerde met Starfighter af aan de ‘Schrijversvakschool’ Amsterdam.

    Starfighter
    Auteur: Jan Kloeze
    Uitgeverij: Uitgeverij Palmslag (2024)

    Onze vreemden

    Onze vreemden is een verhalenbundel van de Amerikaanse Lydia Davis. Daarin treffen de mensen elkaar kortstondig, op allerhande plaatsen en in allerlei situaties. Davis observeert en constateert. Ze schrijft over toevalligheden en over gewone dagelijkse zaken.

    Davis (1947) schrijft (ultra) korte verhalen, romans en essays. Met haar The Collected Stories (in het Nederlands in twee delen verschenen als Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak), brak ze internationaal door. In 2013 ontving ze voor haar oeuvre de Man Booker International Prize.

    Davis is ook vertaler. Ze vertaalde o.a. werk van Proust, Foucault en Flaubert al dan niet met haar eerste echtgenoot Paul Auster. Ook selecteerde en vertaalde ze korte verhalen van ‘onze’ korteverhalenschrijver A.L. Snijders die in 2016 in de bundel getiteld Grasses and Trees verschenen.

    Haar verhalen zijn heel kort, 1 tot 3 pagina’s, soms zelfs alleen een paar zinnen, zoals op pagina 14 het verhaal ‘Een klein beetje’ over Agnes Varda:

    ‘Agnes Varda, de Franse filmregisseur,
    zei tijdens een interview
    dat ze het leuk vond om een beetje te naaien
    een beetje te koken, een beetje te tuinieren, een beetje voor de
    baby te zorgen,
    maar alleen een klein beetje.’

     

     

    Onze vreemden
    Auteur: Lydia Davis
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact (2023)
  • Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Ondanks de zweem van een pleonasme heeft uitgeverij Koppernik als titel van de dunne essaybundel over de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926 – 1973) voor Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen gekozen. De combinatie van die woorden vat de schrijfster goed samen.

    Ingeborg Bachmann schreef romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Zij geldt volgens de uitgever als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. In het Duitstalig gebied was zij bij leven een literaire ster, misschien vergelijkbaar met Connie Palmen tegenwoordig bij ons. Ze verkeerde in de hoogste culturele kringen, won vele literaire prijzen en had relaties met meerdere beroemde mannen. Toch was ze ook getormenteerd, verslavingsgevoelig en regelmatig ernstig terneergeslagen. Ze leed niet alleen in de liefde, maar ook en vooral vanwege de oorlog, de Holocaust en de gedeelde dadersschuld die daarmee samenhing.

    Haar werk was lang niet of nauwelijks in het Nederlands te lezen. Daar is nu verandering gekomen. In de vertaling van Paul Beers (1935 – 2024) verscheen eind 2023 de onvoltooide trilogie Doodsoorzaken (Todesarten) bij Koppernik. Twee jaar eerder publiceerde dezelfde uitgeverij haar verzamelde korte verhalen, eveneens door Beers vertaald. Eind jaren tachtig vertaalde Beers ook haar gedichten, waarmee Bachmann in de jaren vijftig doorbrak, maar die zijn zelfs niet of nauwelijks nog antiquarisch te vinden.

    Essays
    Vrijwel tegelijk met Doodsoorzaken bracht Koppernik de bundel Nerveuze gejaagdheid uit waarin essays van Paul Beers tezamen met die van de Vlaamse germaniste Ingeborg Dusar een introductie op haar werk bieden. Als je beide essayisten leest, kan je niet aan de gedachte ontkomen dat het werk van Bachmann daadwerkelijk zo’n introductie nodig heeft. Beers en Dusar zijn bewonderaars. Het zijn exegeten. Ze weten alles van haar motieven, thema’s en personages en kunnen die bovendien feilloos plaatsen in de ontwikkeling van haar tragische, korte leven. Niettemin blijft Bachmanns werk een hermetische indruk wekken. Je moet zin hebben om je tanden erin te zetten, maar dan opent zich volgens Beers en Dusar een prachtig universum met een uniek vrouwelijk vertrekpunt van een schrijfster die zich staande wist te houden in een patriarchale literair-culturele wereld, maar niet zonder diepe deuken op te lopen.

    Beers’ vertrekpunt is dat van de bezorger van haar literaire nalatenschap. Dusar promoveerde op het late proza van Bachmann aan de KU-Leuven. Het moet heerlijk zijn voor een schrijver als mensen zo hun best hebben gedaan om al jouw zorgvuldig aangebrachte verdichtingen te ontrafelen en daar ook nog vlot en leesbaar over kunnen vertellen. De bundel bevat zelfs een briefwisseling tussen Beers en Dusar waarin ze elkaar liefdevol vertellen wat ze in het werk van IB (zo noemen ze haar onderling) hebben aangetroffen en hoe ze (vooral Beers) worstelen met de vertaling van sommige moeilijk te interpreteren passages. De vroege dood van de schrijfster, op 47-jarige leeftijd, wordt betreurd – ze stierf aan de gevolgen van een ernstige brand. Niet letterlijk uitgesproken door beide bewonderaars blijft ook in het nawoord van Bachmanns jongere broer de gedachte hangen dat ze deels schuldig was aan die tragische dood.

     

     

  • Overleven, daar draait het om

    Overleven, daar draait het om

    Natuurlijk schreef Roxane van Iperen eerder vlot leesbare boeken, maar in haar meest recente roman Dat beloof ik ontpopt ze zich als iemand die schijnbaar achteloos de ene na de andere schitterende zin op het papier werpt, geen moment de spanning in de tekst laat varen en zware, aangrijpende scènes zodanig weet te suggereren dat ze als een vuist in je buik aankomen.

    In thematiek doet Dat beloof ik denken aan Vallen is als vliegen (Querido, 2020) van Manon Uphoff. Bij Van Iperen gaat het echter minder over seksueel misbruik, al overkomt haar alter ego M. dat wel degelijk ook. Van Iperen schrijft vooral over geestelijke en lichamelijke mishandeling. In die zin zou een vergelijking met Mijn vaders hand (Bezige Bij, 2022) van Bart Chabot voor de hand liggen. Chabot beschrijft in dat boek hoe hij werd geterroriseerd door zijn ouders, maar waar Chabot vooral vertelt hoe afgrijselijk zijn jeugd was, daar laat Van Iperen ons de afschuwelijke geschiedenis van het meisje M. naar adem snakkend meemaken.

    In het begin heb je als lezer van Dat beloof ik misschien wat moeite met het schijnbaar ontbreken van ‘een grote wil’; het hoofdpersonage M. lijkt niets te willen; alle ellende overkomt haar en dat is volgens de eerste literaire hoofdwet van de Nederlandse schrijver Nicolien Mizee een hoofdzonde. Zonder grote wil komt een verhaal niet op gang, betoogt ze in haar gebundelde schrijflessen onder de titel De grote wil en andere schrijflesverhalen (Nijgh & Van Ditmar, 2020). Maar dan, na een pagina of vijftig in Dat beloof ik dringt het door: M.’s grote wil is te overleven. Dat is misschien wel de meest elementaire drijfveer van de mens die onder de erbarmelijkste omstandigheden als laatste overblijft. Niet eten, niet warmte of geborgenheid, niet erkend of gezien worden, nee – overleven. Daar draait het om.

    M. is voortdurend bang voor haar vader, een onberekenbaar gevaar dat als het losbreekt letterlijk dwars door merg en been ramt. Ook het geestelijk beperkte broertje en M.‘s moeder zijn slachtoffer van dit monster. M. probeert ze zoveel mogelijk te beschermen, hoewel ook de moeder haar voortdurend in de steek laat, kleineert en verwaarloost.

    De angst voor haar vader overheerst niet alleen het leven van M., maar ook het proza zelf. Angst spat van de pagina’s. Het meisje staat strak gespannen als een veer, de tekst spiegelt dat zowel in de inhoud als in de vorm. Veel korte zinnen. Bepaalde herhalingen. En een enorm palet van metaforen die telkens opnieuw duidelijk maken hoe diep haar angsten zijn doorgedrongen in buik, hoofd en hart. Pesterijen op school zijn erg, maar kunnen vrij gemakkelijk door M. worden verdragen omdat ze in het niet vallen bij het geweld dat haar thuis te wachten staat.

    Semi-autobiografisch is dit boek, zoals Van Iperen bij de lancering van haar boek in de Volkskrantverklaarde. Het is nauwelijks voor te stellen dat ze werkelijk zo’n soort jeugd heeft doorgemaakt, maar wie Dat beloof ik heeft gelezen kan achter de vrouw met haar schijnbaar zelfbewuste welbespraaktheid ineens óók een flits opvangen van het angstige, magere en zelfbewuste meisje dat zich vast heeft gebeten in de grote wil om te overleven.

     

     

  • ‘Zeg maar dat het geen visstick is’

    ‘Zeg maar dat het geen visstick is’

    Is Mirthe van Doornik net als haar protagonist een goede kok omdat ze in haar recente boek Een tafel bij het raam (Prometheus, 2023) maaltijdbereidingen beschrijft waarbij het water je in de mond loopt? Een goede schrijver is ze in ieder geval wel en een zeldzame bovendien. Zoals van sommige cabaretiers wordt gezegd dat ze de lach aan hun kont hebben hangen, zo kleeft bij Van Doornik die lach aan haar pen.

    Van Doornik laat elke scène met de kok Alp in het honderd lopen, onder meer door voortdurend incompetente mensen op te voeren. De eigenaar van het restaurant is een egocentrische sukkel die per se wil dat Alp de recepten van zijn overleden moeder gebruikt, zonder dat de kok daar een millimeter vanaf mag wijken.

    Dieren in de keuken

    In de bediening werkt een jongen (steeds uitsluitend als zodanig aangegeven: de jongen) die zich verzet tegen het bereiden van dode dieren in de keuken en in het restaurant zelfs geld probeert in te zamelen voor het behoud van de egel. Een gevonden schildpad die in winterslaap hoort te zijn, bewaart de jongen in de koelkast, de hysterisch hygiënische kok tot wanhoop drijvend. De afwashulp weigert af te wassen en een jongen met afstand tot de arbeidsmarkt (door de kok Umami genoemd) leert weliswaar tot vijf tellen, maar kan uiteindelijk niet omgaan met de stress die de kok om zich heen verspreidt.

    Ook de kok zelf laat steeds meer steken vallen. Hij zet mensen het restaurant uit omdat ze hun eigen glazen hebben meegenomen, omdat ze een enorme hond ‘als een aangeschoten haas’ naast de tafel laten liggen of omdat ze weigeren een perfect bereide artisjok te eten. Het liefst voert hij bovendien een kinderverbod in als hem wordt gevraagd de kop van een prachtig gebrade dorade af te snijden omdat een aanstellerig meisje het dode oog eng vindt. ‘Zeg maar tegen haar dat het geen visstick is,’ gebiedt hij de jongen. Maar dan gaat hij er toch zelf op af en ontspoort ook deze scène schitterend.

    Zijn ouders zijn helemaal van de pot gerukt, misschien omdat ze – zoals Van Doornik schrijft – zich er al mee hadden verzoend dat ze geen kinderen konden krijgen en hun zoon ze had laten schrikken door opeens het tegendeel te bewijzen. Moeder stuurt elke thuishulp weg. Ze klaagt en moppert over het eten dat de kok regelmatig bij zijn ouders op de stoep zet, zonder binnen te komen. Haar grootste wens is een traplift. Vader, steeds Hennie genoemd en net zo egocentrisch als moeder, valt zijn zoon voortdurend lastig met weerberichten.

    Reiger

    De dosering van al het gedoe is misschien wat uit proportie. Het gaat maar door. De kok draait zich langzaam vast in een niet aflatende stroom ellende. Om in de stijl van het boek te blijven, het bord is misschien iets te vol. Maar daar staat tegenover dat Van Doornik bijna achteloos blijft strooien met prachtige metaforen, schitterende observaties en heerlijke aforismen. ‘Een reiger tuurde in het water zoals oude mannetjes in bouwputten kijken.’ ‘Niet het gebrek aan vrijheid maakt mensen gek, maar de behoefte aan privacy.’ En in een telefoongesprek: ‘”Dat is het probleem met gekken,” zei mijn moeder toen ik haar weer naar mijn oor bracht. “Ze lijken niet heel erg gek als je ze leert kennen, ze gaan gewoon langzaam steeds gekker doen.”’ Deze moederlijke uitspraak correspondeert fraai met een observatie aan het begin van het boek, als het buiten maar niet wil afkoelen: ‘Waar het op neerkwam was dat we langzaam werden gekookt tot alle gekte vanzelf zou komen bovendrijven.’

    Tafeltje

    Feitelijk zijn dit voorspellingen die van toepassing zijn op de ontwikkeling van de geestelijke gesteldheid van de kok. Zo zitten er meer van die naar elkaar verwijzende pareltjes in het boek. De kok vergelijkt een restaurant bijvoorbeeld met een schip: ‘zodra het afvaart, kun je het niet meer verlaten.’ En als het tegen het eind compleet uit de hand loopt: ‘Wind zal een zeilschip niet doen omslaan, het zijn brekende golven waarvoor je moet oppassen.’ Het is alsof Van Doornik zelf aan een tafeltje bij het raam heeft gezeten terwijl ze deze kok observeerde. Regelmatig zoomt ze dan ook uit, laat ze Alp over zichzelf in de derde persoonsvorm nadenken en ziet hij zichzelf aan het eind van een hoofdstuk of paragraaf bijvoorbeeld als: ‘een kok met zijn mond open, zijn ledematen zo strak aangeschroefd dat hij er nauwelijks nog beweging in kreeg.’