• Spannend en absurd debuut

    Spannend en absurd debuut

    ‘Ze aten als hun koeien, hun kaken kwamen niet tot stilstand voordat alles was verdwenen.’ Koeman van Jan Wester is geen biografie over de trainer-coach van het Nederlands voetbalelftal maar een debuutroman met een agrarisch thema. Vader en melkveehouder krijgt een hartaanval waaraan hij later overlijdt. ‘Hij had naakt op zijn buik in de badkamer gelegen, als een pasgeboren kalf na een bevalling die te lang heeft geduurd.’ Vader was ‘omgevallen’. De agrarische context bevindt zich in het hart van het groene West-Friesland, in Wognum.

    Vader zal het na zijn hartaanval niet lang meer maken. Maar voor zijn overlijden zal hij zijn enige, negentwintigjarige zoon Jaap nog toevertrouwen: ’Je kan hier niet voor altijd alleen blijven, Jaap. Er moet straks natuurlijk wel een opvolger zijn voor de boerderij.’ Als er tijdens vaders ziekte een wat timide maar zorgzame en ongetrouwde thuiszorghulp op de boerderij verschijnt, Anne, ontstaat er al een vermoeden van het vervolg van het verhaal. Vader gaat dood. ’Tegen de tijd dat Jaap klaar was met melken was Vader helemaal koud. Hij lag met zijn gezicht tegen de vloerplanken van de stal, starend door de kieren naar de donkere laag stront op de bodem van de gierkelder. 0571 stapte over hem heen. 0499 at van haar krachtvoer. Jaap rolde hem op zijn rug. Tillen had geen zin.’

    Meesterlijk verteller

    Het einde van de vader is niet erg esthetisch beschreven. ‘Jaap liep naar de schuur en kwam terug op de Liebherr. De machine boog het hoofd voor zijn oude eigenaar. Jaap schoof de palletvork onder het lichaam. De pneumatische arm tilde Vader van de grond en legde hem neer op een zeil op het pad. Jaap vouwde het dicht.’

    Tot dan toe lijkt het boek de kant op te gaan van een soort literaire ‘Boer zoekt Vrouw’ met een al dan niet geslaagde zoektocht naar een echtgenote en moeder van de opvolger van het bedrijf. Een op het eerste gezicht wat uitgekauwd thema en eerder geschikt voor een aflevering van het bekende tv-programma dan een (interessant) literair debuut.

    Maar schijnt bedriegt. Beeldhouwer en schrijver Jan Wester (30) ontpopt zich als een meesterlijk verteller van een wel zeer bizarre plot. Hij studeerde filosofie aan de UvA en Beeld en Taal aan de Gerrit Rietveld Academie. De auteur schrijft heel precies en beeldend. ‘Vanuit de stal klonk het krijsen van de melkpomp. Anne leverde de dieren uit aan Jaap. Roepend en fluitend dreef hij ze dieper in zijn fuik van buizen en rekken. De machine begon te drinken. Antigone kromde haar rug en zette zich schrap. De zuigmonden bewogen langzaam op en neer, hun rubberen lippen zoenden de roze huid van haar uiers.’

    Luisteren naar vrouwen

    Knap is die stijl waarmee Jaap als enerzijds zorgzame en anderzijds bijna autistische, en in elk geval monomane, boer wordt beschreven. Anne heeft tal van psychische klachten, verbleef in een psychiatrische inrichting en is daarvan nog niet echt volledig ‘genezen’. Ze staat in contact met een hogere macht, Limos, met wie ze gesprekken voert en die haar raad geeft. Maar die haar ook streng bekritiseert, bijvoorbeeld over het feit dat ze Jaaps vader door slechte zorg de dood in zou hebben gejaagd.

    Toch bloeit ze wel op in de nogal afgesloten wereld van de boerderij. ‘Vader was begraven, maar Anne verscheen de volgende ochtend gewoon weer in de stal. Ze verplaatste kopjes en borden in de keuken, legde een nieuwe deken over de bank en veegde het stof van de televisie. Zo was het beter, zei ze, en Jaap sprak haar niet tegen.’ Jaap is een gesloten man van zeer weinig woorden die leeft voor en met zijn koeien op basis van strakke dagschema’s. Veel ervaring met andere mensen heeft hij niet, en al helemaal niet met vrouwen. Ooit heeft hij het advies van zijn vader gehoord dat je naar vrouwen moet luisteren en soms ook goed met ze moet praten, maar in de praktijk brengt hij daar weinig van terecht.

    De inleiding op het hoofdstuk zwangerschap en een nakomeling is typerend. ‘Jaap: ”Kun je een kind krijgen?” Anne viel even stil. “Met jou?”. ”Ja.” Ze lachte. Maar iets was anders. Haar mond vervormde. ”Je maakt geen grapje?” Jaap schudde zijn hoofd, hij maakte nooit grapjes. Anne staarde drie minuten naar het tafellaken. Toen stond ze op. “Ik ga naar huis.”’

    Op hol geslagen zweefmolen

    Het is duidelijk dat deze twee mensen geen hartstochtelijke relatie tegemoet gaan. Toch trekt Anne bij Jaap in en beginnen ze nogal stuntelig hun pogingen tot het verwekken van een kind. Dat gaat, weinig verrassend, niet vlot. Ook de rest van hun relatie is niet direct warm en inhoudsvol. Het zijn duidelijk twee mensen die last hebben van hun verleden, een eenzame en harde jeugd, psychische stoornissen, bij Anne anorexia, maar eigenlijk hunkeren naar warmte. Jaap vindt die bij zijn koeien, maar geeft die niet aan Anne. Niet omdat hij dat niet wil, maar omdat hij het niet kan. Anne mist het vermogen om door de betonnen muur van Jaap heen te breken.

    En dan, op twee derde van het boek, is er een plotselinge, zeer heftige plotwending, te maken met de zo gewenste zwangerschap van Anne en Jaaps vertrouwen in koeien boven dat in mensen. Er wordt een kind geboren, al even bijzonder als buitenissig. De roman ontwikkelt zich in snel tempo tot een plastisch geschreven horrorboek, met magisch-realistische trekken en – vooruit, één spoiler – een seriemoordenaar met 49 moorden op zijn geweten. Spannend, ja, maar ook een soort tocht in een op hol geslagen zweefmolen. Je komt er bijna misselijk uit, en ook wat bedrukt door zoveel narigheid.

    Is het een goed boek? Ja en nee. Wester schrijft treffend en beeldend zoals pagina’s lang gedetailleerd de heftige scènes in een slachthuis. Het inzicht in autisme waaraan Jaap lijdt en anorexia nervosa waaraan Anne lijdt is waardevol. De plot is even absurd als heftig en dwingt tot doorlezen, al is op een gegeven ogenblik wel duidelijk hoe het afloopt. Fijnzinnig is het boek niet, rijk van taal wel en in ieder geval een hoogst origineel debuut. Benieuwd welke richting Wester hierna op gaat: thrillers of een verdere uitdieping van het agrarisch milieu dan wel weer een combinatie.

     

  • Dit is meer dan het zoveelste boek over de Tweede Wereldoorlog

    Dit is meer dan het zoveelste boek over de Tweede Wereldoorlog

    Jonathan Dimbleby is een bekend Brits historicus en Ruslandkenner, gevierd tv-commentator en presentator voor BBC en ITV. En auteur van veel goed verkopende boeken over de Tweede Wereldoorlog en over Rusland. Geen kleine speler op het overvolle mediaveld van WOII, je moet dus wel wat te bieden hebben wil je je met succes wagen aan weer een – ook nog volumineus – boek op dat gebied. Dat heeft Dimbleby met overtuiging en goed resultaat gedaan. Helaas vliegt hij op het einde, in de epiloog, enigszins uit de bocht.

    Het thema, de titel zegt het al, is de strijd aan het Oostfront die natuurlijk eerder begon dan in 1944, namelijk met Operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie in juni 1941. Dimbleby schreef daarover al een boek, dus pakt de draad logisch op bij het verdere verloop van die strijd en de smadelijke nederlaag van Nazi-Duitsland in 1944, culminerend in de volledige, onvoorwaardelijke overgave aan de geallieerden in 1945. Dat is allemaal bekend terrein.

    Duits en Russisch wangedrag

    De waarde van dit boek is tweeledig. Met een grote mate van – vaak gruwelijke – details wordt de strijd in de loopgraven en daarbuiten op het slagveld beschreven. Dimblebly gebruikt daarvoor krachtige middelen zoals dagboeken, brieven en herinneringen van zowel Duitse als Russische soldaten, van hoog tot laag in rang. Het wordt soms allemaal wat veel van het kwade, maar je wordt wel weer eens met de neus op de afschuwelijke feiten gedrukt. Daarbij heeft Dimbleby ook aandacht voor deportaties onder erbarmelijke omstandigheden.

    ‘Er waren geen medicijnen. Er waren geen dokters. Er was geen ziekenhuis. En mensen gingen gewoon dood. Mijn opa overleed na een week. De zus van mijn moeder… overleed gewoon vanwege het klimaat – door de hitte. En mijn broer van 15 werd bijna doodgeslagen.’ Dit citaat betreft geen Duits wangedrag, maar Russisch. Het gaat hier over de deportatie van de Krim Tataren op last van Stalin en Beria. Vergelijkbare en nog veel schrijnender citaten zijn er in overvloed. Bovenstaand citaat toont aan dat de strijd aan het Oostfront er niet een was van witte engelen, de Sovjets, tegen zwarte duivels, de Duitsers. Integendeel, aan Sovjetzijde zijn er buitengewoon veel voorbeelden van wreedheden, plus door ideologie en rancune veroorzaakt agressief gedrag tegen Joden, met een flink stuk Holocaust ook in dit gebied, en ook tegen de ‘niet zuivere’ Russen aan de randen van de Sovjet Unie. Daarmee wordt de Duitse rol niet minder, maar wel voorzien van een tegenkant.

    De strijd in 1944

    Naast uitvoerige, gedetailleerde informatie over het verloop van de strijd in 1944 aan de diverse fronten met een enorme onderlinge afstand, belicht de auteur de rol van de Duitse machthebbers. Waar de legerleiding nog wel eens een rationele gedachte had over terugtrekking en hergroepering, wimpelde Hitler alle argumenten weg. De Duitse militairen moesten zich dan maar doodvechten, want een laffe terugtrekking zou een eeuwige schande zij voor het ‘Herrenvolk’ dat immers toch zou gaan winnen. En Hitler maakte korte metten met allen die in zijn optiek in de weg liepen van de ‘Endsieg’. En tenslotte is boeiend dat het niet alleen ging om Duitsland en Rusland die tegen elkaar vochten, maar ook om vele ‘non state actors’ als Oekraïense fascisten, Hongaarse Pijlkruisers en diverse partizanengroepen met uiteenlopende vijanden.

    De tweede verdienste van dit boek is de weerlegging van de mythe dat de landing in Normandië op 6 juni 1944, D day, de beslissende wending in WOII zou hebben veroorzaakt. Dat was, onverlet de enorme verdiensten van die operatie, niet zo. Het Russische verzet aan het Oostfront en het terugdringen van de Nazi’s, ten koste van vele miljoenen slachtoffers, heeft bij die wending een minstens zo belangrijke rol gespeeld. We weten dat allemaal misschien wel, maar vergeten het soms of verdringen het in onze woede over het optreden van de huidige Russische machthebbers jegens Oekraïne.

    Directe lijn van toen naar nu

    In een epiloog van 14 bladzijden na 554 pagina’s tekst trekt de auteur een directe lijn van de toenmalige strijd aan het Oostfront en de belegerde Sovjet Unie naar de oorlog van Poetin met Oekraïne. Hij vergoelijkt zeker niet de agressie van Poetin maar wijst wel op de gevoeligheden in Moskou rond de (vermeende) snelle uitbreiding van de NAVO oostwaarts. Dimbleby wijdt drie pagina’s aan de jaren 90 waarin na het uiteenvallen van de Sovjet Unie en het einde van de Koude Oorlog bij de nieuwe Russische machthebbers door het Westen bij monde van de VS de indruk werd gewekt dat de NAVO niet die kant op zou uitbreiden. Maar de auteur meldt dat over de beroemde ‘not an inch’ uitspraak van VS-zijde tussen historici nog steeds een strijd woedt. Hij kiest geen partij maar begrijpt de gekwetste Russische gevoelens over die NAVO-uitbreiding wel. De NAVO-uitbreiding als feit was ‘een vernederende wetenschap’.

    Plan van Churchill

    Eerder in het boek behandelt Dimbleby de verhoudingen tussen de Sovjet Unie, Engeland en de Verenigde Staten in de periode 1943-1945. Hij beschrijft zonder veel nieuwe inzichten de conferenties van Teheran en Yalta in respectievelijk 1943 en 1945 en die van Potsdam na de Duitse capitulatie. Interessant, maar weinig werkelijk nieuws over de bekende uiteenlopende houding van Churchill en Roosevelt tegenover Stalin, en de betekenis van Roosevelts opvolging door Truman. Vast bekend bij insiders maar voor veel lezers misschien wel nieuw zijn de plannen van Churchill uit het late voorjaar van 1945 om deels met hulp van een herbewapende Wehrmacht een oorlog te beginnen tegen de Sovjet Unie. De aarzelingen bij de Britse legerleiding en vooral de stellige afwijzing van het plan door de VS deden de plannen in de lades van Downing Street 10 belanden.

    Jammer van het oppervlakkige einde, bij zo’n grondig boek past geen haastige epiloog. Maar Eindspel: 1944 blijft waardevol en interessant voor leek en historicus en wie niet opziet tegen hier en daar bombastisch taalgebruik heeft een op het oog volledig overzicht van 1944, wat velen als het beslissende jaar in WOII beschouwen. De huidige geopolitieke spanningen zijn deels maar niet uitsluitend veroorzaakt door de machthebbers in het Kremlin, maar mogen ons niet de ogen doen sluiten voor de heroïsche strijd van Moskou om de Nazi’s  diep in hun eigen land terug te dringen en buiten de deur te houden. Ongetwijfeld had Stalin met dit laatste zijn eigen geopolitieke agenda op het oog en verschoof de optiek langzaam maar zeker van het winnen van de strijd tegen Duitsland naar het moeizaam vormgeven van de naoorlogse wereldorde. Dat die nu weer fundamenteel op het spel staat geeft Dimbleby’s boek een actualiteit die verder gaat het zoveelste boek over 1940-1945.

     

     

    Eindspel: 1944 - Hoe Stalin de oorlog won

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won

    Jonathan Dimbleby

    Met illustraties

    Translation by: Auke Leistra

    Uitgever: De Arbeiderspers (2024)

    ISBN 9789029552943

    660 pagina’s

    Prijs: € 34,99

    Buy with Libris
  • Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Nachtwoud is geen toegankelijk boek. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt, maar ook de vertaler niet, zoals vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet in het begin van zijn ‘nachtwoord’ (dus geen ‘nawoord’) stelt. Een beetje zelfingenomen wel die constatering, en tikje valse bescheidenheid maar geloofwaardig is het ook.

    Nachtwoud van de Amerikaanse bohémien journaliste en auteur Djuna Barnes (1892-1982) is een boek dat je enerzijds niet loslaat maar anderzijds ook moeilijk te volgen is. Het vertelt het verhaal van een aantal zoekende, ontwortelde mensen in het kosmopolitische Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw tijdens hun vooral nachtelijke belevenissen en ontmoetingen. De kern van het boek, de hoofdthese, is de mythe van de romantische liefde. In het boek ‘de vleesgeworden leugen van ons tijdsgewricht’ genoemd, ‘de liefste leugen van ons allemaal’. Het dichtstbij komt nog de liefde tussen vrouwen, maar ook die schiet in de ogen van Barnes uiteindelijk tekort.

    ‘De liefde, dat erge ding!’

    Uit een – uiteraard nachtelijke –  scène in een rijtuig van drie personen, hoofdpersoon Robin, een vrouw die zoekt naar liefde maar ook gezocht wordt, met Jenny en de (mannelijke) dokter; ‘Ach zei hij, de liefde, dat erge ding!’. Ze (Jenny) begon op de kussens in te beuken met haar dubbele vuist. ‘Wat weet jij daar nou van? Mannen weten er nooit iets van, waarom zouden ze ook? Maar een vrouw moet er wel van weten – zij zijn fijngevoeliger, heiliger, mijn liefde is heilig en mijn liefde is groots!’. Maar hoofdpersoon Robin maakt er korte metten mee: ’Hou je mond, zei Robin en legde haar hand op haar knie. ‘Hou je mond, je weet niet waar je het over hebt. Je praat de hele tijd en je weet nooit iets. Dat is zo’n afschuwelijke zwakte van je. Jezelf identificeren met God, hou ermee op!’. De scène eindigt in een gevecht tussen de twee vrouwen, waarna Robin uit het rijtuig springt, kort daarna gevolgd – toch – door Jenny. De twee vrouwen vertrekken daarna per boot naar Amerika. Hun relatie, een groot woord voor een ingewikkelde omgang met elkaar, eindigt met een hysterische Jenny. Robin trekt nu weer naar een van de andere vrouwelijke hoofdpersonen, Nora, maar ook dat loopt niet goed af. Een gewelddadige nachtelijke scène in en bij een kapel buiten New York waarbij èn Nora èn een hond het leven laten is het einde van het boek.

    Op zoek naar de liefde

    Nachtwoud
    laat zich niet of nauwelijks lineair navertellen, je moet je erin onderdompelen zonder dat je je voortdurend afvraagt wat er gebeurt, wie waarom handelt en wat de preciese uitkomst is van de nachtelijke voorvallen. Het verhaal meandert rond een handjevol hoofdpersonen die allen nogal bijzonder zijn. Wat hen bindt is een gevecht rond hun identiteit, ze zijn uitgestoten, en proberen via de ander zichzelf beter te leren kennen. Dat lukt steeds niet en dan is de enige remedie daartegen gewoon maar verder leven en zonodig een verleden ‘stelen’.  Een ‘wandelende Jood’ Felix Volkbein, de echtgenoot (op afstand) van Robin, dokter Matthew O’Connor, en de al genoemde vrouwen, hoofdpersoon Robin, en Nora en Jenny; ze zwerven door de nacht, op zoek naar elkaar, maar de echte liefde is onbereikbaar. Ze zoeken allen vooral naar de liefde van Robin, de meest identiteitsloze in het boek. Maar bij dat zoeken naar de liefde van Robin, zoeken en dienen ze vooral zichzelf. Nora: ‘Mijn God, wat is liefde? De mens op zoek naar zijn eigen hoofd?’

    Proza

    Intussen geniet je wel van het uiterst knappe en beeldende proza van Barnes. Zoals over het huis van Jenny, ‘volgepropt met tweedehands transacties met het leven’. Ze draagt de trouwring van een ander om haar vinger, vult haar bibliotheek met door anderen gekozen boeken en haar woorden ‘leken haar te zijn uitgeleend’. Nog een voorbeeld, ook over Jenny. De verteller (in het tweede deel van het boek de dokter, in het eerste deel is er een soort voice-over) zegt over haar: ‘Zij heeft de kracht van een onvolledig ongeluk – je wacht de hele tijd op de rest, op de laatste vuiligheid om het geheel af te maken; ze werd geboren op het randje van de dood, maar helaas zal ze niet bejaard worden als jongere – wat een ernstige vergissing van de natuur is’. Nog een voorbeeld, exemplarisch voor het hele boek. Felix (Volkbein) is in gesprek met de dokter. ‘Bent u bekend met Wenen informeerde Felix. “Wenen,” zei de dokter, “het bed waar het gewone volk in klimt, tam van de arbeid, en waar de adel zich uitgooit, wild van waardigheid”’. Niet echt makkelijk leesbaar, zeer barok, maar beeldend en ook wel unheimisch. De plaatsen waar de hoofdpersonen elkaar ontmoeten zijn ook bijzonder, een circus en een groot bed, beide dus weer nachtelijke plekken. Het circus wordt beeldend beschreven, maar ook nogal abstract. Felix komt er regelmatig. ‘De emotionele spiraal van het circus, ontsprongen aan de gigantische ontluistering van het publiek, afgeketst van zijn onbegrensbare hoop, bracht in Felix verlangen en onrust teweeg. Het circus was een geliefd object dat hij nooit kon aanraken, derhalve nooit kon kennen’.

    Djuna Barnes

    Deze zoektocht naar de ander en naar de liefde is misschien wel exemplarisch voor het leven van de schrijfster, Djuna Barnes. Zij groeide tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw op in upstate New York in een onsamenhangend gezin (voorwoord Xandra Schute: ‘een kakelbont gezin’). In 1912 vestigde zij zich als journaliste in de stad New York, met in haar vak en haar leven een fascinatie voor het ontuchtige, vreemde en bizarre. Daaronder het circus. Ze was een, zeker voor die tijd, onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw met een toen nieuwe stijl van schrijven, die van de participerende journalistiek. Het leven in Parijs in de jaren twintig, de stad van Hemingway, Gertrud Stein en vele andere Amerikaanse bohémiens/kunstenaars paste haar. Daar stopte ze met de opdracht journalistiek voor bladen als McCalls en ging schrijven, poëzie, korte verhalen, toneelstukken, een lesbische sleutel-almanak, en uiteindelijk in 1936, en inmiddels verhuisd naar Engeland, Nachtwoud. Daarbij geholpen door T.S. Eliot, eindredacteur bij uitgeverij Faber & Faber, die veel zag in dit boek. Hij suggereerde een andere, ook wel passende, titel: Bow down, the Anatomy of Night. Vertaler Erik Bindervoet tekent nog aan dat de uiteindelijke titel Nightwood wel eens zou kunnen slaan op de grote liefde van Djuna Barnes, Thelma Wood: ’Nigh T Wood’, bijna T. Wood. Barnes ontkende dit en sprak van ‘night-shade, poison and night and forest. Nachtschaduw, vergif en nachtelijk woud. Bijzonder om nog te vermelden is dat zij het boek schreef in het Engelse landhuis van de toen jonge beroemde Amerikaanse kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. In 1940 ontvluchtte ze het brandende Europa, terug naar de VS, waar ze tot 1982 een kluizenaarsbestaan leidde, vaak ziek en veelal verslaafd aan de alcohol. Bijna niemand liet ze nog toe in haar leven.

    Als poëzie

    Het is mooi dat dit cultboek over nachtelijke dromen drinken in het artistieke Parijs van de jaren twintig in een nieuwe, sprankelende vertaling is verschenen. De vorige dateert uit 1963, herzien in 1979. Bindervoet heeft als vertaler zijn sporen verdiend tot en met de Beatles. Aan Nachtwoud wordt nu, anno 2025, wel de term ‘Queerklassieker’ gehangen. Dat is het ook wel met die nadruk op de homoseksuele liefde, maar het is vooral een boek dat over je heen golft en dat je het beste als poëzie kunt ondergaan. Advies: lees het in één keer uit, en raadpleeg daarna vooral het nawoord van Xandra Schutte en het nachtwoord van vertaler Erik Bindervoet. Dat helpt enorm om het boek op de juiste waarde te schatten. Die waarde is groot, zeker als je het moment van verschijnen in 1936 in ogenschouw neemt. Nederland moest lang op een vertaling wachten, maar heeft nu een schitterende herkansing.

     

     

  • Dolend in de eindtijd

    Dolend in de eindtijd

    Libris Literatuurprijswinnaar (2020, Uit het leven van een hond) Sander Kollaard schreef de kloeke roman Einde Verhaal, die veel dikker en groter qua thema is dan zijn vorige boeken. Van de lezer wordt veel gevraagd. Hij moet zijn aangeboren of ingebouwde ‘reality check’ thuis laten, zoals vaker tegenwoordig want in steeds meer boeken wordt met speculatieve fictie de wereld van nu geduid. Niet per se via een afschrikwekkende dystopie, maar met een beschrijving van een ‘onmogelijke wereld’. Een goed voorbeeld daarvan is het succesvolle Gebied 19 van Esther Gerritsen over een nieuwe, onbekende planeet waarnaar een deel van de mensheid wordt getransporteerd.

    Einde verhaal heeft als hoofdpersoon aartsengel Astoreth die naar de aarde is afgedaald met een missie. Die missie is de strijd aanbinden met God en de Bijbel, hier de Schrijver en zijn Boek genoemd. Astoreth transformeert daarbij geleidelijk tot mens. Het uiteindelijke doel van zijn strijd is het weerleggen van de notie dat dat Verhaal van het Boek de uiteindelijke waarheid en het ultieme verhaal zou zijn. Astoreth noemt dat een ‘narratieve guerilla’. Hij gelooft niet in één, vaststaand Einde Verhaal. Daar moet de wereld voor worden behoed en daarom is de gevallen aartsengel begonnen met het schrijven van zijn eigen verhaal. Hij begint daarmee ‘in de duisternis van een supermarktmagazijn in Eslöv, op die betonnen vloer, tijdens de uren of dagen of weken die ik daar lag’. De kernzin van het boek is: ’Het groeide uit het simpele besef dat geloof een poging is om elk ander verhaal te overstemmen.’ Tegelijk is Astoreth bescheiden over zijn eigen pretenties: ’Ik ben een lezer, geen schrijver, dus het kan zijn dat mijn verhaal klinkt als een valse kraai, maar dat is het punt niet: als het maar klinkt.’

    Prozaïsche tocht

    Kollaard situeert zijn roman in de Eindtijd die net is begonnen en overal in de wereld tot onzekerheid en chaos leidt. Astoreth valt op aarde neer, verliest daarbij zijn vriend Areopatigica, maar wordt min of meer liefdevol opgevangen door een bont gezelschap dat voor de eindtijd op de vlucht is. Van een onder water lopend en verdrinkend Nederland, meer in het bijzonder Amsterdam, vlucht het gezelschap naar het Zweedse platteland, waar Kollaard zelf woont.

    Van die vlucht maakt Astoreth een eigen verhaal over de apocalyps, wat niet dat van het Bijbelboek Openbaringen is, met zijn apocalyptische ruiters en het hemelse Jerusalem met straten van goud. Integendeel, Astoreths verhaal is een nogal prozaïsche tocht vol ontberingen van Nederland naar Zweden, vol spannende avonturen. Vol onwaarschijnlijkheden ook, maar ja wat zijn hier onwaarschijnlijkheden?

    Dus schrik niet van mensen die opstaan uit de dood, van een nogal aparte hond met menselijke eigenschappen en een sprekende zeug. Verwonder je niet over de wonderbaarlijke belevenissen onderweg in het gammele busje dat van Nederland miraculeus in Zweden belandt. Waarom Zweden? Omdat het bonte gezelschap waarin Astoreth terechtkomt bestaat uit een gepensioneerde Zweedse politie-inspecteur, diens zuster en een opstandige dochter: Otto, Greet en Erin. De chauffeur van het busje is een jonge schilder, Gustav, die op zoek is naar zijn in Nederland vermoorde zus, lange afstandszwemster Jonna. Ze wordt gevonden en haar as gaat mee om op het Zweedse platteland te worden verstrooid.

    Rolmodel

    Astoreth zelf muteert onderweg van engel naar mens. Zijn vleugels verdorren, zijn lichaam krijgt vorm, tot en met zijn onderlijf, wat de interesse van dochter Erin opwekt. Alle hoofdpersonen in het verhaal zijn een afzonderlijke combinatie van lichaam en geest. Er zijn enerzijds denkers en tobbers en anderzijds mensen die hun lusten en instincten volgen. Otto is de ratio. ‘Otto’s zucht naar orde had veel van een geloofsartikel, een essentieel principe dat zijn bestaan zin en substantie gaf. Orde betekende leven: een orde van spul dat zichzelf aan de gang houdt, van verandering die behoud betekent, zo lang het duurt natuurlijk.’ En zo heeft iedereen in het groepje mensen (en dieren) dat door de Eindtijd trekt een eigensoortig, soms heel eigenaardig karakter. Astoreth plooit zich daar makkelijk in en vormt voor de groep een interessant rolmodel om zich aan te spiegelen, zeker in de barre tijden van de apocalyps. Tegelijk leert Astoreth veel van de mensen op aarde bij zijn eerste ontmoeting met een voor hem nieuwe soort. De enige die de relatieve vrede in de dolende groep midden in de Eindtijd verstoort is de orthodoxe en ‘true believer’ aartsengel Gabriël. Hij probeert met alle middelen, waaronder opsluiting, Astoreth op het rechte pad van het geloof te houden.

    Het boek draait behalve om de Eindtijd en het al dan niet ene Verhaal om de omgang van de groep zwervende mensen met Astoreth, die zelf ook op zoek is naar wie hij is. Die omgang was niet vanzelfsprekend. ‘Het had me veel moeite gekost om Otto, Greet en Erin ervan te overtuigen wie en wat ik was. Nadat ik ze mijn vleugels had laten zien, meteen al, tijdens de maaltijd met de linzensoep, waren ze weliswaar bereid om te luisteren naar mijn onwaarschijnlijke verhaal, maar niet om het te geloven. Ik kon het ze moeilijk kwalijk nemen: ik beweerde een uit de hemel gevallen engel te zijn, als onderdeel van een grotesk verhaal, en inmiddels in de greep van een proces van menswording dat ook voor mijzelf een raadsel was.’ En dan volgt een cruciale dialoog met de rationele Otto. ‘”Ik wil je best geloven” had Otto gezegd, “maar ik zou geholpen zijn met wat feiten.” Ik deed mijn best. Ik vertelde over de hemel en mijn taken (…) maar hij werd met elk feit onrustiger, logisch natuurlijk want de feiten die ik hem gaf waren meer dan onbegrijpelijk – ze waren onmogelijk.’

    Af van somber doemdenken

    De bijzondere tocht van dit samengeraapte groepje mensen, de ‘extended family’, eindigt in een nog vredig, bijna idyllisch Zweeds dorpje, vredig vergeleken met de desolate gebieden waardoor de reis zich voltrekt, met hier en daar een dode. ‘De zon schijnt. De vensterbanken in de salon staan vol met zaailingen: sla, tomaat, prei, pompoen. De tuindeuren staan open. Ik hoor vogels, het geblaf van Schele en het geluid van de schop waarmee Otto het voor hem bestemde graf dichtgooit – in een hoog tempo als demonstratie van herwonnen vitaliteit.’ En net als wat tijdens de tocht gebeurde voelt Astoreth een aards verlangen naar liefde.

    Zijn verhaal is ten einde en de lezer beseft dat het einde der tijden misschien wel dichtbij is. Gelukkig zijn er losse eindjes. Dit is de eindtijd, maar misschien ook niet. Het eind van het verhaal is niet eenduidig, maar meerduidig. Einde Verhaal is een bijzonder boek, waarvoor je je bril van de ratio en geloof in de waarheid af moet zetten. Misschien is het wat te gecomponeerd, maar het is ook meeslepend geschreven, met bizarre avonturen van menslievende mensen met ruwe kanten. Toch blijven ze een gemeenschap vormen en de aartsengel Astoreth wordt geïnspireerd door die gemeenschap, maar helpt hen ook af van het sombere doemdenken dat bij een bepaalde manier van geloven hoort. Misschien schetst Kollaard wel het paradijs op aarde, daar op het hem bekende Zweedse platteland en wil hij ons de kans geven daarvan mee te genieten. Er is hoop, bedoelt Kollaard, ondanks alle sombere voorspellingen over het einde van de planeet, en hoop doet leven.

     

  • Dienstplichtigen van toen

    Dienstplichtigen van toen

    De achtste roman van Philip Snijder, De verbindingen, heeft een onverwacht actueel thema, dat van de dienstplicht. Er is weer discussie over herinvoering daarvan in verband met de herbewapening en Europese oorlogsvoorbereiding.

    Dat het boek aanhaakt op de actualiteit is begrijpelijk, maar de parallellen zijn ver te zoeken. Het boek gaat namelijk wel over dienstplichtige soldaten (en een enkele officier) maar dan in het historisch perspectief van kazernering in Duitsland eind jaren zeventig. De anonieme hoofdpersoon/verteller moet als soldaat in dienst en maakt daar een periode vol verveling, eenzaamheid, vernedering, gekmakende routine en oppervlakkige camaraderie mee. Voor een gevoelige jongen met een laag zelfbeeld en vol angsten geen geringe uitdaging.

    Nieuwe kameraad

    Het sleutelwoord in het boek is dat van de titel: verbindingen. Dat moet zowel letterlijk als figuurlijk genomen worden. Letterlijk omdat hij in dienst de functie van radiotelegrafist vervult, wat hem consequent de bijnaam ‘de Stekker’ oplevert. Een goed voorbeeld van de depersonalisering die de diensttijd – zeker toen – met iemand deed. Figuurlijk omdat de hoofdpersoon daar wanhopig naar op zoek is, verbinding. Daar slaagt hij eigenlijk niet in. Niet op school met slechts een schuchtere toenadering tot een onbereikbaar meisje, geen enkel contact met een afwezige en zieke vader, weinig liefde tussen hem en zijn moeder, nauwelijks banden met familie, later geen vrienden in zijn studiestad Amsterdam en een zich voortslepende relatie met vriendin Ingrid. En dan gebeurt er eindelijk toch wat.

    Bij de keuring voor de militaire dienst ontmoet hij door toeval, ze staan achter elkaar in de rij, een wat mysterieuze jongen, Ronald, die er hippie-achtig uitziet. Ze gaan in gesprek – al heel wat voor de verteller – en ze trekken een paar uren met elkaar op. Maar op het einde slaagt hij er niet in met zijn mogelijk nieuwe kameraad iets af te spreken. Weer te lamlendig en te sloom. Maar dan volgt de tweede ontmoeting: de hippie duikt plotseling op als vaandrig (officier in opleiding) en pelotonscommandant op de Navo-basis Rugenstein in het Duitse Süssland. Hij lijkt onherkenbaar veranderd, heeft kort haar, is autoritair en kortaf en een verre schim van de goedmoedige hippie van een half jaar eerder. ‘Die Nazi’ noemen de soldaten hem achter zijn rug.

    Ook dan durft de verteller de confrontatie niet aan. Hij wil natuurlijk in gesprek met Ronald maar slaagt daar steeds niet in. Opnieuw schuchter – zelfs bang dat de wetenschap bij de andere soldaten dat Ronald en hij elkaar kennen zijn toch al precaire positie als jongen zonder grote mond en durf verder in gevaar zal brengen. Na toch nog een nachtelijk gesprek met Ronald blijkt deze een bedoeling te hebben met zijn barse, autoritaire optreden. Als gevolg van het gesprek draait vaandrig Ronald als een blad aan de boom om en wordt vriendelijk, amicaal en extreem socialiserend met de manschappen waar hiërarchische afstand de absolute norm is. Deze gedaanteverwisseling moet onafwendbaar een keer mis gaan en zie, de weinig drinkende Ronald drinkt zich op de wekelijkse zuipavond in de manschappenkantine, waar hij eigenlijk niks te zoeken heeft, stomdronken. De gevolgen zijn radicaal: een maand militaire detentie en overplaatsing naar een onbetekenende functie.

    De enige vreemde

    De derde en laatste ontmoeting van de verteller met Ronald is zo mogelijk nog confronterender. De ik werkt na zijn diensttijd, het is dan 1980, als nachtreceptionist en schoonmaker in het verlopen toeristenhotel Bombay nabij het Damrak in Amsterdam. Tegen het einde van zijn dienst ziet hij dat de vrouwen-wc al heel lang bezet is. Ondanks veel roepen en kloppen komt er geen reactie. Hij breekt in en ziet tot zijn ontzetting een bewusteloze junk onder het bloed en kots op de tegels liggen. Deze slaat lodderig een oog open en de verteller herkent de eerdere hippie en vaandrig.

    De verteller neemt zijn vroegere ‘kameraad’ na een wasbeurt mee naar een haveloze horecagelegenheid waarbij Ronald met veel Marsrepen een beetje tot leven komt en een relaas houdt over zijn jaren tussen de militaire detentie en zijn huidige status als heroïnejunk. De ik gaat terug naar het hotel om zijn dienst over te dragen en constateert daar dat met enig sloopgeweld de hele kassa inclusief de 250 gulden wisselgeld is ontvreemd.

    De hoofdpersoon is – in huidig taalgebruik – nogal een loser. Zijn studie pedagogiek aan de UvA staakt hij, maar waarom en hoe is niet duidelijk. Vinden zijn ouders en vriendin Ingrid daar wat van? Hij neemt een baantje bij een papierwinkel waar niet bepaald de arbeidssatisfactie vanaf spat. Daaraan voorafgaand brengt hij zijn tijd door met ‘solitair pornobioscoopbezoek’ en ‘solitaire bessenjenever’. ’Door de onthechting die over me kwam in die pornozaaltjes steeg ik op uit dat leven, verhief ik me eruit als een leviterende Tibetaanse monnik. En vanuit de troebele wolken waarin mijn hoofd dan terechtkwam, kon ik dat leven daar onder me gelukkig nauwelijks zien’. Met ‘dat leven’ bedoelt de ik het studentenleven maar eigenlijk zijn hele leven. Daarin was hij ‘de enige vreemde’. Iedereen leek elkaar lang te kennen. ‘En daardoor vond ik mezelf dan weer een weke aansteller en een verachtelijke zeikerd.’

    De relatie met Ingrid is flets. Bovendien leven ze in zijn tijd als nachtreceptionist letterlijk langs elkaar heen. Hij komt thuis als zij naar haar werk vertrekt. Als zij om tien uur naar bed gaat vertrekt hij naar het hotel. Bij de keuring voor de militaire dienst geeft hij ‘in een impuls’ aan dat hij niet kiest voor de officiersopleiding, waar hij als academicus in spe recht op heeft, maar ‘gewoon soldaat’ wil worden.

    Feest der herkenning

    De verbindingen bevat geestig beschreven scènes in militaire dienst en daarbuiten. Er valt veel te lachen. Snijder schrijft vlot en pakkend en als lezer is het genieten van de meestal niet al te fijnzinnige anekdotes over het dienstplichtigenleven van toen. Die gaan veelal over drank, grappen, pesten, sterke verhalen, seks en wonderlijke, voor buitenstaanders niet te doorgronden rituelen. Zeker voor lezers met eigen ervaringen in vooral de rol van de eenvoudige manschappen (‘zandhazen’) zal het boek een feest der herkenning zijn. Vrolijke treurigheid troef tegen de achtergrond van het Amsterdam van 1980, de tijd van krakers, drugs en verval. Voor lezers die daar wat minder mee hebben is het boek vermakelijk maar op afstand. De karakters en hun ontwikkeling zijn wat afstandelijk beschreven.

    Interessant en intrigerend is het snel wisselende gedrag van de vaandrig-hippie-kunstenaar (want dat laatste is hij in het diepst van zijn gedachten) en junk Ronald. De verbindingen is een vlotte roman over een reeks belevenissen in het toenmalige systeem van militaire dienstplicht en het verlies van identiteit wanneer iemand een uniform draagt. De hoofdpersonen zijn bijzondere types: een slome aanpasser met een laag zelfbeeld die altijd het gesprek en zeker de confrontatie vermijdt, en een creatieveling die als beginnend kunstenaar de weg kwijt raakt. Je vraagt je af wat er van hen geworden is.

     

     

  • Het halfduistere verleden van een dwangarbeider

    Het halfduistere verleden van een dwangarbeider

    Levensverhalen doen het goed in de Nederlandse literatuur. De ‘memoirs’ over het eigen leven of dat van anderen, zoals familieleden, verschijnen met grote regelmaat. Het lijkt wel of de lezer meer en meer interesse heeft in ‘echte levens’ boven gefictionaliseerde literatuur. Dit uit de Engelse literatuur overgewaaide genre maakt furore, misschien wel omdat we steeds meer betekenis toekennen aan herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen. En een memoir is gewoonlijk korter en toegankelijker dan een vaak volumineuzere (auto)biografie.

    Zo’n ingrijpende gebeurtenis is het tewerk worden gesteld in Duitsland van de 18-jarige Fons van Stolwijk, vader van de auteur van dit boek, Elly Stolwijk. Zij is inmiddels iets over de 70, en beschrijft minutieus en invoelend het leven van haar vader, een dwangarbeider in Duitse dienst, zowel in de oorlog als, maar dan veel korter, erna. De eerste zin van het boek spreekt boekdelen: ’Fons is nog geen eenentwintig jaar jong als hij in de zomer na de bevrijding, de precieze datum is onbekend, terugkeert uit nazi-Duitsland waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid had verricht in metaalfabrieken in Berlijn en Lauchertal, een ervaring waarover hij tijdens zijn leven nauwelijks kan spreken (…).’ De bladzijden beslaan steeds een hele lange zin, een stilistische keuze die Stolwijk vaker maakt en waarvan je je kunt afvragen wat de meerwaarde ervan is. Maar die keuze doet niet af aan het belang van dit boek over een minder bekende, maar toch omvangrijke groep Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. Hun lot is vaak vergeten of op zijn minst veronachtzaamd, vermoedelijk omdat de schaal en omvang van slachtoffers “meeviel”: op de 500.000 dwangarbeiders zijn er 30.000 omgekomen. Nog een flink aantal, maar in geen verhouding tot slachtoffers onder de Joodse bevolking en andere categorieën slachtoffers. Bovendien hangt er om het fenomeen dwangarbeider toch altijd wel een sfeer van waarom zijn die mannen niet gaan onderduiken?

    Een klein stukje gewoon leven

    De eerste zin van het tweede hoofdstuk – de hoofdstukken zijn ultra kort – opent het verhaal: ’In de vroege zomer van 1943 reist Fons, ruim een maand voor zijn negentiende verjaardag, onvrijwillig met de trein naar Berlijn, het is zijn eerste buitenlandse reis, hij kan zich niet voorstellen wat hem te wachten staat en hoewel de levendige jongeman nieuwsgierig is naar de grote wereld, had hij deze beker liever aan zich voorbij laten gaan, immers, hij is door toedoen van zijn werkgever, de Rijksbelastingdienst, opgeroepen werk te verrichten in nazi-Duitsland, onderduiken is geen optie want dan zullen ze zijn pa meenemen, dus hij aanvaardt dit lot.’

    Deze zin staat voor de teneur van dit boek. Uiteraard worden belevenissen zo levendig mogelijk beschreven aan de hand van zowel opgespoorde bronnen als een geloofwaardige fantasie, maar nergens is er sprake van groot drama of superspannende avonturen. Het zijn kleine belevenissen, klein leed, zeker in verhouding tot het zo veel grotere leed in de concentratiekampen, van de hongerwinter, de vervolging, de misdaden tegen de menselijkheid enzovoort. Toch waren het schrale bestaan in slaapzalen bij fabrieken en de ontberingen een realiteit voor honderdduizenden Nederlanders (en andere nationaliteiten) die in Duitsland tewerk waren gesteld. Er is sprake van enige vrijheid, bijvoorbeeld om op zondagmiddag in Berlijn een biertje te gaan drinken. Mits je je maar op tijd meldt bij de fabriekspoort kun je een klein stukje ‘gewoon’ leven leiden. Maar het is ook een leven in permanente onvrijheid en met behoorlijk wat ontberingen. ‘Het is eind januari 1945 en de tijd lijkt stil te staan, de werkweken zijn tergend lang, de dagen grijs en koud, het sneeuwt vaak en er staat een schrale oostenwind, met gebogen hoofden lopen de arbeiders in de vroege ochtend naar de fabriek, met gebogen hoofden komen ze aan het eind van de dag terug, soms hoort hij zijn moeders stem, of die van pa, ineens lijkt het alsof hij moedert hoort huilen, hij schrikt van het wanhopige snikken en kijkt op, ziet de grote hal om zich heen draaien en moet, misselijk van de zure lucht van ijzervijlsel, steun zoeken van de draaibank, hij braakt gal (…)’. Met respect voor de lotgevallen van Fons, dit proza gaat eindeloos door met kleine variaties over meestal onvriendelijke bewakers, de ziekenboeg en de kameraden die elkaar erdoorheen helpen.

    De grotere gebeurtenissen zoals de overplaatsing van Berlijn naar een kleinere stad en natuurlijk vooral de bevrijding krijgen wel wat meer reliëf, maar het proza is helaas nogal monotoon en cliché. ‘Fons ervaart in een intens moment de aanwezigheid van de lente, die verwachtingsvolle, groenige geur, ijl (…). Er is ook nog een parallelle geschiedenis van Fons met een vrouw, er zijn interessante observaties over de productieprocessen in de voor de wapenindustrie werkende fabrieken, er zijn boeiende notities over het verschil in behandeling van de ‘laagste’ categorieën, Oekraïners, Polen en Russen versus de Nederlanders en Fransen.

    Zoeken om ervaringen te delen

    Stolwijk wil haar vader een stem geven en ‘ingeslikte, onverteerde woorden naar buiten brengen’. Op zichzelf een nobel streven. De auteur legt daarbij uitvoerig uit hoe ze haar onderzoek heeft uitgevoerd. Een reis op haar 23e naar het toen nog in Oost en West gescheiden Berlijn, een vakantie in 2012, twaalf jaar na de dood van haar vader in 2000, een vakantie in de Eiffel waar zij en haar partner een oude waterkrachtcentrale bezoeken. ’s Middags tijdens het bezoek krijgt ze opeens weke knieën, ‘iets logs dringt mijn borstkas binnen en neemt me over, terwijl tranen mijn blik vertroebelen’. ’s Avonds: ‘Ik probeer de gebeurtenis van die middag te begrijpen. In welk krachtenveld was ik terechtgekomen? De vlammen laaiden op en in een helder moment weet ik dat het onzichtbare veld toebehoorde aan mijn vader.’

    Tsja, en daarna begint een jarenlange zoektocht naar de vader. Na elk hoofdstuk documenteert Elly Stolwijk de met volharding uitgevoerde tocht naar het verleden van haar vader. Het eindresultaat is een kruising tussen historisch onderzoek en met enig pathos opgeschreven fictie. Honorabel en bij vlagen interessant, maar daarmee nog niet een meeslepend en pakkend boek. Wel een integere verantwoording van een zoektocht naar het halfduistere verleden van haar vader als dwangarbeider. Zijn leven daarna is gemengd: hij stichtte een gezin, ging weer werken bij de Belastingdienst maar werd nooit echt gelukkig. Hij verzweeg en verdrong het verleden, maar kreeg er ook last van: hoofdpijn, problemen op het werk, en zoeken naar een platform om ervaringen met andere dwangarbeiders te delen. Vervroegd pensioen, vergeefse pogingen om bij de Duitse bedrijven herstelbetalingen te krijgen, en overleden op 76 jarige leeftijd in 2000. ‘Het is vlak na middernacht, vrijdag 14 juli 2000, een revolutionaire datum. Fons is alleen met de duisternis en stikt,’ schrijft Stolwijk zonder nadere toelichting.

    Het boek is in essentie een treurig, helaas wat lang en saai verhaal met een hele goede bedoeling. Stolwijk wil haar vader 80 jaar na dato een stem geven over zijn leven van toen. Een integere poging om de Nederlandse dwangarbeiders in Duitse dienst in de Tweede Wereldoorlog kleur te geven, een weinig belichte groep, sommigen daarvan tussen slachtoffers en daders in. Het siert uitgeverij In de Knipscheer dat zij dit boek hebben uitgegeven. Een bestseller zal het niet worden, maar Fons Stolwijks verhaal is niet ongezien gebleven.

     

     

  • Vergeten interessante politieke opportunist

    Vergeten interessante politieke opportunist

    Na drie romans, waarvan Een verhaal uit de Zonnestad (2017) bekroond werd met de Bronzen Uil debuutprijs en vermeld werd op de longlist van de Libris Literatuur Prijs, promoveerde de historicus John-Alexander Janssen in 2023 op een proefschrift over de republikeinse politieke kritiek tijdens de jaren 1887-1893 in de Franse Derde Republiek. Een interessante tijd, alleen al door de bekende Dreyfusaffaire die kort daarna in 1894 ontstond en culmineerde in een controversieel vonnis en een ernstige crisis in de Franse politiek. Uit zijn proefschrift lichtte Janssen een andere, veel minder bekende, historische figuur die in de huidige tijd als hoogst actueel kan worden beschouwd. Het gaat om de populistische politicus en oud militair George Boulanger. Nog wel bekend in Frankrijk, daarbuiten vrijwel niet.

    Had Janssen bij het afronden van zijn dissertatie een vooruitziende blik? Het contract over het boek dat Boulanger! is geworden was al gesloten tijdens het werk aan het proefschrift. Het boek, zo schrijft hij in zijn verantwoording, zou een heel ander werk worden dan dat proefschrift: geen noten, geen wetenschappelijke verhandeling. Uiteindelijk nam Janssen ‘eindnoten’ zonder Franse citaten op en beperkte zich tot de essentiële stof.

    Die keuze is een goed besluit geweest want Boulanger! is heel toegankelijk geworden, ook voor de Nederlandse, niet in de Franse geschiedenis ingevoerde lezer en met een zeer actuele betekenis van het populisme. Het boek is mooi opgebouwd. Een proloog beschrijft de bezichtiging door de auteur van een begraafplaats in Elsene, Brussel (spoiler alert!) waar Boulanger op een ‘petit Père-Lachaise’ begraven ligt.

    ‘Ik stort me terug in het niets’

    Na het einde van een even wisselvallige als succesvolle korte politieke carrière in Parijs in 1889 verlaat de dan 52-jarige Boulanger de stad. Zijn parlementszetel heeft hij behouden, maar de Boulangistische beweging heeft bij de verkiezingen dat jaar flink verloren. Hij wijkt uit, met zijn jongere vriendin Marguerite naar het eiland Jersey waar hij wikt en weegt over een terugkeer in de Franse politiek. Maar de steun van zijn beweging kalfde af, zijn vriendin – hij was nog steeds gehuwd – werd zwaar ziek en samen belandden zij in 1891 in Brussel waar een arts haar – vergeefs – behandelde. Op 35-jarige leeftijd stierf ze, en niet lang daarna schoot Boulanger zich met een pistool dood op Marguerite’s graf. De begrafenis trok 150.000 mensen uit België en Frankrijk. De Belgische overheid had toespraken verboden uit angst voor oproer, Boulangers wettige vrouw en hun twee dochters ontbraken, een aanhanger gooide een schepje Franse aarde op het graf. Zijn persoonlijk testament dat hij had opgesteld voor de zelfmoord was even sober als veelbetekenend ‘ik stort me terug in het niets waar het lijden afwezig is’. Het politieke testament was gevuld met aansporingen en goede raad aan de beweging, maar had nul effect: de beweging viel verder in ruzies uiteen en verkruimelde.

    Zo eindigde een uiterst turbulent leven van een goed militair en een politieke opportunist. Zijn politieke opvattingen en keuzes voor partners liepen uiteen van rechts tot links en op de consistentie van zijn opvattingen was geen peil te trekken. Het boek eindigt met een epiloog waarin wordt nabeschouwd op een stukje what if history. Conclusie: Boulanger had nooit de macht kunnen krijgen met een meerderheidscoalitie, hoogstens als dictator. En dan was succes verre van verzekerd.

    Wat eraan vooraf ging

    Wat ging er allemaal aan Boulangers dood vooraf? Janssen omschrijft hem als een handige politicus die bekwaam meegolfde op allerlei vaak uiteenlopende sentimenten in de Franse samenleving na de harde nederlaag tegen Duitsland in 1870. Dat was een turbulente periode in Frankrijk, het einde van het bewind van Keizer Napoleon III, de linkse commune van Parijs van 1871, de Republiek erna en diverse elkaar bestrijdende politieke stromingen. Zoals republikeinen, legitimisten, orangisten, conservatieven, orleanisten, plebiscitairen en reactionairen. Een, zacht gezegd, heterogeen gezelschap.

    Wat was nu de drijvende politieke ambitie van Boulanger, afgezien van zijn persoonlijke ambitie om in elke functie snel vooruit te komen, zijn ongeduld, zijn vermogen om snelle daden te stellen en zijn onvermogen om behaalde winst ook vast te houden? Zijn kernboodschap is in feite dat politici, in het bijzonder parlementsleden, falen in hun taak. De verleiding is groot om Boulanger een 19e eeuwse Franse voorloper van het populisme te noemen. Dat is wat makkelijk maar er zijn zeker hier en daar interessante historische parallellen te trekken. Zo geloofde Boulanger in de macht van het volk, ongefilterd door een parlement. Minder helder was hij over de manier om die macht door te vertalen naar beleid en kiesstelsel. Sterk leiderschap was een derde belangrijke opvatting van Boulanger.

    Zijn stijl was het beklemtonen van de grote lijnen en het negeren van details. Ook was hij een meester in het wenden en draaien en het zich aanpassen aan de heersende winden voor zover die hem een kans gaven op politiek succes.

    Het tragische van Boulanger was dat veel volgers hem gebruikten, misbruikten, om zelf naar machtsposities te komen. Dat deden ze door hem de opening te laten maken, het ‘breekijzer voor verandering’ in de woorden van Janssen. Daarna slaagde Boulanger er niet in de eenheid te bewaren en viel zijn beweging dikwijls uiteen in meerdere flanken. Janssen vat het goed samen: ‘Boulangers kracht – de vereniging van groepen aan alle kanten van het politieke spectrum rondom zijn eigen persoon – was tegelijkertijd zijn zwakte. Juist door de grote politieke verschillen moest het wel om hem draaien. De magie werkte zolang hij niet definitief kleur bekende.’ En toch wel een beetje met huidige politici in gedachten een treffende stelling: ‘Winnaars zijn geen verantwoording schuldig, en zolang hij iedereen tevreden kon houden, vooral doordat hij de hoop op politieke verandering levend hield, werkte het.’

    Het fenomeen Boulanger is vandaag de dag razend interessant ondanks alle verschillen met de situatie 135 jaar geleden. Voornaamste parallel is wel de vluchtigheid van het electoraat en het sterke appel van opvallende persoonlijkheden in de politiek. Als er in de 19e eeuw een Tik Tok had bestaan, zou Boulanger een veelgebruiker zijn geweest. Voornaamste verschil is dat Boulanger een politiek jongleur was zonder een volwassen partij en programma. Dat zijn overigens fenomenen die pas in de late 19e eeuw zijn ontstaan. Tekenend voor de politieke windvaan met sterke aantrekkingskracht die Boulanger was, zijn de labels die later op hem zijn geplakt: een niet-marxistische vorm van socialisme, kraamkamer van Frans fascisme, voorloper van rechts nationalisme.

    Inkijk in verziekt politiek klimaat

    Janssens boek is bescheiden van opzet. Het is geen nieuwe beoordeling van Boulanger ten opzichte van de al rijke Franse literatuur, wel een (her?)ontdekking voor een Nederlands publiek dat interesse heeft in geschiedenis. Bovendien geeft Janssen een goede, degelijke inkijk in twee tot drie decennia van politieke onrust, economische crisis en het zoeken naar een werkelijk Franse identiteit, een eeuw na de Franse revolutie. Het was geen sterke, stabiele periode in Frankrijk, maar een ‘verziekt politiek klimaat’, zegt Janssen. Daarin kon een charismatisch man, succesvol militair, patriot, volkstribuun, bedreven in publiek effect van zijn optreden – hij verscheen vaak op een zwart paard gezeten – een wisselende rol van outsider tot minister vervullen, waarna zijn geloofwaardigheid als outsider snel teloor ging.

    Het boek leest lekker makkelijk ondanks de duizelingwekkende hoeveelheid gebeurtenissen, feiten, plaatsen en incidenten die de revue passeert. En dat terwijl Janssen in zijn nawoord uitlegt dat hij zich heeft moeten beperken tot de essentiële feiten en een representatief beeld. Dat lijkt goed te zijn gelukt. De lezer krijgt ook nog een behulpzame chronologie aangereikt.

    Kortom: een aanwinst voor iedereen met historische interesse over een bijzonder hoofdstuk in de Franse geschiedenis met interessante inzichten om het huidige populisme beter te begrijpen en te duiden. Een Netflix-serie waard.

     

     

  • Pleidooi voor een gulden middenweg

    Pleidooi voor een gulden middenweg

    De bekende, prijswinnende historicus Martin Bossenbroek (twee keer de Libris Geschiedenisprijs) schreef een boek dat het midden houdt tussen een pamflet en een wetenschappelijke studie. Zijn eerdere, succesvolle boeken, De Zanzibardriehoek, De Boerenoorlog en De Wraak van Diponegoro, zijn in zekere zin een vooruitschaduwing van Bossenbroeks laatste (dunnere) boek: Kolonialisme! De vloek van de geschiedenis. Bossenbroek is, zo lijkt het, boos of op zijn minst geërgerd, over de zijns inziens te beperkte blik op de koloniale geschiedenis van ons land. Dat dit thema de laatste tijd zwaar bediscussieerd wordt en heeft geleid tot excuses, monumenten en musea in wording, geeft zijn boek urgentie. Het verklaart ook de drive waarmee Bossenbroek schrijft.

    Zijn hoofdthese is simpel. Hij bepleit een gulden middenweg tussen hen die ons verleden verheerlijken dan wel verguizen. Aan de ene kant Balkenende over de zo welkome VOC-mentaliteit in ons land tot Wilders met diens nationale trots en aan de andere kant pakweg Gloria Wekker en de achterban van het Slavernijmuseum in oprichting.

    Van alle tijden en continenten

    Bossenbroek heeft zeker royaal oog voor de gruwelijke uitwassen van ons slavernijverleden en praat daarover niets goed. Waar hij zich druk over maakt is de beperkte, te nationale blik op dat verleden. Er zijn immers veel andere landen met een slavernijverleden en niet alleen de ‘usual suspects’, de Westerse mogendheden. Vandaar zijn pleidooi voor die middenweg in een bredere, internationale context. Hij maakt zich bijvoorbeeld erg druk over het Amsterdamse Slavernijmuseum en het Rotterdamse migratie-/landverhuizersmuseum FENIX. Die zouden zich uitsluitend baseren op verhalen. ‘Van dat woord word ik altijd een beetje zenuwachtig,’ schrijft hij. ‘Als verhalen het enige inhoudelijke fundament vormen waarop beide iconische musea worden opgetrokken, dan zullen het wankele bouwwerken blijken te zijn.’ In Rotterdam wordt ‘met een vastberaden positief wereldbeeld’ de geschiedenis van de (vrijwillige) migratie getoond en de verrijking van de ‘superdiverse stad’ door inkomende migratie. Twee uiteenlopende benaderingen, maar zij hebben gemeen de nadruk op verhalen en het negeren van historische waarheidsvinding. Bossenbroeks irritatie slaat toe want hij raadt beide museumdirecties een ‘revolutionair idee’ aan. ‘Koop boeken’ en ‘Leg een serieuze bibliotheek aan’. Dat voorkomt ‘enormiteiten’, zoals dat ‘Afrika een groot, vredig Arcadië was totdat de Homo Batavus ten tonele verscheen en alles verpestte’.

    Die neiging tot overdrijven is jammer voor een op zichzelf interessant boek. Interessant omdat de koloniale geschiedenis van landen als Rusland en China uitvoerig aan bod komt met voor de gemiddelde krantenlezer vaak onbekende historische feiten. Zoals over een voorloper van het huidige Chinese Belt and Road Initiative middels een legendarische vlootvoogd die in de 16e eeuw met armada’s van schatschepen tot aan Afrika en het Arabisch Schiereiland voer. Maar ook over het Russische imperialisme geeft Bossenbroek interessante feiten die juist nu extra pijnlijk zijn om te lezen. Het boek opent de blik op de mondiale geschiedenis van kolonialisme en slavernij, die ‘van alle tijden en alle continenten’ is. Daar hoort ook bij de voortrekkersrol van het Britse Empire in de 19e eeuw bij de afschaffing van de slavernij. Niet zonder eigenbelang, maar de Britten liepen bepaald voor op landen als Nederland.

    Overtrokken theses

    Het bezwaar is dat hij doorschiet in zijn pogingen die wijdere blik te contrasteren met de in zijn ogen te simpele keuze tussen verheerlijken en verafschuwen. Tussen de ‘borstkloppers’ die vooral trots op Nederland en zijn verleden zijn en ‘boetedoeners’ die onze vroegere ‘helden’ vooral als misdadigers zien. Het doel is goed: ‘vervang geen oude mythes door nieuwe sprookjes’ en ‘vecht geen oude oorlogen opnieuw uit met verbeterde oogkleppen’. Oogkleppen is ook het sleutelwoord van het boek en de titel van de Proloog. Sympathiek en van belang is zijn oproep om tot een ‘gezamenlijke geschiedenis’ te komen die ‘van ons allemaal’ zou moeten zijn en zou ‘moeten bijdragen aan een sterker gevoel van verbondenheid’. In een land waarin qua politieke opvattingen en uitlatingen de flanken groeien en het midden krimpt is dat geen onnodige luxe, om het zacht te zeggen.

    Een oproep tot objectiviteit en nuance is prima. De genoemde oproep aan de nieuwe musea om boeken te kopen (‘nu het nog kan met laag btw tarief’) is wat denigrerend. De theses dat in het huidige slavernijdebat mensen ‘denken hun eigen voorouders alleen te vereren door die van anderen te beschimpen’, en ‘wie zijn eigen heiligdommen alleen wil bouwen op de ruïnes van die van anderen’ zijn overtrokken. Er zijn zeker mensen of groepen die zo ongeveer elk minder prettig aspect aan ons verleden – en Nederland kon er wat van met de VOC en de WIC! – toeschrijven aan eeuwen van koloniale uitbuiting en slavernij, maar is dat niet een kleine minderheid?

    De woede klinkt ook door in de schrijfstijl met teksten als ‘je moet maar durven‘ of ‘als dat maar goed gaat’. Of ‘Ja, jammer’ over de ontwikkelingen in de samenwerking van de grote BRICS landen met nieuwe leden als Iran en Saoedie Arabië. Zeker over Zuid-Afrika is Bossenbroek teleurgesteld. Immers, daar is het donkere verleden (Boerenoorlog, apartheid) goed verwerkt via de Verzoenings- en Waarheidscommissie. Zo’n pad zou Nederland eigenlijk ook moeten bewandelen, waarbij de auteur als andere voorbeelden Indonesië en Brazilië noemt. Deze landen, aldus Bossenbroek, ‘laten zich niet verlammen door die eeuwenlange aaneenschakeling van pijnlijke geschiedenissen’. En: ‘verschillen worden verkleind, niet uitvergroot (…) Het gevoel van verbondenheid wordt versterkt, met een beroep op de helende kracht van de democratie.’

    Hier wordt Bossenbroek een beetje moeilijk te volgen. De drie landen in kwestie, Indonesië, Brazilië en Zuid-Afrika kennen een turbulente geschiedenis, met kolonialisme en slavernij, maar ze vandaag de dag zien als ‘voorbeelden voor Nederland’?

    Kleur narratief vervangt wit narratief

    Het pleidooi voor een internationale bril en het vermijden van extreme posities is sympathiek en nuttig, de uitwerking is te snel en te schetsmatig. Zouden we bijvoorbeeld niet meer gebaat zijn bij een vergelijkende studie naar het beleid van Europese landen zoals Frankrijk en Duitsland? Van Zuid-Afrika is best te leren, zoals door het ‘Freedom Park’ in Pretoria waar het ‘bonte Zuid-Afrikaanse verleden’ wordt gepresenteerd. Een idee voor Amsterdam-Zuidoost of Hoorn? Het zou mogelijk veel pijnlijk gehannes met beelden voorkomen.

    De Nederlandse koloniale- en slavernijgeschiedenis inpassen in de grote wereldhistorische context, prima. Nu is het ‘een wit narratief vervangen door een narratief van kleur’. Dat is een risico. Maar is het wel zo extreem? Bossenbroek voert een tweefrontenoorlog; tegen Wilders ‘met zijn benepen provincialisme’ maar ook tegen mensen die ‘zonder koloniale waas’ loeren naar oudvaderlandse helden zoals de Witte de Withs ‘om hen vol walging neer te sabelen’.

    Dit ‘Amerikaanse confrontatiemodel’ moet worden ingeruild voor een genuanceerde middenweg. Die verdient meer diepgang dan dit boekpamflet. Een tamelijk dun boek is een beetje een omgevallen boekenkast geworden. Bossenbroek zou met wat meer rust en reflectie het pamflet kunnen uitwerken tot die derde weg tussen verheerlijken en verguizen. Met minder polarisatie, meer nuance en een wenkend perspectief.

     

     

  • Het geloof in verzet

    Het geloof in verzet

    Chris Keulemans noemt zichzelf een reizende schrijver. Vanuit Amsterdam Noord reist hij als zestiger de wereld over, na een lange loopbaan in de journalistiek en in het management van drie bekende cultuur- en debatcentra: De Balie, Perdu en de Tolhuistuin. Zijn visie als journalist, auteur van fictie en non-fictie en als debatleider klinkt door in dit boek over mensen die opstandig zijn en zich verzetten. Keulemans komt uit een gezin van progressieve ontwikkelingswerkers uit de tijd dat een linkse instelling een levenshouding was. Als kind zwierf hij met zijn ouders de wereld over, en dat is hij blijven doen. Met aandacht voor vluchtelingen, de uitgeslotenen, de gemarginaliseerden, soms de mislukten. De rode draad in zijn leven vol eigen verzet, in de krakersbeweging, in de linkse De Balie, is goed zichtbaar in dit boek.

    Keulemans neemt ons mee naar het inmiddels beruchte grensgebied tussen Wit-Rusland en Polen, waar veel immigranten in soms hemeltergende situaties van ontbering en angst terechtkomen. Gesandwiched als zij zijn door Poolse regering die deze ‘gelukszoekers’ liever kwijt dan rijk is en de gecombineerde Wit-Russische en Russische pogingen om mensen als middel in een hybride oorlogvoering tegen het Westen te gebruiken. Het is het cynisme van de huidige geopolitieke situatie sinds de Russische agressie tegen Oekraïne in februari 2022. In deze uithoek van Europa, in Polen maar dichtbij Litouwen en Wit-Rusland, bevindt zich een landgoed dat ooit het ouderlijk huis was van de Pools-Amerikaanse Nobelprijswinnaar literatuur van 1980, Czeslaw Milosz (1911-2004), maar dat nu een soort vrijplaats en opvangplek is voor de ontheemde vluchtelingen. Borderland. Terzijde: ‘Oekraïne’ is Slavisch voor grensgebied. Ook uit Oekraïne zijn er sinds voorjaar 2022 vluchtelingen ter plaatse.

    Op het landgoed

    Op het landgoed waart de geest van de kosmopoliet Milosz nog rond. Geen vrolijke man, schrijft Keulemans. ‘Op de schaarse foto’s is hij niet van plan te glimlachen.’ En even later ‘De onglimlachende jongen werd nooit een man die zich neerlegde bij de wetten van hoe het hoort. Hij overleefde ze door ze te negeren.’
    Keulemans beschrijft hoe zijn oude vriend Adam destijds het vertrouwen van Milosz won toen die na een jarenlang verblijf in San Francisco rond de millenniumwisseling terugkwam naar zijn geboortegrond. Adam woont met een groep kunstenaars en intellectuelen op het landgoed en Keulemans heeft gevraagd of hij er, het drukke Amsterdam moe, mocht komen schrijven. Hij constateerde bij zichzelf en bij de gemeenschap op het landgoed eerst vreugde en optimisme. ‘Van de opstanden tegen overheersers die dit gebied trachtten in te lijven, de een na de ander, klinkt alleen een verre echo. Het voelt bijna alsof ook de harde grenzen zijn opgelost, alsof Vilno en Koningsberg en Brest nog altijd binnen een dagreis met paard en wagen te bereiken zijn.’ Toch klinkt de echo van het befaamde, ook door Keulemans genoemde boek ‘Bloedlanden’ van Timothy Snyder hier door als triest stemmende aanvulling op dat Borderland.

    Nauwkeurig en met veel invoelingsvermogen worden de dilemma’s van de vluchtelingen beschreven (hoe vaak probeert iemand het opnieuw om Polen binnen te komen en tegen welke prijs). Van de Poolse grenswachten, politie en autoriteiten, maar ook van de hulpverleners en de ‘gewone’ inwoners die bijna gedwongen worden zich tot dit probleem te verhouden. Het bijzondere van dit boek is dat we allemaal wel een notie hebben van de vrijwel onhoudbare situatie daar, die vaak journalistiek is beschreven, maar zelden zo literair is weergegeven. Want dat doet Keulemans, in pakkende, korte zinnen en fraai taalgebruik. ‘Het landschap draagt de geschiedenis als een parasol zo licht.’ En ‘Als vrieslucht op de eerste winterdag hangt er waakzaamheid tussen de bomen.’

    Zinloze grenzen

    Niet alleen contrasteert de steeds nijpender wordende vluchtelingenproblematiek met Keulemans’ eigen en in eerste instantie optimistische observatie, hij maakt ook zelf een ontwikkeling door. ’Vroeger zat ik overzichtelijk in elkaar. Van grenzen ging ik op rood. Zinloos vond ik ze, uitvindingen van een angstige natuur, die strepen in het zand, die fortificaties.’ Maar hij is veranderd, volwassener geworden. ‘Ik begrijp nu beter waarom grenzen bestaan en ben er des te feller op tegen.’ Van daaruit zoekt hij een antwoord op de vraag: wanneer en hoe komen mensen in verzet. Wanneer wordt individueel verzet een beweging, zoals die de laatste decennia vaak zichtbaar was op pleinen in de hele wereld.

    Keulemans bouwt lichtjes een systematiek verschillende fases van dit verzet op in maar liefst dertien stappen. Hij werkt deze lijst niet echt uit, waardoor het geen leerstellig boek is geworden. Integendeel, hij pakt scène na scène uit met verschillende plekken in de wereld waar onrecht heerst en verzet ontstaat. Hij schuwt daarbij het contrast niet, van gemene trucs bij het jeugdvoetbal in Amersfoort tot de directe nasleep van 9/11 in de Verenigde Staten. Hij is op dat moment in New York en rijdt vijf dagen na de brute aanslag naar Princeton. Daar maakt hij contact met een ‘oorlogssocioloog’ die aanvankelijk ‘uitgelaten’ was over de aanslagen maar later toch bij zinnen bleek te komen.

    Een bijzondere ervaring, de gevolgen van de aanslagen eerst verdringen door vreugde dat er nu eindelijk verzet is getoond tegen het verfoeide Amerikaanse systeem. En hij legt contacten in de collegebanken. ‘De graatmagere activiste die strafrecht studeert is een praatmachine.’ Zij organiseert die week een Peace Meeting die nogal wezenloos blijkt te zijn. ‘Even later zat ik in een kelder tussen dertig mensen die elkaar onwennig aankeken. De hele bijeenkomst had iets clandestiens. Vrede is deze week geen populair woord.’ Later loopt hij mee in een Vredesmars in de buurt van Princeton. ‘Op straat staan de mensen te kijken. Verbouwereerd misschien, maar niet agressief.’ Na afloop van de demonstratie gaat Keulemans naar zijn auto. ‘De maan boven de daken is een witte sikkel. Er klinken krekels. De eekhoorns wandelen bedaard over de paden. Opeens denk ik: als ze dit zouden vernietigen, dit paradijs van kennis en onwetendheid, dat zou ik niet kunnen verdragen.’

    Niet genoeg ellende

    En zo springt Verzet de wereld over. Naar Tunesië, Oekraïne/Maidan, Minsk, Bagdad – waar het standbeeld van Saddam Hussein omver wordt getrokken: ‘Een verstandige dictator zorgt in het hele land voor stevige sokkels en krakkemikkig gereedschap.’ Naar het Martelaarsplein in Beiroet bij een jaarwisseling, naar Jakarta en ook heel vaak naar ons vertrouwde Amsterdam. Zoals een mars in 2015 na de agressieve bejegening in een aantal gemeenten van asielzoekers, met een hoofdrol voor Nasrdin Dchar, die verder geen vervolg krijgt maar wel een mooie middag op het Museumplein betekent. Waar behalve Dchar, Jerry Afriyie spreekt. ‘Weloverwogen articulerend spreekt hij zijn grimmige liefde uit voor een onvolmaakt land.’ Ook Oekraïne in oorlog haalt Keulemans aan, met een mooi citaat van reporter Olaf Koens die een oude vrouw die met trillende hand rozen knipt met een schaartje, vraagt waarom ze dat doet. ’Als je dat niet snapt heb je niet genoeg ellende meegemaakt.’

    Het boek meandert langs recente gebeurtenissen en verder terug in de tijd. Van de RaRa aanslag op toenmalig staatssecretaris Aad Kosto tot herinneringen aan de roerige Amsterdamse situatie in 1980 tot lokale acties als ‘Verdedig Noord’ in Keulemans’ buurt in Amsterdam. Hij blijft geloven in verzet, zonder illusies maar wel met hoop. ‘Wat verzet onderscheidt en uiteindelijk sterker maakt dan de macht is de verbeelding; het zichtbaar maken van mogelijkheden.’
    Verzet is een boek van een auteur met een fluwelen pen. Geen politiek boek, maar wel een goed geschreven verhaal over politiek, onrecht, verzet, protest. Soms als de druppel die de steen uitholt, soms als een spectaculair moment dat niet altijd standhoudt zoals de Arabische Lente. De wereld rond vanuit Amsterdam Noord. Het is de moeite van de inspanning waard. En van het lezen.

     

     

  • Vredig berustend met de dood in zicht

    Vredig berustend met de dood in zicht

    Het late leven is geen autobiografische roman die de succesvolle auteur Bernhard Schlink schreef over ouder worden, maar het thema zal hem na aan het hart liggen. Dat thema is, kort gezegd: hoe worden we oud en wat en hoe laten we als – figuurlijke – erfenis na? Schlink brak als schrijver laat door, naast een loopbaan als jurist. Maar dan wel meteen met een geweldig mooi boek, De voorlezer (1995), over de holocaustverwerking in Duitsland dat een paar jaar na verschijnen geleidelijk aan een bestseller werd, mede door de verfilming. Eerder schreef hij misdaadromans. In zijn latere werk bleef Schlink dicht bij de actualiteit, laatstelijk in De kleindochter (2022) over rechts radicalisme in het voormalige Oost-Duitsland, en de verhalenbundel Afscheidskleuren over, hoe kan het anders, afscheid. Schlink is tachtig, leidt een actief bestaan in afwisselend Duitsland en de VS (New York) en is emeritus hoogleraar rechten. Op die leeftijd zul je weleens gedachten hebben over het (aflopende) leven en hoe je herinnerd wilt worden.

    Dat is dus precies het thema van het mooie, rustige en evenwichtige Het late leven. Net als in het laatste verhaal uit Afscheidskleuren is hoofdpersoon Martin zesenzeventig en getrouwd met de veel jongere Ulla van begin veertig. Anders dan in dat verhaal met een heel optimistisch en vitaal perspectief, heeft Martin nu net de aanzegging gekregen van een ongeneeslijke alvleesklierkanker. Hij heeft nog rond zes maanden te leven. Zijn kalme, evenwichtige bestaan waarmee hij heel tevreden is, met een paar wetenschappelijke klusjes, het naar school brengen en halen van hun nog jonge David van zes, de tuin, de boodschappen en het koken, alles staat op zijn kop. Hoe verhoudt hij zich tot dat opeens zo andere perspectief? Zijn vrouw werkt als succesvol kunstenaar en galeriehoudster. Hun romance was voor hem en voor haar een verrassing en biedt met de duidelijke taakverdeling ondanks het grote leeftijdsverschil een prettig vastomlijnd levenskader.

    Na de schok

    Direct na de onheilstijding komen vragen op, vooral bij Martin die meer tot contemplatie is geneigd dan Ulla. Wat gaan we deze maanden nog doen, wat laat ik hen en met name David na? En op welke manier? Moeten het voorwerpen zijn, maar welke? Die waaraan hij hecht? Maar zal dat ook voor David zo zijn? Wat is een geschenk en wat wordt tot last? Ulla dringt aan op een video bij de begrafenis, maar Martin kiest voor brieven over de grote thema’s in het leven, zoals goed en kwaad, werken en leven, de liefde. En later voor een – zwaar symbolische – composthoop die David en hij samen maken.

    Hun leven lijkt nog verder ontwricht te worden door de verhouding die Martin met enig detectivewerk ontdekt van Ulla met een andere, jongere man. Hij wordt niet werkelijk boos maar berust daarin en gaat zelfs constructief in gesprek met de man in kwestie over een toekomst zonder hem maar met Ulla en David. Dat is wel erg berustend en wijs, maar ook wel in lijn met het kalme en zachtmoedige karakter van Martin.

    Ulla en hij kiezen voor de vlucht vooruit en vertrekken met David voor een paar laatste weken in intiem gezinsverband naar de Duitse kust. Hoewel hij lichamelijk steeds zwakker wordt, beleeft Martin rijke weken. Hij lijkt de kunst van het loslaten goed te hebben geleerd en toegepast. Dit deel van het leven is het ‘voorlaatste hoofdstuk’ dat Martin vult met een vrede die optrad na de eerste schok van de medische diagnose en de heftige ontdekking van Ulla’s vreemdgaan. Hij rust en slaapt veel. Ook bezoekt hij het strand en hoewel eten moeilijker wordt eet hij zo lang mogelijk mee. Hij geniet van de steeds sterker wordende David die op school wordt gepest, droomt niet alleen over het verleden maar heeft ook beelden van een leven voor Ulla en David zonder hem. Boosheid en verongelijktheid zijn hem vreemd, wel huilt hij – eindelijk – meer dan vroeger. ‘Hoe zwakker hij werd, hoe vaker hij huilde. Als jongen vond hij dat hij zijn tranen moest bedwingen en was het verleerd. Tientallen jaren had hij niet kunnen huilen, en al verlangde hij er nu naar, het was een vloek. Nu gebeurde het als hij een merel hoorde zingen, als het geluid van spelende kinderen tot hem doordrong of als de zon onderging.’ Treffend opgeschreven, zeker als deze passage wordt bekroond door een dichtregel van Heinrich Heine: ‘dat het leek alsof zijn brekend hart van vreugde zou kunnen bloeden.’

    De kunst van het loslaten

    Het late leven is een fijnzinnig, stil, melancholisch boek dat je in een rustig tempo zou moeten lezen. Het begin alleen al. ‘Hij nam niet de lift, maar de trap. Hij liep langzaam naar beneden, tree na tree, etage na etage, het wit van de muren viel hem op, het groen van de getallen die naast de lift de etages aangaven, het groen van de deuren. Toen stond hij buiten en vielen hem de frisse lucht op, de voetgangers op de stoep, de auto’s op straat, de steigers voor het huis aan de overkant. Zijn eerste gedachte was dat hij in plaats van de trap de lift had moeten nemen, nu hem nog maar zo weinig tijd restte.’

    Daarmee valt de auteur met de deur in huis; de kunst van het loslaten, het besef van vergankelijkheid, de relativiteit van wat vroeger belangrijk was en tevens de verscherpte blik op alles wat tot dan toe gewoon en routine was. De dilemma’s die zich aandienen, moet je alles nu juist snel doen of toch langzaam of gewoon? Maar ook een zo logische gedachte als hoe zou het met de wereld gaan, komt er oorlog tussen de VS en China, hoe gaat het met het klimaat? ‘Hij hield niet van de dood omdat hij niet zou weten hoe alles verder zou gaan.’ En het onoplosbare dilemma: ’Hij hoefde niet eeuwig te leven, maar had graag verder geleefd op een manier die hem in staat zou stellen om de komende eeuwen op dezelfde manier te zien als hij de afgelopen eeuwen zag.’ Voor een jurist en rechtsfilosoof met een speciale interesse in de geschiedenis van het recht een prangende gedachte.

    Ontroerende roman

    Is er dan niks aan te merken op het boek? Ach, Ulla wordt soms meer als decor dan als levensecht geschetst, Martin is wel erg bovenmenselijk rustig en verdraagzaam. Maar wat zou het als een boek je zo meesleept in afstand nemen, loslaten en aanvaarden van het lot met een korte tijd voor reflectie over wat essentieel is en wat niet. Martin had een gelukkig leven, zeker de laatste twaalf jaar met een jonge Ulla en op zijn zeventigste nog een kind, een ‘geschenk waar je geen vraagtekens bij plaatst’.

    Deze ontroerende roman van een auteur die nooit tot de literaire incrowd wilde behoren pakt je bij de keel. Misschien is Schlink als jurist als geen ander in staat om helder en scherp te schrijven, zonder onnodige uitweidingen of ingewikkelde constructies. In een interview met de Volkskrant heeft Schlink een hele mooie, troostende gedachte voor lezers op leeftijd laten optekenen: ‘Wat ik heb willen zeggen in Het late leven: het late leven is een echt leven. Het is niet zo dat het geleidelijk bergafwaarts gaat. Het is een intens leven met, wederom, zijn eigen uitdagingen, zijn eigen problemen en zijn eigen vreugde.’

    Deze schrijver geeft een grote mate van zuiver lezersgenot, en ook nog een portie troost over de schoonheid van het ouder worden. Jongere lezers zal het wellicht minder aanspreken, maar dit wijze en aangrijpende boek is het waard om met aandacht woord voor woord te savoureren.

     

  • Nostalgische lofzang op het voorbije boerenleven

    Nostalgische lofzang op het voorbije boerenleven

    De auteur Patrick Joyce is Brit van Ierse afkomst, en ja uit een boerenfamilie. Hij is emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Manchester, met als specialisatie sociale geschiedenis. Zijn familieachtergrond inspireerde hem het lijvige Boerencultuur – Hoe het platteland verdwijnt uit onze herinnering te schrijven over de geschiedenis en cultuur van het Europese boerenleven. Boeren zijn al vele duizenden jaren aanwezig. Ze belandden vanuit wat tegenwoordig Turkije is zo’n 6000 jaar geleden in West- en Noord-Europa. Nog niet zo lang terug was de meerderheid van de wereldbevolking boer, of werkte op het land. Die erfenis is snel aan het verdwijnen door industrialisatie en een nog steeds toenemende bevolking, maar ook door andere claims op ruimte zoals die van de natuur.

    Joyce wilde, bij wijze van spreken voor het te laat is, die cultuur en plattelandsgeschiedenis in kaart brengen. Het is een ietwat nostalgische lofzang op het boerenleven in al zijn uiteenlopende facetten: tradities, verhalen, religie, vieringen, opstanden, de omgang met dieren, de inrichting van de boerenwoning, de plaats en (gebrek aan) waardering in de maatschappij. Daarin is de schrijver geslaagd, het is een hommage geworden meer dan een sociaaleconomische analyse van de toekomst van de agrarische sector. Nu zijn boeken in die hoek wijd gezaaid, maar zo’n breed historisch-cultureel eerbetoon aan deze beroepssector was er nog niet. Of boeren ‘altijd het fundament zijn geweest waarop het hele bouwwerk van de beschaving rust‘ is de vraag. Immers, ook andere onderdelen van de maatschappij, van adel tot burgerij, van geestelijkheid tot legers, van heersers tot onderdanen buiten de boerenstand bepaalden de samenleving.

    Het boerenleven van ooit

    Joye focust op Ierland waar zijn familie vandaan komt, op Polen en Italië. Andere landen worden niet of nauwelijks genoemd. Zijn toevallige kennis van en betrokkenheid bij die drie landen bepaalden die keuze. Daarmee is het boek ook minder representatief voor het totaal van de agrarische populatie. Er zijn landen die, hoewel in elkaars nabijheid, totaal anders van karakter zijn: Ierland met de hongersnood in de19e eeuw, Engeland met een vroege industriële revolutie. Verwacht geen analyse van de toekomst van de landbouw, van natuurbeheer-boer tot bio-boer, of van de ecologische- en klimaataspecten van landbouw. Geen verhaal over stikstof maar vooral leerstof over de rijke geschiedenis van het boerenbestaan, compleet met de bittere armoede die daaraan vaak was gekoppeld. Het is daarmee een romantisch boek geworden vol van heimwee. De uitwassen van de agro-industrie en de soms absurd grote ecologische voetafdruk van sommige producten, zoals avocado’s en kiwi’s, komen niet aan de orde. Wel is de historische blik uiterst breed, ook letterlijk waar aan de hand van foto’s talloze aspecten van het boerenleven van ooit, van kleding tot huwelijksrituelen, worden geanalyseerd. Soms gaat het boek wel erg in op details, bijvoorbeeld waar het de collecties van musea betreft. Maar een duik in de rijke historie van de Europese boerencultuur is leerzaam, en geeft weer eens een ander perspectief dan de verpolitiseerde discussie over de toekomst van de landbouw. De rijkdom van die geschiedenis is de moeite van het lezen waard. Het is een schatkamer die tot nu toe niet als zodanig is beschreven.

    Kloek historisch werk

    Resteert Joyces vraag of het bijna verdwijnen van het traditionele boerenleven nu de meest fundamentele maatschappelijke verandering in de tweede helft van de twintigste eeuw was. De auteur richt zich uitsluitend op de kleine traditionele boerenbedrijven. Hij kijkt alleen terug en niet vooruit. Dat is zijn goed recht, maar het is jammer dat hij daarmee voorbijgaat aan de huidige grote industriële agrarische bedrijven en de daarmee samenhangende problemen. De landbouwsector bezit in Nederland nog altijd tegen de 50 procent van de grondoppervlakte. Dat er steeds minder mensen op het land werken qua percentage van de beroepsbevolking doet daaraan niets af.

    Joyce levert een kloek historisch werk af met veel nostalgie en soms vergaande conclusies, zoals dat ‘een deel van onszelf is verloren gegaan’. Zijn we, zoals Joyce zegt, losgezongen van een verleden dat nog heel recent is? Hiermee romantiseert en verabsoluteert hij het agrarische verleden wel heel erg. Misschien leeft het minder in Ierland, maar in Nederland is er een tendens om meer dan vroeger te eten van de boer uit de buurt, van kleine winkels tot restaurants. Veel mensen zijn trots op lokale en streekproducten. Kamperen bij de boer en andere vormen van een combinatie van agrarisch bedrijf en recreatie zijn niet weg te denken uit onze samenleving. De leefwijze van onze voorouders zijn we verloren, is de teneur van het boek. Wie zich in die warme nostalgie wil verdiepen, leze dit boek. Wie mee wil praten over het Nederlandse landbouwbeleid anno 2024 heeft er minder aan.