• Een mandje tussen de lisdodden

    Een mandje tussen de lisdodden

    Malaga Island, voor de kust van Maine, is een eilandje van amper 40 hectare. Vanaf het begin van de negentiende eeuw woonden er een paar families. Die werden in 1912 met geweld verdreven vanwege belangen van een vermeende eigenaar van het gebiedje. De bevolking was door rasvermengingen en inteelt binnen de gemeenschap divers van huidskleur en erg arm. Aanvankelijk kwam er nog voedsel- en andere hulp van het vasteland, maar onder de opkomende rassenhaat en eugenetica kregen de bewoners het stempel van domme, zedenloze en smerige lieden waarvan het eiland gezuiverd moest worden.
    Op deze geschiedenis is Dit andere paradijs van Paul Harding gebaseerd. Hij won in 2010 met zijn debuutroman Kwikzilver de Pullitzerprijs en was vorig jaar met zijn derde, Dit andere paradijs, genomineerd voor de Booker Prize.

    Malaga Island is in het verhaal van Harding ‘Apple Island’ geworden, een naam die het kreeg van de fictieve voormalige slaaf Benjamin Honey die zich er in 1793 vestigde met zijn vrouw Patience Raferty. Hij wilde er een appelboomgaard beginnen die hem zou herinneren aan zijn kindertijd waarin hij de tuin van zijn moeder ervoer als het paradijs. Dit andere paradijs op zijn nieuwe eiland zou verkeren in zijn tegendeel, maar dat zouden zijn nakomelingen pas meemaken.

    Schooltje

    De roman begint in 1911 als Esther Honey , de achterkleindochter van de appelkweker, door Harding wordt gepresenteerd met de belangrijkste personages om haar heen: haar zoon Eha en diens kinderen Ethan, Charlotte en Tabitha. Buiten deze familie wordt in het verhaal een belangrijke rol vervuld door Matthew Diamond, een missionaris van het vasteland die voor de eilanders een schooltje heeft opgezet, de ietwat zonderlinge maar goedaardige Zachary die in een uitgeholde boom huist en de eveneens alleen wonende Annie Parker. Om een idee te krijgen van de woonomstandigheden van Apple Islanders loont het om rond te kijken op deze website van Main Coast Heritage Trust, waarop foto’s staan van Malaga Island uit de periode waarin Dit andere paradijs zich afspeelt.
    Harding spint een weefsel van hartverscheurende verhalen zonder effectbejag en zonder in dramatiek te vervallen. Hij maakt van de eilandbewoners niet uitdrukkelijk slachtoffers van de hardvochtige behandeling door de staat Maine en evenmin idealiseert hij de gemeenschap. Alle personages en het eiland zelf komen tot leven in rake karakteriseringen. Zelfs de figuren van het tweede plan worden bijna tastbaar.

    Bijbel

    De ontruiming van Apple Island is niet het enige drama dat Harding vertelt. Als Esther Honey in het begin het verhaal van de zondvloed vertelt waarin zij er ternauwernood in slaagde haar zoon Eha en zichzelf te redden, mag ze nog een geliefde oma lijken voor haar kleinkinderen die aan haar lippen hangen. Later wordt de lezer een wredere achtergrond duidelijk over de herkomst van het kind, de rol van haar vader, en waarom Eha nog leeft. Het was háár persoonlijke zondvloed.
    Er zitten veel meer Bijbelse verwijzingen in de roman. Naar de doortocht door de Rode Zee, naar de ark van Noach en naar de redding van Mozes in zijn biezen mandje. En er is Zachary, wiens volledige naam Zachary Hand To God Proverbs is en die Bijbelse taferelen aan de binnenkant van zijn eik kerft.
    Esther bewaart haar grote geheimen voor alle eilandbewoners; de lezer waant zich lange tijd de enige die er kennis van draagt, tot aan het eind blijkt dat de mysterieuze Zachary het altijd heeft geweten.

    Tekenaar

    De missionaris Matthew Diamond heeft succes met zijn onderwijs aan de eilanders. Hij ontdekt er talenten, zoals de tienjarige Tabitha, dochter van Esther, die vloeiend Latijn spreekt en de ongeveer even oude wees Emily Sockalexis die al snel beter is in wiskunde dan haar leraar. Maar de meest opvallende in dit opzicht is de withuidige zoon van Esther, Ethan, die alles in zich heeft om een groot tekenaar te worden. Diamond heeft het beste voor met zijn schoolkinderen, hoewel hij ook zelf bepaald niet vrij is van raciale oordelen. Als hij door de gouverneur van Maine wordt gedwongen mee te werken aan de vernederende onderzoeken zoals schedelmetingen en lichamelijke inspecties van de eilandbewoners vindt hij een uitweg voor het tekentalent. Via een vriend laat hij Ethan ontkomen. Toch zal blijken dat ook die daardoor niet gered is. Voordat dat duidelijk wordt heeft Harding de lezer nog verrast met een vertederende liefdesgeschiedenis tussen Ethan en het dienstmeisje Bridget Carney, die geleidelijk diens geschiedenis en die van de eilandbewoners ontdekt.

    Onze ark

    Als de ontruiming eenmaal daar is, breken de bewoners zelf hun huisjes af en laden ze in bootjes met de bedoeling ze op het vasteland weer op te bouwen. Esther ziet ze vertrekken ‘samen op drift op een vlot volgestouwd met onderdelen van hun huis, het huis dat een stap was geweest in hun hardnekkige streven naar het soort thuis dat ze allemaal voor zichzelf hadden gewild sinds ze naar de rots, het eiland, waren gekomen en zich eraan hadden vastgeklampt’. Ze kijkt om naar het verdwijnende Apple Island: ‘Dat arme eiland, zei ze. Dat arme kleine eilandje van zulke arme lieve mensen. Verdreven van onze grond, onze ark, ons mandje tussen de lisdodden’.

    Harding gebruikt kleine woorden om grote gevoelens over te brengen. Ook de Nederlandse vertaler Jan Fastenau is erin geslaagd die eenvoud en het ritme te behouden: ‘The trees at the borders bowed in the gusts of wind and straightened in the pauses and rain swept in sheets across the greening grass’ werd in het Nederlands bijvoorbeeld: ‘De bomen aan de zomen bogen door in de rukwinden en richtten zich op tussen de vlagen door, en regengordijnen geselden het groenende gras’.

    Dit andere paradijs
    ontging uiteindelijk de Booker Prize 2023 (bekroond werd The Prophet Song van Paul Lynch), maar zal er niet ver naast gezeten hebben. Het is een haarscherpe invoelende roman over het kwaad dat vooroordelen en egoïsme kunnen aanrichten. Én een roman over overlevingskracht waar je stil van wordt.

     

     

  • Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Julian Barnes weet in de inleiding van Visioen van de wereld meteen de nieuwsgierigheid van de nietsvermoedende lezer te prikkelen. Er zijn twee versies van Cheever, stelt hij. De eerste versie is die van de ideale schrijver, gelukkig getrouwd, monogaam, vader van drie kinderen. Dat is de versie die de hedendaagse lezer niet meteen op het puntje van zijn stoel brengt. Daarvoor is de tweede versie nodig: Cheever is de zoon van een dominante moeder, een alcoholische vader, eenzaam, getormenteerd, naast zijn echtgenote ook verlangend naar seks buiten het huwelijk, met vrouwen én mannen. Wie nu geïnteresseerd is geraakt in zijn leven, biedt Verscheurde stilte, het prachtige dagboek dat alweer bijna dertig jaar geleden verscheen in Privé-domein, de beste ingang.

    Onder de aandacht

    Eens in de zoveel tijd wordt het werk van John Cheever (1912–1982) in Nederland onder de aandacht gebracht. Zo verschenen eind jaren tachtig en begin jaren negentig ruime keuzes uit zijn verhalen en zijn dagboeken. Vervolgens kwamen tussen 2012 en 2015 vertalingen van zijn romans (Bullet Park, Bijna een paradijs en de twee delen over de familie Wapshot), maar bleef  de rest van zijn oeuvre buitenbeeld. Nu zijn met Visioen van de wereld en andere verhalen de korte verhalen weer aan de beurt. De samenstelling en de introductie komt, zoals gezegd, op conto van Julian Barnes, die daarmee de rol op zich neemt die Özcan Akyol in Nederland heeft, schrijvers met een bijzonder oeuvre weer onder de aandacht van het grote publiek brengen.

    Ogenschijnlijk geluk

    Om met het grootste bezwaar te beginnen: Visioen van de wereld had meer verhalen van John Cheever mogen bevatten dan de zestien die nu zijn geselecteerd. Op basis van zijn Collected Stories, ruim zestig verhalen in een pil van negenhonderd pagina’s, kun je niet anders concluderen dan dat de keuze ruimhartiger had gemogen.

    In Visioen van de wereld komen de twee door Barnes geïntroduceerde versies van Cheever samen: ogenschijnlijk worden gelukkige ‘middle class families’ geportretteerd. Jaren vijftig. De vrouw is thuis, de man aan het werk. Zoals het toen hoorde te zijn. Maar achter dit vernis schuilt wanhoop, eenzaamheid, buitenechtelijk verlangen. Er is welvaart, de koelkast is goed gevuld, maar wat is iedereen doodongelukkig, en bang dat de buren zien wat er zich werkelijk achter de voordeur afspeelt. De toon wordt meteen gezet in het absurdistische – en dolkomische – openingsverhaal De enorme radio, over een radio die gesprekken van buren uitzendt en bij de vrouw des huizes de angst opwekt dat de buren ook haar gesprekken zouden kunnen horen. De moeilijkheden tussen echtelieden staan ook centraal in De tijd om te scheiden, en in Vaarwel, broer wordt alles gedaan om de schone schijn binnen een gezin op te houden. Dat verhaal opent met ‘We zijn een gezin dat altijd een sterke zielsverwantschap heeft gekend.’ Borrelpraat die op feestjes en partijtjes gemakkelijk gedeeld wordt. Inmiddels weet je dat bij Cheever de ellende dan niet ver weg is.

    Sterke dialogen

    De toegankelijkheid van de verhalen is wisselend, zeker naarmate de bundel vordert. Voor het titelverhaal bijvoorbeeld wordt de aandacht van de lezer extra op de proef gesteld. Waar gaat het heen? Wat wil Cheever hier vertellen? Dan zijn het de dialogen die het verhaal redden. Als de ik-figuur zijn vrouw vraagt wat er met haar aan de hand is, past haar antwoord naadloos in hoe Cheever de wereld van de Amerikaanse middenklasse, zijn eigen wereld, ervaart. ‘“Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik een personage in een komische tv-serie ben,’ zei ze. ‘Ik bedoel, ik zie er leuk uit, ik ben goedgekleed, ik heb geestige, mooie kinderen, maar ik heb het vreselijke gevoel dat ik zwart-wit ben en dat ik door iedereen uitgezet kan worden. Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik úítgezet kan worden.’”

    Daarnaast is een verhaal als De trein van vijf uur achtenveertig (in het origineel The Five-Forty-Eight, die trein hoeft er in het Engels niet bij) een feest van leesplezier.

    ‘Toen Blake uit de lift stapte zag hij haar. Er stonden wat mensen in de hal die de liftdeuren in de gaten hielden, voornamelijk mannen die op meisjes wachtten. Daar stond ze bij. Op het moment dat hij haar zag kreeg haar gezicht een uitdrukking van zo intense walging en vastberadenheid dat hij besefte dat ze op hem had staan wachten.’

    De spanning is er meteen, ook door de suggestieve toevoeging in de tweede zin, over de mannen en de meisjes. Die legt niet alleen op knappe wijze de ethiek bloot van de wereld waarin de hoofdpersoon zijn dagelijks leven slijt, maar geeft ook een verborgen boodschap af voor het vervolg van het verhaal. Blake denkt de vrouw af te kunnen schudden, maar vindt haar terug in de trein naar huis. Cheever laat het slachtoffer op haar eigen wijze wraak nemen, fysiek en vernederend. Een geval MeToo, maar dan zestig jaar geleden.

    Vertaling

    Visioen van de wereld is vertaald door Else Hoog en Jan Fastenau. Fastenau vertaalde de verhalen die nog niet eerder in het Nederlands waren verschenen. Het zijn vloeiende vertalingen. Als je het origineel ernaast legt zie je dat zeker de dialogen doorgaans sprankeling behouden. Je ziet soms ook de worsteling terug. De landman is lastig met de inhoud van het verhaal te rijmen, tot je de Engelse titel ziet: The country husband. Het is het langste verhaal in de bundel, en raakt de kern van Cheevers obsessies. Een man, Francis Weed, komt thuis van een vliegtuigongeluk, maar niemand in het gezin heeft veel interesse in wat hem is overkomen. Is er überhaupt wel iemand in hem geïnteresseerd? Het is de opmaat om het geluk buiten de deur te gaan zoeken. Weeds verborgen verliefdheid pakt rampzalig uit voor de jongen die op hetzelfde meisje verliefd is. Aan het slot breekt Weed, in de jaren vijftig vindt catharsis niet meer plaats bij de pastoor of de dominee, maar bij de dokter en de psychiater. Hij krijgt het advies aan houtbewerking te gaan doen. Weed heet opeens Wood, maar dat blijkt een foutje in de vertaling. Helaas – want het lijkt erop dat de personages zich alleen aan hun eigen ongeluk kunnen ontworstelen als ze zich radicaal van alle banden durven los te maken, waarbij het aannemen van een andere naam aanzienlijk zou helpen. Natuurlijk lukt het hun nooit, zoals het Cheever zelf ook nooit is gelukt.

     

  • Luchtig verhaal over hedendaags progressief Amerika

    Luchtig verhaal over hedendaags progressief Amerika

    Het is de week na de presidentsverkiezingen van 2016 en gastvrouw Eva Lindquist uit Schuilen in stijl van David Leavitt kan de naam Trump al niet meer horen. Om te vluchten voor haar republikeinse buurman en voor de aankomende fascistische staat die ze al voor zich ziet komt ze met het plan om naar Venetië te verhuizen. Terwijl Eva bezig is met de aankoop van een huis in Venetië ontvouwt zich tussen haar vrienden en man Bruce een verhaal dat licht werpt op de linkse elite. Waarin Leavitt soms vervaarlijk zwalkt tussen spot en melodrama.

    Eva en Bruce zijn typische vertegenwoordigers van de linkse elite. Ze hebben veel geld, meerdere vakantiehuizen, progressieve meningen en drinken witte wijn. Eva laat een altijd roulerende poule van jonge homomannen koken voor haar diners. Zij speelt de rol van veeleisende gastvrouw en nodigt een wijde trits aan mensen uit met een vage connectie met de kunsten. Ze is snobistisch, oppervlakkig en houdt zich erg bezig met de tafelmanieren en juiste onderwerpen van haar gasten. Bruce is een goedzak die er nauwelijks meningen op na houdt over wat zijn vrouw doet, of zoals hij het zelf zegt: ‘Zij is van het willen hebben, ik ben van het betalen.’ Als vermogensbeheeradviseur is hij niet zo blij met de in zijn ogen riskante aankoop van zijn vrouw. 

    Eva’s vlucht lijkt voornamelijk ingegeven door een soort panische angst. Buurman Alec zegt daarover spottend tegen Bruce: ‘Als je het mij vraagt is dat de reden waarom het nooit wat wordt met jullie, progressieve types. Jullie zijn altijd bang.’ De vrienden van Eva doen angstvallig hun best niet op haar tenen te trappen, al delen ze haar angst niet. Ze voeren veel gesprekken waarin verschillende vraagstukken worden aangesneden, van Me-too problematiek tot de kloof tussen arm en rijk. Leavitt doet hierdoor een poging bij actuele thema’s aan te haken, maar het blijft allemaal een beetje te braaf. 

    Luxeproblemen

    De schrijver bewandelt veel zijpaden in het boek. Er is een secretaresse met kanker, die Bruce financieel probeert bij te staan. Er is het verhaal van Jake, de architect die Eva voor het huis in Venetië wil, die eigenlijk niet terug wil naar Venetië vanwege zijn verleden. Min, de vriendin van Eva, heeft ondertussen haar eigen plan en probeert Eva’s verhaal aan een tijdschrift te verkopen. Deze karakters komen allemaal even kort aan het woord, maar niet lang genoeg om ze echt te leren kennen. We kijken vooral door de ogen van Bruce, die zich in het begin lijkt te verzetten tegen Eva’s beslissing. In een gesprek met Jake noemt Bruce dit ‘een kostbare opwelling uit ongenoegen.’

    Net zoals de meeste discussies met Eva lopen de meeste zijverhalen met een sisser af. Alleen de zwarte Calvin die voor Eva kookt wordt heel even boos op haar, omdat zij zich luxeproblemen kan veroorloven. Voor de rest blijft het verhaal redelijk aan de oppervlakte, dingen worden onder het tapijt geveegd of uitgepraat en daarna is alles ogenschijnlijk goed. Tot een echte ruzie met de republikeinse buurman komt het ook niet, Bruce laat zelfs gezellig samen met hem de honden uit. De enige echt onaangepaste figuur is de ontslagen redacteur Aaron Weisenstein die ongegeneerd zijn meningen ventileert en het met Eva oneens durft te zijn. Hij loopt constant te schelden op andere schrijvers en vergalt de boel bij een boekpresentatie van Lydia Davis. In een gesprek daarover hekelt Aaron de progressieve mensen die schrijvers als Davis klakkeloos goed vinden omdat ze denken dat dat hoort. 

    Een groot deel van het boek bestaat uit dialogen, de humor is onderkoeld en subtiel. Dit maakt het niet een echte komedie, en het is net niet scherp genoeg voor een satire. Dat neemt niet weg dat er oprecht grappige scènes zijn en dat Leavitt soms scherp uit de hoek kan komen. Bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe de kinderen van de op Trump stemmende buurman om die reden geen contact meer met hem willen. De elementen voor een goed verhaal zijn aanwezig, maar het lijkt alsof Leavitt in de uitwerking een paar steken laat vallen. Het blijft allemaal net iets te luchtig en er zijn geen echte consequenties voor de karakters. Alleen Bruce maakt een betekenisvolle ontwikkeling door. 

    Stad van illusies

    De aankoop van het huis in Venetië kabbelt ondertussen op de achtergrond door als een soort running gag en wordt telkens gecompliceerder. Jake weigert in eerste instantie in te gaan op het aanbod van Eva om het huis in te richten, waar hij zo zijn redenen voor heeft. In een van de mooiste passages in het boek wijst Jake op het fundament van Venetië. Het is een stad van illusies zegt hij, men doet alsof ze altijd zal bestaan maar in de toekomst is het bijna zeker dat ze door de zee zal worden verzwolgen. Net als Eva’s hysterische vlucht rust het fundament van de stad op onzekerheid. Het verhaal van Jake, en zijn verleden in Venetië is een van de weinige keren dat Leavitt weet te ontroeren. 

    Leavitt zelf zegt het nog het beste: ‘”Dit gesprek brengt ons geen steek verder”, zegt Min. ”Integendeel, het brengt ons wel degelijk verder” zegt Bruce, ”alleen niet naar een plek waar we heen willen.”‘ Zo is dit verhaal ook niet wat het lijkt en komt het uiteindelijk uit op een hele andere plek dan verwacht. Tijdens een diner stelt iemand de aanwezigen de vraag wat thuis nu werkelijk voor hen betekent. Dit blijkt een nogal confronterende vraag en leidt tot een interessante discussie over privileges. Het soort privilege wat ertoe leidt dat Eva in Venetië lekker onbezorgd kan dineren. Calvin stelt daarover: ‘Alleen omdat jij je kunt veroorloven over dit soort dingen te filosoferen denk je dat iedereen dat kan. Terwijl de waarheid is dat de meeste mensen dat niet kunnen. Wij, de meeste mensen op deze planeet, voelen ons nooit veilig en we voelen ons nooit vrij. We voelen ons alleen maar bang.’

    Terwijl Eva obsessief met de inrichting van haar nieuwe huis bezig is ontgaat het haar dat er belangrijkere zaken zijn dan het meubilair. Iedereen, zelfs Bruce, lijkt dan ook opgelucht als ze eindelijk vertrokken is naar Venetië. Met haar afwezigheid komt er lucht voor nieuwe ideeën en lijkt ook Bruce zijn kans te grijpen. Het verhaal laat je uiteindelijk met een onbevredigend gevoel achter, al is het einde best verrassend. De politiek lijkt een ondergeschikt gegeven te zijn, wat gek is voor een verhaal dat door moet gaan voor een politieke satire. Ook helpt het niet dat bijna alle personages in het boek onsympathiek zijn of onbegrijpelijke motieven hebben, zoals Eva. Leavitt probeert grappig te zijn en politiek commentaar te leveren maar hij slaat helaas de plank mis.

     

  • Oogst week 19 – 2021

    Schuilen in stijl

    David Leavitt (1961), schrijver van romans en korte verhalen en enkele non-fictie boeken, tevens docent creatief schrijven aan de Universiteit van Florida, schetst in zijn nieuwe roman Schuilen in stijl met levendige pen een komisch beeld van de tijd direct na de Trump-verkiezing en van verlangens naar macht, liefde en vrijheid.

    Het is 2016. Een groep vrienden zit in de tuin van een luxueus huis bijeen en wacht op de scones die uit de keuken moeten komen. Donald Trump is pas verkozen als president. Gastvrouw Eva, bekend om haar royale ontvangsten en liefde voor het decoreren van haar huis, vraagt de gasten wie aan Siri durft te vragen hoe Trump vermoord kan worden. Want de politieke ontwikkelingen brengen onrust en de veiligheid en vrijheid uit het milieu van ‘welgestelde progressieve New Yorkers’ worden bedreigd. Tijdens een reis naar Italië haalt Eva haar man Bruce over om een vervallen appartement in Venetië te kopen, waarmee ze onbewust aan aantal gebeurtenissen in gang zet waarover ze geen controle meer heeft. Met de Italiaanse mogelijkheid om aan de Amerikaanse politieke sfeer te ontsnappen stapt Bruce uit zijn comfort-zone, recht in allerlei onaangename ontwikkelingen. En dan volgt er ook nog een totaal onverwachte liefdesaffaire.

     

    Schuilen in stijl
    Auteur: Leavitt David
    Uitgeverij: De Harmonie

    DODE MEISJES

    Door de coronacrisis is het geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd toegenomen, meldden de Verenigde Naties vorig jaar. Volgens het online magazine One World sterft in Nederland elke tien dagen een vrouw door huiselijk geweld, waarmee we het slechter doen dan de zogenaamde macholanden. En De Groene Amsterdammer berichtte in maart jongstleden dat vrouwen in de politiek hatelijke en agressieve tweets ontvangen over hun stem, lichaam, religie of huidskleur. Misogynie en frustraties van (meestal) mannen komen steeds vaker naar buiten. Femicide (of feminicide) is een woord dat wereldwijd ingeburgerd begint te raken. Ook de Argentijnse schrijfster en intellectueel Selva Almada (1973) gebruikt het in haar boek Dode meisjes. Het verscheen in 2014, het jaar waarin in Argentinië tientallen vrouwen werden vermoord. Die lijst heeft Almada opgenomen in haar boek dat nu in een Nederlandse vertaling is uitgebracht door Uitgeverij Vleugels. Centraal staan drie ongestraft gebleven vrouwenmoorden uit de jaren tachtig die plaatsvonden in het Argentijnse binnenland. Op realistische en tegelijkertijd poëtische wijze combineert Almada de onderzochte feiten van de moorden en het dagelijks geweld tegen vrouwen met persoonlijke teksten en verhalende fragmenten.

    DODE MEISJES
    Auteur: Almada, S.

    Tot het water stijgt

    Op Guadeloupe wordt de Malinese arts Babakar geroepen bij een overledene en een pasgeboren baby. De bij de bevalling overleden vrouw  was een Haïtiaanse vluchtelinge. Wie moet er nu voor het kind zorgen? Babakar besluit haar mee te nemen, want ‘zijn kind, waar hij tevergeefs naar had gezocht, werd hem hiermee teruggegeven,’ zo weet hij zeker. De ook bij het overlijden geroepen directeur van de gemeenteschool ziet dat anders. ”We zijn hier niet… in Darfur!’ protesteerde de ander beledigd, alsof de kwestie zijn eer aantastte. ‘We zijn op Guadeloupe. Zo gaan de dingen hier niet! Guadeloupe is net zoiets als Frankrijk. We hebben wetten. Je adopteert een kind niet zomaar. Je doet een aanvraag, je wordt op een lijst gezet, je wacht op je beurt.”
    Babakar vindt dat het kind, dat hij Anaïs heeft genoemd, recht heeft op echte familie en gaat samen met goede vriend Movar naar hen op zoek in het door politieke chaos overheerste Haïti. Onderweg ontmoeten ze de Libanese kok Fouad. Afrika, de Antillen en Haïti komen samen in de onverbrekelijke vriendschap die de drie mannen sluiten.
    Schrijfster, hoogleraar en pleitbezorger van het Panafrikanisme Maryse Condé (1937) won in 2018 na een publiekspeiling de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur, die dat jaar door interne problemen niet werd uitgereikt. Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan.

    Tot het water stijgt
    Auteur: Maryse Condé
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • De suggestie van de fotografie

    De suggestie van de fotografie

    Sommige boeken gaan alle verwachtingen te boven en dit De vele levens van Amory Clay van William Boyd is er zo één. Boyd is in de Engelse taal al lang een gevestigde naam en in Nederlands werd hij voornamelijk bekend als de auteur van Solo (een van de nieuwe delen van de James Bond serie) dat verscheen in 2013. Zijn andere werken die vertaald werden naar het Nederlands kregen niet veel aandacht, waarschijnlijk omdat het thrillers zijn. En eerlijk gezegd, wie op zoek is naar literaire ontroering zal niet snel een boek van een James Bond-auteur uitzoeken. Er is dus niets bijzonders dat hoge verwachtingen schept voor Boyd’s nieuwste boek, maar dit boek zal zelfs een strengere lezer aangenaam verrassen.

    Een echte heldin
    We leren de hoofdpersoon Amory Clay kennen als jong meisje en we maken haar hele leven mee. Met vallen en opstaan ontpopt ze zich tot (oorlogs)fotograaf, mens en als vrouw. Haar personage doet losjes denken aan Martha Gellhorn – de geliefde van Ernst Hemmingway die als oorlogscorrespondente als eerste vrouw op het strand in Normandië aankwam op D-day, door zich voor te doen als één van de medische mankrachten en zo eerder op het strand was dan menig ander journalist. Daarbij is het eerste fascinerende gegeven van dit boek dat Amory spreekt op een manier die ongekend is. Haar stem lijkt uit de 21ste eeuw te komen, terwijl haar verhaal begint in 1908. Niet zoals we gebruikelijk tegenkomen in de verhalen van toen vol met de dramatische of emotionele wanhoop van een vrouw die alleen maar gelukkig getrouwd wil zijn, verzorgd wil worden, maar een vrouw die deel uitmaakt van de echte wereld. Een vrouw die wat wil doen met haar leven en die, als ze te lang comfortabel niets doet, onrustig wordt en die zonder goed na te denken haar gevoel volgt… en zich een paar dagen later in Vietnam bevindt om weer een oorlog vast te leggen. Ook is er Amory Clay, de geliefde, die net zo onbeteugeld en hedendaags echt is. Verschillende mannen roepen passionele gevoelens op die de ruimte krijgen, maar de eigenzinnigheid komt niet in het gedrang. Ze is niet overgevoelig als het aankomt op zaken als affaires of ‘de ware’, ze is geen nymfomaan, ze is gewoon wie ze is.

    Haar karakter en de manier waarop ze door het leven gaat, doet je afvragen hoe de vorige eeuw er uit zou hebben gezien als vrijheden niet bevochten hadden hoeven worden, want Boyds schets is namelijk zonder die hele worsteling. Amory krijgt van hem de kans een volledig mens te zijn in de vorige eeuw, zonder dat het (weer) over de vrijheid voor vrouwen hoeft te gaan. Hij stelt niet de vraag naar ‘wat als…’, hij geeft gewoon het antwoord: waarschijnlijk een stuk interessanter.

    Ook passeert de geschiedenis van de vorige eeuw voor een belangrijk deel de revue. Hetgeen een caleidoscopisch beeld geeft. Dat doet een beetje denken aan De eeuw van mijn vader van Geert Mak, alleen minder accuraat en niet zo volledig of evenwichtig, maar met een Engelse invalshoek en spannender geschreven. Boyd heeft namelijk niet zijn pen als thrillerauteur volledig ingewisseld, terwijl hij wel een volwaardige literaire roman heeft geschreven.

    Geïllustreerd leven
    Opvallend is dat Boyd foto’s van Amory bij het verhaal heeft geplaatst. Maar Amory was toch niet echt? Nee, ze is niet echt, maar het beeldmateriaal werkt wel door: in hoeverre zou ze echt kunnen zijn? Ja, er zijn vrouwen geweest als Amelia Earhart en de al eerder genoemde Martha Gellhorn, en daarmee gerustgesteld is er ruimte voor de volgende vraag: waarom lijkt het verhaal zoveel meer waarachtig door een paar foto’s? Alle woorden ten spijt, is het beeld sterker? Het is een prikkelende gedachte die dit boek oproept. Soms steekt die de kop op, als Amory haar ideeën over fotografie vertelt of wanneer zo’n interessante prent door Boyd een plaats in het verhaal heeft gekregen.

    Een foto is een momentopname, een verhaal dat niet woordelijk verteld wordt, maar dat de lezer aangereikt krijgt om zelf in te vullen. Boyd heeft een verhaal geschreven bij deze foto’s en niet de prenten bij zijn verhaal gezocht, zo voelt het. Het geheel bestaat uit allemaal kleine verhalen, die benadrukken hoe een leven bestaat uit momenten. Elke keer leren we Amory weer een beetje beter kennen, ze maakt dingen mee, verandert, en wordt ervaren – ze wordt wie ze is en ze is wie ze wordt. Dat klinkt misschien verwarrend, maar is intrigerend en ronduit prachtig.

     

  • Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    In de markante verhalenbundel uit 1926 De rijke jongen van F. Scott Fitzgerald passeren tijdloze thema’s de revue in een taalkundig gezien, soms wat verouderd jasje. Ook is het taalgebruik hier en daar wat koloniaal van toon. Dat is terug te zien in woorden als ‘negers’, ‘roetzwarte potige neger’, ‘miniatuurmulat’.
    Fitzgerald schrijft over thema’s als volwassen worden, het bereiken van ‘The American Dream’ en het aangaan van relaties. Maar ook de schaduwzijde van het bestaan komt aan bod in de verschillende verhalen. Zoals het verbreken van relaties, eenzaamheid, verlies en alcoholisme. Dit alles wordt met humor en op een enigszins luchtige en soms spottende manier beschreven.

    In ‘Winterdromen’ droomt Dexter over rijkdom en het hoogst bereikbare. Als 14-jarige caddie ontmoet hij het meisje Miss Jones op de golfbaan samen met haar kindermeisje. Jaren later wanneer hij inmiddels een redelijk succesvol zakenman is met een eigen wasserij, ontmoet hij Miss Jones weer. Ze geniet van het goede leven op Sherry Island een golfresort.
    Positief benadrukt wordt de tegenstelling tussen de selfmade-man Dexter, die zich op eigen kracht opwerkt en de rijkeluisjongens die onverantwoordelijk omgaan met hun erfenissen en aandelen. ‘Om hem heen leurden rijkeluiszonen op een riskante manier met obligaties of investeerden ze op een riskante manier erfenissen of ploeterden ze door de 24 delen van de George Washington Commercial Course, maar Dexter leende duizend dollar op basis van zijn universitaire graad en zijn zelfverzekerde praat en kocht zich in in een wasserij.’

    Ook in ‘Kapers op de kust’ staat de rijkere klasse centraal in de vorm van de verwende en arrogante Ardita. Dit meisje brengt haar dag lui, zonnend door op het dek van de boot van haar oom. Ze wil weglopen met een verkeerde man. Haar familie wil graag dat ze Toby Moreland ontmoet, een jongen uit een gegoede familie. Dan wordt de boot gekaapt door een ‘blanke’ jongen die samen met een groepje donkere, zingende mannen, aan komt roeien. De ironie van dit verhaal is dat het doel van Ardita, namelijk ontsnappen aan het eigen leefmilieu, totaal mislukt.  Dit omdat ze uiteindelijk toch blijft hangen in haar eigen milieu.

    Tegenover deze ‘jeugdige’, redelijk lichtvoetige verhalen, staan de zwaardere verhalen als ‘De rijke jongen’ en ‘Terug naar Babylon’. In ‘De rijke jongen’ staat de gegoede, superieure Anson centraal. ‘Anson accepteerde zonder reserve de wereld van de top van het geldwezen en de extravagantie, van scheiding en verkwisting, van snobisme en privilege. Voor de meesten van ons eindigt het leven als een compromis – zijn leven begón als een compromis.’
    Anson houdt sterk vast aan de normen en waarden uit zijn milieu. Dan wordt hij verliefd op Paula Legrende, en gaat een relatie aan op haar voorwaarden. In het begin minacht hij haar ‘emotionele simplisme’. Maar als de verliefdheid liefde wordt en diepgang brengt, besluiten ze te trouwen.
    Het verhaal kent grote tegenstellingen. Enerzijds heeft Anson een vaderlijke en begripvolle houding ten opzichte van anderen, anderzijds is er zijn grofheid en grillige en ongevoelige gedrag. Maar voor plezier is altijd ruimte. Ansons alcoholmisbruik doet de relatie tussen hem en Paula de das om.

    In ‘Terugkeer naar Babylon’ hoopt Charlie op de hereniging met zijn 9-jarige dochter Honoria in Parijs. Echter zijn schoonzus en zwager zien hier geen heil in. In het verhaal van Fitzgerald kunnen de personages geen begrip meer voor elkaar opbrengen door wederzijdse boosheid en teleurstelling.

    Scott Fitzgerald beschrijft met een scherpe blik voor de menselijke verhoudingen de lotgevallen van zijn personages. Dit alles met enige ironie en een flinke knipoog naar de leefwereld van de rijke klasse in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het levert een boeiende en veelzijdige verhalenbundel op.
    De rijke jongen

    F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Jan Donkers en Jan Fastenau
    Samengesteld door: Ernest van der Kwast
    Uitgeverij Podium
    Pagina’s: 256
    Prijs: € 18,50

     

  • Raamwerk van verbondenheid

    Raamwerk van verbondenheid

    Alles en iedereen is met elkaar verbonden in deze tweede roman van Simon van Booy. Van Booy (1975), opgegroeid in Wales en nu wonend in New York, schreef eerder twee verhalenbundels. In De illusie van alleenzijn – het eerste boek van hem dat in het Nederlands werd vertaald – slaagt hij erin de kracht van beide genres samen te brengen. De verhalen van zes verschillende personages, uit verschillende tijden en werelddelen, smelten op subtiele wijze samen tot een ontroerende roman.

    De Amerikaanse soldaat John Bray die in 1944 met zijn B-24 bommenwerper uit de lucht wordt geschoten boven Frans grondgebied. De blinde jonge museumcurator Amelia die voor het MoMa in New York tentoonstellingen ‘voelbaar’ maakt voor blinden. Een schooljongen die een foto van een vrouw vindt in het geraamte van een neergestort vliegtuig. Meneer Hugo met zijn mismaakte gezicht en een onbekend verleden, maar waarvan flarden bovenkomen tijdens zijn nachtmerries. De bejaardenverzorger Martin die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Parijs werd geadopteerd door een bakker en zijn vrouw. Het eenzame buurjongetje Danny uit Manchester dat het schopt tot succesvolle Hollywoord-regisseur.

    Het fundament van deze roman is een gebeurtenis tijdens de Tweede Wereloorlog. De neergeschoten Amerikaanse piloot John bereikt tijdens zijn overlevingstocht over het Franse land een veld vol met lijken van Duitse soldaten. John gaat liggen en doet alsof hij dood is. Maar er blijkt nog iemand te leven: een Duitse soldaat die hij onder schot zet. Na enkele uren trekt John het pistool uit de mond van de vijandelijke soldaat. De twee soldaten delen een maaltijd en lopen in tegengestelde richting weg.

    Alle andere personages blijken met deze twee soldaten verbonden te zijn. Opvallend is dat geen van deze personages de status van hoofdpersoon heeft. Iedereen is gelijk, iedereen is net zoveel waard. Van Booy laat zien dat er geen hoofdpersonen in het leven bestaan.
    De personages hebben veel weg van elkaar, ondanks dat ze van verschillende generaties zijn en heel verschillende achtergronden hebben. Ze zijn allemaal gevoelig, eenzaam, en op zoek naar iets (een verleden) of iemand (een vader, een geliefde). Ze denken allemaal na over het leven, over de dood, over liefde en over angst. Het is niet zo dat Van Booy zich beperkt tot een bepaald type karakters. Hij laat daarentegen zien dat alle mensen op de eenzame momenten in essentie op elkaar lijken.

    De illusie van alleenzijn is gebouwd op een raamwerk van verbondenheid. Niet alleen de personages zijn op alle mogelijke manieren met elkaar verbonden. Ook één fysieke plek is verbonden met alle eerdere geschiedenissen: ‘Het tapijt in de kantine waar de oude man stierf was ooit een ondiep woud’. Zelfs de lezer heeft een directe link met het verhaal als meneer Hugo denkt: ‘Maar kijk, hier ben ik, tussen deze pagina en jouw ogen. Deel van andermans geschiedenis’.

    Door die verbondenheid kunnen kleine gebaren grote gevolgen hebben. ‘Toeval’ noemen we die situaties in het dagelijks leven. Ook al komen in de werkelijkheid soms de onwaarschijnlijkste toevalligheden voor, in fictie kunnen die een verhaal juist ongeloofwaardig maken.
    Van Booy balanceert op het randje, maar hij komt ermee weg. Hoe? Enerzijds door die verbondenheid tot motto te maken van zijn roman. Anderzijds door niet iedere toevalligheid te benadrukken, aan te wijzen of uit te leggen. Maar vooral door zijn poëtische, melancholische, spaarzame stijl van schrijven.

    Van Booy maakt mooie observaties. Als hij schrijft ‘De schoolgang ruikt naar melk en jassen’ loop je zelf weer als klein kind door de school. De verhouding tussen de bejaarden in een verzorgingstehuis typeert hij met de woorden: ‘De frequentie waarmee een bewoner gasten ontvangt is een maatstaf voor zijn status’. En een verhuizing is ‘Een stoet van stoelen, bedden en dozen.’
    Soms geeft hij een expliciete levenswijsheid via een personage mee, zoals Martin die denkt: ‘dat wat mensen aanzien voor hun leven alleen maar de omstandigheden ervan zijn’. Of Amelia: ‘Elke dag is een meesterwerk, ook al word je erdoor vermorzeld’.

    In deze roman is veel leed. Van de grote gruwelen uit de Tweede Wereldoorlog tot de tirannie op school ervaren door een kind. Maar de mooie taal van Van Booy maakt de zwarte kanten van het leven behapbaar. En hij brengt die in verband met de eigen angsten waar ieder mens mee moet leven. ‘Volgens mij zouden de mensen gelukkiger zijn als ze vaker dingen aan elkaar bekenden. In zekere zin zitten we allemaal gevangen in een of andere herinnering, of in angst of teleurstelling; we worden allemaal getekend door iets wat we niet kunnen veranderen’.

    Iedereen staat er alleen voor, maar juist dáárin schuilt de verbondenheid. Deze roman laat zien dat in de aanvaarding van de moeilijkheden van het leven, juist troost, hoop en verwachting gehaald kunnen worden.
    Als meneer Hugo zijn buurjongen leert lezen en schrijven probeert hij aan de jongen ook over te brengen ‘dat er vaak iets verandert in het leven van mensen door gebogen lijnen die langzaam van papier, zand of steen worden gelezen’. Het zou zomaar eens kunnen dat Van Booy daarin slaagt met deze roman.

  • Recensie: De dwaaltuin – Adam Foulds

    Recensie door: Ella-Milou Quist

    Adam Foulds is naast schrijver ook dichter. In 2007 debuteerde hij met zijn geprezen boek Hoe het werkelijk is gegaan. Hij won maar liefst twee awards, waarvan één de Sunday Times Young Writer of the Year Award. Zijn tweede boek, De dwaaltuin, leverde hem een nominatie op voor de Man Booker Prize 2009.

    Voor De dwaaltuin raadpleegde de Britse schrijver verschillende publicaties om zijn historische roman voor een deel te kunnen baseren op waar gebeurde verhalen en personages die echt bestaan hebben. Het verhaal speelt zich af in een 19e eeuwse psychiatrische inrichting in Engeland. De inrichting wordt gerund door dokter Allen die samen met zijn gezin op het terrein woont.
    Naast het bieden van zorg, ontwikkelt de vooruitstrevende dokter voor de bezigheidstherapie van zijn patiënten ook een houtdraaimachine. Verschillende mensen investeren in het project. Zo ook de beroemde dichter Alfred Tennyson die op het terrein verblijft om tijd met zijn depressieve broer door te brengen. Eén van Allens dochters, Hannah, heeft zo’n afkeer van de inrichting dat ze driftig op zoek is naar een geschikte man om mee te trouwen zodat ze weg kan van die plek. Ze probeert Tennyson voor zich te winnen. Tennyson is niet de enige dichter in het oord, ook John Clare, die overigens wel een patiënt is, is een dichter. Hij draaide door na het verlies van zijn geliefde en leidt sindsdien aan schizofrenie. ’s Nachts ontsnapt hij om zich bij een groep rondzwervende zigeuners te voegen in het omliggende bos. Foulds beschrijft zeven seizoenen lang de naargeestige omgeving waarin deze twee dichters zich bevinden.

    Het boek is zoals de titel beschrijft, een dwaaltuin. Letterlijk omdat de inrichting een gemeenschap apart is en omringd wordt door een bos en figuurlijk omdat Foulds vooral in het begin van het boek een wirwar aan karakters beschrijft. Hij schiet van het ene personage naar het andere, zonder daarbij een naam te noemen. Je raakt soms werkelijk verdwaald en weet niet meer welke karakterbeschrijving nu bij welk personage hoort. Het is lastig bij te benen. Het ene moment zit je in de wereld van een normaal persoon (de dokter, één van de gezinsleden of Tennyson) en het volgende moment bevind je je in het hoofd van een krankzinnige. Er lijkt geen lijn in te zitten, er is geen vaste volgorde waarin de personages ten tonele verschijnen. Dit maakt het des te lastiger om te lezen. Toch begin je ergens halverwege het verhaal te begrijpen welke gedachtengang bij welk personage hoort. Pas dan wordt het ook echt interessant om te lezen omdat het dan duidelijk is hoe goed Foulds de verschillende karakters eigenlijk een eigen ‘stem’ heeft weten te geven. Zeker als je bedenkt dat er nogal wat karakters in de roman voorkomen. Na enkele zinnen weet je dan wél wie er aan het woord is.

    Interessant is ook Foulds’ manier van schrijven. Van oorsprong is hij een dichter en dat is goed te merken. Hij schrijft dit verhaal op net zo’n lyrische en ritmische wijze als een gedicht. De vraag is alleen of je daarvan houdt of niet. Het moet je liggen. Ook lijkt het alsof hij zijn taalgebruik aangepast heeft aan de 19e eeuwse schrijfstijl. De woorden die hij kiest zijn vaak woorden die wij nu niet meer zouden gebruiken. Dit maakt het verhaal soms lastig om te begrijpen omdat het vrij moeilijke woorden zijn. Tevens zorgt de zinsopbouw ervoor dat het een pittig boek is om te lezen. Dit komt vooral door het ouderwetse taalgebruik maar ook door Foulds’ veelvuldig gebruik van komma’s in een zin. Dit laatste kan nog wel eens voor verwarring zorgen omdat je het eigenlijke onderwerp van de zin kwijt kunt raken. Desalniettemin zorgt zijn poëtische en ouderwetse schrijfstijl ervoor dat je je juist dieper in de geest van die tijd waant. Niet voor niets is Foulds door de Britse krant The Telegraph verkozen tot één van de beste twintig Engelse schrijvers onder de veertig jaar.

    Over de spanning in dit verhaal valt te twisten. Vooral in het begin zijn de gebeurtenissen niet heel spectaculair en zijn de gedachten van de personages meer op een beschrijvende manier geschreven, wat het enigszins saai maakt. Je wordt weinig geprikkeld tot nadenken over wat er op de volgende pagina’s staat. Dus het is even doorbijten totdat je op de helft van het boek bent, want dan wordt het verhaal spannender. Dit komt vooral doordat het dan duidelijk is van wie welke gedachtengang is en omdat dit op een intensere manier geschreven is, niet meer zo beschrijvend. Je wordt echt in de gedachten van een persoon gezogen. Daarnaast worden de gebeurtenissen heftiger, wat het een stuk interessanter maakt om te lezen. Ondanks het gebrek aan echte spanning heeft Foulds er een interessant geheel van weten te maken. Hij is een meester in het inleven in karakters en heeft daarbij een heel goede combinatie gevonden tussen het fictieve en het waar gebeurde in dit verhaal. Het is een prima boek als je houdt van geschiedenis, poëzie en dwalen.

    De dwaaltuin

    Auteur: Adam Foulds
    Vertaald door: Jan Fastenau
    Verschenen bij: Uitgeverij Ailantus (2011)
    Prijs: €18,95