• Levensecht en eigentijds

    Levensecht en eigentijds

    Sally Rooney is inmiddels een naam die niet meer weg te denken is uit de internationale literatuur. Sinds haar debuut Conversations with Friends en het megasucces van Normal People wordt ze overal ter wereld gelezen, besproken en soms ook verguisd. Ze wordt de stem van haar generatie genoemd, een auteur die de twijfels en verlangens van jonge volwassenen weet te vangen in glashelder proza. Maar met haar vierde roman, Intermezzo, gooit Rooney het over een andere boeg. Het boek voelt ambitieuzer, donkerder en stilistisch uitdagender dan wat we van haar gewend zijn.

    Rouwverwerking

    De roman draait rond twee broers in Dublin. Peter, 32, is een briljante, maar zelfdestructieve advocaat die mensenrechtenzaken pleit, maar intussen zijn eigen leven nauwelijks op de rails krijgt. Zijn tien jaar jongere broer Ivan is een voormalig schaaktalent dat zich opnieuw op het spel stort, terwijl hij een geheime relatie aangaat met Margaret, een vrouw van zesendertig uit Leitrim. Ook Peter worstelt met ingewikkelde liefdes. Enerzijds blijft hij emotioneel verstrikt in zijn ex Sylvia, die na een zwaar ongeluk een seksuele relatie niet meer ziet zitten. Anderzijds begint hij tegelijk iets met Naomi, een veel jongere studente die geld verdient met expliciete foto’s online. Over al deze relaties hangt de schaduw van het verlies van hun vader, dat de broers ieder op hun eigen manier proberen te verwerken.

    Geslaagd vertelexperiment

    Rooney kiest voor een opvallend vertelexperiment. In plaats van haar kenmerkende sobere stijl en strakke dialogen, krijgen we drie heel verschillende stemmen. Peters passages zijn fragmentarisch, soms haast staccato: korte, afgebroken zinnen die de chaos in zijn hoofd perfect weerspiegelen, een soort van stream-of-consciousness. Ivan klinkt luchtiger, met droge humor en een zekere lichtheid die past bij een jonger iemand die nog zoekend is. En dan is er nog Margaret, die traag en bedachtzaam spreekt, als een soort tegengewicht voor de onrust van de broers. Bovendien gebruikt Rooney geen  aanhalingstekens, waardoor dialogen en gedachten in elkaar overlopen. Dat maakt het lezen intens, maar soms ook moeilijker en verwarrend. Het is geen roman die je zomaar even gedachteloos kunt weglezen; hij vraagt concentratie en geduld. Toch is die vorm geen spielerei, maar inhoudelijk doordacht. Peters fragmentarische stijl laat voelen hoe hij de controle over zijn leven verliest. Ivan, jonger en nog kneedbaar, klinkt toegankelijker, bijna uitnodigend. Margaret brengt dan weer balans en reflectie. Zo wordt Intermezzo niet alleen een verhaal over rouw en liefde, maar ook een oefening in perspectief: wie kijkt, wie spreekt, en hoe kleurt taal onze beleving van verdriet?

    Kleinmenselijke thema’s

    De thematiek is herkenbaar voor wie eerder werk van Rooney las: relaties, macht, intimiteit, onzekerheid. Maar in Intermezzo komt daar een duidelijke laag van rouw en familiebanden bij. Hoe gaan twee heel verschillende mensen om met hetzelfde verlies? Hoe houd je elkaar vast als broers, wanneer je elk je eigen copingmechanisme hebt? Rooney schrijft daarover zonder pathetiek, maar met een melancholische scherpte die ontroert. De broers lijken elkaar soms te verliezen in hun verdriet, maar er is altijd dat onderhuidse besef van verbondenheid. Ook de liefdesverhalen zijn typisch Rooney: ongemakkelijk, gelaagd, vol spanning. Het leeftijdsverschil tussen Ivan en Margaret roept vragen op over macht en wederkerigheid. Peter laveert tussen de volwassen Sylvia en de jonge Naomi, en juist die driehoek legt bloot hoe verlangen vaak ook met controle en kwetsbaarheid te maken heeft. Rooney veroordeelt niet, maar legt bloot. Ze schrijft over mensen zoals ze zijn: tegenstrijdig, soms egoïstisch, vaak onzeker, altijd zoekend. Dat is ook meteen de kracht van de roman. Rooney maakt haar personages geloofwaardig door hun tekortkomingen. Peter kan briljant pleiten in de rechtszaal, maar faalt in zijn privéleven. Ivan is charmant en intelligent, maar ook onzettend naïef. Margaret is tegelijk liefdevol en afstandelijk. Die ambiguïteit maakt dat je als lezer voortdurend heen en weer geslingerd wordt: je begrijpt hun keuzes, maar je fronst er ook de wenkbrauwen bij.

    Valkuilen

    Waar sterktes zijn, zijn ook valkuilen. Niet iedereen zal gecharmeerd zijn van de experimentele stijl. De fragmenten van Peter kunnen vermoeiend worden, en het ontbreken van duidelijke dialoogmarkeringen leidt soms tot frustratie. Ook de keuze om vooral vanuit mannelijke perspectieven te schrijven, waarbij vrouwen soms vooral dienen als spiegels of katalysatoren, is een punt van kritiek dat al vaker naar voren kwam. Bovendien klinkt het bredere maatschappelijke engagement dat haar eerdere werk typeerde hier minder luid. Rooney’s personages lijken zich vooral in hun eigen universum te bewegen, ver weg van de grote politieke vraagstukken.

    Toch is Intermezzo in veel opzichten Rooney’s meest geslaagde roman tot nu toe. Ze durft meer risico’s te nemen, zowel stilistisch als thematisch. Het resultaat is een boek dat niet iedereen zal bevallen, maar dat wel blijft hangen. Het is literatuur die traag binnendringt, die je dwingt stil te staan bij hoe mensen omgaan met verlies en liefde, bij hoe broers elkaar kunnen kwijtraken en terugvinden, bij hoe intieme relaties altijd balanceren tussen macht en overgave.

    Wie op zoek is naar een lichtvoetige pageturner, zal teleurgesteld zijn. Intermezzo vraagt inspanning en aandacht. Maar wie zich eraan overgeeft, ontdekt een rijk, gelaagd verhaal dat je niet zomaar loslaat. Rooney toont zich hier niet alleen als de chroniqueur van een generatie, maar als een auteur die blijft groeien, die durft te experimenteren en die diep onder de huid van haar personages kruipt.

     

     

  • Als een lichtflits op het water

    Als een lichtflits op het water

    Walvistij, de debuutroman van de Engelse auteur Elizabeth O’Conner, speelt zich af in 1938. Manod is een slimme, jonge vrouw die met haar vader en zusje op een eilandje voor de kust van Zuid-Wales woont. Ze heeft op school meer opgestoken dan de meeste andere eilanders. Als één van de weinigen spreekt ze Engels en fantaseert ze over een studie op het vasteland. Een droom waarin weinigen haar steunen. Zelfs haar vader niet.
    Manod is achttien jaar en net van school af als ze er alleen voorstaat en niet zo goed weet hoe het verder moet. ‘Ik wist dat de meeste meisjes aan hun moeder vroegen wat ze moesten gaan doen als ze van school af waren, wat ze met mannen moesten doen, maar ik had geen moeder om dat aan te vragen. Bij elke beslissing die ik nam had ik het gevoel dat ik een vis probeerde te vangen die pas bestond als ik hem gevangen had.’

    Als twee antropologen van het vasteland het eiland aandoen om de plaatselijke gebruiken te onderzoeken, lijkt het tij te keren. Manod gaat voor ze werken. Ze vertaalt liedjes, tolkt bij gesprekken en geeft uitleg over de gebruiken en legendes van het eiland. Als de vriendschap tussen Manod en Joan en Edward lijkt te groeien, denkt en praat ze er steeds openlijker over om het eiland te verlaten en te gaan studeren. Maar net als de walvissen uit een oude eilandlegende lijkt ook haar hoop op een ander leven sneller dan snel uit beeld te verdwijnen. 

    Walvislegendes en botsende waarden

    In de oude eilandlegendes verbeelden walvissen verdronken dochters die voor even zijn teruggekeerd, verloren dochters ‘die soms aan de oppervlakte kwamen, maar altijd weer in de diepte verdwenen’. Dus toen er een walvis aanspoelde op het eiland was dat tegelijkertijd de thuiskomst van een vertrouwd familielid én een nakend verlies. Een verlies dat de walvis ook Manod zou laten voelen, alhoewel het bij haar niet het verlies van een dochter betrof, maar van haar moeder.

    Voordat dat verlies zich echter aandient schetst O’Conner een schril contrast tussen botsende waarden. Een contrast dat teruggaat op de werkelijkheid. Want alhoewel Walvistij zich op een fictief eiland afspeelt, zijn de gebeurtenissen die O’Conner beschrijft gebaseerd op de recente geschiedenis van kleine Brits-Ierse eilanden, waar leegloop regel was en waar vastelanders veelal karikaturaal over dachten.

    Zo ook Joan en Edward. Ondanks hun gewichtig aandoend onderzoek, vinden zij het eiland vooral amusant en charmant. Het gaat hun niet zozeer om hoe het echte eilandleven is, maar om hun eigen idee erover. Zo vragen ze een visser bijvoorbeeld om het water in te gaan terwijl geen eilander dat ooit zou doen. Niemand op het eiland kan immers zwemmen. Het is één van de vele beelden die verraden dat de antropologen en bewoners een totaal verschillende blik op het leven op het eiland hebben. Manod realiseert zich dat ook ‘met een steek in haar borst’ als ze de studie-aantekeningen leest. Ze herkent de eilanders niet waarover Joan schrijft.  

    Gestrande walvis

    Het verschil tussen het Engelse en het eiland-denken komt het meest pregnant naar voren in de omgang met de gestrande walvis. Waar eilanders de walvis bij de eerste tekenen van verrotting als een overleden familielid met bloemen sieren en vereren, hebben vastelanders het vooral over de gebruikswaarde. En terwijl de Engelsen olie en blubber van de rottende walvis als brandstof afvoeren, en organen en huid als hondenvoer en kunstmest, ontfermen de eilanders zich liefdevol over het achtergelaten skelet. Die stoffelijke resten van de walvis bieden de eilanders troost. Zo ook Manod, die terwijl haar hart bloedt, in de schedel van de walvis een herinnering aan vroeger vindt. En er vertrouwen uit put voor de toekomst.

    Walvistij is een knap gestileerd boek over een zoekende maar zelfbewuste jonge vrouw. De beknopte stijl verraadt O’Conner’s ervaring met het korte verhaal, waar ze er al vele van schreef. Ze won er in 2020 de White Review Short Story Prize mee. Walvistij is haar debuutroman, waarmee ze laat zien ook het langere verhaal aan te kunnen. Een verhaal waarin Manod weliswaar de hoofdpersoon is, maar de hoofdrol is voorbehouden aan het eiland zelf. Een eiland dat, als alle mensen als walvissen in de diepte zijn verdwenen, pas volledig zichzelf zal zijn, ‘als een lichtflits op het water’.

     

     

  • Oogst week 42 – 2024

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won

    De Britse historicus en schrijver Jonathan Dimbleby (1944) is presentator van radio- en televisieprogramma’s over actuele zaken. Hij begon daarmee in 1969 bij de BBC en schreef mee aan televisieseries die hij zelf presenteerde. Boeken van zijn naam zijn onder meer: The Palestinians (1978), Russia: a journey to the heart of a land and its people (2008), Barbarossa – Hoe Hitler de oorlog verloor (2021).

    Dit jaar verscheen Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won. Dimbleby geeft daarin een nauwgezette analyse van de militaire, politieke en diplomatieke ontwikkelingen in het allesbepalende jaar 1944. Er werd een moordaanslag op Hitler gepleegd, de geallieerden landden op de stranden van Normandië en tegelijkertijd bracht het Rode Leger in Operatie Bagration de Duitse Wehrmacht een verwoestende nederlaag toe, waarbij Wit-Rusland en het oosten van Polen werden heroverd. Nazi-Duitsland werd op de knieën gedwongen. Deze Russische triomf aan het oostfront kenmerkt de geschiedenis van Europa na de oorlog. Churchill en Roosevelt bogen voor Stalin die Oost-Europa binnen zijn invloedssfeer wilde hebben. Dimbleby legt verbanden tussen dit succes en de huidige oorlog van Poetin in Oekraïne.

     

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won
    Auteur: Jonathan Dimbleby
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    De A van Asta

    De Deens Tine Høeg (1985) schreef met De A van Asta niet een roman in de gewone zin van het woord. Ze speelt met woorden. De tekst bestaat uit korte zinnen en regels met een of meer witregels ertussen. Soms bestaat een regel uit één woord, en een of twee zinnen of regels op een bladzijde komen ook voor. Interpunctie ontbreekt vrijwel.

    Asta, de hoofdpersoon en ik-verteller is bezig aan een boek over een Poolse cementkunstenaar. Ze wordt gestoord in het werk en gaat terug naar het verleden als ze een uitnodiging ontvangt voor een herdenkingsdienst voor August, een jongen met wie ze in hetzelfde studentenhuis woonde en die tien jaar eerder is overleden. Mai was destijds al haar beste vriendin en is dat nog steeds. Geregeld past Asta op het zoontje van Mai.

    De roman gaat over het studentenleven van toen, de feestjes en verliefdheden, waarin August een relatie had met Mai. Over wie ze dachten te zijn en wie ze nu zijn. Angsten, herinneringen en ambities komen boven. Op trage wijze laat Høeg het verhaal tot leven komen dat Asta nooit aan Mai heeft durven vertellen. Hoe waren de onstuimige dagen voorafgaand aan Augusts dood, wat gebeurde er werkelijk in de nacht dat hij stierf?

    Het boek werd bewerkt tot een toneeltekst en opgevoerd door het Koninklijk Deens Theater.

    De A van Asta
    Auteur: Tine Høeg
    Uitgeverij: Koppernik

    Intermezzo

    De Ierse schrijfster Sally Rooney (1991) staat bekend als iemand die schrijft over de millennials. Door The Guardian werd ze uitgeroepen tot dè millennialstem en Time rekende haar in 2022 tot de meest invloedrijke mensen ter wereld. Rooney noemt zichzelf een feminist en een marxist, sommige critici spreken vooral dat laatste tegen.

    In haar roman Normale mensen zet ze wat als normaal en niet-normaal wordt gezien tegen elkaar af. Deze roman werd genomineerd voor de Booker Prize en won belangrijke andere prijzen. Er werd ook een televisieserie van gemaakt, net als van Gesprekken met vrienden.

    In Intermezzo, Rooney’s vierde roman, rouwen twee zeer verschillende broers om de dood van hun vader. Peter, een dertiger, is een succesvolle advocaat in Dublin. Hij heeft relaties met twee vrouwen en geen idee hoe hij die moet handlen. Hij lijkt onaantastbaar, maar kan niet zonder slaapmedicatie. De tweeëntwintigjarige Ivan, een professioneel schaker en sociaal onhandige loner, krijgt een relatie met de achttien jaar oudere, net gescheiden Margaret. Hij is niet bepaald dol op zijn broer. ‘Opzettelijk zacht, bijna sissend, zegt Ivan: “God man, wat haat ik jou. Mijn hele leven al.” Zonder zich te verroeren, zonder om zich heen te kijken of andere gasten of de serveersters op hen letten, zegt Peter alleen: “Weet ik.”’ Rooney ontleedt de karakters van de twee broers.

     

    Intermezzo
    Auteur: Sally Rooney
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Oogst week 21 – 2024

    Kafka voor beginners

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Franz Kafka stierf. Hij werd niet ouder dan 40 jaar en publiceerde tijdens zijn leven weinig. Toch worden begrippen als ‘kafkaësk’ en ‘kafkaiaans’ voor situaties waarin een individu wordt vermalen in bureaucratie en instituties, wijd en zijd gebruikt. Dat is vooral te danken aan zijn vriend Max Brod die tegen de wens van de schrijver na zijn dood al zijn geschriften, waaronder zijn drie romans, toch uitgaf. In Nederland is onder andere schrijver-dichter Willem van Toorn een groot ambassadeur voor Kafka. Hij vertaalde al zijn werk. Ter gelegenheid van de herdenking van de sterfdag van de auteur verzorgde hij nu ook twee uitgaven die prachtige inleidingen vormen op het oeuvre en de gedachtewereld van de ‘tovenaar uit Praag’. In Kafka voor beginners geeft hij een beknopt overzicht van zijn leven van zijn vroegste inspiratie tot zijn latere romans, zijn rake beschrijvingen, zijn ziekte en zijn vriendschappen en zijn humor.

    Hoewel velen bij Kafka vooral denken aan de romans ‘Het proces’, ‘Het slot’ en ‘Amerika’ of aan zijn korte verhalen als ‘De gedaanteverwisseling’ en ‘Een hongerkunstenaar’ zijn daarnaast zijn vele brieven indrukwekkend. Ook uit die brieven maakte Van Toorn een selectie in Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. De brieven zijn uit de jaren  1900 tot 1920 en door Van Toorn voorzien van een toelichting.

    Kafka voor beginners
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Athenaeum

    Walvistij

    Walvistij is de debuutroman van de Engelse  Elizabeth O’Connor (geb. 1992), die daarvoor bekend was van haar korte verhalen. De roman speelt zich af in de laatste vier maanden van 1938, kort voor de oorlog dus, op een afgelegen eiland voor de kust van Wales. Er wonen maar twaalf gezinnen, waaronder dat van de 18-jarige Manod, haar zus en haar vader (hoe het zit met de moeder wordt later in de roman duidelijk). Ze is geboren op 20 januari 1920, maar haar geboorteakte vermeldt 30 januari ‘omdat mijn vader niet eerder bij het bevolkingsregister op het vasteland kon zijn’.
    De komst van twee antropologen, Edward en Joan, die de bevolking en de geschiedenis van het eiland willen bestuderen, maakt dat Manod nieuwsgierig wordt naar het vasteland en ze ziet er een kans in om aan de bekrompenheid van haar omgeving te ontsnappen.
    Het verhaal krijgt een onheilspellende wending als een walvis aanspoelt waarvan de bewoners zich niet lijken te kunnen ontdoen:  ‘De walvis strandde ’s nachts op een van de platen voor het eiland. Hij dook op uit het water als een kat die onder een deur door kruipt. Hij werd door niemand opgemerkt, niet door de lichtcirkel van de vuurtoren op het water, niet door de vissers die ’s nachts op hun wijting en tong visten, niet door de boeren die bij zonsopgang hun vee over de heuvel leidden (…) Volgens enkele ouderen was het een teken, hoewel ze het er niet over eens waren of het een goed of slecht teken was. Meneer Jones, de dominee, las bijna elke week de Engelse kranten, maar volgens hem was er niets dat de komst van het dier kon verklaren’.

    Walvistij
    Auteur: Elizabeth O'Connor
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het Dalkey-archief

    De boeken van de Ier Flann O’Brien (1911-1966) worden bevolkt door bizarre figuren en de setting is meestal absurdistisch. In het in 2010 in het Nederlands verschenen Op twee-Vogel-Wad voerde O’Brien bijvoorbeeld een schrijver op die personages schept die tegen hem in opstand komen en in De derde politieman, dat in 1972 in het Nederlands verscheen pleegt een schrijver een roofmoord omdat hij een wetenschappelijk commentaar wil uitgeven op de natuurkundige theorieën van een waanzinnig geleerde, De Selby. Deze zelfde De Selby duikt op in Het Dalkey-archief, O’Briens roman uit 1964 (Dalkey is een slaperig kuststadje op 20 km van Dublin). De geleerde probeert deze keer de wereld te vernietigen door alle zuurstof uit de lucht te halen en whisky te laten rijpen door toepassing van de relativiteitstheorie: de drank kan dan in een paar uur decennia ouder worden. In de roman figureren verder Sint Augustinus, in gesprek met De Selby, en James Joyce die zijn overlijdensbericht vervalst heeft. En voor wie de verwikkelingen nog niet absurd genoeg zijn is er het klankrijke taalgebruik: ‘In deze landstreken, merkte De Selby op, wemelt het wonderbaarlijk van klaplopers, kwistenbiebels en kusmekloten’. Laat dat soort vertalingen maar over aan Robbert-Jan Henkes. Hij verzorgde ook een nawoord bij de roman.

    Het Dalkey-archief
    Auteur: Flann O'Brien
    Uitgeverij: Koppernik
  • Leren van een vogel hoe te leven

    Leren van een vogel hoe te leven

    Over vader-zoonrelaties zijn al tal van boeken geschreven. Dat opvoeding en een warm nest levensbelangrijk zijn in het opgroeien, is duidelijk. Dat laatste mag je in Vlieglessen ook letterlijk nemen. De rode draad is een jonge ekster die uit het nest is gevallen en door hoofdfiguur Charlie wordt gered van een gewisse dood. De opvoeding van de ekster zorgt bij Charlie voor een reflectie op zijn eigen opvoeding en zijn hobbelige verleden. De roman is het autobiografische debuut van Charlie Gilmour, adoptiezoon van Pink Floyd-legende David Gilmour.

    Wanneer zijn vriendin Yana met een gevallen ekstertje thuiskomt, en daarna voor een week vertrekt, staat Charlie alleen voor de opvoeding van de vogel. Al gauw groeit er een innige band tussen hem en Benzene, zoals hij de ekster heeft gedoopt. Tevens vallen hem de gelijkenissen op tussen hem en zijn biologische vader, de controversiële dichter, acteur, toneelschrijver en activist Heathcote Williams. Hij liet zijn gezin in de steek toen Charlie amper zes maanden oud was. Ook hij had een innige band met een vogel, een kauw die uit een kerktoren was gevallen.

    Traumatische jeugd

    In een van zijn dichtbundels wijdde hij verschillende gedichten aan zijn band met het beestje. Charlie grijpt hiernaar terug en schetst de moeizame relatie met zijn vader. Deze hield grote afstand.  Er was nauwelijks contact, behalve nu en dan een kaartje of een gesigneerd exemplaar van een nieuw boek. Zijn ‘pa’ David Gilmour omarmde hem als zijn eigen zoon, maar kon niet verhinderen dat het woelige verleden diep had ingehakt op de jonge Charlie. Deze zocht zijn toevlucht in drugs en drank, en reageerde fel na elke nieuwe afwijzing van Heathcote. Hij ging het verkeerde pad op en belandde ook enkele maanden in de cel. Zijn vriendin Yana bracht rust in zijn leven en ook de omgang met Benzene maakte hem meer en meer verantwoordelijk.

    Toch blijft hij steeds worstelen met zichzelf en is hij bang om de volgende stap te zetten. Hij twijfelt sterk aan zijn capaciteiten om een gezin te stichten en een goede vader te worden. Zit het ontbreken van verantwoordelijkheidszin niet in de genen? Hij heeft een heilige schrik om in dezelfde fouten te vervallen als Heathcote. Op het einde van diens leven leert hij zijn halfzussen kennen waarmee hij daarvoor nooit contact had. Zij schetsen een ander beeld van Heathcote en nemen hem op in hun familie. Dat brengt een zekere rust en een zeker vertrouwen teweeg bij Charlie. 

    Levenslessen

    De titel Vlieglessen – overigens een goede vertaling van de Engelse titel Featherhood: On Birds and Fathers – slaat eigenlijk spijkers met koppen. Net zoals de ekster leert vliegen en opgroeit, leert ook Charlie hoe het leven in elkaar zit. Het opvoeden van de ekster houdt Charlie als het ware een spiegel voor en hij wordt telkens geconfronteerd met zijn eigen turbulente leven en zijn existentiële twijfels. Telkens hij de volgroeide ekster wil vrijlaten, keert die onverwijld terug. Vrijheid is een lastig ding, ook voor Charlie. De levenslessen die hij onderging, zorgen er uiteindelijk voor dat hij stappen zet in het onbekende, het nieuwe, maar ook dat hij berust. Hetachcote sterft, maar zijn dochtertje wordt geboren en Benzene vliegt dan toch zijn vrijheid tegemoet. Een mix van rouw en liefde, van vrijheid en geborgenheid.

    Gilmours autobiografische roman is een sterk staaltje vertelkunst. De lezer komt veel te weten over kraaiachtigen, maar wordt vooral geraakt door de eerlijkheid waarmee de auteur zijn leven en zijn twijfels voorlegt. Vlieglessen is zoveel meer dan het verhaal over een man en een vogel, een verhaal over een vader en een zoon. Het biedt een ingetogen, maar aangrijpende blik op het leven zoals het is: niets is vanzelfsprekend. Net zoals een jonge ekster die uit het nest valt en weer opstaat, kan het leven een rollercoaster zijn van pijn en vreugde, vrijheid en gevangenschap, rouw en liefde.

    Allemaal grote thema’s die vloeiend verbonden zijn in een prachtig verteld verhaal over een niet zo fijne jeugd en het verwerken daarvan. Gilmour slaagt erin de juiste toon te vinden om zijn memoires te vertellen. De stijl is de perfecte mix tussen scherpzinnige observatie, nostalgische terugblik en de nodige dosis humor. Daardoor blijft de lezer niet achter met een zwaar en donker gevoel, maar met een voldane glimlach om de lippen en het besef dat wat hij net gelezen heeft een ongewoon mooie vertelling is die doet nadenken en stilstaan bij de kleine en belangrijke dingen des levens. Gilmours debuut is er een om te koesteren.

     

  • Klein en groot 

    Klein en groot 

    De Kust – drie eilanden bij Virginia. De kust – dertien verhalen die kunstig tot een roman zijn samengesmeed. Het ene eiland is klein, het andere wat groter. Het ene hoofdstuk kort (zo’n acht pagina’s), het andere langer (ruim twintig pagina’s).
    Het huis waar de ik-persoon uit het eerste verhaal woont, is ook klein: ‘een kamer beneden en twee kamers boven, allebei met een veranda, en volgens de telefoonmaatschappij en het elektriciteitsbedrijf en de belastingen bestaat het niet.’ Van de winkel waar de dorpsbewoners hun inkopen doen, wordt eveneens vermeld dat deze klein is en de schappen er dicht op elkaar staan.
    Ook wat de andere personages betreft bestaat er een verschil tussen kleine, onschuldige kinderen en bijvoorbeeld een volwassen man met kleurloos haar dat steekt ‘uit de gaten van een John Deere pet en een T-shirt vol zwarte vegen autosmeer’, een man die kleine meisjes verkracht. Of een vader aan de drugs die zijn dochters mishandelt. En als dat eenmaal is gebeurd, zijn kinderen tot alles in staat …

    Kleine kinderen
    In enkele verhalen spelen kleine kinderen dat ze groot zijn. Onbeholpen als ze zijn. Als een oefening voor later. Maar een meisje wacht niet op een jongen totdat hij met haar wil trouwen; ze huwt een ander. En wordt mishandeld, terwijl de speelkameraad van vroeger niets onderneemt. Nog niet.
    De kinderkamer is altijd plezieriger dan de keuken wanneer vader daar vertoeft. Dat was in 1876 zo (het verst terug in de tijd) en dat is in 2143 (het verst vooruit in de roman) nog steeds zo. Of het meisje nu blank is of halfbloed, knap of lelijk, een echte of een bastaarddochter.
    En behalve echte kinderen en stiefkinderen zijn er ook oppaskinderen. En behalve slechte mannen zijn er ook slechte vrouwen die bijvoorbeeld dealen. Allemaal hebben ze hun eigen, totaal verschillende en raak getroffen taalgebruik.

    Sfeer
    De overeenkomst tussen de verhalen die samen de roman vormen, ligt niet alleen in de verschillende eilanden die samen de Kust vormen, en ook niet primair in de familie die wordt gevolgd van 1876 tot 2143 – en waarvan voorin het boek de stamboom wordt weergegeven –, maar vooral in sfeertekeningen. Je ziet als lezer de Victoriaanse huizen voor je, je ruikt ze zelfs. Je ziet de personages op de karakteristieke veranda’s zitten, zoals Medora met een pijp waarvan de tabak zowel haar lichamelijke als geestelijke pijn verdrijft. Je ziet de Kust voor je, waarvan het land zo plat is als een pannenkoek. ‘Er zijn maïsvelden en af en toe een huis, een eindje van de weg af, met een paar bomen eromheen, of een paar grafzerken, verweerd en verbleekt als een oud kunstgebit dat te lang op de vensterbank heeft gelegen.’

    Alles bij elkaar is dit een boek van een onvoorstelbaar hoge kwaliteit. Zeker als je weet dat het om een debuut gaat van een in 1988 in Virginia geboren schrijfster, die momenteel in Groot-Brittannië promotieonderzoek doet. Inmiddels is haar debuut genomineerd voor de Baileys Prize, de Guardian First Book Award en de Young Writer of the Year Award. Het is ook nog eens mooi vertaald, al komt een alinea als deze qua afwijkend woordgebruik wat vreemd over: hij ‘liep schuins de heuvel op (…). Achter een bosje bijzonder dicht kreupelhout bleef ze staan wachten tot hij haar weer had bijgehaald.’ Maar dit doet verder niets aan de kwaliteit van de roman af. Een boek om langzaam te lezen, verhaal voor verhaal.