• Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • IJdeltuit met zelfspot

    IJdeltuit met zelfspot

    Er zijn zoveel schrijvers en boeken die ik nog wil/moet lezen. Leesschuld, noemt Maarten Asscher dat. Al die boeken die je ooit gekocht hebt en je nu vanaf de boekenplank aanstaren: pak mij, lees mij, je hebt me toch gekocht om te lezen! Maar ook, als ik het me goed herinner, schreef hij dat het fijn is dat die boeken – ook ongelezen – in de buurt zijn om elk moment gepakt te kunnen worden. De boeken zijn je nabij. En dat is goed. Ik kwam bij een inkoop zelfs een boek tegen met de titel The New Lifetime Reading Plan. Een leesgids voor een lezend leven van de canonieke boeken. Ik ben niet klassiek opgeleid. Dus ik heb me eigenlijk nooit iets aangetrokken van de plicht om de Klassieken te lezen. Ook moderne klassiekers en Nobelprijs-winnaars laat ik meestal liggen: De man zonder eigenschappen van Robert Musil, De Toverberg van Thomas Mann, Moby Dick van Herman Melville. Ik zou ze best willen lezen, maar er zijn zoveel andere boeken die mijn aandacht vragen.

    Toch pakte ik deze week zo’n schrijver: Harry Mulisch (Vullis noemde we hem ook vaak, wij onwetenden): ook veel te weinig van gelezen. Ik zag Voer voor psychologen en pakte het van de plank. Oorspronkelijk uitgegeven in 1959. Bijna 60 jaar geleden. Een paar jaar voor Ik Jan Cremer (1963) waar iedereen het over had als een egotrippend boek, een schelmenroman. Tja, lees dan Voer voor psychologen maar eens en wordt meegesleept naar alle uithoeken van de uitdijende geest van Harry Mulisch. Wat een brille, wat een stijl en humor. Hij ontleedt zijn eigen schrijverschap en persoonlijkheid op meesterlijke wijze. Men verweet Mulisch vaak ijdeltuiterij. Maar ook al was hij een ijdeltuit, hij was er een met zelfspot. Een Narcissus die zijn eigen blik in de vijver eens goed bekeek en erom kon lachen. En hij mocht ook zelfvoldaan zijn. Zeker als je zo magistraal weet te spelen met zelfbeeld, het wereldbeeld, geschiedenis en verbeelding in aforismen, herinneringen en fantasieën. Dan verbleekt Ik Jan Cremer toch wel als een eendimensionaal weglezertje in het genre Colt 44 en Arendsoog. In dit land van klein houden kon een schrijver als Mulisch met een geheel eigen creatie van een literair universum ten onrechte wat mij betreft rekenen op veel hoon en scepsis. Op pagina 19 van Voer voor psychologen staat: ‘Ik wilde gangster worden, en weldra heilige, – maar omdat ik het alle twee tegelijk wilde, of althans te kort na elkaar (want alle rechtgeaarde heiligen hebben een succesrijke carrière als gangster achter de rug) werd ik niets.’ Heerlijk. Acceptatie, bewondering van een superieure geest, daar heb ik helemaal geen moeite mee.