• Zoon springt uit de schaduw van de vader

    Zoon springt uit de schaduw van de vader

    De bundel Campert & Campert is geschreven door twee auteurs. Werk van Jan Campert (1902-1943) vult de eerste en tweede afdeling, werk van zijn zoon Remco (1929) de derde. Ondanks het forse aandeel van de vader is deze meer afwezig dan aanwezig. Hij verheft zijn stem uit een voorbije tijd en treedt voor het voetlicht als een literator, een mysterieuze en ongrijpbare. Alleen in de tweede afdeling met ‘Het lied der achttien doden’ (het meest onsterfelijke Nederlandse verzetsgedicht) wordt Jan Campert in een recent onthullend essay van Elias van der Plicht bekend gemaakt. Als een verzetsman die eigenlijk geen verzetsman was.
    Misschien is bij de samenstelling van de bundel voor het isolement van de man – die nog andere pijlen op zijn literaire boog had – bewust gekozen. In zo’n bestek accentueert de ‘vreemde’ letterkundige in de eerste afdeling Remco’s afstand tot zijn vader.

    Afwezige vader
    In zijn eigen afdeling noteert de zoon over de acacia bij zijn huis: ‘Iets viel op door zijn afwezigheid. De acacia die gisteren nog in grillige schoonheid voor mijn huis zijn takken spreidde was in de loop van de nacht omgezaagd.’ Bij deze passage sluit een uitspraak aan over de vader in een prozastuk verderop: ‘de Tweede Wereldoorlog. Uit die tijd heb ik een foto van hem [mijn vader] waar ik elke dag even naar kijk. […] Zijn blik is weemoedig. Een man en een dichter.’

    In het voorwoord stipt Remco de hechte en tegelijk losse band met zijn vader aan: ‘Toen ik drie was scheidde hij van mijn moeder. (…) De laatste keer (dat ik hem zag) was in de oorlog (…). Hij rook lichtjes naar parfum en tabak toen hij mij kuste. Een paar maanden later kwam hij om in het concentratiekamp Neuengamme.’

    Onderkoeling en ingehouden emotie zijn wel de kenmerkendste eigenschappen van het proza en de twee gedichten van Remco Campert in de duo-uitgave. Ze contrasteren met het werk van zijn vader, zowel met ‘Het lied der achttien doden’ als met één verhaal, poëzie (waaronder één vertaling) en literaire kritieken. Precisie kan Jan Campert niet ontzegd worden maar er zit met uitzondering van de recensies een surplus in zijn schrijverij dat niet van onze tijd is. Vooral de poëzie lijdt aan een teveel. In de jaren dertig beschouwden men goede poëzie nog als (overmatige) gevoelsuitstorting ondanks het ‘ventisme’ van Du Perron en de zijnen. ‘O lieflijkheid van licht en land, / van Holland’s vrijste kust’, schrijft Jan Campert. Zoon Remco moet zo’n zinsnede uit het hart gegrepen zijn. Inhoudelijk dan, niet qua formulering.

    Samenkomen in vergankelijkheid
    Het leven is verbonden met de dood. Spoedig zal het afgelopen zijn. Daarover gaat ‘Het lied der achttien doden’. Het getuigt van gehechtheid aan een voortdurend bedreigd maar geliefd bestaan. Ook in het leven van de eens jonge en nu hoogbejaarde vitale Campert ligt ondergang op de loer. Die dreiging is de meest in het oog springende verbinding tussen de Camperts. Beiden houden hartstochtelijk van het leven en kunnen er geen afscheid van nemen.
    De teksten van de vader worden in de eerste afdeling geëtaleerd zonder ze in een kader te plaatsen en in de tweede juist weer al te uitvoerig. Te expliciet zelfs door foto’s van de achttien doden plus beschrijving van hun persoon.

    Het essay van Van der Plicht over Jan Campert als dichter van het beroemde verzetslied is een verrijking. Een dergelijke beschouwing in de eerste afdeling ontbreekt en zou de ‘gedateerde’ Campert hebben kunnen situeren als dichter, prozaïst en criticus in zijn voor vele lezers-van-nu mistige vooroorlogse jaren.

    Uit de schaduw van de vader
    De contouren van de zoon als dichter en schrijver zijn ragscherp getekend. Bij herhaling gaat hij in op zijn auteurschap en op het daarmee verbonden bestaan vol intieme herinneringen. Meesterlijk formuleert hij in het prozastukje ‘Dagelijksheden’ dat herinneringen sterker zijn ‘dan het vergeten. Ze dringen zich nu dagelijks aan me op. Ik sta voor ze open. Ze zijn voedsel voor mijn schrijven’. En een ander stukje eindigt met de zin: ‘Wat zal ik me van vandaag herinneren?’
    Deze citaten kenschetsen Remco Campert, één van de misschien wel weinige Nederlandse dichters en schrijvers met een dadelijk herkenbaar geluid. Een dichterlijk prozaïst en proza-achtig dichter om niet genoeg van te krijgen.

    ‘Herinneringen kun je bedenken’, schrijft hij. Ze reiken tot in de levensperiode waar geen heugenis van is, zoals van de belevenissen van de eenjarige in de box. Evenzo is de werkelijkheid van de schrijvende volwassene plooibaar. Lees het verhaal ‘Een olifant in de achterkamer’ dat de derde afdeling van Campert & Campert opent. Of de stukjes die gegroepeerd zijn als ‘Triomfen der techniek’ en de verzameling ‘Fabeltjes vertellen’. Teksten die er bij oud en jong ingaan als koek en bedrieglijk eenvoudig zijn.

    Humor en tragiek gaan hand in hand en steeds viert levensvreugde hoogtij. In Campert & Campert springt de zoon uit de schaduw van zijn vader en toch blijft hij erin gevangen. Door hem is hij een volwassen kind geworden dat onbevangen kijken kan. Registreren wat oneindig eenmalig en uniek is.

     

     

  • Oogst week 12

    De vorm van ruïnes

    Er was de schrijver al eerder gevraagd waarom hij niet over zijn land Colombia schreef. Een land dat door zijn vele conflicten rijk aan verhalen is en Juan Gabriel Vásquez (1973) bleek een goed verhalenverteller te zijn. Vásquez’ antwoord was dat hij Colombia juist had verlaten vanwege het geweld en om schrijver te worden. Hij publiceerde verschillende romans, korte verhalen en essays en werd bekend van zijn roman Het geluid van vallende dingen (“El ruido de las cosas al caer”). Nadat hij verschillende jaren in Europa woonde (Parijs, Belgische Ardennen, Barcelona) keerde hij in 2012 terug naar Colombia. De vorm van ruïnes gaat over deze terugkeer en wat hij daar aantreft. Hij wordt geconfronteerd met allerlei samenzweringstheorieën rond de moord op Jorge Eliécer Gaitán in 1948, die het startschot was voor jaren van onrust en geweld en waarvan het motief altijd een vraagteken gebleven is. Vásquez verdiept zich in dit keerpunt in de Colombiaanse geschiedenis. Want die moord begrijpen is niet alleen Colombia vandaag begrijpen, maar ook zijn eigen lot en dat van zijn kinderen. Een getuigenis van een schrijver die zijn land probeert te begrijpen. De vorm van de ruïnes opent met deze zin:
    De laatste keer dat ik Carlos Carballo zag, was toen hij met zijn handen op zijn rug geboeid en zijn hoofd diep tussen zijn schouders getrokken een politiebusje in kroop, terwijl onder in beeld de reden van zijn aanhouding verscheen: poging tot diefstal van het kamgaren pak van een vermoorde politicus.”

     

     

    De vorm van ruïnes
    Auteur: Juan Gabriel Vásquez
    Uitgeverij: Bruna Uitgevers, A.W.

    De eerste keer dat ik mijn hoed verloor

    Colette (pseudoniem voor Sidonie Gabrielle Colette, 1873-1954) publiceerde zo’n dertig romans en verhalenbundels. Daarnaast schreef ze ook een imposante hoeveelheid journalistieke essays en recensies maar hield zich, anders dan haar collega’s Simone de Beauvoir, Marguerite Duras en Marguerite Yourcenar, verre van politiek. Door de volstrekt originele benadering van haar onderwerpen en haar beeldende, zinnelijke stijl is het werk van Colette tijdloos. Haar literaire status is in Frankrijk onbetwist, ze kreeg als eerste vrouw in Frankrijk een staatsbegrafenis. Kiki Coumans is jaren bezig geweest om dit zelfportret samen te stellen. Colette leidde een roerig (liefdes)leven, maar schreef ook mooi over haar wilde broers, haar mysterieuze zus en haar eigenzinnige moeder.
    De teksten in dit deel van Privé-domein gaan over haar jeugd in een non-conformistisch gezin in een Frans plattelandsdorpje, haar liefdesleven, de Grote Oorlog, de relatie met haar moeder en de vele plekken die van betekenis zijn geweest in haar leven, met name de Provence en Parijs. Tezamen vormt het een rijk zelfportret. Een aanzienlijk deel van deze gebundelde teksten is nooit eerder in boekvorm verschenen. Dat is waar we benieuwd naar zijn, ongekende teksten van een bijzonder schrijfster. Waarbij je je kunt afvragen waarom het zo lang heeft geduurd eer er een Privé-Domein deel van Colette verscheen.

     

    De eerste keer dat ik mijn hoed verloor
    Auteur: Colette
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    Campert & Campert

    De vader van Remco Campert, Jan Campert (1902-1943) schreef van 1923 tot 1938 gedichten, recensies en verhalen voor Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Remco Campert (1929) schreef vanaf 1951 voor het weekblad Elsevier. Deze bijdragen van vader en zoon Campert, beiden dichter en schrijver, beiden betrokken bij de wereld zijn bijeengebracht in  Vader en zoon, zijn gebundeld door De Bezige Bij. Een bundel compleet met het verhaal van Elsevier-medewerker Elias van der Plicht over het ontstaan van het gedicht ‘De Achttien Dooden’. Ook het gedicht zelf, dat begint met de beroemde woorden ‘Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed’, is in de bundel afgedrukt. Evenals de portretten van de achttien vermoorde verzetsstrijders en stakers.

    Het Lied der Achttien Dooden van Jan Campert groeide kort na zijn dood uit tot symbool van het verzet. De gedragen stijl van de vader contrasteert soms opvallend met de lichtvoetigheid van de zoon, al resoneren hun teksten vanwege de literaire precisie duidelijk met elkaar. Een bloemlezing van een eeuw schrijverschap van twee generaties Campert.

    Campert & Campert
    Auteur: Remco Campert
    Uitgeverij: Bezige Bij, De