• Zo oud te willen worden

    Zo oud te willen worden

    De weemoed van de reiziger is het zevenendertigste boek van Jan Brokken, met veertien meeslepende verhalen over dichters, musici en schilders wiens levens hij achterna reist. In één verhaal komt geen kunstenaar voor en sommige verhalen zijn door de corona-beperkingen herinneringen aan eerdere reizen. Brokken kan het schrijven niet laten. Een paar van zijn verhalen zouden ook zomaar het begin kunnen zijn van weer een dik boek van de weemoedige en nieuwsgierige reiziger die Jan Brokken is. 

    In deze qua stijl verschillende verhalen onthult Brokken tussen de regels door ook persoonlijke details, zoals zijn geboortejaar twee eeuwen na Goethe en de pittige mening van zijn echtgenote over zijn nieuwsgierigheid: ‘Je wilt altijd weten wat er nog meer komt. Het wordt je dood nog eens. En dan zal je nog over de rand van je kist kijken wat er allemaal om je heen gebeurt.’ 

    Het korte verhaal ‘Dream a little dream of me’ gaat over een reis in 1976 door de Bohemen met een Mini Cooper, waarover hij zijn eerste roman schreef. Die werd nooit gepubliceerd: ‘Ik heb het manuscript na jaren nog eens ingekeken, en het toen weer snel weggelegd.’ De vluchtpoging van het stel dat zij daar ontmoetten, van wie de vrouw ‘met haren zo blond als de kraag van Budweiser bier en met ogen die blauwer waren dan de Moldau’, bleek ook een droom. 

    De methode van de schrijver

    Het verhaal ‘Afscheid van Boedapest’ gaat over Bela Bartok en begint wanneer Brokken met vertaalster Judit Gera in New York Café zit en zij herinneringen aan haar moeder ophaalt over het laatste concert van Bartok in Boedapest. Het verhaal gaat vervolgens vooral over Bartok en zijn vertrek uit en terugkeer naar Boedapest. Brokken bezoekt ook nog het Bartok Museum op de Rozenheuvel. Dit is de methode van de schrijver bij al zijn verhalen. Hij bezoekt een plek en bouwt er dan een verhaal omheen met zijn eigenlijke onderwerp: een musicus (Bartok/Dvorak/Monteverdi), een schilder (Matisse), een dichter (Vroman/Machado), een architect (Depero/Rietveld) of een schrijver (Kadare/Kafka). De lezer laat zich daarbij meeslepen door Brokkens aanstekelijke nieuwsgierigheid.

    Het kortste verhaal ‘De fakkel en het zwaard’ gaat over Kafka en Praag. De reis van Brokken bestaat in dit verhaal uit een wandeling langs een spoorbaan waarvan hij een paar honderd meter de loop volgt ‘over een pad dat zich langzaam van de Moldau verwijdert’ (…) ‘Ik blijf even staan, stel me de dertigjarige Franz voor, zie hem zitten met dat karakteristieke scherpe gezicht, achter het coupéraam, met een schrift voor zich op het uitgeklapte tafeltje, voorovergebogen, met een pen in de hand.’
    Zou Kafka in de boemel treinen van die tijd hebben kunnen schrijven? Wie weet, in dit verhaal gaat het vooral over Kafka’s landurige knipperlicht relatie met Felice Bauer die als een nachtmerrie zal eindigen. Kafka wilde met haar trouwen en in Berlijn gaan wonen. ‘Maar daar komt niets van terecht, hij zal nooit naar Berlijn verhuizen, met Felice noch een andere geliefde.’ Al klopt dat niet helemaal. Kafka woonde in 1923/4 een half jaar samen met zijn laatste geliefde Dora Diamant in Berlijn. 

    Spanningsopbouw en charmante ontknopingen

    In ‘De motorrijder van Rovereto’ krijgt Blokker een huwelijksaanzoek, daarmee begint het verhaal. De lezer zit meteen op het puntje van zijn of haar stoel. Twee bladzijden verder is het zover: ‘Boem, in één keer. In het Duits. Of het Engels? Ik was zo verbaasd dat ik me de taal niet herinner.’ De motorrijder uit de titel was de geliefde van Chiara, de betreffende dame, burgemeester van een dorp in de buurt die het aanzoek deed. Blokker maakt er een mooie spanningsopbouw van door een dag later met Chiara een prachtige tentoonstelling van de futuristische kunstenaar Fortunato Depero (1892-1960) te bezoeken, van wie Brokken nog nooit had gehoord. De meeste lezers vermoedelijk ook niet. Een verhaal met een charmante ontknoping. Fortunato Depero ontwierp ooit een décor voor Le chant du Rossignol van Strawinsky, dat werd door danser Sergej Diaghilev afgewezen en de opdracht ging vervolgens naar Henri Matisse. Hiermee verwijst Brokken terug naar het eerdere verhaal ‘De schilder en de non’ waarin Brokken over Matisse schrijft. Hij bezocht in Vence de Rozenkrans kapel die Matisse had ontworpen voor een non, die zijn model was geweest: ‘Een onmogelijke liefde. Of een gesublimeerde.’ Voor Brokken aanleiding om een verhaal te schrijven dat uitloopt op de schoonheid van het ontwerp door Matisse. ‘Meer kan ik er niet over schrijven. Je moet dat licht ervaren.’ 

    Eén van de verhalen, ‘Liefde is een fluisterstem’ gaat over een ontmoeting met Leo Vroman in New York in 1980, waarover Brokken destijds een portret schreef voor de Haagse Post. Nu schrijft hij vanuit zijn herinnering over deze ontmoeting. Brokken wandelt met Vroman naar zijn laboratorium, de dichter doet hem een bekentenis en laat hem telefonisch met zijn vrouw Tineke praten. Als Vroman hem nog een proef met muizen en bloed wil demonstreren, wordt het Brokken te veel en gaat hij er snel vandoor. Einde ontmoeting: ‘Ik weet nog steeds niet wat me toen overviel.’     

    De essentie van het reizen

    Voor de verhalen over cellist Anner Bijlsma, ‘De Servais’ en overGerrit Rietveld. ‘Leven vanuit je zintuigen’ hoefde Brokken niet te reizen, behalve in de literatuur en met zijn herinneringen. Over de essentie van reizen zegt Brokken met Goethe (in: Casa di Goethe): ‘Van jezelf loskomen, jezelf vergeten als iemand met een naam, een achtergrond, een geschiedenis, een reputatie, om aan een nieuw bestaan te beginnen.’ Voor Brokken begint met iedere reis een nieuw bestaan door middel van een nieuw verhaal. Brokken bedankt in zijn verantwoording Marie-Claude, zijn echtgenote als een onuitputtelijke inspiratiebron. ‘Niemand weet betere plekken op de wereld te vinden dan zij, niemand kan er ook zoveel achtergrond bij geven.’   

    Het laatste verhaal gaat over Brokkens ontmoeting in Tirana met de in juli 2024 overleden schrijver Ismail Kadere. Brokken vraagt zich in de eerste zin af: ‘Hoe zal ik op mijn zevenentachtigste zijn?’  Het eerste wat hem opvalt als hij is voorgesteld en naast Kadare gaat zitten: ‘Hij ruikt lekker…Hij ruikt naar scheerzeep en eau de toilette, vast een Franse; de ene helft woont hij in Albanië, de andere helft in Parijs.‘ Volgens Brokken is Kadare geen prater en het meeste in dit verhaal tekent hij op uit de boeken en verhalen van Kadare.  Dan zegt Kadare opeens: ‘Ik benijd u.’  Brokken weet niet zeker of hij het goed verstaat, en gaat verder over de opkomst en faam van Kadare en over zijn bezoek aan het Kadare museum In Tirana. Op weg naar Tirana heeft Brokken Kadare’s boek Onenigheid aan de top gelezen, waarin een jaloersmakende passage over Boris Pasternak voorkomt. En hij zegt (in het Frans): ‘Ik ben jaloers op u.’ Kadare ziet er erg broos en vermoeid uit, maar door ‘iets van gloed in zijn ogen’ denkt Brokken dat je als je heel oud bent soms even jong kan zijn. ‘Zo zou ik dus oud willen worden’ is zijn laatste zin over deze weemoedige ontmoeting. 



  • (N)iemand zijn

    (N)iemand zijn

    Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar  Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’

    Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.

    Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.

    Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.

    In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’

    Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.

    ‘Reiziger, je sporen
    zijn de weg die je aflegt,
    en zij alleen.
    Reiziger, er is geen weg,
    de weg ontstaat in het gaan.
    Gaandeweg ontstaat de weg,
    en als je omkijkt zie je het spoor dat
    je nooit meer betreden zult.’

    In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.

    Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.

     

     


    Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.

  • Beste boeken van 2023

    Beste boeken van 2023

    Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.

     

     

     

     

    Verder kijken – Esther Kinsky

    Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.

     

     

    His Natural Life – Marcus Clarke

    Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)

     

     

     


    Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden

    Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.

     

     

     

    Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer

    Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)

     

     

     


    De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren

    Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.

     

     

    Het boek van de kinderen – A.S. Byatt

    Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)

     

     


    Nirwana – Tommy Wieringa

    Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.

     

     

    Het hart van de ever – Baltasar Porcel

    Het hart van de ever is de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)

     

     


    Ruitjesblues – Jan Beuving

    Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)

     

     

     


    Luister – Sacha Bronwasser
    De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.

     

     

    Een schitterend wit – Jon Fosse
    Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)

     

     


    Das Spinnennetz – Joseph Roth
    Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.

     

     

    De wintersoldaat – Daniël Mason

    In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)

     

     


    Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje

    Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.

     

     

    De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf
    Ademloos las ik dit jaar
    Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)

     

     


    Scherven – Bret Easton
    Dit jaar las ik
    Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie. 

     

     

    In het huis van de dichter – Jan Brokken
    Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)

     

     


    Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.  

     

     



    De laatste witte man
    – Mohsin Hamid
    Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)

     

     


    Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom
    Als poëzierecensent wil ik allereerst deze
     verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden. 

     

     

     

    Balts – Luuk Gruwez
    In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)

     


    ArkadiaSipko Melissen
    Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,
     Arkadia is prachtig geschreven!

     

     


    Drengr
    – Aron Dijkstra
    Een echte Viking is
    drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)

     


    Jij zegt het – Connie Palmen
    Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’

     


    Goudjakhals
    – Julien Ignacio

    Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)

     

     


    Marente de Moor – De schoft 

    Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen. 

     

    Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt 

    Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)

     

     


    Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose

    Een prachtig indrukwekkende debuutroman van de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.

     

     


    Rugzwemmen – Marc ter Horst

    Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)

     

     


    Een kleine weldaad – Raymond Carver

    Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.

     

    De minnaar – Marguerite Duras

    Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)

     

     

     

  • Vanwege te hard lachen

    Vanwege te hard lachen

    Op mijn bureau staat een beeldje van de kleine Nicolaas. Grijs jasje, rode stropdas, tas, grote glimlach, hollend naar school. ‘Juf is altijd hartstikke aardig behalve als ze boos op ons is!!’ zegt Nicolaas in een tekstballon op het omslag van het eerste deel. Ik kreeg het als tienjarige van een tante die pertinent geen stripboeken cadeau wilde geven. ‘Dit is de enige tekstballon in het hele boek,’ zei ze, en liet als bewijsvoering de bladzijden langs haar duim gaan. Toen had ik er de pest over in, nu ben ik haar dankbaar, want ‘de alledaagse belevenissen van een schooljongetje’, zoals de ondertitel luidt, bleken zo humoristisch onalledaags dat mijn moeder me geregeld vroeg: wat lees je, wat is er zo grappig aan?

    Le petit Nicolas is in Frankrijk een icoon. In de jaren zestig van de vorige eeuw verzonnen René Goscinny (Asterix) en illustrator Sempé, twee grootheden als het om humor gaat, tientallen verhalen rondom Nicolaas en zijn klasgenoten. In deze eeuw zijn er van Nicolaas ook twee speelfilms gemaakt, maar net als de Asterixfilms missen ze de kwaliteit van de boeken. Ik lach als ik Nicolaas lees en ik blijf wat zuur kijken bij Nicolaas in de bioscoop.  

    Jan Brokken wijdt in De wil en de weg een hoofdstuk aan humor in de literatuur. ‘Niets is zo moeilijk te bereiken op papier als humor’ schrijft hij. ‘Het is moeilijker dan spanning, moeilijker dan sensualiteit, en het is in ieder geval nog heel veel moeilijker dan drama.’ Hij leest in het vliegtuig de avonturen van de kleine Nicolaas en krijgt een reprimande van de stewardess, lach niet zo hard, alstublieft. Eenmaal thuis stelt Brokken zichzelf de vraag waarom hij zoveel plezier beleefde aan het verhaal van de schoolinspecteur en de klas van Nicolaas, en concludeert: ‘Het hilarische moet zowel uit de situatie zelf voortkomen als uit de beschrijving van de situatie.’ Daarom gniffel ik bij Reve, vanwege de taal, maar lach ik hardop bij Voskuil of de kleine Nicolaas, omdat naast de taal, de situaties mijn verbeelding activeren. 

    In mijn debuutroman De wensvader ondernam ik zelf een poging. De les van Brokken indachtig, beschreef ik de inseminatiepogingen van twee homomannen en een vriendin. De eerste keuze die ik maakte: de inseminatie vindt thuis plaats. Een kliniek als decor zou misschien één aardige scene opleveren. Thuisinseminatie daarentegen biedt door al het praktische ongemak meer mogelijkheden, inseminatie lukt zelden de eerste keer. De twee mannen vertrekken naar de slaapkamer en de vriendin wacht in de woonkamer tot het wonder is geschied om zich vervolgens, alleen op de slaapkamer, te insemineren met het zaad van één van de twee mannen. Telkens voorafgaand aan de inseminatie eten de hoofdpersonen met elkaar kip Tandoori uit een pakje – tot vervelens toe. De maandelijks terugkerende inseminaties worden naarmate de tijd vordert een martelgang. Het hadden ook dramatische scenes kunnen worden, van pijn en uitstel en gemis. Maar bij het schrijven keek ik naar de kleine Nicolaas op mijn bureau en dacht: hou het licht, denk aan de les van Brokken, de zwaarte bedenkt de lezer zelf wel.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • Nergens zo intens geleefd

    Nergens zo intens geleefd

    Wat voor vrouw was je moeder voordat je werd geboren? In De tuinen van Buitenzorg verkent Jan Brokken deze – intrigerende –  vraag aan de hand van de brieven die zijn moeder uit Nederlands-Indië schreef aan haar zuster in Nederland. Hij krijgt ze, samen met foto’s, van zijn tante: ‘“Jij,” zei ze, “bent nog altijd op zoek naar je moeder.” En ze voegde er bijna pinnig aan toe: “En jij hebt nog altijd niet ontdekt wie ze eigenlijk was.”’ Eén foto staat op het omslag: een grote blonde vrouw zit op een kleine Arabische volbloed, mouwloze blouse, stevige kuiten. Ook het paard lijkt in de lens van de camera te kijken. Privébrieven en foto’s, materiaal voor een kleine familiegeschiedenis lonkt, maar Brokken verbindt met speels gemak petit histoire met muziekgeschiedenis en politieke geschiedenis tot een intiem, leerzaam en enerverend boek.

    Emigratie

    Dat blijkt meteen uit de eerste hoofdstukken waarin de ‘Java suite’ van componist Leopold Godowsky wordt geïntroduceerd. Brokken zoomt in op het derde deel daarvan, ‘De tuinen van Buitenzorg’. Buitenzorg is vanwege de hogere ligging koeler dan het nabije Batavia. Als Olga en Han Brokken in 1935 verhuizen naar Nederlands-Indië om een nieuw bestaan op te bouwen, vinden zij daar in een pension onderdak. Han is theoloog, een bijzondere keuze voor een zoon uit een areligieus gezin. Hij heeft de opdracht meegekregen om in Makassar onderzoek te doen naar islamitische bekeringsbewegingen die het nationalisme onder de bevolking voeden. Een belangrijke sleutelpositie in dit onderzoek neemt La Galiti in. Hij wordt door de Nederlanders gewantrouwd: is hij werkelijk de man die zich tot het christendom heeft bekeerd of speelt hij een dubbelrol? La Galiti is één van de nevenpersonages die het boek kleur geeft.

    Pensionleven

    De hoofdpersoon is Olga. Zij leidt naar eigen zeggen in Buitenzorg een ‘pensionleven’. Een bewuste keuze, want ‘ga je direct in een eigen huis wonen, dan zit je daar als twee vergeten burgers’. Door het pensionleven, het delen van de middag- en avondmaaltijd met anderen, leert ze al snel veel mensen kennen. Daarnaast leert ze Maleis van haar leraar die haar ook wegwijs maakt in de Plantentuin, zodat ze de namen van bomen, planten en bloemen leert die in de kolonie groeien. Nog belangrijker is, later, haar ontmoeting met professor Cense. Van hem leert ze Makassaars en Boeginees. Ze sluiten vriendschap, hij wordt zelfs haar vertrouwenspersoon.  Tot slot krijgt ze ingang in de inheemse samenleving dankzij haar naailessen aan Makassaarse vrouwen. Olga leidt een vol en onbezorgd bestaan, al is er ook een gevoel van eenzaamheid als haar man op dienstreis is. En die hitte! Maar wat vooral opvalt is de gulzige, leergierige blik waarmee ze om zich heen kijkt. Soms adviseert ze haar man – ze ziet bijvoorbeeld kansen om de Toradja’s voor het christendom te interesseren – en ze is nieuwsgierig naar niet-christelijke religieuze gebruiken, zoals de dodencultus van de Toradja’s, de babybomen:

    ‘Toradja’s plaatsen overleden baby’s, gewikkeld in een matje van vredespalmvezels, in een verticale holte in een boomstam. Het ritueel gold alleen baby’s van wie de tandjes nog niet waren doorgekomen. Gekozen werd voor een boom die, als je de stam inkerft, een melkachtige witte vloeistof afscheidt, een substituut voor de moedermelk. De boom groeide om het lijkje heen en beschermde de ziel van het kind tegen boze geesten.’

    Afstand en nabijheid

    Afwisselend noemt Brokken haar Olga en ‘mijn moeder’. Brokken kiest voor de laatste aanduiding wanneer passages een intiemer karakter krijgen. Zo is het ‘mijn moeder’ die in 1983 overleed aan de gevolgen van een hartziekte die ze in het jappenkamp had opgelopen. Wanneer het je opvalt zie je dat Brokken laveert tussen afstand en nabijheid, tussen Olga en moeder, een spannend en kwetsbaar spel. Ondertussen hangt de grote geschiedenis  – voor de lezer uit de 21e eeuw –  als een donderwolk boven het dagelijkse dat in de brieven de boventoon voert. Het persoonlijk verdriet van het te vroeg geboren eerste kind, Noortje, dat slechts drie dagen mag leven, het geluk bij de volgende geboortes: Boris en Michiel. Het is wachten op het moment dat op dramatische wijze het evenwicht onderuit wordt gehaald, de aanval van Japan op Nederlands-Indië. Han wordt bij het Nederlands leger gevoegd als geestelijk verzorger ‘om de doden te begraven en de gewonden bij te staan’. De gevechten duren kort en Han wordt gevangengenomen.

    Niet veel later wordt ook Olga, samen met zoveel andere Europese vrouwen, gearresteerd en naar een krijgsgevangenkamp overgebracht. De vrachtwagens met gevangen vrouwen en kinderen werden door Makassaarse en Boeginese vrouwen met stenen bekogeld. Het schokte Olga enorm, het joelende plezier waarmee zij dit deden en ‘ze vroeg zich de rest van haar leven af wat ze fout had gedaan’. Het gezin overleeft de oorlog en in 1947 keert het terug naar Nederland. Daar wordt Jan Brokken in 1949 geboren. Pas naderhand krijgt Olga een scherper oog voor de koloniale verhoudingen, en de ongelijkheid tussen kolonie en Nederland. Bijvoorbeeld op het terrein van muziek: ‘“Iedereen had wel iets met Indië, maar niemand had achting voor wat uit Indië kwam,” zei mijn moeder al.’

    Die vrouw, de keurige echtgenote van een dominee in het Hollandse dorp Rhoon, blijkt in Nederlands-Indië een avontuurlijk en idealistisch bestaan te hebben geleid. Ze vertrouwde haar jongste zoon eens toe dat ze ‘nergens zoveel geleden’ had en ‘nergens zo intens geleefd’. Dat laatste kreeg de nadruk. Misschien is dat voor een zoon het grootste geschenk om te krijgen in zijn zoektocht naar zijn moeder. Ze was niet alleen moeder, ze was ook Olga – een vrouw om verliefd op te kunnen worden –  en ze had echt geleefd, echt intens geleefd.

     

  • Wat dit boek zo boeiend maakt is de variëteit aan bronnen

    Wat dit boek zo boeiend maakt is de variëteit aan bronnen

    Jan Brokken is bewonderaar van het werk van de Caraïbisch-Britse auteur Jean Rhys (1890-1979). Vooral de roman De wijde Sargassozee die zich voor een deel afspeelt op Dominica, een van de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen, heeft zijn belangstelling. Het eiland van Jean Rhys is een onderzoek naar haar schrijverschap in de vorm van een literair reisverslag dat gebaseerd is op de bezoeken die Jan Brokken in 1991, 1992 en 1996 aan het eiland bracht en dat eerder al leidde tot de uitgave van Goedenavond mrs. Rhys in 1992. Hierna vestigde de auteur zich op het eiland Curaçao, waar hij de documentairemaker Jan Louter ontmoette die een film over Jean Rhys wilde maken. Na een verblijf in Londen, waar Brokken materiaal verzamelde over de schrijfster, werd een uitgebreide versie van Goedenavond mrs. Rhys onder de nieuwe titel En de vrouw een vreemde gepubliceerd. Het eiland van Jean Rhys is de derde versie van dit reisverslag.

    Onder de indruk van het eiland

    Jean Rhys wilde met De wijde Sargassozee een aanvulling geven op het vermaarde boek Jane Eyre van Charlotte Brontë uit 1847. Vanuit het perspectief van de half-Caraïbische Mrs. Bertha Rochester uit Jane Eyre, die in dit boek aan krankzinnigheid lijdt, geeft Jean Rhys vorm aan de ‘nieuwe Mrs. Rochester’, die in De wijde Sargassozee Antoinette Conway heet en evenals Bertha Rochester langdurig opgesloten wordt. Rhys toont in haar boek begrip voor de benauwende situatie waarin Antoinette verkeert. Ze geeft haar personage veel autobiografische gegevens mee om vat te krijgen op haar handelen en karakter. Haar kille Engelse echtgenoot voelt haar West-Indische sensualiteit niet aan. Ze groeien uit elkaar en het zelfbeeld van Antoinette komt in een negatieve spiraal terecht.

    Jan Brokken is onder de indruk van de natuurlijke schoonheid van het eiland die bij hem herinneringen oproept aan De wijde Sargassozee. Brokken laat in zijn boek diverse keren zijn reisverslag met Rhys’ roman in elkaar overlopen of met elkaar versmelten, wat prachtige passages oplevert. Hij wijst er ook op dat Rhys de roman in de negentiende eeuw laat spelen en zich soms bedient van negentiende-eeuwse woorden, hoewel de roman in de twintigste eeuw geschreven is en in zijn dialogen en beschrijvingen een moderne indruk maakt. Om eerst Jean Eyre te (her)lezen, daarna dit boek te vergelijken met De wijde Sargassozee en dan pas Brokkens Het eiland van Jean Rhys ter hand te nemen, is aan te bevelen, maar niet noodzakelijk. Het boek van Brokken kan onafhankelijk van de andere boeken gelezen worden.

    Karakteristieke eilandbewoners

    Niet de schrijfster Jean Rhys of haar roman De wijde Sargassozee, maar het paradijselijke eiland Dominica dat een magische uitstraling heeft op zijn bewoners en bezoekers is de hoofdpersoon van haar boek. Dat betoogde Mevrouw Daphne Agar, de dochter van de schrijfster Elma Napier, die Jean Rhys bij haar terugkeer op Dominica ontmoet heeft. Jean Rhys raakte met haar in conflict, maar Mevrouw Agar gaf wel toe dat De wijde Sargassozee een meesterwerk was. Deze dame van zevenenzeventig met haar ‘scherpe tong’, die al zestig jaar op het eiland woonde, vertelde aan Jan Brokken de familiegeschiedenis van Jean Rhys. Tijdens zijn bezoeken aan het eiland ontmoette Brokken veel karakteristieke bewoners met hun inheemse gewoonten die hun verhalen aan hem kwijt konden of die zich zwijgzaam tegenover hem opstelden. De meest genoemde persoon is Mr. Royce, de zwarte taxichauffeur die Jan Brokken op het eiland naar de plaatsen brengt die hij wil bezoeken.

    Brokken ontmoet ook de eilandhistoricus Lennox Honychurch, de oude man Mike Morrison die het eiland voor hem op papier uittekent en de jonge Paul Hindeman die hem de weg wijst naar de ruïnes van het huis waar Jean Rhys opgroeide en dat in 1930 door brandstichting werd verwoest. Hindeman zorgt ervoor dat Jan Brokken familieleden van de schrijfster ontmoet, neven en nichten van de oorspronkelijk blanke familie Lockhart. De hoteladministratrice Joséphine en haar echtgenoot Max vertellen hem over de Mardi Gras-opstand in de jaren zeventig vorige eeuw van de Black Power-achtige Dreads, zo genoemd naar hun Afrikaanse haardracht. Elke tocht die Brokken onderneemt, levert een bijzondere ontmoeting of ervaring op. Zo bezoekt Brokken de ruïne van de plantage Geneva Estate, waar hij even aan de bemoste stenen voelt.

    Op deze plantage had Jean Rhys gespeeld en waren haar de verhalen over de oproeren verteld. Op deze plek moet de schrijfster ook ‘de sfeer van verlatenheid en verval, van ondergang’ gevoeld hebben, die een belangrijke rol in haar roman speelt. In haar boek vindt hier de bloedige confrontatie plaats tussen het zwarte meisje Tia en het meisje Antoinette, met als gevolg dat de vriendschap van de twee hartsvriendinnen in één ogenblik omslaat in vijandschap. ‘Schoonheid en geweld, schoonheid en verval,’ zo geeft Jean Rhys de pijnlijke geschiedenis van het eiland met zijn natuurrampen, etnische verschillen en bloedige revoltes weer. In Het eiland van Jean Rhys maakt Brokken de geschiedenis voelbaar. Het boek staat vol persoonlijke verhalen en herinneringen van eilanders met wie Brokken in aanraking kwam en die bijdroegen aan de kennis van het vroegere leven op Dominica. 

    Bronnen van een schrijverschap

     ‘Als je je in een leven verdiept, komt er een moment dat je je volledig met je onderwerp vereenzelvigt. Het is een mooi moment en een gevaarlijk. De wereld verkleint zich tot dat ene.’, schrijft Brokken aan het einde van zijn boek. Identificatie kan leiden tot een vorm van kokervisie. Echter, wat dit boek zo boeiend maakt, is de variëteit aan bronnen die hij aanroert. Hij haalt zijn gegevens uit de bibliotheek van Roseau, uit geschriften van en over Jean Rhys en uit de verhalen van eilandbewoners en andere mensen die er geweest zijn.

    In het boek zijn een achttal foto’s opgenomen. De ondertitel Op zoek naar de bronnen van een schrijverschap is goed gekozen,  zijn reizen naar de Caraïben hebben hem uiteindelijk naar de oorsprong van Rhys’ auteurschap gebracht. Tegelijkertijd laat Het eiland van Jean Rhys een werkwijze en onderzoeksmethode zien die inzicht geeft hoe Jan Brokken zijn boeken schrijft en structureert. Dit boek gaat niet alleen over Jean Rhys, maar is tevens een spiegel van het schrijverschap van Jan Brokken. Bij hem is een boek een zorgvuldig afgewogen combinatie van een reportage, journalistiek onderzoek, een of meerdere literaire lagen, biografische gegevens en levensechte personages. Jan Brokken is een rasverteller, zowel van zijn eigen verhalen als die van anderen. 

     

     

  • Oogst week 3 -2021

    Vuurtorenberichten

    In 1896 kwam postuum Record of a Family of Engineers van Robert Louis Stevenson uit. Daarin ging hij op zoek naar de verbanden tussen de verhalen van zijn vader, opa en stiefvader, die allemaal ingenieurs en uitvinders waren van vuurtorens. Hij legde zo, zoals hij het zelf omschreef, een reis af door de afgelopen eeuwen. De Mexicaanse Jazmina Barrera (1988), schrijver van essays en verhalen, had als kind eens een droom van een vuurtoren (ze had er nog nooit een gezien) aan de voet waarvan haar ouders woonden.

    Op haar vraag wat in de toren te zien zou zijn, antwoordde haar vader: ‘Enkel het skelet van een vleermuis’. Die droom en de latere kennismaking met het boek van Stevenson waren het startsein voor een reis langs vuurtorens. Het verslag daarvan, Vuurtorenberichten, is tevens een onderzoek naar haar eigen schrijverschap.

    Vuurtorenberichten
    Auteur: Jazmina Barrera
    Uitgeverij: Karaat, Uitgeverij

    De tuinen van Buitenzorg

    Ook Jan Brokken werd op het spoor gezet van een levensverhaal door een kennismaking met een kunstuiting: niet een boek (zoals vorig jaar in zijn Het eiland van Jean Rhys), maar met een muziekstuk. Hij hoorde op de radio De tuinen van Buitenzorg, een pianostuk van de Poolse componist Leopold Godowsky (1870-1936). Dat deed hem denken aan  de brieven die zijn in Nederlands-Indië wonende moeder in de tijd vóór zijn eigen geboorte in 1949 schreef aan haar Nederlandse zus. Zijn moeder was in 1935, toen ze 23 was met haar man naar Java verhuisd en in 1947, getekend door het Jappenkamp, teruggegaan naar Nederland.

    In De tuinen van Buitenzorg combineert Brokken de beschrijving van het verblijf van zijn moeder in Nederlands-Indië (op basis van haar brieven en de herinneringen van zijn oudere broers) met beschouwingen over taal en muziek, zoals die van Godowsky. De beoogde verschijningsdatum is 2 februari.

    De tuinen van Buitenzorg
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Knikkerkoning

    Kira Wuck is de dochter van een Finse moeder en een Indische vader, die elkaar leerden kennen in het Vondelpark. ‘Mijn vader schepte veel op. Hij was de beste geweest in knikkeren, in schaken en dammen en noem maar op. Hij had geen fijne jeugd gehad, maar hij vertelde altijd mooie verhalen’, vertelde Wuck onlangs in Het Parool.

    In haar eerste roman Knikkerkoning beschrijft ze haar versie van de jonge jaren van haar ouders. ‘Voor mijn boek vond ik het vooral interessant om een soort tijdgeest te laten zien waarin nog niet alles zo voorgekauwd was. Ik vind het nu soms wel heel bekrompen. Er was in die tijd meer anarchie, meer vrijheid, meer tijd om jezelf te ontplooien. Er was meer ruimte voor mensen die eigenlijk niet in het systeem passen’, zegt ze in hetzelfde gesprek. Het is een verhaal geworden over harde levens en toch een eerbetoon.

    Knikkerkoning
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Na vijfentwintig jaar nog steeds relevant

    Na vijfentwintig jaar nog steeds relevant

    De blinde passagiers van Jan Brokken is een kwart eeuw nadat het boek voor het eerst verscheen, herdrukt en gaat over de scheepvaart. In het algemeen had het scheepvaartverhaal de Nederlandse bijdrage aan de wereldliteratuur kunnen zijn. Er zijn Nederlandse auteurs internationaal succesvol geweest in het genre, denk aan Jan de Hartog, maar het zijn er minder dan je zou verwachten. Gezien de rol die de scheepvaart in Nederlands bekendste legenden als De vliegende Hollander en het vrouwtje van Stavoren speelt, zou je denken dat de thematiek verankerd zou zijn in de Nederlandse literaire verbeelding. Dat is echter niet zo. In de Nederlandse letteren heeft men meer oog voor beschrijvingen van een moeilijke calvinistische jeugd en nationale navelstaarderij dan dat men de internationale wateren opzoekt.

    Ontsnappen

    In De blinde passagiers scheept de Nederlandse schilderijenrestaurateur Maurice Schotel, op het moment dat het Warschaupact wordt afgebroken, in op een trans-Atlantisch vrachtschip om te ontsnappen aan een onbevredigend leven. Op het schip hebben zich ook twee Pools-Russische verstekelingen verborgen die veel ontberingen lijden. De beschrijving van het leven tussen de containers van deze beide jongemannen, levert sterke indringende passages op. Brokken laat zien hoe ontmenselijkend een dergelijke vlucht kan zijn en hoe bijvoorbeeld het besef van tijd verandert in zware omstandigheden. Mensen die hard oordelen over vluchtelingen doen er goed aan deze passages te lezen. Ze worden dan gedwongen tot empathie.

    Er is een liefdesgeschiedenis en verder duiken er schimmige piraten op en is er sprake van malheur op het schip. Het boek gaat na een eerste climax nog meer dan honderd bladzijden door, zodat er iets van de kracht van het vertelde verloren gaat. In een nawoord gaat Brokken in op zijn inspiratiebronnen en ook op de receptie van het boek destijds. 

    Vluchtelingenproblematiek

    Het boek is goed opgebouwd en biedt zowel avontuur als diepgang. Het hoofdpersonage komt tot leven, net als de twee verstekelingen. Het personage Adriana, de vrouw van de roerganger met wie Maurice Schotel een relatie aanknoopt, roept minder medeleven op bij de lezer. Mooi zijn de passages over het vak van schilderijenrestauratie. Zo komen twee van de meest typische aspecten van Nederland, de omgang met water en de omgang met verf samen in dit boek.  Omdat ook de internationale vluchtelingenproblematiek wordt gethematiseerd, is dit een rijk werk dat nog steeds relevant is en deze herdruk zeker verdiende. 

     

     

  • Oogst week 41 (2018)

    Laatste plicht

    In 1996 verscheen de eerste aflevering van Feuilletons, het tijdschrift dat Jeroen Brouwers reserveerde voor alleen maar eigen bijdragen, die vele vormen aannamen: verhalen, herinneringen, dagboekaantekeningen, schrijversportretten, polemieken, brieven, essays en overpeinzingen. Feuilletons is niet alleen qua inhoud, maar ook qua toon een staalkaart van Brouwers’ kunnen en kijk op de literaire wereld.

    Deze week verscheen de tiende en tevens laatste aflevering: Laatste plicht: terugdenken aan Hans Roest. Hans Roest (1917 – 2006) was chef van de lectuurredactie van een uitgeverij van familiebladen toen Jeroen Brouwers hem in 1962 leerde kennen. Hij had al gauw in de gaten dat Brouwers zich beter op zijn eigen werk kon richten dan in opdracht van ‘de Geepee’ – de Geillustreerde Pers – jeugdidolen en andere BN’ers te interviewen. Dankzij zijn connecties bezorgde hij Brouwers niet alleen een uitgever, maar ook een baantje als dat hem in staat stelde te schrijven, waardoor hij ‘niet meer naar Ria Valk, Rob de Nijs, Mieke Telkamp of een andere coryfee uit door spotlights beschenen werelden’ hoefde om ze te ondervragen.

    Laatste plicht: terugdenken aan Hans Roest is een eerbetoon, al plaatst Jeroen Brouwers ook kritische kanttekeningen, aan de man die zijn chef en mentor, en in zekere zin ook zijn mecenas was. ‘Ik heb veel aan hem te danken, veel van hem geleerd’, schrijft Jeroen Brouwers in Laatste plicht.
    Roest die zelf ook wel eens dichtte, onderhield contacten en correspondeerde met schrijvers van naam, collectioneerde hun werk en hengelde handtekeningen en opdrachten binnen.

    Zoals Hans Roest aan het eind van zijn leven grote schoonmaak hield en alleen de hem dierbaarste schrijvers onderdak bleef bieden (waaronder heel veel Jeroen Brouwers), zo ruimt Brouwers met zijn herinneringen aan Meneer Roest in zekere zin ook op. Laatste plicht moest hij nog schrijven. Zoals hij het ook ooit zijn plicht vond om de biografie van Hélène Swarth te schrijven, die Hans Roest ondanks al zijn goede voornemens – en de toezegging aan de dichteres – niet in op papier bleek te krijgen.

    Roest gaf zelf tijdens zijn leven nauwelijks iets over zichzelf prijs, Brouwers schreef een liefdevol portret waarin hij zonder zichzelf op de voorgrond te dringen ook een belangrijke plaats voor zichzelf heeft ingeruimd.

    Een dag voor Laatste plicht: terugdenken aan Hans Roest verscheen Feuilletons: een selectie waarin een dwarsdoorsnede staat van wat Jeroen Brouwers sinds 1996 in zijn eigen tijdschrift schreef. Waarbij aangetekend moet worden dat stukken die al eerder in boekvorm werden herdrukt ontbreken.

    Laatste plicht
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    De rechtvaardigen

    ‘Ik kon geen Baltische ziel van hem maken’, zei Jan Brokken tijdens de presentatie van zijn boek De rechtvaardigen: hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde. Honorair consul Jan Zwartendijk – zijn geld verdiende hij bij Philips – woonde maar drie jaar in Litouwen, niet lang genoeg om het opnemen van zijn verhaal in Baltische zielen te rechtvaardigen.
    En dat is achteraf maar goed ook want het verhaal over Zwartendijk en de andere rechtvaardigen die samen een groot aantal – hoeveel precies is niet duidelijk – joden via een ‘Curaçaovisum’ Litouwen uit wisten de loodsen zou niet in dat boek gepast hebben.

    Jan Brokken reconstrueert minutieus hoe het idee voor het ‘Curaçaovisum’ ontstond, wie er bij betrokken waren en wat hun beweegredenen waren. Daarnaast ging hij op zoek naar mensen die hun leven te danken hebben aan deze ontsnappingsclausule. Hun verhalen en ervaringen bedt hij in in het verhaal van de Tweede Wereldoorlog, dat in grote lijnen als bekend verondersteld mag worden, maar door het inzoomen op de details opnieuw zeggingskracht krijgt.

    Jan Zwartendijk – ‘de engel van Curaçao’ – stierf in 1976 zonder te weten of hij de duizenden joden ook werkelijk een dienst bewezen had (hij vreesde dat zij hun dood tegemoet vluchtten). Onderzoek naar het effect van zijn daden bleef lang uit, hoewel zijn familie daar bij diverse instanties op aandrong. Uiteindelijk bleek dat 95 procent van de mensen die hij van een visum voorzag de oorlog overleefde. In plaats van een onderscheiding kreeg Jan Zwartendijk een reprimande: hij had zich niet aan de consulaire regels gehouden (inmiddels zijn daar Kamervragen over gesteld).

    Jan Brokken vertrouwde niet blind op bestaand onderzoek, maar spitte verder. Met hulp van velen, waaronder de zoon en dochter van Jan Zwartendijk. Rangschikte de feiten en componeerde vervolgens een complex verhaal, dat recht doet aan alle betrokkenen. De rechtvaardigen is een eerbetoon, zoals ook het monument in Kaunas voor Jan Zwartendijk en elk steentje op het familiegraf in Hillegersberg een eerbetoon is.

    En het boek gaat niet alleen over Jan Zwartendijk.

    De rechtvaardigen
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    80 jaar oorlog

    Al direct na de eerste aflevering oogstte de televisieserie 80 jaar oorlog veel lof. De makers hebben er alles aan gedaan om de Tachtigjarige Oorlog tot de verbeelding te laten spreken. Feiten worden in verhalen gegoten en er wordt ingezoomd op getuigenissen van mensen van vlees en bloed.
    Ook in het bijbehorende boek met dezelfde titel wordt dat concept in rood, wit en blauw gevolgd. Historicus Gijs van der Ham die verantwoordelijk is voor de tentoonstelling in het Rijksmuseum beschrijft het verloop van de oorlog (het rode katern). Tekstschrijver Marchien den Hertog – historicus van opleiding – en  tekent ‘kleine’ verhalen op die duidelijk maken hoe groot de invloed op het dagelijks leven van degenen die de oorlog voerden en ondergingen was (wit), en Judith Pollman, Peter Vandermeersch en Stephanie Archangel laten zien dat de oorlog die van 1568 tot 1648 duurde sporen heeft nagelaten in het hedendaagse Nederland (blauw).

    80 jaar oorlog is een rijk geïllustreerd – documenten, schilderijen, voorwerpen en stills uit de serie – boek, dat geen concessies doet. Het is een grondige reconstructie van een oorlog die de meeste Nederlanders alleen nog van naam kennen. Er worden heikele kwesties in aangesneden die nu net zo in het geding zijn als toen, zoals tolerantie, godsdienstvrijheid en identiteit.

    Als in het Rijksmuseum de tentoonstelling 80 jaar oorlog: de geboorte van een land na 20 januari 2019 plaatsgemaakt heeft voor een volgende en de televisieserie alleen nog via Uitzending Gemist bekeken kan worden, kan het boek heel goed zonder die referentiekaders geraadpleegd en/of gelezen worden.

    80 jaar oorlog
    Auteur: Gijs van der Ham ; Judith Pollmann ; Peter Vandermeersch
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)
  • Oogst week 43

    Oogst week 43

    De nieuwe van Jan Brokken, een bijzonder kookboek, een Nigeriaanse roman en een bijzondere verhalenbundel van Claudia Biegel liggen deze week klaar om gerecenseerd te worden. 

    Door Ingrid van der Graaf

     “Ik weet nog goed dat vader ’s avonds thuiskwam met de brief die zijn overplaatsing aankondigde; het was een vrijdag. Die avond en de hele zaterdag daarop beraad- slaagden vader en moeder, fluisterend als tempelpriesters. Op zondagmorgen was moeder een ander mens geworden. Ineens liep ze in huis rond als een verzopen muis en wendde ze steevast haar blik af. Ze ging die dag niet naar de kerk, maar bleef thuis en waste en streek een stapel kleren van vader, haar gezicht een masker van ondoordringbare mistroostigheid. Geen van beiden zei een woord tegen mijn broers en mij, en wij stelden geen vragen. Mijn broers, Ikenna, Boja, Obembe en ik wisten maar al te goed dat wanneer de twee hartkamers van ons huis – onze vader en onze moeder – stilte bewaarden zoals de hartkamers bloed vasthouden, het huis overspoeld kon raken als we ze opporden.”
    Dit is zo ongeveer het begin van De Verboden rivier. Een voorproefje als een tapas bij de borrel en je wilt meer proeven van deze mooie beschrijvingen die onderhuidse gevoelslevens blootleggen. De Nigeriaanse schrijver Chigozie Obioma schrijft in zijn roman over vier Nigeriaanse broers die ontsnapt zijn aan het strenge toezicht van hun vader. Ze gaan vissen in de rivier die voor alle dorpelingen verboden is. Daar doet een dorpsgek hun de voorspelling dat Ikenna, de oudste broer, door een visser vermoord zal worden. Binnenkort volgt de recensie.
    Uitgegeven bij De Geus, vertaling Marianne Gossije, 196 blz., € 22,50, ISBN 9789044534771.

     

    Jan Brokken bereikte met De vergelding (over de oorlogstijd in Rhoon) een breed en groot publiek en met Baltische zielen 9789045030173-de-kozakkentuin-l-LQ-fschreef hij een grensverleggend boek. In De Kozakkentuin beschrijft Jan Brokken de bijzondere vriendschap tussen Alexander von Wrangel en de Russische schrijver Fjodor Michaïlovitsj Dostojevski. De nazaten van de in Baltische zielen beschreven levensgeschiedenis van de familie Von Wrangel, attendeerden Brokken op de vriendschap tussen Alexander en de schrijver Dostojevski. Er bleek een verzameling documenten, memoires en brieven bewaard te zijn gebleven. Uit dit rijke archief  reconstrueerde hij een liefdevolle relatie tussen twee jongemannen in het Rusland van de tweede helft van de negentiende eeuw. De Kozakkentuin begint in 1849 in Sint Petersburg. Alexander zit nog op school als er een groep arrestanten op weg naar het vuurpeloton voorbij komt. Onder hen Fjodor Dostojevski, een schrijver wiens werk Alexander bewondert. Dostojevski ontloopt het vuurpeloton maar krijgt jaren dwangarbeid in Siberië opgelegd. Alexander wordt later benoemd tot officier van justitie in Semipalatinsk, een stadje in het zuidwesten van Siberië. Daar ontmoet hij Dostojevski, die dan net is vrijgekomen uit het strafkamp. Tussen Alexander en de twaalf jaar oudere Fjodor ontstaat een hechte vriendschap die een kwart eeuw zal duren.
    Uitgegeven bij: Atlas/Contact, € 21,99, 320 blz., ISBN 9789045030173.

     

    Waarom besluiten mensen hun land te verlaten en ergens anders een nieuw bestaan op te bouwen? Dat is de vraag waarom het draait in Verbrande levens. Claudia Biegel debuteerde op haar 54ste met de roman Foute Sarah’s (dat meteen verwerkt werd tot een theaterstuk) waarna in 2014 Rusteloze benen volgde. Ze studeerde culturele antropologiemakethumbnail.ashx en zette zich bijna twee decennia in voor Vluchtelingenwerk Nederland. Deze maand is het tien jaar geleden dat elf mensen in afwachting van uitzetting uit Nederland op 26 oktober 2005 omkwamen bij een brand in het cellencomplex van Schiphol-Oost. En hier komen Biegels maatschappelijke betrokkenheid en haar schrijftalent samen in de verhalenbundel Verbrande levens die ze ter nagedachtenis aan de slachtoffers schreef. Verbrande levens bevat elf verhalen die zich ieder afspelen in of rondom de herkomstlanden van degenen die omkwamen. Verbrande levens, een bundel van elf korte verhalen, gaat over de vraag waarom mensen op de vlucht slaan en hun land verlaten. De verhalen tonen aan dat vluchten geen onlogische beslissing is van abnormale mensen maar een logische beslissing van normale mensen op abnormale omstandigheden. Het boek is opgedragen aan de elf slachtoffers van de Schipholbrand en komt uit op de herdenkingsdag van de ramp, maandag 26 oktober. Uitgegeven door Letterrijn, € 12,50, ISBN 9491875213.

     

    Kleine geschiedenis van de Nederlandse keuken van Jacques Meerman is een indrukwekkende gastronomische reis door de 50748.300Nederlanden. Meerman laat zien hoe onze gastronomische traditie in de loop der eeuwen gevormd is door wereldse invloeden. Door de Arabische landbouwrevolutie werden spinazie en bloemkool geïntroduceerd. In de middeleeuwen leerden we amandelen en de eerste exotische specerijen kennen. De ontdekking van Amerika in 1492 bracht sperziebonen en tomaten, en vanaf de zeventiende eeuw zouden de Indische kruiden ons eten op smaak brengen. Kleine geschiedenis van de Nederlandse keuken past in het rijtje van Gouden jaren van Annegreet van Bergen en Amsterdam van Russell Shorto. Het boek bevat ruim honderd historische recepten, overgezet naar ons huidige taalgebruik en voorzien van de oude maten, gewichten en oventemperaturen en soms wat logischer ingedeeld dan het origineel, en vele klassieke afbeeldingen waaronder (hoe kan het anders) de Aardappeleters van Van Gogh.
    Uitgegeven door Ambo/Anthos, € 29,95, ISBN 9789026332586

     

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Na het succes van Baltische Zielen uit 2010 heeft uitgeverij Atlas een Brokken-klassieker uit 1991 opnieuw uitgebracht: De regenvogel. Als om aan te geven dat waar Baltische Zielen om geprezen werden, ook al in De regenvogel aanwezig was: knap gecomponeerde reportages, die het midden houden tussen essay en verhaal. Maar vooral ook de meerstemmigheid erin: het subtiel laten verweven van opgetekende verhalen van ontmoetingen met inwoners en Brokkens eigen observaties, met de levensverhalen van verscheidene historische personages. Zo wisselen meerdere visies elkaar af. Negentien jaar daarvoor werd met De regenvogel reeds die toon gezet.

    Ging het in Baltische Zielen om namen als Jakob Lipchitz, Mark Rothko, Emile Ajar of Hannah Arendt. In De regenvogel zijn het personen uit de laat 19de begin 20ste eeuw zoals bijvoorbeeld de ontdekkingsreizigers graaf Brazza en zijn tegenpool Stanley, de gorillajager Paul Belloni du Chaillu, de Engelse reisschrijfster Mary Kingsley, of tropenarts Albert Schweizer. Historische figuren die in Brokkens anekdotische schrijfstijl tot leven worden gewekt en waaromheen als een klimop zich de verhalen van de toevallige ontmoetingen met gidsen en chauffeurs als Massandé, Diko en Charlie slingeren. Deze plaatselijke inwoners voegen weer informatie toe over de typische Afrikaanse producten als bijgeloof, magie, kannibalisme, en de getroebleerde verhouding tussen zwart en blank, de tweespalt tussen de eeuwenoude tradities en de moderne tijd. Maar ook een fictief personage kan de spil van het verhaal zijn. In het eerste hoofdstuk leidt Simenons personage Joseph Timar ons Gabon binnen. En Brokken reist hem achterna door in hetzelfde hotel te verblijven als waarin Simenon hem liet logeren. Van Timar schuift de focus naar Simenon en diens notities over Afrika toetst Brokken weer aan de zijne. Het recept onthult Brokken zelf: ‘Zo gaat dat met reizigers, ze gebruiken elkaars ervaringen; Brazza trok na lezing van Du Chaillu’s reisverslag naar Gabon en ging verder waar zijn voorganger was blijven steken, en Brazza op zijn beurt werd weer nagereisd door Mary Kingsley’.

    Voorafgaand aan het schrijven van dit boek moet de auteur zich behoorlijk goed hebben ingelezen. De literatuurlijst achterin doet niet onder voor die van een geleerd boek. Het resultaat is echter het tegendeel van een gortdroge opsomming van historische, biografische en antropologische feiten. De rasverteller die Brokken is heeft van de vele feitelijke passages ook een spannend verhaal gevlochten. Zo volgt Brokken in het hoofdstuk De graaf en de bastaard de ontdekkingsreizen die de grote rivalen Pierre Savorgnan de Brazza en Henry Stanley (de man die en passant Livingstone opspoorde) maakten. De stoere openingszin, ‘Hij had de graaf gekend, hij had hem in de rimboe gadegeslagen, wat afgezien van het doodsbed de beste plaats was om iemand op zijn juiste waarde te schatten’, trekt je meteen in het verhaal. Dat van de van Rome geboortige aristocraat Brazza, de diplomaat onder de ontdekkingsreizigers, versus Stanley, het tot Amerikaan naturaliseerde onwettige kind uit Wales, de ‘schietgrage cowboy’. Beiden streden in de wedloop om Afrika wie de eerste zou zijn die het grondstofrijke gebied van Centraal Afrika in kaart kon brengen en het zo kon onderwerpen ter meerdere glorie van de natie waarvoor men was uitgevaren. Bazzra was afgevaardigd door Frankrijk en Stanley reisde in dienst van België. Uiteindelijk ontmoetten de rivalen elkaar ergens in Afrika. De graaf gooit daarbij zijn diplomatieke gaven vol in de strijd door zich nederig op te stellen en zijn eigen ontdekkingen voor zich te houden, om zo Stanley de gelegenheid te geven  ‘zijn heldendaden breed uit te meten.’ Deze waant zich winnaar om er vervolgens een jaar later achter te komen, wanneer hij ziet welke strategische gebieden Brazza inmiddels onder Frans protectoraat had weten te stellen, hoezeer hij door zijn concurrent om de tuin was geleid. De graaf stichtte Brazzaville, hoofdstad van de republiek Congo, de bastaard Stanleyville, dat later echter werd omgedoopt in een andere naam.  ‘Bij Stanleys durf en doorzettingsvermogen zou niemand een vraagteken zetten, de inboorlingen noemden hem Boula Matari, “breker van rotsen”, maar Brazza noemden ze Rocamambo, “de grote bevelhebber”, en dat ze juist aan de vreedzaamste van de twee de bijnaam van de grote bevelhebber gaven, mocht Brazza als zijn grootste overwinning opvatten.’ Beide mannen waren bereid tot het uiterste te gaan. De dood schrok hen niet af. ‘Kennelijk hoorde die zelfverloochening bij het ontdekkingsreizen, of was er het laatste stadium van.’

    Behalve dat in De regenvogel context en drijfveren van de ontdekkingsreizigers belicht worden, gaat het de lezer ook dagen wat betreft de aard van Gabon. Dat er ‘twee Afrika’s bestaan, dat van de dag en dat van de nacht; onder de maan kruipen de mensen dicht bij elkaar en praten om het onheilspellende geritsel van de bladeren te vergeten; in dat nachtelijke Afrika heerst de huiver, en juist daardoor ontstaat een grote mate van vertrouwelijkheid.’ Dat het drukkend, vochtige klimaat in de regenwouden een niet te nemen barrière is geweest voor menig Europeaan in Afrika. Hij gaat er vroeg of laat aan onderdoor, terwijl de Afrikaan het er uithoudt dankzij de magie, die vooral ook een strategie is om zich staande te houden in de jungle. Het boek handelt ook over het moeizame proces van wennen tussen de Afrikaan en de Europeaan. ‘Want de blanken waren niet aardig.’ Zo noteerde een negentiende-eeuwse Europeaan die zich een Afrikaanse vrouw had genomen: ‘Ik blijf maar denken dat ik met een gorilla in bed lig.’

    De blanke Brokken moet soms ook ondervinden dat hij in donker Afrika een vreemde eend in de bijt is. ‘Het meisje achter de bar drukte haar platte neus op de rug van mijn hand om na te gaan hoe een witte huid rook. “Naar geitenmelk”, zei Charlie en zij beaamde het. “Weeïg, niet vies en ook niet lekker.”’ Ook stipt De regenvogel het door het koloniale verleden verstoorde identiteitsbesef van Afrika aan. ‘We ontdekten dat onze blanke broeders ons alles konden geven, behalve een eigen geschiedenis’. Een Gabonees verwoordt het lijdzaam ‘Het voorbije gaat aan ons voorbij’.  Na lezing van dit boek beseft men dat het leven in Afrika het ritme van voor westerlingen dikwijls schier onbegrijpelijke rituelen volgt, maar dat Afrika ook het continent is waar men de vreemdeling met de grootste hoffelijkheid bejegent en, ondanks schaarste, kosten noch moeite wil sparen om hem een uitgebreide maaltijd voor te schotelen als ‘bekroning van het welkom’. Jan Brokken heeft er enkele zeer hartelijke ontmoetingen mogen beleven.

    Toen De Regenvogel in 1991 verscheen was het literaire klimaat in Nederland nog niet rijp voor een warm onthaal van dergelijke non-fictie. Reisverhalen waren alleen bon ton als ze à la Bob den Uyl de frustraties over te kleine bedden, vieze badkamers of onbeleefd hotelpersoneel breed uitmaten. In de loop der jaren keerde het tij en nu kan men Jan Brokken zelfs zien als de peetvader van het reportageverhaal dat geen zuiver reisboek, geen zuiver antropologisch, historisch boek wil zijn, maar des te meer iets treffends ertussenin. Het lezen ervan is zonder meer een verrijkende ervaring. Wie zou in een boek over Afrika verwachten dat hij eruit leert dat de uitdrukking ‘als God in Frankrijk’ van oorsprong Pools is?

     

     

    De regenvogel

    Jan Brokken
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs:€ 19,95

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Zuiverheid in plaats van verhevenheid a.u.b.

    Zoals de ondertitel aangeeft gaat het in dit boek over het schrijven van romans en verhalen. Brokken gunt ons een een kijkje in de keuken. Hij bespreekt in stukjes van zo’n drie of vier bladzijden voor de hand liggende ingrediënten als toon, personages en compositie, maar komt ook met verrassende onderwerpen als de waarde van de komma en het belang van de ingeving.

    Brokken begint heel stimulerend met een stukje dat Zonder wetten luidt. Hij zegt hierin dat er voor het schrijven geen wetten bestaan. Althans niet die van Meden en Perzen.
    In de loop van het boek geeft hij toch veel aanwijzingen die soms ietwat betweterig overkomen, vooral als het zijn oordelen betreft over boeken.

    In het tweede stukje geeft Brokken aan dat hij in de tijd van de Haagse Post zelf heel perfectionistisch was. Net als Ischa Meijer trouwens. In het tijdperk vóór de computer typte hij een artikel helemaal opnieuw als er een fout in stond. Een schone-tekstenmanie, noemt hij dat zelf. Hij neemt daarmee meteen zijn adagium, dat schrijven herschrijven is, letterlijk.

    In diezelfde tijd maakte hij voor het weekblad een serie over schrijvers, die door de nieuwe technieken inmiddels verouderd is. Verderop refereert hij aan Mulisch, die hem vertelde dat De ontdekking van de hemel zo dik geworden was omdat hij voor het eerst op de computer werkte.

    Ik vind het minder sterk dat Brokken soms zijn eigen werk als voorbeeld neemt maar hij maakt het niet zo bont als Pim Wiersinga die in Het prozaboek een roman van hemzelf uitvoerig ontleedt. Naast prozaïsche stukken komen er bij Brokken ook veel verrassende stukjes voor. Behalve de eerder genoemde voorbeelden denk ik aan de dialoog die altijd een kunstgreep is, de beschrijving van een seksuele handeling die, om geen loze standje te worden zoals gebeurt bij Catherine Millet, altijd in relatie moet staan tot het karakter van het personage of, derde voorbeeld, de spanning die ontstaat door verwachtingen die de schrijver bij de lezer wekt.
    Tenslotte wil ik nog een stukje noemen over de ‘Kanaalkoorts’ waaraan scheepslui vroeger soms leden. Als het schip de haven naderde, verzaakten veel zeelieden hun taken, zodat er levensgevaarlijke situaties ontstonden. Brokken wijst de schrijver op hetzelfde gevaar, dat hem in de eindfase kan overkomen.

    Brokken slaat graag een brug tussen fictie en non-fictie en bespreekt verschillende manieren waarop informatie in een verhaal verwerkt kan worden. In dit verband bekritiseert hij Margriet de Moor die in De verdronkene een hoofdingenieur van Rijkswaterstaat teveel aan het woord laat. In Het meten van de wereld gebruikt Daniël Kehlmann de indirecte dialoog (in de verleden tijd en zonder aanhalingstekens) tussen Von Humboldt en Gaus om aan te geven dat het geen werkelijke gesprekken betrof, maar een interpretatie van de schrijver.

    Iemand die literatuur wil schrijven moet het niet zoeken in verheven taal, maar in zuiverheid, zegt Brokken en geeft als voorbeeld de opening van Pessoa in Ode van de zee.
    Het is leuk om de inhoud terug te lezen van reeds gelezen boeken en enthousiast gemaakt te worden voor de dagboeken van Casanova, Rood en zwart van Stendhal, Ask the dusk (Vraag het aan het stof) van John Fante, In koele bloede van Truman Capote of de biografie To Kill a Mockingbird (Spaar de spotvogels) van Nelle Harper Lee, een journaliste die nauw met Truman Capote samenwerkte. Of voor De wonderen van de heilbot van Oek de Jong, dat ik te zijner tijd nog eens wil bespreken.

    ‘Uiteindelijk gaat het in de literatuur maar om drie dingen: hoe een verhaal wordt verteld, met welke diepgang en met welke intensiteit.’ Aldus vat Jan Brokken na tweehonderdvijftig bladzijden dit inspirerende boek voor elke schrijver (en lezer) in een laatste zin samen.

    De wil en de weg

    Auteur: Jan Brokken
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus (2006)
    Prijs: € 24,50