• Maskerade

    Maskerade

    Carnaval heeft mij nooit kunnen bekoren. Tijdens zo’n feest komen er allerlei onderbuikgevoelens boven die soms beter verborgen kunnen blijven. Zo werd tijdens het carnaval in Aalst antisemitisme verpakt als immaterieel nationaal cultureel erfgoed. Toch kan ik Herman Pleij’s pleidooi voor het carnaval, juist vanwege die functie van uitlaatklep, ondersteunen. Het kan bestuurders een spiegel voorhouden waarbij ze gevoelens van ongenoegen kunnen waarnemen om daaruit voortkomende ongeremde uitbarstingen te voorkomen. Essentieel voor carnavalsfeesten is het gebruik van maskers dat het gezicht verbergt om de drager anoniem te maken. Als de Duitse schilder Felix Nussbaum, op de vlucht voor de nazi’s in eigen land, in 1935 aankomt in Oostende, de stad van zijn grote voorbeeld James Ensor, stort hij zich in het carnaval.

    Ensor en Nussbaum gebruikten beiden sterk geladen beelden met maskers, skeletten; carnaval en de dood om de wereld, waar zij op dat moment beiden slachtoffer van waren, voor schut te zetten, te ontmaskeren. Voor Felix Nussbaum geldt dit in de meest letterlijke zin van het woord. Zijn hele oeuvre is sterk autobiografisch en brengt zijn strijd in beeld. Het toont de weg naar de ondergang. Als Joodse jongen groeit hij op in Osnabrück, waar het antisemitisme een steeds virulenter karakter krijgt. Hij begint als schilder naam te maken en wint in 1932 de Prix de Rome. Als beloning mag hij zich daar verder bekwamen en vindt hij onderdak in Villa Massimo, de Duitse kunstinstelling in Rome, waar ook Arno Breker verblijft, de latere lievelingsbeeldhouwer van de nazi’s.

    Na vele omzwervingen in Europa wordt Nussbaum uiteindelijk in Brussel om zijn jood zijn opgepakt  en vindt in 1944 een kille dood in Auschwitz. Ondanks zijn smeekbede: ‘Als ik ten onder ga, laat mijn schilderijen dan niet doodgaan. Toon ze aan de mensen!’, raakt verreweg het grootste gedeelte van zijn werk verloren en dreigt hij in de vergetelheid te raken. De speurtocht naar de herontdekking van zijn werk en dus van zijn leven wordt consciëntieus beschreven in het prachtige boek Orgelman van Mark Schaevers. Het siert Osnabrück dan ook dat zij haar grote zoon geëerd heeft met een bijzonder museum van Daniël Libeskind, waarin niet alleen een representatief beeld wordt gegeven van het werk van Nussbaum, maar ook de architectuur van het gebouw nauw aansluit bij het leven van deze grote schilder. Misschien een bezoek waard voor de carnavalvierders uit Aalst.

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Boekwinkelen

    Boekwinkelen

    Jammer genoeg was er niemand bij toen ik na jaren zoeken een exemplaar van A Little Original Sin: the Life and Work of Jane Bowles van Millicent Dillon op de kop tikte. Ook toen ik de eerste druk van Nathan Sid van Adriaan van Dis verwierf, waren daar geen getuigen bij. Jammer, want het waren memorabele momenten. De blijdschap en de voldoening moeten in beide gevallen van mijn gezicht af te lezen zijn geweest. Van opluchting was geen sprake: ik wist in beide gevallen zeker dat ik ooit zou vinden. Dat rotsvaste vertrouwen in het toeval van de markt maakt dat ik, terwijl anderen steeds meer gebruikmaken van webwinkeltjes, de voorkeur blijf geven aan struinen met een zekere kans van slagen. De vraag is hoe lang ik dat nog vol kan houden.

    Twee weken geleden zocht ik voor het eerst heel bewust mijn toevlucht tot de digitale boekenhandel. Ik had mijn zinnen gezet op James Ensor: een biografie van Eric Min. Toen de zoveelste boekhandelaar nee verkocht en een ervaren antiquaar bekende het boek nog nooit in handen te hebben gehad, vreesde ik echter het ergste.
    Een eerste online verkenning maakte duidelijk dat het wel eens heel lang zou kunnen duren voordat ik deze Ensor ergens spontaan tegen het lijf zou lopen. Wilde ik het boek binnen afzienbare tijd in mijn bezit krijgen, dan moest ik het toeval een handje helpen. Er zat niets anders op dan mijn principes opzij te zetten en boekwinkeltjes.nl te raadplegen.

    Wat ik me op dat moment realiseerde, was dat het uitblijven van zoekresultaten definitiever zou zijn dan het niet aantreffen van een boek in een winkel of een kraam. Een beetje antiquariaat zet zijn aanbod immers op een verzamelsite. Digitaal nul op het rekest krijgen, zou betekenen dat ik de biografie beter uit mijn hoofd kon zetten. Ik stak mijn kop in het zand en keek elke dag een keer of tien.
    Tot mijn verbazing heb ik al na vier dagen beet. Waar de dagen ervoor nog ‘geen resultaten voor deze zoekopdracht’ verscheen, popt een exemplaar van James Ensor: een biografie op. De verkopende partij blijkt zelfs een oude bekende. Ik maak mijn belangstelling voor het boek kenbaar en schrijf dat hij zich de moeite van het opsturen kan besparen: ‘Ik kom het wel halen als ik volgende week in de stad ben.’

    Vijf dagen later word ik hartelijk ontvangen in zijn gloednieuwe winkel in de Zwolse Papenstraat. We drinken koffie en halen herinneringen op aan de keren dat ik een krakende trap beklom en eenmaal boven oog in oog stond met deze boekverkoper.
    Terwijl James Ensor inmiddels klaarligt bij de kassa snuffel ik. Trek hier en daar een boek uit een kast, maar zet ze bijna allemaal weer terug. Alleen James Joyce van Italo Svevo en Wir sind Utopia / El Greco malt den Großinquisitor  van Stefan Andres (vanwege de tweede novelle) mogen met Ensor mee naar huis.
    Vinden zonder op zoek te zijn: dat kan alleen in een boekwinkel van steen en bloed.

  • Oostende, de vergane glorie voorbij

    Oostende, de vergane glorie voorbij

    Een uitnodiging voor de opening van een tentoonstelling in de Venetiaanse Gaanderijen leek acht jaar geleden de aangewezen gelegenheid om eindelijk naar Oostende af te reizen. Griep stak daar destijds een stokje voor. Vandaar dat ik pas vorige week ging.

    Ik houd van vergane glorie en ben in dat opzicht het een en ander gewend, met als voorlopig hoogtepunt een Day Trip to Bangor (‘Didn’t we have a lo-ve-ly day, the day we went to Bangor’) toen ik een week in het door weer, wind en tijd toegetakelde Llandudno verbleef, waar je overigens destijds nog wel een kopje thee kon drinken in een hotel dat ooit het vakantiehuis van de ouders van Alice uit Wonderland was.

    Natuurlijk was ik erop voorbereid dat in de voormalige ‘Koningin der Badsteden’ niet alles oude luister zou zijn, maar de stralende schoonheid van weleer is in Oostende wel heel ver te zoeken. Dat er bommen vielen, is wat mij betreft geen excuus. Geschiedenis is een kwestie van geven en nemen. Een roemrijk verleden verplicht, maar het duurzaam dichten van de gaten die in het aanzien van de stad geschoten zijn, lijkt in Oostende weinig prioriteit te hebben.
    Het gevolg van het verdonkeremanen van alle grandeur was dat ik me nauwelijks kon oriënteren en zo goed als tevergeefs zocht naar sporen van illustere inwoners en emigrés die de stad Oostende naam en faam bezorgden.

    Op de grote troeven van Oostende – het licht en de zee – kregen tijd en autoriteit godzijdank geen vat. Je hoeft geen James Ensor te heten om de waarde van deze natuurlijke rijkdommen te zien: de zee en het licht compenseren alle vergane glorie. Ensor liet zich louter lovend uit over de ‘wonderbaarlijke wateren van Oostende’ en het licht dat stad en omgeving in alle tinten en toonaarden kleurde, maar degenen die het aangezicht van zijn Oostende verminkten, gaf hij er verbaal van langs: ‘En wat te zeggen van de nog veel gevaarlijker ontijdige architecten, vol oneindige aanmatiging, nivellerende beulen van onze mooie plekjes. Onbehouwen lelijkerds die in naam van de edele moderniteit op neusverstopte projecten zitten te kauwen.’
    James Ensor had recht van spreken. Toen hij begon met het vangen van het licht was Oostende nog niet eens de mondaine badstad waar ik het over had, maar een vesting in de duinen die hooguit twee maanden per jaar toeristen moest dulden.

    (Dat ik nooit eerder in Oostende was, is trouwens niet helemaal waar. Een paar jaar geleden voorleeswandelde ik met mijn demente moeder bovenlangs het strand. Het was eb en ergens in de verte lag de zee. Als we goed keken, konden we haar zien. We hadden de zee niet per se nodig om te genieten: er zwierden meeuwen genoeg.
    Het was herfst. Er hing een man aan een lantaarnpaal te wapperen. Zo hard waaide het. Even later werd het voorjaar en zagen we een peuter modder maken. Terwijl een jongen het zand toetakelde, waadden wij door grijs-paarse plassen – of waren ze toch appelblauw-zeegroen – naar Engeland. We waanden ons onbespied, maar misschien heeft iemand ons gezien.)

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:

    Met zicht op zee. Aan zee: veertig jaar later – Eric De Kuyper
    De geheime wereld van James Ensor – John Gheeraert
    Koetsier Herfst – Charlotte Mutsaers
    Ensor op hoge poten – Bert Popelier
    Oostende, de zomer van 1936 – Mark Schaevers

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.