• Kruistocht tegen woke denken

    Kruistocht tegen woke denken

    De hoofdpersoon uit Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Herfstdraad weet zich tussen twee vuren geplaatst als hij vanuit Amsterdam naar een niet nader genoemde plaats in de provincie verhuist, op dertien minuten treinen van Amsterdam. Daar aangekomen begint de ellende al gauw als hij en zijn vrouw worden verplicht de bijeenkomsten van de organisatie Kruispunt bij te wonen. Dit leidt al snel tot aanvaringen met de wokementaliteit die daar heerst en de bijna dictatoriale trekjes van het clubje. Dat de bijeenkomsten verplicht zijn stond in het huurcontract. Als de hoofdpersoon later via zijn buurman in aanraking komt met een groepering genaamd Deftig Rechts beginnen de problemen pas goed.

    Ze zijn nog maar net in hun nieuwe huis getrokken of een deurwaarder van de Belastingdienst staat voor de deur vanwege een achterstallige schuld. De naamloze hoofdpersoon is schrijver en raakt ondertussen twee van zijn vaste columns kwijt. De financiële problemen stapelen zich op en zijn relatie komt onder druk te staan. De schrijver maakt constant gewag van zijn persoonlijke problemen, wat met veel zelfmedelijden gepaard gaat. Kruispunt houdt (semi)verplichte informatieavonden en cursussen waar wordt gehamerd op discriminatie en diversiteit. De vrouw van de schrijver, van half Marokkaanse afkomst, kan zich goed vinden in het gedachtegoed van Kruispunt. Maar de schrijver voelt zich geroepen om zijn ideeën te verdedigen en dit leidt tot steeds hoger oplopende spanningen. 

    De wereld houdt niet van kritiek

    Tijdens het lezen word je constant om de oren geslagen met de terminologie die Kruispunt hanteert. Er is bijvoorbeeld sprake van microagressie, wit kolonialisme en er moet uitvoerig gereflecteerd worden op (wit) privilege. De schrijver windt zich steeds meer op over de Kruispuntideologie en houdt lange tirades tegen zijn vrouw en de mensen van de organisatie. Het komt zelfs tot een ‘boekenrazzia’ in een zeer vermakelijke scène waar de patriarchale literaire voorkeuren van de schrijver tijdens een workshop vervangen worden door goedgekeurde boeken. 

    De schrijver wordt van allerlei kanten aangemoedigd om zijn kritische toon te matigen. Hij is het daar niet mee eens: ‘Mijn definitie van integer schrijverschap vraagt van me dat ik me kritisch uitlaat over de wereld. Die wereld houdt niet van kritiek.’ Voornamelijk om nog aan de bak te komen ziet hij zich gedwongen zich aan te passen. Dit lukt echter niet altijd even goed. Tijdens een literaire avond waar hij door iemand van Kruispunt geïnterviewd wordt ziet hij zijn ideeën en romans gefileerd. Het totaal tegenovergestelde hiervan vindt de schrijver in buurman Wim, die hem kort na kennismaking weet te strikken voor zijn zogenaamde herenclub Deftig Rechts. De schrijver werkt hier voornamelijk aan mee omdat de organisatie een noodfonds voor leden heeft waarmee hij zijn financiële nood hoopt te verzachten. Deze heren zijn wel enthousiast over zijn werk, voornamelijk omdat ze daar bevestiging van hun standpunt in zien. In eerste instantie lijken ze een vrij redelijke club, tot er toch nationalistische praat wordt gebezigd en ze zich tot neonazi’s ontpoppen. 

    Zwart-wit denken

    Ouariachi laat de ‘Kruispuntiaanse’ types ook relevante vragen opwerpen zoals hoe belangrijk herkenning moet zijn in boeken. Maar de vragen worden al snel een soort preek, en de schrijver wordt gemakshalve tot een racist gemaakt. De discussie loopt vast en net als in het echt verschanst men zich achter het eigen gelijk. De schrijver roept dan ook in wanhoop uit: ‘Deze mensen gaan door tot ze me hartstikke kapotgekoloniseerd hebben.’ 

    In Herfstdraad zit veel humor verwerkt, de provincieplaats is steevast een ‘helleoord’ vergeleken met Amsterdam en volgens de schrijver kun je types met een balpen niet vertrouwen. Want de Belastingsdienst gebruikt ook balpennen. Het nadeel is dat het allemaal naar overmaat neigt. De verschillen tussen Kruispunt en Deftig Rechts worden wel erg dik aangezet, de schrijver lijkt de enige redelijke persoon te zijn in een zee van waanzin. ‘Alles raakt besmet, alles is schuldig’, zegt hij op een gegeven moment.

    De boodschap die Ouariachi wil overbrengen is duidelijk: kwesties reduceren tot zwart-wit denken is nooit een oplossing. Je moet altijd oog blijven houden voor de complexiteit. ‘Een extremist bant de complexiteit uit de werkelijkheid en is daarmee het absolute tegendeel van waar ik als schrijver voor sta: het moeilijk maken van wat door anderen als simpel wordt voorgesteld.’ Ondertussen ergert de schrijver zich wel overal dood aan en dit laat hij iedereen dan ook voortdurend weten. Hierdoor komt het personage zelfgenoegzaam over. De uiteindelijke confrontatie tussen ‘links’ en ‘rechts’ zie je dan ook van verre aankomen. De situatie kookt over en het komt tot een vrij dramatische, ietwat ongeloofwaardige conclusie. Als de schrijver teruggekeerd is in het veilige Amsterdam zegt hij half grappend tegen een vriend dat hij ontkomen is aan ‘die hele mislukte polderthriller’. 

    Witwassen

    Ouariachi bindt met verve de strijd aan met het woke denken. Het is alleen jammer dat de tegenstellingen iets te gemakkelijk worden gemaakt, zowel links als rechts worden afgeserveerd als parodie. Als satire werkt dit misschien, maar als kritiek overtuigt het minder. De vrouw van de schrijver beschuldigt haar man er op een bepaald moment van dat hij haar naam witwast door haar Liek te noemen in plaats van Malika. Dit soort kolderieke scènes buitelen over elkaar heen in een poging van Ouariachi om een duidelijk punt te maken, namelijk dat het inclusieve denken met haar kritiek te ver gaat. En het tegengeluid van rechts bestaat in deze roman dan weer uit barbecueënde mannen die hun shirts uittrekken om te worstelen tijdens de barbecue, en die vinden dat alleen mannen iets maatschappelijks kunnen bereiken. Beide zijden zijn doorgeslagen en vertegenwoordigen extremen. Op die manier heeft Ouariachi gelijk als hij zegt dat je met extremisme niets bereikt.    

    Als het erop aankomt is de schrijver in Herfstdraad toch van de nuance en zodoende komt het tot een breuk met zowel Kruispunt als Deftig rechts en via de uittocht uit de provincieplaats tot een terugkeer naar Amsterdam. Met deze exodus volbracht komt hij ‘gelouterd’ terug en zowel zijn financiële als relationele problemen zijn gelijk opgelost. Hij ontmoet namelijk een nieuwe vrouw en zijn inkomsten uit het schrijven trekken weer aan. Dit tweede gedeelte van de roman is iets sterker maar helaas ook vrij clichématig. Dit komt het sterkst naar voren in het slot, waar Ouariachi de conclusie trekt: ‘Als ik met een pistool tegen m’n kop zou moeten kiezen tussen extreemlinks of extreemrechts, dan zal ik natuurlijk nooit voor de neonazi’s kiezen.’ De waarheid ligt dus ergens in het midden, maar dat is een behoorlijke anticlimax. Dit neemt niet weg dat er genoeg is om van te genieten, het verhaal van de neergang van de schrijver in het eerste deel is meeslepend en de idiote taferelen die hij beleeft met Kruispunt zijn af en toe hilarisch. Uiteindelijk is het een met vaart geschreven en smakelijk verteld verhaal. De kruistocht van de schrijver in Herfstdraad tegen het wokisme zet aan het denken, ontroert en deelt rake klappen uit.     

     

  • Dienstmededelingen

    Dienstmededelingen

    Iemand vroeg me naar mijn onuitgelezen boeken. Ik houd ze niet bij, weet dat het er veel zijn, meer dan anders. Ik bevind me in een staat waarin ik met veel dingen weinig geduld heb. Ook haak ik bij de een na de andere serie af. Bij House of Cards ben ik al weg en na het zien van de meest recente episode van Designated Survivor weet ik dat het klaar is. In series heeft het te maken met de dialoog. In plaats van gesprekken tussen personages worden dialogen op tv vooral gebruikt om informatie over te brengen op de kijker. In aflevering zeven, seizoen twee van Designated Survivor gaat dit zo:
    – Turans mensen willen de huur van onze bases verhogen.
    – Hij wil geld voor een oorlogsschatkist voor de verkiezingen.
    – Hij moet stemmen kopen.
    – Niet met ons geld. We betalen genoeg. Zes miljard per jaar.
    Dit is geen gesprek maar een opsomming van feiten en informatie die al lang bekend zijn bij de personages die ze uitspreken. Dus als Tom Kirkman, president van de Verenigde Staten, die laatste zin zegt, doet hij dat als encyclopedie voor de kijker, die moet weten hoe het politiek ook al weer zit.
    Ik probeer me zo min mogelijk te ergeren en zo veel mogelijk te verwonderen. Doodmoe ben ik van alle verwondering.

    Het is moeilijk, informatie overbrengen die voor de lezer of kijker noodzakelijk wordt geacht maar reeds bekend is bij de personages om wie het gaat in het verhaal. Dat maakt dagboekachtige verhalen tot zo’n precaire kunstvorm, want hoe zorg je ervoor dat je als schrijver niet al te aanwezig bent en de lezer toch alles begrijpt?
    Never let me go van Kazuo Ishiguro (het boek, niet de film), lijkt een grote aaneengeschakelde dienstmededeling: keer op keer legt Kathy H. dingen uit die voor haar geen nieuws zijn, ze ontleedt de structuren van haar jeugd en leven. Aan wie doet ze dat? Aan de lezer, een lezer. Ze kondigt steeds een herinnering aan, vertelt eerst over de achtergrond ervan in ellenlange ‘dat zit zo’-achtige constructies en keert dan pas terug naar wat ze eigenlijk wil vertellen. Tegelijkertijd laat deze vertelmethode goed zien hoe het er in Kathy’s hoofd aan toe gaat: hoe losgezongen ze is – door de mal waarin ze opgroeide – van normale sociale normen.

    In het nawoord van Jamal Ouariachi’s verhalenbundel Herinneringen in aluminiumfolie haalt hij uit naar ‘de literaire obsessie (in Nederland, red.) voor het ‘spaarpotproza’, waarin zo min mogelijk wordt uitgelegd en de taal aan alle kanten kaal is. ‘(…) jij als schrijver moet het basismateriaal aanleveren en je niet verschuilen achter: oeh-oeh-oeh mysterieus, de lezer mag deze door mij kunstmatig aangebrachte hiaat helemaal zelf invullen.’
    Het is een kreet die ik begrijp, maar waarvan ik het andere uiterste, broertje informatie-overschot, de laatste tijd veel vaker tegenkom.

    Een middenweg met niet te veel dienstmededelingen enerzijds en niet overdreven mysterieus gedoe anderzijds moet toch mogelijk zijn, op tv en in boeken. Ik schakel Netflix en tv uit en vind troost in de gedachte dat ik altijd nog meer uitlees dan wegleg.


     Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

  • Zorgenkind of zondagskind

    Zorgenkind of zondagskind

    Eigenlijk is het een goed idee om de lectuur van Herinneringen in aluminiumfolie, de nieuwe verhalenbundel van jeune premier Jamal Ouariachi, aan te vatten met het nawoord van de schrijver. Daarin heeft hij het over de lage status van het korte verhaal, het ‘zorgenkindje van de literatuur’. Commercieel gezien doen verhalenbundels het namelijk niet zo best, uitgevers staan er afkerig tegenover en er bestaan amper nog literaire prijzen voor het genre.

    Waar wringt de schoen? Welnu, Ouariachi stelt zelf de ‘schuldvraag’: ‘Hoe komt het toch dat het korte verhaal een kindje met vliegen in de ogen en een opgezwollen hongerbuikje is geworden?’ Zijn conclusie: het ligt aan de schrijvers. Die minachten de lezer, want sinds de romantiek is de verteller een autonome kunstenaar geworden die naar niets anders meer behoort te luisteren dan naar zijn eigen artistieke impuls. De lezer werd minder belangrijk, aldus Ouariachi. En door de gebrekkige (financiële) waardering voor het genre die daaruit voortvloeit, maken veel schrijvers zich ervan af met broddelwerk: ‘De publicatie van een slecht verhaal levert geen enkele reputatieschade op terwijl het wél geld oplevert. Tel uit je winst.’ Bij wijze van voorbeeld citeert Ouariachi een aantal ‘ongeïnspireerde flutzinnen’ uit schamele korte verhalen. Het moet gezegd: de man heeft wel een punt.

    Toch rijst de vraag of daarmee de kous af is. Die beperkte waardering voor korte verhalen, is dat geen typisch Nederlands fenomeen? Sinds de romantiek heeft een hele rits wereldwijd gelauwerde schrijvers zich toch met succes aan het genre gewaagd. Ouariachi verwijst zelf naar Raymond Carver, maar voor de vuist weg kan je ook Borges, Kafka, Hemingway en nog een heleboel anderen noemen. En hoe zit het dan met de poëzie, die ook de reputatie heeft om onverkoopbaar te zijn, maar niet zo’n lage literaire status heeft?

    In één opzicht heeft Ouariachi zeker gelijk: veel korte stukken proza die in het Nederlandse taalgebied als ‘korte verhalen’ worden gepresenteerd, zijn dat eigenlijk niet. Vaak gaat het ofwel om opzetjes voor mislukte romans, ofwel – erger nog – om breed uitgesponnen columns van het soort dat hoofdzakelijk van pas lijkt te komen als vulmiddel voor onverkochte advertentieruimte in kranten en weekbladen. Zo niet bij Ouariachi: hij schrijft wel degelijk échte korte verhalen, met een beperkt aantal personages en meestal een verrassende pointe. Geen richtingloos geneuzel dus, maar om hem nog eens te citeren: ‘Gewoon een goed verhaal. Ambachtelijk opgeschreven. Artistiek fascinerend. Experimenteel voor mijn part. Maar wel met feiten, details, actie, zintuiglijke indrukken, boeiende overpeinzingen.’

    Tot zover de theorie. De vraag is natuurlijk in welke mate Ouariachi zijn eigen poëtica kan waarmaken: the proof of the pudding is in the eating. Het titelverhaal begint alvast veelbelovend (‘Een plakje kort gebakken kastanjechampignon, daar leek het nog het meest op’), en draait rond een interessante gedachte die de schrijver met wetenschappelijke, maar speelse nieuwsgierigheid benadert – wat is de aard van het bewustzijn en het denken in relatie tot de hersenen? De aanleiding is in dit geval een plakje hersenen dat de huisgenote van het hoofdpersonage van haar werk heeft meegebracht.

    Ouariachi gebruikt zijn verhalen verder voor experimenten die waarschijnlijk moeilijk een hele roman vol te houden zijn, want ook dat is een dikwijls over het hoofd geziene mogelijkheid die het verguisde korte verhaal biedt. Zo is er het bizarre, schijnbaar aan Anthony Burgess’ A Clockwork Orange ontleende taaltje van Zopor: ‘koekel die zonderling daar, alleen aan een tafeltje, met zijn mismoedige moffel.’ Ook de vertelstandpunten zijn verre van conventioneel. Neem bijvoorbeeld Keuze, waarin we de actie zien door de ogen van een aasetend insect.

    Maar ook zonder absurde gekte kunnen Ouariachi’s verhalen nog boeien. De brug, een hilarisch verhaal over een onbeduidende ambtenaar van een dienst voor ruimtelijke ordening die zijn hele leven lang ijvert voor een brug om het fileprobleem in een tunnel aan te pakken, lijkt een humoristisch statement tegen ambtelijke waanzin.

    Het is alleen jammer dat tussen deze sterke verhalen een of twee afdankertjes staan. Het dieptepunt van dit boek is De toeristenslager, een horrorverhaal met een voorspelbare plot dat ooit al in een bundel met Halloweenverhalen stond. Het thema werd al uitgemolken in talloze B-films en valt hier nogal uit de toon.

    De eindbalans is echter zonder meer positief. Zo is er nog De Moslim Sportvissers Club, dat alleen al om de sterke grappen de moeite waard is. De rivaliteit met de Visbroeders en Ali’s Hengelsport Genootschap is een sterke vondst, maar maatschappelijk graaft het verhaal dieper en legt het iets bloot van de complexe realiteit waarin Nederlandse moslims hun weg moeten vinden. En ook de uitsmijter Sabotage, waarvan we de plot hier niet willen verpesten met een spoiler, is top. Kortom: dit boek is een sterke singlecollectie, alleen jammer van die B-kantjes. Al kan je die natuurlijk gewoon skippen.

     

     

  • Rijke, ambitieuze roman

    Rijke, ambitieuze roman

    Grootheden die van hun voetstuk vallen, spreken tot de verbeelding. Alexander Laszlo, een van de twee hoofdpersonen van Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Een honger, verwerft bekendheid als ontwikkelingswerker, maar valt in ongenade als hij door een van zijn Ethiopische adoptiekinderen wordt beschuldigd van seksueel misbruik. In een poging tot eerherstel vraagt hij zijn ex-vriendin Aurélie een boek over zijn leven en ideeën te schrijven.
    Dit gegeven vormt de basis van een complexe, gelaagde roman, waarin heen- en weer wordt geschakeld tussen de relatie van Alexander en Aurélie, hun ontmoeting in Ethiopië en het onvermijdelijke weerzien van de twee, tien jaar later. De energieke, onvermoeibare Laszlo blijkt te zijn veranderd in een gedesillusioneerde, oude man, die zijn hoop heeft gevestigd op de memoires waarmee hij zijn goede naam wil terugkrijgen. Met zijn pleidooi voor ‘een bepaalde mate van pedofilie’ in de samenleving stelt hij niet alleen de hysterische angst voor pedofielen aan de kaak, maar pleit hij ook voor een vrijzinnige, libertaire omgang met de seksualiteit van kinderen en seksualiteit in het algemeen. Hoewel er op Laszlo’s betoog veel valt aan te merken, getuigt het van lef dat Ouariachi dit gevoelige onderwerp durft aan te snijden.

    Interessanter dan de aandacht voor pedofilie in Een honger zijn de hoofdstukken waarin studente en journaliste Aurélie centraal staat. Wanneer zij als student psychologie in 2003 de charismatische ontwikkelingswerker Laszlo in Ethiopië leert kennen, is haar verliefdheid zo groot, dat ze alleen met ontzag naar hem kan opkijken. Tien jaar later, wanneer Aurélie een burgerlijk bestaan heeft opgebouwd met kind, vriend en redactiewerk, kijkt met ze met nuchtere ogen naar de man die zij als studente zo had geïdealiseerd. Met de beschrijving van de hectiek van haar bestaan, de twijfels, de irritaties, de verwachtingen en teleurstellingen, het schakelen tussen het echte leven en de sociale media, geeft Ouariachi een treffend beeld van de tijdsgeest. Aurélie worstelt met haar verschillende, vaak tegenstrijdige rollen: die van de verzorgende ouder, de liefhebbende partner, de presterende werknemer en het naar zelfontplooiing verlangende individu. Zo heeft ze aanvankelijk geen zin om aan een boek mee te werken waarin haar ex-vriend zijn controversiële ideeën over pedofilie uit de doeken wil doen, maar stemt ze toch in uit ambitie en nieuwsgierigheid. De combinatie van een sterk psychologisch inzicht en een ontvankelijke, kritische houding tegenover de maatschappelijke realiteit maakt Ouariachi tot een relevante auteur.

    Maar Een honger is meer dan een romance tussen een naïeve studente en een oudere, charmante ontwikkelingswerker, die elkaar tien jaar later treffen in een ongemakkelijke situatie. Ouariachi speelt met woorden en stijlen, wisselt voortdurend van vertelperspectief, levert commentaar op bekende boeken en schrijvers (Hemingway, Palmen) en schetst een gedetailleerd en overtuigend beeld van de hongersnood in het Ethiopië van de jaren tachtig.
    Deze rijkdom heeft echter een nadeel: een gebrek aan eenheid. Ouariachi heeft veel materiaal in deze roman willen verwerken, dat allemaal vrij uitvoerig wordt behandeld. Daardoor is het moeilijk om als lezer de belangrijkste verhaallijn in het oog te houden. Bovendien geven de vele filosofische en literaire uitweidingen het boek een tamelijk cerebraal karakter, wat de emotionele zeggingskracht soms in de weg staat. Niettemin heeft Jamal Ouariachi met Een honger een rijke, ambitieuze roman geschreven, die ondanks zijn soms hoogdravende karakter een aanwinst is voor de Nederlandse literatuur.

     

    Een honger 

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 592
    Prijs: € 19,99

  • Filmische speurtocht naar bron van agressie

    Filmische speurtocht naar bron van agressie

    Als puber gooide hij ooit, in gezelschap van relschoppers, de ruiten van een bushokje aan diggelen. Hij schrok niet eens zozeer van de daad als wel van de ervaring dat hij die agressieve kracht in zich had. De herinnering komt terug als later in zijn leven relaties stranden na brute agressie van zijn kant. Als hij die agressie nu maar kan beheersen, zal hij genezen zijn. Denkt hij.

    ‘Hij’ is de hoofdpersoon in Vertedering, de tweede roman van Jamal Ouariachi (Amsterdam, 1978, zoon van een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader). Een naam krijgt de ‘hij’ voor ons niet. En dat is niet toevallig. Hij beweegt zich als een anonymus door zijn leven. Hij laat zich niet echt kennen, en erger: hij kent zichzelf nauwelijks. Hij is voortdurend bezig te beantwoorden aan het zelfbedachte beeld dat anderen gunstig moet stemmen. Met gevoelens van zichzelf en anderen kan hij echter niet omgaan. ‘Emotie was wat hem betreft een vormeloze klont’.

    Boeiend aan de roman is dat de lezer steeds duidelijker wordt hoezeer de ‘hij’ zijn eigen teloorgang bewerkstelligt, terwijl bij hem zelf het kwartje maar niet wil vallen. Na een afgebroken studie filosofie is hij het café Nooit meer slapen gestart dat na een paar jaar failliet gaat. Hij vervult nu een geestdodend baantje op de postkamer van een grote uitgeverij.
    Zijn relaties met achtereenvolgens Elsa en Zerline kennen een vergelijkbaar bruusk einde. Beide vrouwen vertrekken na agressieve uitvallen van hem. Hij gaat zijn leven steeds meer als een aaneenschakeling van mislukkingen zien, die volgens hem geheel te wijten zijn aan die agressieve explosies. Psychologische hulp vertrouwt hij niet en nijvere zelfstudie in neurobiologische literatuur levert hem al evenmin verklaringen op. Het doet hem besluiten tot een bizar experiment met een nieuwe geliefde dat hem zal moeten leren zijn woedeuitbarstingen te beteugelen. Zijn nieuwe relatie noemt hij dan ook een ‘project’.

    Vertedering is opgebouwd als een drieluik. In het eerste deel maken we kennis met de repeterende dagen van de ‘hij’ als postkamermedewerker. Vooral dit deel levert veel komische beschouwingen op, die voor de lezer echter steeds cynischer en bijtender worden omdat de hoofdpersoon meer en meer getuigt van gering zelfinzicht. Zijn hele leven lijkt opgehangen aan terugkerende stramienen, zoals het vaste zondagse bezoek van zijn moeder en de omgang met zijn vrienden Daan en Patrick, die ook al is geformaliseerd in vaste afspraken. Werkelijke zieleroerselen worden onder de vrienden niet besproken.

    De roman begint als de ‘hij’ tijdens zijn middagpauze een mand met pasgeboren katjes vindt. Hij is er verlegen mee en voelt zelfs irritatie dat hij nu juist in deze situatie wordt gebracht. Hij neemt een ziek katje mee en verzorgt het teder, niet als een duidelijke persoonlijke keus, maar omdat het nu eenmaal zo loopt. Twee achtereenvolgende vriendinnen, Elsa en Zerline, geven hem een tijdlang het gevoel gelukkig te zijn, maar ze kunnen hem in wezen niet bereiken.

    In het tweede deel trekt hij zich terug in zichzelf voor een ‘contemplatie’ over de mislukkingen in zijn leven, maar wij lezers zien hoe hij niet tot de kern komt, hoezeer hij zelf ook overtuigd is van het tegendeel. Hij besluit tot het bizarre plan dat hij in het laatste deel uit zal voeren.

    De roman krijgt door deze indeling enigszins de structuur van een klassieke drama: de ‘held’ op weg naar zijn catharsis. Of hij die bereikt laat Ouarachi tot het laatst onzeker. Maar het vermogen de roman daarmee voortdurend op spanning te houden is niet de enige kracht van deze auteur. Ook de stijl en de natuurgetrouwe dialogen dragen daaraan bij. De auteur weet de suspense goed te doseren en hij benut overtuigend zijn ervaring als therapeut in de beschrijving van de geesteswereld van de protagonist.

    Talrijk zijn de toespelingen op gebeurtenissen van de laatste jaren die je als lezer herkent en die je daardoor nog meer in het verhaal trekken alsof je er zelf bij bent: toespelingen op personen die opdraafden in DWDD en Zomergasten, de discussies rond Wij zijn ons brein van Dick Swaab, de fraude van Diederik Stapel, het ongeluk met de Costa Concordia, allemaal zonder dat ze bij naam worden genoemd, maar voldoende herkenbaar.

    Talrijk zijn ook de literaire verwijzingen. Natuurlijk de naam Nooit meer slapen voor het café (de ‘hij’ heeft thuis 27 drukken van de roman van W.F. Hermans in zijn kast staan), maar ook indirect als hij dwalend door nachtelijk Amsterdam de regels neuriet ‘O, dat het zo ver gaat / elke vrouw heeft jouw gezicht enz.’. Die zijn afkomstig uit het liedje Nooit meer slapen van Doe Maar. De prachtigste verwijzing op dat punt lezen we echter als hij kennis maakt met Zerline:

    Zerline heette ze. Zerline. Hij liet zijn mond de naam uitspreken zonder geluid te maken, proefde de letters, vooral de ‘l’ die zo’n wulpse, vloeibare vertraging veroorzaakte, waarna de tong, die puntig en spits aan de voortanden had gelikt, zich breed en plat maakte om zich opnieuw tegen de voortanden aan te vlijen voor de ‘n’.

    Dat doet onmiddellijk denken aan de sensuele openingszin van Lolita van Nabokov (‘Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur. Mijn zonde, mijn ziel. Lo-Lie-ta: de tongpunt daalt drie treden het gehemelte af en tikt bij drie tegen de tanden. L. Lie. Ta.’; vertaling Rien Verhoef).

    Ontelbaar zijn ook de verwijzingen naar films. Vaak om stemmingen weer te geven, maar ook als beeld: het katje dat de naam Buscemi (naar acteur Steve Buscemi in Reservoir Dogs) krijgt en het beeld dat de hoofdpersoon van zijn agressieve zelf oproept als Jack Nicholson in The Shining.

    ‘Beelden’ naar films inderdaad. Want ook een laatste kwalificatie die aan dit boek gegeven mag worden is de filmische verteltrant. Een scenarioschrijver kan na lezing van Vertedering meteen aan de slag.


    V
    ertedering

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido (2013)
    Aantal pagina’s: 256
    Prijs: € 19,95

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Jongens waren het de Titaantjes van Nescio. Aardige jongens ook nog eens. Aan het begin van de twintigste eeuw stonden ze aan de rand van het Amsterdamse Oosterpark te dromen van een leven dat ze ver verheven achtten boven het saaie burgerleven dat anderen leiden. Een eeuw later zijn ze er nog steeds, de mensen die hun leven liever wijden aan schoonheid, de literatuur of de kunst, in plaats van te kiezen voor een leven dat bepaald wordt door gezin, geld verdienen en de verplichtingen van de werkweek. Jongens zijn het niet meer uitsluitend, en aardig zijn ze vaak ook al niet.

    Neem Prosper Morèl, de hoofdpersoon uit de debuutroman De vernietiging van Prosper Morèl van Jamal Ouariachi. Hij is 38, psycholoog met een goed lopende praktijk in het rijke Amsterdam-Zuid, getrouwd en kinderloos. Vroeger, in de jaren negentig heeft hij een poging gedaan om kunstschilder te worden. Een jeugdzonde waar hij niet graag aan herinnerd wil worden, zo blijkt.  Toch is die periode allesbepalend voor de rest van zijn leven.

    Als beginnend kunstschilder woonde Morèl in een kraakpand in het centrum van Amsterdam, dat hij deelde met zijn vriend Remco Haak, die beeldhouwer zou worden, en het meisje Chris Altena. Haak is jaren later nog steeds bevriend met Morèl en is inmiddels een internationaal beroemd architect geworden. Zijn naam doet natuurlijk denken aan die van Rem Koolhaas. Het is overigens niet te hopen dat Koolhaas ook het karakter heeft van Haak want het romanpersonage is een groteske karikatuur die desondanks geloofwaardig is. Hij is grof, egoïstisch, belust op geld en seks en onmogelijk brutaal. Het meisje Chris Altena steekt bij de twee heren wat vreemd af. Zij doet een poging schrijfster te worden en is wars van compromissen waar het haar schrijversleven betreft.

    Als dit drietal een generatie representeert die niet zo lang geleden nog iets van idealisme in zich had en niet wenste te kiezen voor plat gewalste maatschappelijke paden dan zakt je de moed toch in de schoenen. Alle drie zitten deze net-niet kunstenaars vol cynisme (Morèl), woede op de buitenwereld (Chris) en grenzeloze zelfoverschatting (Remco Haak).

    Maar Ouariachi heeft geen realistisch portret geschreven van een generatie. Het is fantasierijke fictie wat hij schrijft en bijna voortdurend is er sprake van een avontuurlijke spanning. Het beeld van mislukte talenten en gefnuikte idealen ontstaat langzaam. Het verhaal begint, na een korte proloog, met Morèl als succesvol psycholoog die ongevraagd een erfenis krijgt van zijn vroegere huisgenote Chris Altena. Met tegenzin accepteert hij een doos waarin haar dagboeken zitten en met tegenzin begint hij te lezen. Chris is een schrijfster in wie uitgeverijen nooit iets gezien hebben en de fragmenten van haar hand die we onder ogen krijgen bevestigen dat oordeel. Het lezen van Chris haar dagboek deed mij even afvragen of de roman wel zo sterk zou blijven als hij begon.

    Morèl leest in die dagboekbladen over zijn eigen vroegere leven. Een leven vol hoop, weinig talent, veel hangen en dat alles vanuit een arrogante weigering om iets van een ander te willen leren. Zelf weten ze het beter en komen ze tot weinig. Behalve Chris die voortploetert op een wel heel eenzame weg. Uiteindelijk kiezen Morèl en Remco voor de makkelijke uitweg: studeren, een carrière en een burgerleven waarin de ironie de boventoon moet vieren.  Dit tot woede van Chris die postuum wraak neemt door Morèl haar dagboeken na te laten.

    Chris schrijft ook over haar oom Adri die na een totaal mislukte carrière als kunstschilder zelfmoord heeft gepleegd. Die mislukking, het totaal gebrek aan talent in een kunstenaarswereld die bestaat uit het bedenken van pogingen tot shockeren en tot het herhalen van wat al veel te vaak gedaan is, begint na een aantal bladzijden toch te schuren in positieve zin. De aanvankelijke, literaire onbenulligheid van Chris haar teksten neem je voor lief omdat zij is voorgesteld als ongetalenteerd en mislukt. Het is een merkwaardige kunstgreep die goed uitpakt.

    Morèl leest, leest en spit daarmee zijn eigen leven om. Hij trekt zich terug op zijn zolderkamer om in eenzaamheid verder te lezen, verwaarloost zijn huwelijk,  en begint zich te steeds meer te ergeren aan de luxe relatieproblemen van zijn Amsterdam-Zuid cliënten. Het dagboek drukt hem met de neus op de feiten: zijn huidige leven is bepaald geen kunstwerk en ook van de voorgenomen ironie is bitter weinig terecht gekomen. Hoe verder Morèl doordringt in de geschriften van de overleden Chris hoe slechter het met hem gaat.

    Chris haar geschriften worden gaandeweg verwarder. Zij lijkt de greep op haar eigen eenzame en armoedige leven langzaam kwijt te raken. Na een mislukte roman bijt ze zich vast in een werk over zelfmoord waarvan de conclusie zich langzaam openbaart. Zelfmoord is te beschouwen als een kunstwerk, de ultieme uitdrukking van de eigen wanhoop die een voortleven in de herinnering van anderen het best waarborgt. Het is een absurde stelling die uitgebreid wordt beargumenteerd met voorbeelden als de dood van Kurt Corbain en de aanslagen op de Twin Towers.

    Morèl leest het hoofdschuddend en is inmiddels stevig aan de drank geraakt. Zijn praktijk verliest cliënten, zijn vrouw verlaat hem en even denk je dat het boek zal aansturen op de zelfmoord van Morèl. Maar zo voorspelbaar is deze roman bij lange na niet.

    Steeds duidelijker wordt wel dat vernietiging de enige weg lijkt die Morèl uit zijn existentiële impasse kan halen. Hij is niet meer in staat in idealen op te gaan, creatief te zijn tot in het diepst van zijn ziel. Eerst moet er iets kapot gemaakt worden voordat met iets nieuws kan worden begonnen. Het is een even cynische als overtuigend gebrachte gedachte.

    De teksten van Chris hebben een ver strekkende invloed. Ze komen terecht bij een patiënt van Morèl, ook al een gefnuikt kunstenaar, die vervolgens een zelfmoordaanslag pleegt. Dit overigens tot ontzetting van Morèl. Vanaf dat moment verandert de roman van toon, wordt de spanning met meer fantasie opgevoerd en neemt de actie toe. De verwikkelingen die plaats vinden hebben alles te maken met een megalomaan project van Morèl’s vriend Remco Haak die naast het Amsterdamse Centraal Station een enorme toren, IJ-Morgana, heeft gebouwd.

    Interessant is dat op het moment dat Morèl zichzelf verliest en verandert, de roman fantasierijker wordt. De nummers van de hoofdstukken maken plaats voor titels die verwijzen naar bekende werken in de schilderkunst. Wie iets van kunstgeschiedenis weet, merkt ook dat elk hoofdstuk duidelijke verwijzingen bevat naar de schilders van deze werken. Zo ontmoet Morèl op de Zeedijk een figuur die in alles op Piet Mondriaan lijkt. Vriend Remco wordt vergeleken met beschrijvingen die op het werk van Caravaggio zijn geënt en de lezer die onlangs in het Gemeentemuseum in Den Haag de tentoonstelling Kandinsky en Der Blaue Reiter heeft gezien, kan ook een zin als de volgende plaatsen.

    Remco was hem ontschoten, van hem weggeschoten als een blauwe ruiter op een galopperend paard, naar een wereld waarin alles op z’n kop leek te staan, grenzen vervaagden, lijnen vervormden.’

    Het is speelse symboliek in een boek dat dan al niet meer kapot kan. De achterliggende gedachte is duidelijk. Morèl verliest zijn oude gepantserde huid en naar boven komt de schilder in hem die al die tijd heeft liggen wachten. De wereld wordt weer kunst en Morèl bekijkt alles met andere ogen. Zijn wedergeboorte komt langzaam voort uit de vernietiging van zijn oude bestaan. Die vernietiging is geen zelfmoordaanslag maar iets wat er gevoelsmatig dicht bij in de buurt ligt. Ook een zelfmoordaanslag kan levens redden, zou je cynisch kunnen concluderen.

    Die eindconclusie, hoe bizar die nu ook mag klinken, zet wel aan tot denken. In een kunstwereld waar kunstenaars zich nog steeds proberen te overtreffen in de mate waarin hun werk kan shockeren, is zelfmoord als kunstwerk geen idiote gedachte meer. Voor een generatie die nauwelijks idealen heeft of blijft hangen in een fuik van een gebrek aan ontwikkeling, er niet in slaagt talenten te ontplooien in plaats van ze aan coke of de werkweek te grabbel te gooien, is de eigen vernietiging misschien nog de enige oplossing. Je vraagt je af of net zoals Morèl uiteindelijk zichzelf hervindt in de schoonheid van de schilderkunst ook de huidige tijd zichzelf zou moeten hervinden. Daar is veel, misschien wel te veel, voor nodig lijkt de boodschap van de roman te zijn. Ouariachi is overigens slim genoeg om dergelijke beschouwingen impliciet te laten. Hoogdravend is de roman nergens al is het slot bijna onafwendbaar moralistisch, wat overigens geen literaire doodzonde is.

    Kritiek kun je hebben op de geloofwaardigheid van het fantasievolle tweede deel van de roman. Daar tegenover staat dat er geen saaie pagina in het boek is aan te wijzen. Je kunt je storen aan het cynisme van Morèl en de afkeer van alles wat aan iets zweverigs doet denken. De no-nonsens houding van zowel Morèl als Ouariachi is op zijn slechtst vermakelijk, op zijn best bewonderenswaardig. Morèl heeft duidelijk een broertje dood aan dieptepsychologie, alternatieve geneeswijzen en hoogdravend gezwets. Ouariachi doorspekt zijn roman niet met filosofische bespiegelingen. Het verhaal moet zichzelf vertellen en dat lukt wervelend. De vernietiging van Prosper Morèl is wat mij betreft een uitstekend gelukt, rijk debuut dat prikkelt, schuurt en aan het denken zet.

    Een interview met de auteur is te vinden op http://avonden.radio6.nl/tag/jamal-ouariachi/

    De vernietiging van Prosper Morèl

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij : Uitgeverij Querido
    Prijs: € 19,95