• Als er geen vrouwelijke rolmodellen zijn, dan zal ik er een zijn

    Als er geen vrouwelijke rolmodellen zijn, dan zal ik er een zijn

    In 1943 verschijnt Uitgenodigd, de eerste roman van Simone de Beauvoir. Het is ‘een existentiële filosofie in romanvorm, als een soort aanvulling op Sartres Het zijn en het niets,’ schrijft Caroline Bernard (pseudoniem van Tania Schlie) in de biografische roman over Simone de Beauvoir De vrouw van Montparnasse. In Café de Flore, hun stamcafé, bestelt Sartre om de uitgave te vieren champagne, die vanwege de oorlog helemaal niet te krijgen is. Het wordt slechte jenever.

    ‘”Op de vrijheid,” zei Sartre en hij proostte op haar’. Vrijheid werd voor Simone het sleutelwoord. Voor Sartre gold alleen persoonlijke vrijheid. In Het zijn en het niets had hij maar een paar bladzijden over de ethiek van vrijheid geschreven en al tijdens het schrijven van zijn werk had Simone herhaaldelijk over deze definitie met hem gesproken. Volgens haar was de ander ‘meer dan een object, meer dan een obstakel op de weg naar de eigen vrijheid. (…) “U denkt te kort door de bocht Sartre. U vergeet het ethische aspect dat in elke relatie moet bestaan.”’

    Geen traditionele vrouwenrol

    Het is een van de voorbeelden waaruit blijkt dat De Beauvoir en Sartre als filosofen en schrijvers absoluut gelijkwaardig waren in hun manier van denken en discussiëren. Zij publiceerden niets zonder het aan elkaars bevindingen te hebben getoetst. Maar veel van hun lezers vulden haar in als een aanhangsel van hem. Voor mannen, concludeert De Beauvoir als ze nadenkt over wat De tweede sekse (1949) zal worden, is een vrouw ‘de ander’.  

    Caroline Bernard (Hamburg, 1961, pseudoniem van Tania Schlie), laat De vrouw van Montparnasse – Simone de Beauvoir en haar zoektocht naar liefde en waarheid, in 1924 beginnen (en eindigen in 1946). Simone is dan zestien jaar en heeft vaak onenigheid met haar vader, wiens bewondering voor haar intelligentie is omgeslagen in afwijzing. Hij ziet haar graag in de traditionele vrouwenrol, maar Simone verzet zich daartegen. Ze leest, wil leren en weten, schrijven. ‘Alles interesseerde haar, niets was veilig voor haar honger naar kennis en haar nieuwsgierigheid,’ schrijft Bernard. Omdat haar vader zijn fortuin had verloren wist Simone dat ze haar eigen geld zou moeten verdienen. Voordat ze dat kon als schrijfster zou ze als lerares gaan werken. Ze volgt verschillende opleidingen, onder andere aan de Sorbonne Grieks, Latijn, wiskunde, literatuur en filosofie. 

    Om haar uiterlijk geeft ze niets, maar romantische gevoelens zijn haar niet vreemd. Haar vriendin Zaza is verliefd op Maurice Merlau-Ponty, haar nieuwe vriendin Stépha kleedt zich uit in haar bijzijn en slaapt zelfs met vriend Fernando, vrijheden die Simones mond ‘doen openvallen van verbazing’. Zelf hoopt ze te trouwen met haar neef Jacques, die haar geregeld verdedigt tegenover haar vader. Maar als hij als dienstplichtige naar Algerije vertrekt, is er bij hun afscheid niets dat die hoop rechtvaardigt. 

    Studeren

    Simone mag studeren aan de École Normale, waar ze een van de eerste vrouwelijke studenten is. In januari 1929 gaat ze als lerares in opleiding een paar weken lesgeven aan het Lycée Janson de Sailly, waar alleen jongens worden toegelaten. De leerlingen lachen om haar: ze is te jong en een vrouw. ‘Sommige jongens maakten haar duidelijk dat ze niet wilden dat een vrouw hun vertelde wat ze moesten doen. Simone haalde haar schouders op en legde strenge straffen op.’

    Op de Sorbonne komt ze via haar goede vriend Maheu in aanraking met Paul Nizan en Jean-Paul Sartre. Ze voelt zich door Sartre geïntimideerd, al hebben ze nog nooit met elkaar gepraat. Hij heeft de reputatie veel geliefden te hebben en ze slecht te behandelen, maar Simone kon ‘ergens niet geloven dat hij net zo was als de anderen, die vonden dat vrouwen niet op de universiteit thuishoorden, die begonnen te lachen en gekke gezichten trokken als een van de weinige vrouwelijke studenten een presentatie hield.’ 

    Levendig beschrijft Bernard hoe in de collegezaal de eerste blikken worden gewisseld tussen Sartre en Simone en er briefjes heen en weer gaan. Een paar maanden later vraagt Sartre of Simone hen ‘die ingewikkelde Leibniz uitlegt’ over wie haar proefschrift gaat. Ze stemt in en vindt het leuk om ‘intellectueel met hem te concurreren’. Sartre zag haar voor wie ze was, waardeerde haar om haar intellect. ‘Ik heb u nodig om mijn gedachten te ordenen,’ zegt hij, ook al had hij ‘een intellectueel zelfvertrouwen dat zij miste’. Sartre leerde haar dat ze een ‘eigen persoon’ was, terwijl zij nog ‘al haar ontmoetingen en ervaringen aan Jacques relateerde’. Ze komt tot de conclusie dat in de filosofie en de boeken die ze zelf zou gaan schrijven geen plaats voor Jacques was. Ze is dan 21 jaar.

    Niet een maar twee

    Aangemoedigd door Stépha gaat Simone op eigen initiatief met Sartre naar bed. ‘Ze had er geen idee van gehad dat er nog een ander niveau van verbinding mogelijk was dan het intellectuele.’ Ze worden onafscheidelijk, hun gesprek houdt nooit op, ook niet in het bijzijn van vrienden. Sartre maakt haar wel duidelijk dat hun liefde niet vanzelfsprekend is. Ze moeten die altijd op de proef blijven stellen. Huwelijk en monogamie verwerpt hij, zo wist Simone, die door Sartre ‘Castor’ wordt genoemd. Ze beseft dat zij niet een zijn maar twee. Ze realiseert zich ook dat ze geen vrouwelijke rolmodellen heeft om zich aan te spiegelen, terwijl er voor mannen talloze zijn. Aan haar zus schrijft ze: ‘Ik zal een genie worden. En als er geen vrouwelijke rolmodellen zijn, dan zal ik er een zijn.’  

    Sartre stelt voor een stel te zijn, waarin hij alleen met Simone een stabiele relatie heeft, met andere vrouwen losse. ‘We vertellen elkaar alles. Ook als er anderen zijn.’ Het pact betekent dat ook Simone vrij is, ze hoeft niet te kiezen. Alles wat ze schrijven laten ze elkaar lezen en becommentariëren. De periode waarin ze beiden buiten Parijs lesgeven, schrijven ze elkaar dagelijks lange brieven. Weer terug haalt Simone Olga, een oud-leerlinge naar Parijs, Olga’s zus Wanda volgt. Sartre en Simone onderhouden hen en noemen hen ‘hun kleine familie’. 

    Ze hebben allemaal relaties met elkaar, Sartre met Olga en Wanda, Simone met Olga en Sartre. Bost, een goede vriend, krijgt een serieuze relatie met Olga. Dat weerhoudt Simone er niet van ook een langdurige relatie met hem te beginnen, maar Olga mag dat niet weten. Eerlijkheid bestond alleen tussen Simone en Sartre. Deze driehoeksverhoudingen, de worstelingen met jaloezie, de leugens, het uitgaan, de hele vriendenkring om hen heen, zal Simone later uitgebreid beschrijven in Uitgenodigd.

    Maar er zijn nog meer ‘anderen’. Volgens Bernard schaamt Simone zich voor Sartres haantjesgedrag. ‘Verleiding was een deel van hem. “Het gaat niet om mij of u,” zegt Simone. “We zijn één ding vergeten in ons pact: dat anderen eronder lijden en er een hoge prijs voor betalen.”’ 

    Simone regelt hun beider financiën, organiseert alles rondom hun beider verplichtingen, zorgt voor ‘de familie’, houdt uit de gratie geraakte vrouwen en journalisten bij Sartre weg. Ondertussen leest ze alles wat ze vinden kan over de rol van de vrouw. ‘Het waren de mannen die zichzelf als het eerste geslacht zagen (…). Alles wat niet mannelijk was, werd als minderwaardig beschouwd, als een afwijking.’ 

    Ontwikkeling als vrouw

    Café de Flore is hun werkplek, ’s avonds gaan ze uit. Tijdens de oorlog zijn Simone en Sartre gescheiden. Als later, in het bevrijde Parijs, Simone in een café wordt aangesproken door een man die vindt dat politiek voor mannen is en dat naïviteit vrouwen aantrekkelijk maakt, dient ze hem ‘van binnen ziedend’ van repliek. ‘(…) ”Maar je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt.” Sartre keek op en plotseling wist Simone dat ze de zin had gevonden die de essentie van haar toekomstige boek omvatte.’ In 1949 verschijnt het existentialistische De tweede sekse. ‘Het zou de ogen van vrouwen openen,’ schrijft Bernard.

    Hier, in 1946, laat zij de biografie van De Beauvoir eindigen, ook al volgen er nog twee pagina’s in 1951. Bernard legt de nadruk op De Beauvoirs ontwikkeling als vrouw. Haar politieke bewustwording komt nauwelijks aan bod, net zomin als de reizen die ze toen al met Sartre maakte en haar filosofische artikelen en essays. Het boek is geschreven in een ongecompliceerde stijl, die in het begin wat gemakkelijk aandoet. Eenmaal daaraan gewend, leest het plezierig weg. Caroline Bernard heeft ruim twintig boeken geraadpleegd en citeert uit de memoires van De Beauvoir, al is niet duidelijk welke citaten dat zijn. Dat is niet erg, het boek is boeiend genoeg en de vele details maken de gebeurtenissen  inzichtelijk en levendig, alsof je erbij bent.

    Simone de Beauvoir wordt niet meer gezien als de vrouw van. Ook uit Bernards boek blijkt dat zij een groot schrijfster is van romans waarin de filosofische existentiële vrijheid verweven is met het verhaal, een groot denker die met haar leefwijze haar ideeën onderstreepte. Haar boeken zijn nog steeds verkrijgbaar, ook over denken, existentialisme en ouder worden. Als onderwerp is zij tegenwoordig eveneens geliefd. Deze progressieve, krachtige vrouw is een voorbeeld voor velen, of ze nu over haar lezen of over haar schrijven.

    De auteur

    Tania Schlie/Caroline Bernard (Hamburg, 1961) studeerde Germanistik und Politik in Hamburg en Parijs. In het Nationaal Archief in Parijs deed ze onderzoek voor haar masterscriptie. Ze werkte tien jaar bij een uitgever, waarna ze zelf begon te schrijven: liefdesromans met vrouwen als hoofdpersoon. Ze publiceerde ook Schrijvende koppels, waarin naast Jean-Paul Sartre & Simone de Beauvoir, ook F. Scott & Zelda Fitzgerald, Martha Gelhorn & Ernest Hemingway, Elsa Morante & Alberto Moravia, Sylvia Plath & Ted Hughes, Siri Hustvedt & Paul Auster, Jessica Durlacher & Leon de Winter, Nicole Krauss & Jonathan Safran Foer figureren. De vrouwen van die koppels zijn zelf begaafde schrijvers maar fungeren ook, of misschien vooral, als muze voor hun echtgenoot. Als Caroline Bernard schrijft Schlie over buitengewone vrouwen in de kunst zoals Simone de Beauvoir, Frida Kahlo, Alma Mahler. De Beauvoir fascineerde haar al toen ze als au pair ongelukkig was in Parijs en uiteindelijk vond ze via haar de moed om te gaan schrijven. Sinds 2021 maakt ze ook podcasts over en met kunstenaars. 

     

     

  • De wereld op zijn kop

    De wereld op zijn kop

    In de roman Piranesi van Susanna Clarke zegt de ik-figuur op een gegeven moment ‘Op de Wereld leven alleen Mijzelf en de Ander’. De rest van de mensheid bevindt zich in een andere wereld of is dood. De Ander, die uit die andere wereld komt en af en toe in de beschreven Wereld verblijft, is op zoek naar Grote en Geheime Kennis. Piranesi zelf is bezig een Catalogus aan te leggen van alle Standbeelden die hij tegenkomt in de Wereld of het Huis, wat praktisch hetzelfde is.
    Het Huis is vol leven, vooral met vogels, vissen en vegetatie, die tot voedsel en het maken van een vuurtje dienen. De plaats van andere mensen lijkt te zijn ingenomen door de Standbeelden, die levensecht worden beschreven. Zo is ‘de Tuinman oud en gebogen’ en oefent een Vrouw ‘haar beroep van bijenhouder uit’. Behalve een Catalogus aanleggen, houdt Piranesi zich ook bezig met het bijhouden van een dagboek, en dat is wat we te lezen krijgen. 

    Heden en verleden

    Piranesi (1720-1778) was een bekend Italiaans graficus en architect. Iedereen heeft wel ergens in het geheugen zijn Carceri (Kerkers) opgeslagen. Zo niet, dan hoef je maar aan een tekening van M.C. Escher te denken, en het is duidelijk: beiden waren kunstenaars die zich verloren in een tijdloze fantasiewereld waar trappen overal en nergens naartoe leidden.
    Piranesi heeft visioenen, van een wit glanzend kruis bijvoorbeeld. ‘Witheid als een vlammende witheid; hij verlichtte de Muur van Standbeelden achter zich’. Piranesi begrijpt niet wat hij ziet, ook niet toen hij zag dat het kruis een albatros was, die spoedig werd gevolgd door een tweede en een kleine albatros. Hij probeert de vogels te redden, door een nest voor ze te bouwen, waar de Ondergelopen Zalen goed voor waren. ‘In de Periferie (…) zijn de wateren ondiep, stilstaand en bedekt met waterlelies, maar middenin zijn ze diep en verraderlijk, vol met afgebroken Metselwerk en verdronken Standbeelden’. 

    Het Huis is deels ondergelopen ten gevolge van de stijgende zeespiegel. In De wereld op zijn kop vallen verleden, heden en toekomst samen, waardoor de roman wel het etiket ‘magisch archaïsme’ krijgt opgeplakt. De taal werkt daaraan mee, die doet soms magisch en dan weer archaïsch aan. Dit is in de vertaling van Jacqueline Smit in stand gebleven: ‘Over deze Zaal – de Zaal op welks drempel ik nu stond, de Zaal die gevuld was met Wolken – had ik niets vastgelegd’.
    Je zou de verschillende taalregisters kunnen vergelijken in termen van de Standbeelden die Clarke beschrijft: dan weer barok en maniëristisch, met door kreten van woede of angst vervormde Gezichten à la Caravaggio, dan zijn het classicistische beelden, die juist een afstandelijke kalmte uitstralen. 

    Zoektocht naar de Ander, naar kennis

    Het beschrijven van die beelden door Piranesi staat lijnrecht tegenover de zoektocht van de Ander naar kennis. Het gaat de Ander om oude kennis, die de mensheid volgens hem is kwijtgeraakt. Een zoektocht die gelijk opgaat met de constatering van de Ander, dat Piranesi zijn geheugen aan het kwijtraken is.

    Dan is er nog een derde personage, een Profeet. Een oude man en leraar van de Ander, die hij Ketterley noemt. De Profeet waarschuwt de Ander, zoals de Ander juist Piranesi waarschuwt voor een mysterieuze figuur die hij 16 noemt, wat in zou kunnen houden dat er nog vijftien of meer mensen in de Wereld of het Huis wonen.
    Tot zolang Piranesi hem/haar nog niet heeft ontmoet, herleest hij zijn oude dagboeken, waarin hij veel biografische aantekeningen over kunstenaars maakte, die leefden in een wereld die erg aan de zijne doet denken. De Ander omschrijft die wereld als een nachtmerrie, met ook nog eens de dreiging van een Grote Vloedgolf van Bijbelse proporties, maar het loopt allemaal anders af dan gedacht. Alles speelt zich af in een wereld op zijn kop, waarin goed, kwaad wordt, en andersom.

    Babel en Jorge Luis Borges

    Om te beginnen is de Wereld of het Huis een omschrijving waar het verhaal De bibliotheek van Babel van Jorge Luis Borges in meeklinkt. Hierin wordt de Wereld of het Huis het Heelal of de Bibliotheek genoemd. De Bibliotheek bestaat uit cellen (de carceri van Piranesi!), zoals het Huis uit Zalen bestaat. Eindeloos en naar de verten reikend. De ik-figuur bij Borges is op zoek naar ‘misschien de catalogus van de catalogi’, zoals Piranesi een Catalogus samenstelt. Zoals bij Borges boeken staan opgesteld, zo zijn dat bij Clarke Standbeelden, maar beide – boeken en beelden – hebben te maken met oude tijden of talen, met kennis en wijsheid.

    De Amerikaanse architectuurhistoricus Reinhold Martin heeft in een artikel aangetoond, dat er een conceptuele relatie bestaat tussen dit verhaal van Borges en Piranesi’s serie Carceri. Het narratief is hetzelfde: het verleden dat wordt bevroren en een crisis van de moderniteit, hetgeen hij een ‘negatieve utopia’ noemt, zoals Susanna Clarke’s wereld als ‘magisch archaïsme’ wordt omschreven. Er wordt een spel gespeeld met binnen en buiten, lichaam en geest, droom en nachtmerrie, kennis en wijsheid, goed en kwaad, inclusie en exclusie, werkelijkheid en fantasie en alles wat ‘anders’ is, een gegeven van alle tijden.

    Susanna Clarke speelt dit spel op vernuftige wijze mee. De metaforen van zowel Piranesi, Borges als Clarke mogen duidelijk zijn: ze spreken van eenzaamheid, het zonder herinneringen leven, en van verontrusting.
    Clarke heeft Piranesi en Borges opnieuw uitgevonden. Tot in de détails van een wit glanzend kruis aan toe. Dat heeft zij op een dan weer droge, dan weer gevoelvolle wijze beschreven, groots en fantasievol. Een prestatie van formaat. Een boek om je in te verliezen, zoals Piranesi en Escher dat in hun wereld deden.