• ‘Onweerlegbare, ondraaglijke angst’

    ‘Onweerlegbare, ondraaglijke angst’

    Franz Kafka (1883-1924) schreef in 1921 aan zijn vriend Max Brod: ‘Beste Max, mijn laatste wens: alles wat zich aan dagboeken, manuscripten, brieven van mij of anderen, tekeningen, enzovoorts in mijn nalatenschap bevindt (dus in de boekenkast, in de linnenkast, in de schrijftafel, thuis en op kantoor of waar dan ook) moet je zonder uitzondering verbranden; evenzo al het geschrevene of getekende dat jij of anderen, die je er namens mij om moet vragen, in bezit hebben. Brieven die men je niet wil afstaan, moet men zich tenminste verplichten zelf te verbranden’. Een jaar later herhaalt Kafka deze ‘wilsbeschikking’, maar Brod vervult Kafka’s wens niet. Na Kafka’s dood verzorgt hij de uitgave van de Brieven en Dagboeken. Hij censureert systematisch, al te intieme passages laat hij weg. Jaren later verontschuldigt Brod zich voor deze ‘kleine omissies’. Hij wilde de privacy van nog levende personen beschermen.  Eind jaren tachtig, begin jaren negentig verscheen de historisch-kritische editie van Kafka’s volledige werk gebaseerd op de oorspronkelijke manuscripten. Zo werd duidelijk wat Brod heeft weggelaten.

    Franz Kafka, Schrijver van schuld en schaamte is een ‘biografisch essay’ gebaseerd op de Dagboeken en Brieven. Saul Friedländer vergelijkt de edities van Brod met de recentere uitgaven en concludeert dat Kafka ‘gedurende het grootste deel van zijn leven werd gekweld door problemen van seksuele aard.’

    Friedländer onderzoekt ook de invloed van deze ‘persoonlijke dimensie’ op Kafka’s letterkundig werk. De kern van de zaak is volgens hem ‘de relatie tussen Kafka’s schuld- en schaamtegevoelens in algemene zin […] en de wereld van zijn fictie.’ Hij wil die ‘dimensie’ vanuit een breder perspectief bezien om tot een ‘meeromvattende synthese te komen.’  Friedländer: ‘Dit vereist dat ik op een nieuwe en zelfstandige manier zal moeten kijken naar Kafka’s relaties met zijn familie, naar zijn houding tegenover zijn joodse identiteit, naar de politieke, maatschappelijke, intellectuele en vooral de literaire invloeden op zijn boeken, alsook naar die boeken als zodanig, waarmee hij nieuwe werelden vormde en zich wapende in zijn worsteling met de bestaande wereld.’

    Het ‘biografische essay’ bestaat uit twee delen. Elk deel heeft drie hoofdstukken. In het eerste deel, ‘Praag laat me niet los’, zoomt hij in op de thema’s schuld en schaamte met o.a. een analyse van de familiebetrekkingen. Friedländer verwijst veelvuldig naar Brief an den Vater die Kafka in november 1919 schreef. Het is een brief vol angst, schaamte en schuld. Friedländer is voorzichtig met zijn conclusies: ‘We zijn niet in staat de psychische dynamiek die Kafka ertoe bracht om de angst voor zijn vader [..] te cultiveren op welke manier dan ook te reconstrueren.’ Vader Hermann Kafka heeft die brief overigens nooit gelezen.

    In hoofdstuk III, liefde, seks en fantasieën, komen o.a. ‘de grote angst voor erotiek’, ‘mannenvriendschap en mannenliefde’ en ‘sadomasochistische fantasieën’ aan bod.

    Friedländer schrijft dat Kafka’s  seksuele voorkeuren, ‘althans zijn seksuele fantasieën zeer veelvormig’ zijn. […] Ik herhaal hier nog eens, met enig vertrouwen in de juistheid van deze observatie, dat, afgezien van het volstrekte primaat van het schrijven, seksuele kwesties uitgroeiden tot de grootste obsessies in Kafka’s leven.’ Friedländer schrijft dat alle bronnen aangeven dat de schuldgevoelens van Kafka ‘niet verbonden waren met concrete daden van zijn kant, maar met fantasieën, met denkbeeldige seksuele mogelijkheden.’ (cursivering Friedländer). Uit de citaten die Friedländer kiest uit Kafka’s briefwisseling met Felice Bauer blijkt dat Kafka seksueel verkeer ziet als een ‘bestraffing van het geluk van het samenzijn.’  Een andere vriendin, Milena Jesenská, schreef aan Brod over Kafka’s angst: ‘Die angst heeft niet alleen betrekking op mij; hij heeft betrekking op alles wat schaamteloos leeft, dus bijvoorbeeld op het vlees. Vlees is te onbedekt; hij kan de aanblik ervan niet verdragen…’  Kafka is het openhartigst in zijn brieven aan Milena. Hij schrijft haar dat hij ‘geen verlangen naar vuil’ heeft.

    De titel van het tweede deel ‘De beloning voor een duivelsdienst’ komt uit een brief van Kafka aan Brod (5 juli 1922):  ‘Schrijven is een zoete prachtige beloning, maar waarvoor? Vannacht was het mij […] duidelijk dat het de beloning voor een duivelsdienst is […].’ Schrijven als kwelling. Overgevoelig als hij is voor geluid, kan hij slechts schrijven in afzondering en stilte. Uit een brief van 1913 (aan Felice Bauer): ‘Dikwijls heb ik al gespeeld met de gedachte dat het de beste leefwijze voor mij zou zijn om met schrijfgerei en een lamp in de binnenste ruimte van een immense, vergrendelde kelder te vertoeven.’

    Friedländer vergelijkt dagboekfragmenten met passages uit het verhaal ‘De plattelandsdokter’. Ook wijst hij op overeenkomsten met andere verhalen uit die tijd, zoals La Légende de Saint Julien L’hospitalier  (Gustave Flaubert) en Sagen polnischen Juden (Alexander Eliasberg).

    Hoe moet dit biografische essay van Friedländer geduid worden? In Proces-verbaal van Franz Kafka, een essay uit 1934, wijst Walter Benjamin op het gevaar van een te snelle interpretatie van Kafka’s brieven en dagboekaantekeningen. Het is ‘gemakkelijker uit de nagelaten verzameling aantekeningen van Kafka speculatieve conclusies te trekken, dan ook maar één van de motieven te doorgronden die in zijn verhalen en romans voorkomen.’

    Kafka wilde niet dat zijn Brieven en Dagboeken bewaard zouden blijven. Hoe betrouwbaar zijn dagboeken? Er valt wat voor te zeggen dat sommige aantekeningen in de Dagboeken vingeroefeningen voor het literaire werk zijn. Vogelaar schreef hierover: ‘In het dagboek krijgt de ongewenste lezer inzage in het stadium dat aan het schrift voorafgaat, het ‘magische’ moment van het literaire proces: de overgang van ervaring in een (zelfstandige) betekenissamenhang. Je zou het een dagboek van de creatieve ervaring kunnen noemen die betrekking heeft op de overgang tussen beleefde feiten en kunst.’ (Jacq Firmin Vogelaar, Terugschrijven. De Bezige Bij, Amsterdam 1987).

    Saul Friedländer heeft met zijn essay een waardevolle bijdrage geleverd aan een beter begrip van de obsessieve  wereld van Kafka. Daarbij relativeert hij zijn interpretaties: ‘de lezer zal […] wellicht sceptisch glimlachen, of zelfs zijn wenkbrauwen fronsen […].’  Kafka is voor hem de ‘schrijver van schuld en schaamte’ omdat Kafka zijn hele leven worstelt met het seksuele. Kafka noemt dit het lijden aan de ‘Qual der Geschlechtsorgane’ (dagboekaantekening Brod).

    Met ‘schuld en schaamte’ in de titel kiest Friedländer voor het benadrukken van het seksuele lijden. Opvallend is dat hij gekozen heeft voor ‘schuld’ in plaats van ‘angst’. Uit het essay blijkt vooral Kafka’s ‘angst voor erotiek, ‘angst voor gemeenschap’ en ‘angst voor de vader’. In 1921 schrijft Kafka aan Brod: ‘Je onderstreept ‘angst waarvoor?’, voor zoveel, maar op het aardse vlak vooral angst voor het feit dat ik niet bij machte ben, lichamelijk niet, geestelijk niet, de last van een vreemd mens te dragen; zolang we bijna een zijn, is het niet meer dan een zoekende angst ‘wat? zouden wij werkelijk bijna een zijn?’ en als die angst dan zijn werk gedaan heeft, wordt het een tot in de diepste diepte overtuigde, onweerlegbare, ondraaglijke angst. Nee, vandaag niets meer daarover, het is te veel.’(citaat uit Franz Kafka/Max Brod: Een vriendschap in brieven. Vertaling Willem van Toorn. Privé-domein, nr. 187, Arbeiderspers, 1993).

    Hoe het ook zij, dit vlot geschreven essay is een mooie aanleiding Kafka’s werk te gaan (her)lezen.

     

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte

    Auteur: Saul Friedländer
    Vertaald door: Jabik Veenbaas
    Verschenen bij: Uitgeverij Bijleveld
    Aantal pagina’s: 231
    Prijs:  € 19,50.
    Oorspronkelijke titel: Franz Kafka – the poet of shame and guilt (2013)

     

    Saul Friedländer (1932), emeritus hoogleraar geschiedenis en bijzonder hoogleraar Holocaust Studies aan de Universiteit van Californië. Meermaals bekroond, o.a. met de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels (2007) en de Pulitzer Prize (2008) voor zijn studie The Years of Extermination: Nazi Germany and the Jews, 1939-1945.

  • Het gezond verstand mijdt gouden bergen

    Het gezond verstand mijdt gouden bergen

    Crisis of niet, in onze tijd heeft optimisme nog steeds goede papieren. Problemen zijn uitdagingen, succes heet een keuze, en het vertrouwen in de toekomst is nog steeds onmetelijk groot. Het westerse vooruitgangsdenken is gestoeld op het opgewekte idee dat de mensheid vorderingen boekt en een gestage ontwikkeling volgt naar een steeds minder imperfecte vorm van perfectie.

    Het is verkwikkend om de geest te kunnen laven een boek dat Het Nut van Pessimisme heet, met als bijpassende ondertitel en de gevaren van valse hoop. En het is niet eens van de hand van de negentiende-eeuwse aardspessimist Arthur Schopenhauer, maar van de hedendaagse Engelse filosoof Roger Scruton. Deze werd in Nederland bekend door deelname aan Van de Schoonheid en de Troost, een serie televisiegesprekken van Wim Kayzer met vooraanstaande intellectuelen, kunstenaars, wetenschappers aan het eind van de vorige eeuw. Scruton brak in die serie, waarin hij meestentijds in een gebreide trui bij het haardvuur zat, als hij zich niet bij de door hem zo geliefde vossenjacht of zelf musicerend liet portretteren, een lans voor de traditionele vorm van leven die zich sterk verbonden weet met de grond en omgeving. Hij gaf hoog op van het belang van Kunst met een grote K en van tradities. Die laatste waren er niet voor niets, want anders waren ze er niet geweest, was zo’n beetje het argument. In kunst en religie kon de hedendaagse mens ijkpunten vinden voor z’n persoonlijke ontwikkeling. Natuurlijk speelde er zo nu en dan een superieur lachje rond zijn mondhoeken als hij zijn punt had gemaakt. Maar even vaak toonde hij zich een nederig en bescheiden man, die zich de tijd had gegund grondig over de dingen na te denken. Een intrigerende filosoof, die met zijn conservatieve standpunten jarenlang onder vuur had gelegen in de academische wereld, maar sindsdien zijn gram haalde in een indrukwekkende reeks filosofische publicaties en media-optredens, zodat tegenwoordig niemand meer om hem heen kan.

    Meteen op de eerste pagina van Het nut van pessimisme wordt gewaarschuwd dat het pessimisme in de titel niet op z’n ‘Schopenhaueriaans’ geïnterpreteerd moet worden. De verwachting dat we hier een zwartgallige debunking van het optimisme tout court geserveerd zullen krijgen, wordt meteen de grond ingeboord. Scruton mikt eigenlijk op de uitwassen van het optimisme: het zogeheten ‘gewetenloze optimisme’. Dat staat bij hem voor een utopisch bevlogen variant die al tot handeling in de toekomst overgaat, eer het over het verleden heeft nagedacht. Die uitgaat van de maakbaarheid van de mens en er geen been in ziet het mes te zetten in eeuwenoude tradities en consensus als deze verondersteld worden diezelfde maakbaarheid te frustreren. Scruton, die ook in dit boek zich weer van zijn eloquente kant toont, speelt graag de rationele kaart en brengt Poppers eis van falsifieerbaarheid in stelling in de strijd tegen het ‘gewetenloze optimisme’ dat zich maar al te vaak te buiten zou gaan aan niet wetenschappelijk te verifiëren doelstellingen en methodes. Dat hij het optimisme an sich niet op de korrel neemt, blijkt wel uit het feit dat hij een ‘gewetensvolle optimist’ niet als een contradictio in terminus beschouwt. Moet de gewetensvolle optimist gewantrouwd worden, ook de systematische pessimist moet buiten de deur worden gehouden. Beiden zijn evenzeer ‘doordrenkt van illusies en even destructief voor de alledaagse redelijkheid.’

    Geloof, hoop en liefde mogen algemeen aanvaarde deugden zijn, maar Scruton is ervan overtuigd dat ‘hoop, wanneer die wordt losgemaakt van geloof en niet wordt afgezwakt door historische feiten, een gevaarlijke eigenschap is, die niet alleen bedreigend is voor de mensen die haar omarmen, maar voor iedereen die binnen het bereik van hun illusies verkeert.’ Gewetenloze optimisten menen dat de moeilijkheden van de mensheid overwonnen kunnen worden middels een of andere aanpassing op grote schaal. Dat de loop der geschiedenis hen keer op keer ongelijk geeft, doet er niet toe, want deze groep optimisten kenmerkt zich ook nog eens doordat zij niets van het verleden leren. Voor hen lijkt Scruton dit boek dan ook niet geschreven te hebben, want ‘de geest die ten prooi is gevallen aan de drogredenen die ik in dit boek onder de loep leg, raakt die simpelweg nooit meer kwijt.’

    Hoewel Scruton aanstekelijk schrijft is het goed om zelf waakzaam te blijven, want was hij ook niet die auteur die zijn column in The Financial Times kwijtraakte nadat was uitgelekt dat hij door een Japanse tabakgigant dik betaald werd om rookvriendelijke artikelen voor de media te schrijven? Aan de andere kant moet gezegd dat Scruton hier en daar met pareltjes strooit: ‘Gewetensvolle mensen aanvaarden de wereld en haar onvolmaaktheden, niet omdat die niet vatbaar is voor verbetering, maar omdat veel van de verbeteringen die ter zake doen eerder bijproducten van onze samenleving zijn dan het doel ervan.’ Scruton hoopt in ieder geval het ‘kostbare virus van de twijfel te laten inwerken op het gepantserde immuunsysteem van de vooruitstrevende idee’.

    Het verschil tussen optimisten en pessimisten wordt zichtbaar in de tegenstelling van de ‘ik-houding’, die rusteloos ‘de richting en het doel van het menselijke gedrag wil veranderen’ en daarbij enkel denkt in termen van te nemen hindernissen, in plaats van menselijke restricties, versus de ‘wij-houding” die inziet dat vrijheid verantwoordelijkheid betekent, en naar ‘stilstand en aanpassing zoekt om ons met elkaar en wereld te laten samenvallen.’ Kort gezegd gaat het hier om het in zijn hoogste versnelling najagen van illusies versus de gulden middenweg van het gezonde verstand. De ik-houding krijgt negatieve kwalificaties toegedicht, terwijl de wij-houding in zachte pasteltoetsen wordt gepenseeld: ‘de wij-houding is omzichtig. Ze ziet menselijke beslissingen als gesitueerd, als ingeperkt door plaats, tijd en gemeenschap; door gebruik, geloof en wet. Ze spoort ons aan om ons niet altijd in het gewoel te storten, maar om een stapje opzij te doen en te reflecteren. Ze legt de nadruk op restricties en grenzen, en herinnert ons aan de menselijke onvolmaaktheid en aan de broosheid van echte gemeenschappen. Haar besluiten houden rekening met andere mensen en andere tijden. De doden en ongeborenen hebben evenzeer een stem in hun overwegingen als de levenden. En tegenover het ‘druk het erdoor’ en ‘altijd vooruit’ plaatst ze het ‘iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Ze hangt geen alomvattend pessimisme aan, maar pleit voor een incidentele dosis pessimisme, om de hoop te temperen die onze ondergang zou kunnen betekenen. Het is de stem van de wijsheid in een wereld vol rumoer. En juist daarom hoort niemand die stem.’ De bekommernis om de doden en de ongeborenen vooral, reminisceert aan Edmund Burke, de grondlegger van het conservatisme. En het benadrukken van zaken die te vermijden zijn boven die welke nastrevenswaardig zijn, doet denken aan Kants ‘categorische imperatief’. En de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith mag bij Scruton ook meedoen, zij het niet in economische zin (want Scruton is niet zo van de vrije markteconomie), maar veeleer sociaal: als iets dat de orde in de samenleving uit besluiten en overeenkomsten laat ontstaan. Het op basis van onderhandeling tot stand gekomen ‘wij’, staat voor de onzichtbare hand van de consensuspolitiek. Weinig mensen zullen zich geroepen voelen hiertegen te protesteren, maar hoe reëel is intussen deze paradijselijke schets? Wie anders dan een clubje welgestelden op het Engelse platteland kan menen voor de verwezenlijking van dit soort idealen in de wieg te zijn gelegd? De Engelsen lijken hierbij misschien in het voordeel, want, zo verkondigde Scruton in een interview, ‘ze verkiezen redelijkheid boven de Rede. Ze proberen niet van perfectie uit te gaan. Wij zijn een probleemoplossend volk van traditionalisten dat weinig gevoelig is voor idealen of utopieën.’ De kracht van dit boek ligt niet zozeer in de remedie als wel in het diagnosticeren van de kwaal. Want daarin legt Scruton herhaaldelijk de vinger op de zere plek.

    De valse hoop bedient zich van een aantal drogredenen, waarvan Scruton er een zevental, die stilaan gangbaar zijn geworden in de politiek en samenleving, nader analyseert en van elk uiteenzet welke schade het de mensheid heeft berokkend. Deze drogredenen lijken de hoop te rechtvaardigen of op z’n minst de teleurstelling draaglijk te houden. Zijn voorbeelden zijn ontleend aan verschillende terreinen, maar komen hierin overeen: ‘ze tonen aan dat er aan de basis van de visie van de gewetenloze optimist een misvatting ligt die zo overdonderend evident is dat alleen iemand die aan zelfbedrog lijdt haar over het hoofd heeft kunnen zien.’ De auteur neemt hierbij de lezer graag bij de hand blijkens vooruitwijzingen als ‘dat breng ik een volgend hoofdstuk aan de orde’ of terugverwijzingen ‘zoals ik in een eerder hoofdstuk heb toegelicht’. Het maakt overduidelijk dat dit boek tenminste niet een verzameling eerder gepubliceerde essays betreft.

    Als eerste houdt Scruton de ‘drogreden van het beste geval’ tegen het licht. Bij het opstellen van hun toekomstplannen gaan gewetenloze optimisten uit van het best mogelijke resultaat, zonder met een eventueel fiasco rekening te houden. Het is de geestesinstelling van een gokker. Een sprekend voorbeeld van de nefaste uitwerking van de ‘drogreden van het beste geval’ vindt Scruton in de huidige kredietcrisis. Deze crisis ziet Scruton niet als een weerlegging van de beginselen van de vrije markt, maar als een toonbeeld van hoe zaken uit de hand kunnen lopen als dit soort drogredenen het overheidsbeleid gaan bepalen. Een zekere wet uit 1977 van de Amerikaanse president Jimmy Carter eiste van Amerikaanse banken dat ze gingen voorzien in de kredietbehoeftes van de huishoudens met lage inkomens, zodat ook deze achtergestelde groep ‘het rijk van het huiseigenaarschap zouden betreden.’ In het beste geval zouden zowel de banken als de gemeenschap hiervan profiteren. Maar ja, het liep net even anders. Terwijl een ‘kleine dosis pessimisme’ eraan had kunnen herinneren dat het vertrouwen in de financiële wereld alleen gediend kan zijn met reële perspectieven inzake de solvabiliteit van de debiteuren. Scruton ontwaart hier ‘een soort verslaafdheid aan het irreële die voeding geeft aan de meest destructieve vorm van optimisme.’
    Een andere drogreden die fatale gevolgen heeft gehad voor de mensheid is die volgens welke de mens vrij zou worden geboren. Deze drogreden heeft wortel kunnen schieten dankzij Het Maatschappelijk Verdrag van Rousseau. Het mag onderwerp van debat zijn of de geestelijke vader van deze drogreden nu optimist of pessimist was, voor Scruton staat vast dat Rousseau  ‘de taal en het denken [introduceerde] waarin een nieuwe opvatting over menselijke vrijheid aan de orde werd gesteld, die zegt dat vrijheid datgene is wat overblijft wanneer we een einde maken aan alle instellingen, alle restricties, alle wetten en alle hiërarchieën.’

    Het door Rousseau gemunte begrip hoefde alleen maar in verkeerde handen te vallen en je had de poppen aan het dansen. De gevolgen bleven dan ook niet uit: ‘De Franse Revolutie is maar een van de vele historische gebeurtenissen die ons duidelijk maken dat bevrijdingsbewegingen, waarin ze erin slagen om de staat te vernietigen, allereerst tot anarchie, en na verloop van tijd tot totalitaire terreur’ verworden. Voor Scruton is vrijheid alleen echt ‘wanneer die bezegeld wordt door de wetten en instellingen die ervoor zorgen dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar, die ons ertoe verplichten om de vrijheid van anderen te erkennen.’ Zulke wetten hebben hun wortels in het Romeinse verleden, het ‘natuurrecht van de Romeinse juristen’. Vrij worden we niet geboren. Vrijheid is iets dat verworven moet worden. Enfin, dezelfde drogreden heeft nog meer op z’n geweten; want ook de catastrofale hervormingen in het onderwijs zijn eraan toe te schrijven. Onderwijsdeskundigen ? prachtig afgeserveerd in de bijzin: ‘dikwijls mensen die zich zo weinig in staat hadden getoond om kennis van een echt vak te verwerven dat ze in plaats daarvan maar hadden besloten te leren hoe je een zo’n vak moest doceren’- stelden in de jaren ’60 het ene rapport na het andere op waarin ze verkondigden dat het ‘bij onderwijs niet gaat om gehoorzaamheid en studie, maar om zelfexpressie en spel.’ Dit ‘progressieve onderwijs’ maakte van de onderwijzer een ‘spelmakker’, maar het noodzakelijke stampwerk en het bijbrengen van het kind van essentiële waarden van een samenleving, gebaseerd op gehoorzaamheid en restricties werden naar de prullenbak verwezen. Met als gevolg een legioen ‘narcistische kinderen’ die overgeleverd zijn aan ‘willekeur’ en voor wie de ‘hindernissen die anderen voor hen opwerpen’ een permanente ‘bron van woede en vervreemding’ zijn.

    Verder laat Scruton de volgende drogredenen de revue passeren: die van de utopie (de utopist voedt zich met ‘rancune jegens hen die zich prettig voelen bij de gewone wereld van het menselijke compromis.’); die van nulsom (‘als mij is iets is mislukt, dan komt dat doordat een ander is geslaagd’) waarin Scruton het ‘derde-wereldisme’ (armoede in Afrika is het directe gevolg van Europese welvaart) en het anti-amerikanisme in de Islamitische wereld behandelt; die van de planning (de mythe dat oplossingen voor collectieve problemen van bovenaf kunnen worden opgelegd in plaats van gevonden, en dat dat vinden tijd kost). In dit hoofdstuk belijdt Scruton zijn aversie tegen de Europese Unie en de eurocraten; die van de voortgaande geest (de geschiedenis toont een onafgebroken ontwikkeling ? erfenis van Hegel ? zodat alles wat er gebeurt, kan worden toegeschreven aan de ‘tijdgeest’. Het zou een aan de wetenschap ontleend vooruitgangsdenken ten onrechte aanwenden voor de menselijke cultuur als geheel. Met als reëel gevaar dat bepaalde zaken (bijv. emancipatieprocessen) er als onvermijdelijk doorheen worden geramd, omdat ze eenmaal werden ‘aangedreven door de onverbiddelijke veranderingen van de Zeitgeist.’; die van de samenvoeging waarbij verschillende deugden samengevoegd nog deugdzamer zouden uitpakken. De leuze ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ gaat voorbij aan de tegenstrijdigheid tussen de begrippen vrijheid en gelijkheid. In dit hoofdstuk gaat de schrijver tekeer tegen positieve discriminatie en multiculturalisme.

    Ik geloof niet dat Scruton in dit boek een van zijn stokpaardjes op stal gehouden heeft. Bij iedere optimistische misser geeft hij aan hoe het had kunnen worden voorkomen. Namelijk door … een uitgekiende dosis pessimisme gedrenkt in traditie, ofwel: gezond verstand. Scruton betoont zich een pleitbezorger van het pessimisme in de zin dat hij zich afkeert van ‘allesomvattende visioenen’, en in plaats daarvan ‘het beeld van de menselijke onvolmaaktheid voor ogen houdt’. En daarin komt het aan op ‘de gewoonte van de vergeving en die van de ironie’. Zowel vergeving als ironie aanvaarden eerder dan ze verwerpen, en zijn beide ruimtescheppend. Zelfironie is de auteur ook niet vreemd waar hij in zijn Woord Vooraf zijn vrouw Sophie bedankt ‘die met een bijzonder lastig geval te maken heeft en toch nog steeds kan blijven lachen.’ Het kan niet anders of het moet een op pessimisme gestoeld huwelijk zijn!

    Na de reeks drogredenen volgen nog enkele hoofdstukken waarvan vooral Ons beschaafde heden eruit springt, waarin hij de conservatieve strategie van geleidelijkheid uiteenzet. Het boekje eindigt met het kortste hoofdstuk Onze toekomst als mens met een waarschuwing voor de toekomst: de transhumanisten, die de sterfelijke mens van vlees en bloed in de nabije toekomst vervangen ziet worden door cyborgs, met toegenomen bereik en macht en een groter vermogen. Behalve dat Scruton in kort bestek duidelijk maakt aan welke drogredenen de gewetenloze club van het transhumanisme zich gelijktijdig bezondigt, stelt hij nog eens duidelijk dat de waarde van het leven van de mens onlosmakelijk met zijn sterfelijkheid verbonden is. Beter kan men zich daarop bezinnen, dan zich te verliezen in irreële hoop. Een boek zonder abstracte of dorre passages is dan ten einde.

    Het betoog van Scruton biedt ook voor wie zichzelf niet in eerste instantie als conservatief ziet, genoeg stof ter overdenking. Natuurlijk is Scutons beeld van de traditie sterk geïdealiseerd. Hij beschrijft vaak hoe het zou moeten zijn, maar of het er ook zo aan toegaat? Hij besteedt geen aandacht aan het door traditie gefaciliteerde machtsmisbruik. Af en toe schiet hij uit de bocht, waar hij bijvoorbeeld de toename van kindermisbruik toeschrijft aan de moderne gezinnen, waarin kinderen opgroeien met de nieuwe vriend van de gescheiden moeder, die allerminst genegen zou zijn het door een ander verwekte kroost te beschermen. Toegegeven: tegenwoordig zijn het voornamelijk echtscheidingen die gezinnen uiteenrukken, maar in vroeger eeuwen was het de dood die stiefvaderschap schiep. Volgens Scrutons argumentatie zou het probleem van kindermisbruik zich daar dus ook moeten voordoen. Maar hij geeft natuurlijk liever de moderne fratsen de volle laag. Het zij hem vergeven. Zijn prachtige, uitgebalanceerde stijl maakt veel goed.