• Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Voor de poëzie van L. Th. Lehmann (1920-2012) moet kennelijk telkens opnieuw reclame worden gemaakt. Zo hij al aanspraak kan maken op enige reputatie, dan geldt die niet een gedicht of regel of een boek, maar een in de letteren befaamd geworden ‘elfde gebod’: Gij zult niet bloemlezen! Aan het eind van het jaar 2021 verschenen twee boeken die leven en werk van Lehmann onder de aandacht brengen. Ten eerste de bloemlezing (!) uit zijn poëzie, samengesteld door Robbert-Jan Henkes, onder de sardonisch-toepasselijke titel Gij zult niet bloemlezen (!!). Ten tweede een biografie, geschreven door Jaap van der Bent, die alleen al door de prachtige gedaante veel indruk maakt. Het boek is solide uitgevoerd, ligt stevig in de hand, is fraai vormgegeven en prijkt met meer dan honderd illustraties, waaronder een aantal in kleur.    

    Zodra je begint te lezen besef je meteen hoe weinig je eigenlijk weet over Lehmann. Oké, hij was veelzijdig: danser, dichter, schrijver, vertaler, jurist, gepromoveerd archeoloog. Oké, hij had een hang naar het lichtvoetige, surrealistische, originele, vernieuwende – maar toch: wat weet je dan eigenlijk over iemand? Je komt bijvoorbeeld te weten dat Louis Lehmann als kind Loukie werd genoemd, dat hij geen broertjes of zusjes had en dat hij een zeer innige band had met zijn moeder, of liever: zijn moeder met hem. Zo hield zij hem thuis toen het tijd werd voor de kleuterschool. Zij bracht in die jaren Loukie zelf wel het nodige bij.   

    De jonge dichter

    Het ontvankelijke kind leerde vervolgens op de lagere school vriendjes kennen, en ontwikkelde zich voor het overige aanvankelijk ‘normaal’ – halverwege de jaren dertig dient zich een interesse aan voor jazz, een muziekvorm die toen in Nederland nog als origineel en avantgardistisch gold. Op de middelbare school begint hij als 17-jarige met het schrijven van gedichten die via een schoolvriend onder ogen komen van Adriaan van der Veen. Van der Veen was secretaris van Jan Greshoff, die vanuit Brussel de redactie bestierde van het tijdschrift Groot-Nederland. Een en ander leidde voor Lehmann tot een komeetachtige entree in de Nederlandse literatuur op zeer aanvallige leeftijd, wat hem de bijnaam ‘Rimbaud in de polder’ opleverde, evenals de kwalificatie ‘wonderkind’. Schijnbaar immer geneigd tot relativeren was Lehmanns eigen commentaar jaren later hierop laconiek: ‘Zeventien jaar is een heel gewone leeftijd om verzen te schrijven. Als je de literatuurgeschiedenis doorkijkt dan zijn er niet anders dan wonderkinderen geweest.’ 

    Lehmann ontwikkelde een enorme poëtische productie die voor de oorlog vooral geplaatst werd in het toen nieuwe literaire jongerentijdschrift Werk. In januari 1940 debuteerde Lehmann – 19 jaar oud – door een misverstand met twee bundels in één maand: Subjectieve reportage als deel van de serie ‘De vrije bladen’ en de bundel Dag- en nachtlawaai, bij uitgeverij Stols in Den Haag. Menno ter Braak was niet zuinig in zijn recensie in de krant: hij vond dat Lehmanns poëzie ‘verbijstert door originaliteit en veelvoudigheid’. Ondertussen was Louis Lehmann – mede door zijn interesse voor het surrealisme – in contact gekomen met de jonge cineast Emiel van Moerkerken en de dichter Chris van Geel. En zo ontrolt zich een bestaan. 

    Verhuizen in oorlogstijd 

    Gek genoeg is de aandacht in deze biografie voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het bombardement op Rotterdam relatief gering: wel verhuist Lehmann met zijn moeder naar Arnhem, en vandaar naar Utrecht, Amsterdam, Leiden; hij leert meer mensen kennen, vergroot daardoor zijn artistieke netwerk, vriendinnetjes dienen zich aan. In Leiden is ook voor het eerst sprake van werk. Waar hij daarvoor van leefde blijft onduidelijk. In de loop van 1942 worden de gevolgen van de oorlog voor Lehmann voelbaar. Hij moet zich melden als SS-vrijwilliger, er wordt hem gevraagd lid te worden van de Kultuurkamer, Joodse vriendinnen krijgen het steeds moeilijker (en overleven ten slotte de oorlog ook niet). In schril contrast daarmee is het leven dat Lehmann kennelijk tamelijk onbekommerd wist te leiden. Coördinatiepunten blijven poëzie, uitstapjes, contacten met vriendinnen en vrienden; Jaap van der Bent doet het allemaal degelijk uit de doeken. Lehmann rolt erdoor, schijnbaar door een ‘gebrek aan ernst’. Simpel voorbeeld: de oproep van de Wehrmacht maakt Lehmann wel bezorgd, maar ten slotte reageert hij er helemaal niet op – en hoort ook niets meer. Lehmann verkent de mogelijkheden van het prozaschrijven, wordt in Leiden bewonderd door jonge fanatieke poëzielezers en levert talrijke bijdragen aan het unieke tijdschrift-in-één-exemplaar ‘De schone zakdoek’; voor het contact met de makers reist Lehmann af en toe naar Utrecht. Maar in de loop van 1944 duikt hij onder om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Hij leed honger en verveelde zich – maar overleefde alles ongedeerd.  

    Lehmann is vierentwintig als de oorlog is afgelopen. Hij mag dan jong zijn gedebuteerd, voor het overige lijkt hij overal in zijn leven tamelijk laat aan te zijn begonnen. Na de oorlog gaat hij rechten studeren en leeft zich uit in Leiden. Hij maakt muziek, verkeert met vrienden en vriendinnen en is – zoals hij in 1964 liet optekenen – ‘bezig om niet meer te schrijven’. Wel publiceerde hij besprekingen; maar Lehmanns Verzamelde gedichten [sic] kwamen in 1947 uit zonder zijn bemoeienis, ‘omdat hij daar geen zin in had’. Lehmann was de dertig al ruimschoots gepasseerd toen hij in het voorjaar van 1952 zijn studie afrondde en mr. in de rechten werd.

    Eerste roman en werkloos leven

    Hij verwerkte zijn ervaringen als student in de roman Tussen Medemblik en Hippolytushoef (1963). Opmerkelijk is overigens dat hij – als afgestudeerd jurist, in het begin van de in Nederland zo brave en burgerlijke jaren ’50 – er niet in slaagde werk te vinden. Hij probeerde het wel, maar het mislukte telkens. Hij hield zich in leven met schamele en tijdelijke baantjes; voordeel voor Lehmann was dat hij zijn leven lang van weinig kon rondkomen. Voor het overige besteedde hij zijn tijd aan contact met (literaire) vrienden, een verblijf van een paar maanden in Parijs en aan het schrijven van tientallen bijdragen, jarenlang, voor het tijdschrift Litterair paspoort, soms zeer lange stukken, origineel en degelijk en voornamelijk voor het geld. De bundel gedichten en de roman die hij publiceerde leverden niets op. Bovendien was Lehmann begonnen aan een nieuwe studie: klassieke talen ditmaal, met het oog op inbedding van zijn archeologische belangstelling. Daaraan kon hij meer toegeven na het behalen van zijn kandidaatsexamen in 1957. Archeologie studeren betekende vanaf dat moment ook soms graven, ‘het echte werk’, aldus Lehmann. Opmerkelijk genoeg inspireerde het hem ook weer tot het maken van poëzie.

    Hij studeerde, reisde, had af en toe een vriendin, woonde in een klein en oncomfortabel kamertje  op de hoek van de Herengracht en de Amstel. Kortom voor een man van tegen de veertig hield hij het echte leven wel enigszins op afstand. Zonder ernst of diepgang was het overigens niet. In 1959 ging Lehmann in psychoanalyse, welke behandeling meer dan tien jaar zou duren – zonder veel effect, aldus de cliënt zelf achteraf. Een uitvloeisel daarvan was dat, als Lehmann niet meer wist wat hij zeggen moest, hij overstapte op het gebruik van niet bestaande woorden. Dit inspireerde hem vervolgens weer tot een lang verhaal dat jaren later, t.g.v. Lehmanns negentigste verjaardag werd gepubliceerd. Contacten met verschillende Engelse vriendinnen leidden in één geval bijna tot een huwelijk – maar op het laatste moment ging het niet door. In 1960 ontmoette Louis Lehmann Alida Beekhuis die ruim vijftig jaar zijn levensgezellin zou blijven, zij het met wisselende intensiteit en een zekere mate van afstand: wat hen vooral bond was nieuwsgierigheid naar heel verschillende dingen. In een ruime maar armelijke en primitieve etage aan een Amsterdamse gracht beleefden zij een onstuimige en romantische tijd. 

    Muziek en Live performance

    Aanvankelijk was Geert van Oorschot zijn uitgever, maar in die tijd brak Lehmann brak met hem en werden zijn nieuwe dichtbundels uitgegeven bij De Bezige Bij. Daar ontmoette hij veel vrienden en bekenden en deed er ook enig vertaalwerk op. Poëzie intussen, werd in samenspraak met andere dichters, uit binnen en buitenland, meer en meer vermengd met muziek (vooral jazz) en optredens: live performance, waarvan de beroemdste manifestatie een poëzieavond in Carré was. Lehmann was toen overigens de enige die zijn optreden zelf voorzag van een muzikale noot (mondharmonica). Wat niet wegneemt dat de maatschappelijke loopbaan van Lehmann maar niet van de grond wilde komen. Hij weet dat meer en meer aan ‘de poëzie’, en nam er dan ook afstand van. Af en toe publiceerde hij nog een los gedicht in een tijdschrift maar er verschijnen geen bundels meer en een interview over poëzie loopt uit op een mislukking. Tegelijkertijd probeert Lehmann – begin 1962 eindelijk afgestudeerd als archeoloog – binnen dit vakgebied werk te vinden in de vorm van losse betrekkingen bij projecten in onder andere Engeland en de V.S. Voor het overige lijkt Lehmann vooral een afzijdige passant te zijn. Tegelijkertijd blijft hij open staan voor- en genieten van actuele ontwikkelingen op cultureel en artistiek gebied. Met dichten is hij gestopt, dansen doet hij des te meer; niet professioneel, wel met grote ernst en toewijding en tot op hoge leeftijd.          

    Dat Lehmann er niet in slaagt ‘echt’ werk te vinden frustreert hem meer en meer, wat hem wrokkig maakt en afstand doet nemen van vrienden en bekenden die wat dat betreft meer succes hebben. De poëzie heeft hij kennelijk blijvend vaarwel gezegd; wel helpt hij buitenlandse vrienden bij een optreden voor Poetry International in Rotterdam, maar zelf richt hij zich vrijwel uitsluitend op de archeologie. Daarbij blijkt steeds nadrukkelijker zijn interesse voor en deskundigheid ten aanzien van scheepsarcheologie. Het mondt uit in enkele serieuze publicaties en een tijdelijk baantje. Dat laatste krijgt na afloop een verrassend vervolg, in de vorm van een heuse werkloosheidsuitkering. Per 1 december 1978 ontvangt Louis Lehmann voor het eerst van zijn leven een geregeld inkomen, dat in vergelijking met wat hij gewend was niet eens zo slecht was.   

    Lehman op de radio

    De uitgave in 1981 van een bloemlezing uit het befaamde tijdschrift-in-één-exemplaar De schone zakdoek, die ondanks het beruchte elfde gebod toch poëzie van Lehmann bevatte, betekende voor het eerst in vele jaren een mogelijk nieuw momentum voor de dichter Lehmann. Maar tot zijn opluchting werd daar betrekkelijk weinig aandacht aan besteed. Wel manifesteerde Lehmann zich onder begeleiding en aanmoediging van VPRO-radiomaker Wim Noordhoek meer en meer als liefhebber van alle mogelijke soorten van muziek. Deze samenwerking zou meer dan dertig jaar duren, allerlei stijlen en invloeden kwamen voorbij, evenals Lehmanns eigen composities. Intussen ontwikkelde zich ook zijn archeologische specialisme ten aanzien van de Griekse galeischepen, wat uitmondde in twee publicaties die serieus besproken werden.

    Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon: Lehmann raakte in de loop van de jaren tachtig opnieuw betrokken bij de poëzie, zij het niet die van zijn generatiegenoten maar meer in de punkscene. Uitgerekend in kringen van krakers bij hem in de buurt treedt hij weer eens op. Hij komt in contact met Diana Ozon, met wie hij bevriend raakt, en publiceert in een lokaal blaadje weer eens een gedicht, zonder dat het iemand opvalt overigens. En dat was eigenlijk maar goed ook, want wie hem dichter noemde kreeg het namelijk fors met hem aan de stok, zoals Anton de Goede bemerkte na publicatie van een artikeltje in de VPRO Gids waarin hij Lehmann weer eens typeerde als (voormalig) poëtisch wonderkind. Lehmann bleef het dichterschap beschouwen als iets dat anderen kennelijk steeds heel belangrijk vonden; zelf meende hij dat zijn poëzie hem in zijn maatschappelijke loopbaan alleen maar last had bezorgd. 

    Levensgezellin Alida Beekhuis

    Mede daarom zon hij op een manier om zijn archeologische inspanningen en publicaties te bekronen met een proefschrift. Aanvankelijk waren de vooruitzichten slecht, maar door zijn kennismaking met Fik Meijer, met wie Lehmann goed kon opschieten, kwam die mogelijkheid alsnog in beeld. Het proefschrift, getiteld The polyeric quest. Renaissance and Baroque theories about ancient men-of-war verscheen in 1995 en op zijn 75ste mocht Louis Lehmann zich doctor noemen. Zijn levensgezellin Alida Beekhuis begeleidde een en ander even pragmatisch als liefdevol. Het was vooral om praktische redenen dat Beekhuis en dr Lehmann in 2000 alsnog in het huwelijk traden, op de soberst denkbare wijze, met alleen de getuigen als aanwezigen. In datzelfde jaar verscheen ook een bundeling van Lehmanns verzamelde gedichten – een boek van bijna 700 pagina’s – waarin hij eindelijk had bewilligd, mede omdat hij goed aanvoelde dat Alida daar prijs op stelde. 

    Bewonderenswaardige hoeveelheid informatie

    Lehmann bleef artistiek actief op allerlei vlakken – onder andere optredens te Ruigoord – maar natuurlijk gingen de jaren tellen, met onvermijdelijke gezondheidsklachten van dien. Er bleef aandacht bestaan voor Lehmann van hen die het goed met hem meenden, en bij diverse evenementen en festiviteiten was hij aanwezig – maar geleidelijk aan ging meer en meer langs hem heen. De gevolgen van zijn gezondheidsproblemen leidden in november 2012 tot het einde.     

    In deze biografie is een bewonderenswaardige hoeveelheid informatie bijeengebracht. Op zichzelf is de speelse, originele en ongrijpbare figuur Lehmann merkwaardig en veelzijdig genoeg voor een boek van deze omvang. Al had het boek gewonnen bij iets meer speelsheid.  Het is nogal opsommerig en werkt gestaag Lehmanns leven af, van begin tot eind. Informatief, zeker, boeiend ook, maar tegelijkertijd braaf. De hamvraag van zijn kunstenaarschap: ‘Waarom stopt een schrijver op enig moment met schrijven en houdt dat vervolgens dertig jaar lang vol?’ wordt door de titel van de biografie niet helemaal beantwoord. Lehmann was niet zozeer een dichter ‘die het niet wilde zijn’. Hij was de dichter die hij was. Hij wilde niet een dichter zijn zoals die blijkbaar behoorde te zijn in de ogen van anderen. Aan dat beeld wilde hij niet voldoen: niet zozeer principieel of onverzettelijk… zelfs in dat standpunt was hij onzwaarwichtig lijkt het. Maar het lot van wie publiceert is nu eenmaal dat anderen zich over die publicaties uitlaten. En daar moest Lehmann mee dealen. Dat hij dat deed op eigen, uitzonderlijke wijze, neemt de lezer  voor de man in, als de dichter die hij tegen wil en dank was, als veelzijdig en toegewijde dilettant op tal van andere artistieke gebieden en als mens. 

     

     

  • Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    In november van dit jaar verscheen er een biografie van L.Th. Lehmann, die in 1920 werd geboren in Rotterdam en in 2012 in Amsterdam overleed. Het is een open deur om deze kunstenaar te kwalificeren  als ‘veelzijdig’, maar toch: Lehmann was dichter, danser, componist, romancier, vertaler en recensent. Hij tekende en maakte collages, en bovendien studeerde hij rechten en archeologie, welke laatste studie hij op 75-jarige leeftijd bekroonde met een proefschrift over Griekse galeischepen. Lehmanns biograaf Jaap van der Bent noemt hem ingevolge deze veelzijdigheid niet zozeer een homo universalis, wel een multitalent, maar bovenal: ‘de perfecte amateur’.  

    Dertig jaar geen poëzie

    Als dichter werd Lehmann onder meer bekend omdat hij tussen 1966 en 1996 juist in het geheel géén poëzie publiceerde (na tussen 1940 en 1966 minstens negen bundels te hebben gepubliceerd, waaronder zelfs – op 27-jarige leeftijd – een uitgave met de titel Verzamelde gedichten). En omdat Lehmann ook weigerde gedichten bij te dragen aan bloemlezingen (‘Gij zult niet bloemlezen’) dreigde zijn werk in de vergetelheid te geraken. In 2000 – het jaar dat de dichter tachtig werd – verscheen een verzamelbundel van bijna 700 pagina’s, die een bundeling behelsde van zijn werk uit de periode 1939-1998. Sindsdien verschenen nog tal van grotere en kleine publicaties – zelfs een kookboekje – mede gepubliceerd in eigen beheer door Lehmanns levensgezellin Alida Beekhuis, onder het imprint Gouden Reaal. 

    De biografie is een goede aanleiding om een bundel gedichten van Lehmann voor de dag te halen, een van zijn laatste ‘reguliere’ publicaties bij De Bezige Bij, Wat boven kwam. Meteen de opening van de bundel zet al de toon.

    ‘Van mij kan men zeggen
     dat ik mij verlies
     in kleinigheden.
     Maar ook
     dat ik mij erin vind.’

    Klankgedichten

    Wat volgt is een verzameling gedichten in allerlei vormen, soms vrij en kort, soms een rijmend sonnet. We komen verwijzingen tegen naar onder meer Nietzsche, Mozart, Bach, Albert en Jacob Cuyp, Rudy Kousbroek, Stendhal, Longfellow. Er zijn gedichten over vogels in de stad, en over enkele plaatsen, zoals Ruigoord, Brussel, Rio de Janeiro, Parijs (in 1953) en het zuiden van de V.S. Evident is ook Lehmanns liefde voor surrealisme, taalspel en speelsigheid in het algemeen, wat bijvoorbeeld blijkt uit een zuiver klankgedicht als, 

    ‘Pseudo-dada

     Rellebelère umta
     kroeboel
     uswoziwoe holar
     krepasruum
     jalspi
     uurnamuurnam jofi
     bralbam
     snilsko
     jupatfotla
     bidorwummis klarg
     iskato
     joebltka feerfo.’

    Wie mocht denken dat deze merkwaardige dichter alleen met opgewekte producten voor de dag komt kunnen we uit de droom helpen (zoals hij mogelijk zichzelf uit een droom hielp) met: 

    ‘Waar verhaal

     De toekomst is dit:
     dat vlees en botten
     ’t bewustzijn afdanken
     en dan gaan rotten.’

    Het kortste gedicht in de bundel telt drie regels, het langste drie bladzijden. Zoals de kunstenaar Lehmannn niet te vangen is, zo is het eveneens met zijn gedichten. Want hij sluit deze uitgave ook nog eens af met drie gedichten van de Zwitsers-Argentijnse dichteres Alfonsina Storni (1892-1938), die Lehmann uit het Spaans vertaalde. Kortom, een bundel als Wat boven kwam vormt een prima opmaat naar een (hernieuwde) kennismaking met deze onnederlands speelse, originele en veelzijdige dichter. En het mooie is dat tegelijk met de biografie er ook een keuze uit het dichtwerk van Lehmann verschenen is, getiteld, ‘Gij zult niet bloemlezen, samengesteld door Erik Bindervoet. 

     

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann / Jaap van der Bent / 512 blz. /AFdH-uitgevers.
    Gij zult niet bloemlezen, Een keuze uit de poezie van Louis Lehmann / samenstelling Erik Bindervoet / AFdH uitgevers.
    Luister hier naar een marathoninterview (1990) van de VPRO met Louis Lehmann.

     

  • Oogst week 45 – 2021

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann

    Afgelopen zaterdag zijn er twee uitgaven over en van Louis Lehmann gepresenteerd . Allereerst is er een biografie door Jaap van der Bent onder de titel De dichter die het niet wilde zijn. De auteur zegt in een interview:  ‘Ik zou hem niet een homo universalis willen noemen, zoals sommigen doen. Hoewel hij natuurlijk wel heel veelzijdig was: hij schreef poëzie en proza, recenseerde literatuur en vertaalde, was jurist en archeoloog, componeerde en speelde muziek en was een goed danser. Ook maakte hij collages en tekende. Een multitalent was hij zeker. Ik zou hem de perfecte amateur willen noemen, althans in zijn beeldende werk’.

    Lehmann overleed in 2012 toen hij 92 was. Kort daarvoor kreeg hij een eigen website. Hoewel hij niet op publiciteit uit was schijnt hij er toch wel trots op te zijn geweest.
    Tegelijk met de biografie verscheen Gij zult niet bloemlezen!, een keuze uit de gedichten van Lehmann door Erik Bindervoet. Hij verzorgde ook een nawoord. Veel gedichten van Lehmann zijn licht van toon en gebaseerd op woordspelletjes. Zoals het bekende Gesprek tussen twee muizen:
    Piep. / Piep. / Piep? / Piep. / Piep. / Piep, piep! / …Piep? / Piep. / Piep, piep, piep. / Lievier tierks dien pieps / Jiep! Piep, piep, piep? Piep…

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann
    Auteur: Jaap van der Bent
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers

    de verschroeiden

    In de eerste zinnen van de verschroeiden (inderdaad zonder hoofdletters) van Antonio Ortuño wordt Gloria, een sociaal werkster in Santa Rita, vlakbij een migrantenopvangcentrum neergeschoten: ‘De politie had geen goede naam bij de inwoners van Santa Rita. Als iemand de moeite zou nemen een lijst op te maken van klachten over de plaatselijke agenten, zouden in geen geval ontbreken: afpersing (van winkeliers en prostituees), verkrachting (van prostituees en hier en daar een willekeurige passant), mishandeling (van de zwervers die in de buurt van het station bivakkeerden, en alweer, prostituees) en diefstal (de politie had de gewoonte cola te drinken bij de buurtwinkel en zonder te betalen te vertrekken)’.
    Geen wonder dat niemand onder de migranten die getuige zijn geweest van de schietpartij iets tegen de politie wil zeggen. Als er brand uitbreekt in het centrum trekt sociologe Irma op onderzoek uit. Ze raakt verstrikt in het web van geweld en corruptie.

    de verschroeiden
    Auteur: Antonio Ortuño
    Uitgeverij: Podium

    De verlossing van Jacob Smallegange

    Rinus Spruit is een laatbloeier in de literatuur. De in 1946 geboren Zeeuw baarde in 2009 opzien met zijn lovend gerecenseerde debuut De rietdekker. In 2013 volgde Een dag om aan de balk te spijkeren, in 2019 De wonderdokter (naar het dagboek van een Zeeuwse plattelandsarts) en nu is er De verlossing van Jacob Smallegange. Alle romans (en zijn korte verhalen) spelen in Zeeland. In de nieuwe roman doet Gerard Stroband onderzoek naar de hoge zuigelingen- en kindersterfte op de Bevelanden rond 1900. Hij verwerkt zijn bevindingen in een boek over vroedmeester (de mannelijke beroepsgenoot van de vroedvrouw) Jacob Smallegange die in Sabbingedijk werkt: Stroband ‘zag Smallegange lopen met over zijn schouder een juten tas met daarin de twee helften van de verlostang en nog wat andere apparatuur. Zoals alle vroedmeesters noemde Smallegange zijn verlostang ‘de ijzers’.
    Rinus Spruit is op 14 november te gast in het boekenprogramma Brommer op zee (NPO 2, 19:25)

    De verlossing van Jacob Smallegange
    Auteur: Rinus Spruit
    Uitgeverij: Cossee