• Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Jaap Goedegebuure, Neerlandicus en biograaf van de schrijver Frans Kellendonk (1951-1990), beweegt zich in zijn détailstudie over de muziek van Kellendonk tussen afstand en vereenzelviging. Hij deelt Kellendonks liefde voor Bob Dylan en nog wel meer: beiden volgden het gymnasium, waren schoolkrantredacteur, studeerden letteren (Kellendonk overigens Engelse taal en letteren) en werden schrijver.

    Goedegebuure start zijn verhaal met Kellendonks vriendschap met Leonard de Vos op het Dominicuscollege in Nijmegen. Een college waar jongens werden voorbereid voor een opleiding tot rooms-katholiek geestelijke. Ze vormen samen een duo, Kellendonk als schrijver van teksten die De Vos op muziek zet. Ze waren enthousiast en eendrachtig, maar ze doen meer. Samen met nog twee andere scholieren richten ze een schoolkrant op, Inkijk. Kellendonk schrijft onder meer over muziek. Hij draait zo warm voor het schrijverschap dat volgens Goedegebuure hier, ‘al de contouren van Kellendonks cultuurkritische tragikomedie Mystiek lichaam (1986) opdoemen’.

    Voorbereiding schrijverschap

    In de vierde klas van het gymnasium stapt Kellendonk als redacteur over naar Climax, een concurrerend blad van het Dominicuscollege, begonnen door een aantal vierdejaars hbs’ers. Hierin publiceert hij onder andere gedichten, in de voetsporen van Dylan en Boudewijn de Groot. Goedegebuure citeert er ruim uit en hij neemt ook vier vertalingen van Dylans songs op. Hij onderscheidt drie voorliefdes van Kellendonk: engagement, visionaire bevlogenheid en al dan niet ironische liefdesliedjes. 

    Na de overgang van vierde naar vijfde klas stapt Kellendonk over naar een gymnasium in Rotterdam, de stad waar zijn ouders wonen, ‘de geestelijke roeping (…) is vervlogen’. Hier wacht hem een nieuwe vriendschap: met Martin van Heesch, eveneens een groot Dylan-fan én aankomend singer-songwriter. Leo de Vos en Frans blijven al schrijvend contact met elkaar houden. Enkele brieven die Kellendonk aan hem schreef zijn in het boek opgenomen.

    In 1969 doet Frans Kellendonk eindexamen. Zijn verhalenbundel Het reuzenrad was toen al in gestencilde vorm verschenen. Goedegebuure beschouwt deze bundel als ‘een echte sleuteltekst, ontstaan op de drempel tussen adolescentie en volwassenheid, middelbare school en universiteit, het verleden en het vooruitzicht op een nog komende ontwikkeling van de schrijver’.
    Er is echter ook een andere sleuteltekst denkbaar, of liever: sleutelpassage, namelijk wat Kellendonk bijna terloops aan Leonard de Vos schrijft over een nieuw leven dat hij vond ‘in de schoonheid van de kunst, i.e. de poëzie, nadat ik ben vastgelopen in de realiteit van het harde leven’.

    Tegenspraak in werk van Kellendonk

    In Kellendonk. Een biografie van Goedegebuure, stelt hij dat zoiets als een tegenspraak moet worden beschouwd (poëzie en leven), zoals hij er vele in het werk van Kellendonk aantreft. Soms begrijpelijk, zoals nieuw leven ten opzichte van de dood in Mystiek lichaam – alhoewel je het daar ook over kunt hebben – maar in verband met het citaat zou je de overgang van het harde leven naar de schoonheid van de poëzie kunnen zien als een scharnier, zoals Neerlandica Yra van Dijk en haar studenten dat eens omschreven en overtuigend hebben uitgewerkt tijdens een lezing over Mystiek lichaam bij Spui25 in Amsterdam (15 oktober 2009). Immers, zijn muziek en poëzie niet bij uitstek de kunsten die leven en dood voelbaar maken?

    Zoals deze sleutelpassage bijna terloops voorbij komt, zo komen ook de jaren zestig uit de vorige eeuw zeer summier en bijna terloops voorbij. De jaren waarin Kellendonk afscheid neemt van de rooms-katholieke kerk, de tijd van zijn voorkeur voor psychedelische rock van Pink Floyd en The Byrds’ en (…) de hallucinante beelden’ van Bob Dylan. 

    In beide gevallen had Goedegebuure meer de diepte in mogen gaan. Nu moet bijvoorbeeld voor de context van de zestiger jaren uitgeweken worden naar een recent boek als Alles! En wel nu! van Piet de Rooy. Het is jammer dat het boek nu aan de oppervlakte blijft steken. Al zullen de bewonderaars van Kellendonks werk blij zijn met de gepubliceerde gedichten en brieven uit de archieven van Leonard de Vos, Martin van Heesch en Kellendonk zelf (uit de Leidse Universiteitsbibliotheek).

     

  • Een loner op zoek naar verbondenheid

    Een loner op zoek naar verbondenheid

    In een schrijversbiografie gaat het niet alleen over het werk maar ook over de persoon. Wie was de auteur? Met wie was hij (of zij) bevriend? Wat deed hij of wat liet hij na? Het is in een recensie natuurlijk glad terrein om een moreel oordeel te vellen over het handelen van een persoon, maar de eerste reactie die je zou kunnen hebben bij het lezen dat de seropositieve Kellendonk willens en wetens onveilige seks met andere mannen had: die Kellendonk, wat een zak. ‘Herhaling van de misdaad verzacht het schuldgevoel’, schrijft hij in zijn dagboek. De biograaf citeert daarbij een romanpersonage van Kellendonk: ‘Als ik geen engel kan zijn, dan ben ik maar een duivel.’ Het levert één van de meest ontluisterende bladzijdes op in deze omvangrijke biografie.

    Kellendonk. Een biografie van Jaap Goedegebuure (1947), inmiddels emeritus hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, is het slotakkoord van zijn onderzoek naar het leven en werk van één van de meest opvallende Nederlandse auteurs uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. In 2015 publiceerde Goedegebuure, in samenwerking met Oek de Jong, het – werkelijk prachtige – brievenboek van Kellendonk, prima ingeleid en geannoteerd. Wie De Brieven las, zal in de biografie vooral veel herkenning vinden.

    Frans Kellendonk (1951–1990), geboren in Nijmegen, vestigt al op jonge leeftijd zijn naam in de Nederlandse literatuur met zijn debuut Bouwval in 1977 en zijn, bijna naadloos hierop volgend toetreden tot de redactie van het literair tijdschrift De Revisor. Hij vertaalt onder meer Laurence Sterne, John Fowles en Emily Brontë en schrijft essays en reportages. Met Mystiek lichaam, zijn laatste roman, wordt hij middelpunt van een heuse rel – hij wordt beschuldigd van antisemitisme, zijn twijfel over de multiculturele samenleving wordt gehoond en ook zijn weinig progressieve visie op homoseksualiteit valt bij veel critici verkeerd. Pasten zijn conservatieve opvattingen over de samenleving totaal niet in de tijdgeest van de jaren tachtig, nu zou Kellendonk, mocht hij nog steeds dezelfde opvattingen hebben gekoesterd, een warm onthaal vinden bij veel politici, zo betoogt Goedegebuure in het slothoofdstuk van de biografie, daarmee de actuele relevantie van het werk van Kellendonk benadrukkend.

    Wie was Kellendonk? Een paar kernwoorden: fysiek een aantrekkelijke jongeman, homoseksueel, zwijgzaam, zuinig, moeizaam in relaties, te beginnen met zijn familie. Hoe hij bijvoorbeeld bazig zijn zwangere zus de les leest, omdat hij zichzelf eerstverantwoordelijke van de familie vindt, is bijzonder pijnlijk om te lezen. (Een moreel superieure houding die in schril contrast staat met zijn eigen latere gedrag tegenover zijn sekspartners.) Ook in de liefde toont hij zich een moeilijk mens. Zijn relatie met de meer flamboyante Thijs Westerhout eindigt in een grote deceptie.

    In zijn werk is Kellendonk een verdienstelijk vertaler en een scherp polemist. Lees maar eens hoe hij de Komrij-vertalingen van de toneelstukken van Shakespeare door de mangel haalt. Wat telkens terugkeert, is juist Kellendonks verlangen naar verbondenheid, traditie en zijn praktiserend kluizenaarschap. Die behoefte aan verbondenheid zie je terug in zijn visie op religie. Ook al gelooft Kellendonk zelf niet meer, hij onderkent wel het belang van een kerk als gemeenschap. Het liefst wil hij zich deel voelen van een groter geheel, maar in de praktijk kiest hij voor een meer solitair bestaan. Kellendonk, de schrijver en de mens, blijkt opgebouwd uit paradoxen.

    Stilistisch en inhoudelijk komt de biografie pas halverwege op gang, wanneer Kellendonk Nijmegen verlaat en naar Amsterdam vertrekt. In een interview vertelt Goedegebuure dat hij juist veel aandacht wilde besteden aan de middelbare-schooltijd van Kellendonk, zijn vormende jaren. Maar juist in de eerste honderdvijftig pagina’s kiest de biograaf voor wat truttige zinswendingen. Vooral als het gaat over homoseksualiteit verslikt Goedegebuure zich in oubollige, vast ironisch bedoelde zinswendingen – hij overtreft daarmee het ongemak van Kellendonk zelf met dit onderwerp. Als Kellendonk lid wordt van de schoolkrantredactie: ‘Je boekt er sowieso succes mee bij jongerejaars en (…) ook bij de meisjes, al is het de vraag of Kellendonk zich daarvoor heeft geïnteresseerd.’

    Of: ‘Kellendonk heeft zich er nooit over uitgelaten in hoeverre hij (…) al dan niet met eigen instemming, door een liefdevolle pater in zijn eenzaamheid is getroost’. Dan het commentaar op een heteroseksuele seksscène: ‘Echt vrouwvriendelijk klinkt het niet, maar dat viel van de Kellendonk die ertegen opzag om een baarmoederlijk gat te moeten vullen ook niet te verwachten.’ Het lijkt een vooruitwijzing naar de zogenaamde baarmoedernijd van Kellendonk, maar het zijn zinnen waarvan je als lezer niet meteen blij wordt.

    Goedegebuure lijkt meer plezier te hebben als hij vertelt over het Academisme (een stroming waar Kellendonk niet bij wil horen), als hij uitlegt wat wordt bedoeld met oprecht veinzen en hoe Kellendonk de maat neemt van de Nederanglisten of wanneer hij Kellendonks colleges over Vondel behandelt. Dan is Goedegebuure een verteller die werkelijk grip op zijn materiaal heeft. De rel rond Mystiek lichaam, de nauwgezette weergave van alle reacties op het boek, en Kellendonks antwoord aan zijn critici vormen het interessantste deel van de biografie. Wat bijblijft: Goedegebuure toont met precisie aan hoezeer Kellendonks verhalen autobiografisch van karakter zijn. Ontroerend is Kellendonks brief aan zijn oude geliefde Westerhout wanneer hij, doodziek inmiddels, is opgenomen in het Prinsengrachtziekenhuis. De man die tussen hem en de wereld een pantser opgetrokken had, schrijft: ‘Nu ben ik afhankelijk geworden, met een schok, van de hulp en hartelijkheid van anderen, en het blijkt géén afschuwelijke ervaring te zijn, integendeel, een bevrijding.’ Misschien was het voor de creativiteit van de schrijver dodelijk geweest, maar de mens Kellendonk was zo’n inzicht eerder in het leven gegund.

    Nog één opmerking dient gemaakt te worden en wel over de slotzinnen van de verschillende hoofdstukken. Goedegebuure vond het belangrijk om nagenoeg telkens af te sluiten in apotheose. Dan krijg je tromgeroffelzinnen als ‘Inmiddels was het moment aangebroken waarop de schrijver Frans Kellendonk eindelijk zijn opwachting in de Nederlandse literatuur maakte.’ Of ‘Het was ook in die hoedanigheid dat hij na thuiskomst meteen een appeltje wilde schillen met zijn oudste zus Anne-Marie’. En: ‘In minder dan vijf jaar tijd waren het de muren die neerkeken op een man die gebroken op zijn ziekbed lag’. Cliffhangers die het misschien goed doen in het thrillergenre, maar een stilistisch zwaktebod zijn voor een biograaf die desondanks met deze biografie een meesterproef heeft afgelegd.

     

  • Oogst week 40 (2018)

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie

    Er mag rivaliteit geweest zijn tussen de schrijvende broer en zus – Geerten en Doeschka – Meijsing, maar uit Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie spreekt vooral verwantschap en vertrouwdheid. Dat zal voor een deel zijn – zoals Geerten Meijsing in Spätlese, het nawoord bij de brieven schrijft, waaruit ook blijkt hoe hard de klap van de plotselinge dood van zijn zus bij hem aangekomen is – omdat zij elkaar op papier ontzagen en vooral complimenteus waren waar het hun werk betrof, maar dat is niet de voornaamste reden.
    Belangrijker is dat zij elkaar als mens verstonden en hun vak op dezelfde manier benaderden:

    ‘het schrijverschap was en is voor ons een allesomvattende levenshouding waaraan alle andere bezigheden en beslommeringen van het dagelijkse leven ondergeschikt zijn, de nevenwerkzaamheden die mijn zuster voorzichtigheidshalve bijna tot op het einde verricht heeft ten spijt.’

    In de brieven, die de periode 1979 tot 2009 beslaan, gaat het over het werk en de litteratuur, maar minstens even prominent aanwezig zijn de beslommeringen – privé en zakelijk – die in de praktijk behoorlijk veel energie en tijd vragen. Doeschka en Geerten Meijsing nemen geen blad voor de mond en sparen elkaar ondanks hun verwantschap niet. Hun jalousie de métier laait op als de één van de ander vindt dat hij/zij zich teveel op het territorium van de ander begeeft.

    De brieven zijn door Nop Maas zo gedetailleerd geannoteerd dat er niet veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten, maar zijn werkwijze stimuleert het

     

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie
    Auteur: Geerten Meijsing & Doeschka Meijsing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Istanbul, Istanbul

    Burhan Sönmez leefde tien jaar in ballingschap in Londen. Inmiddels woont en werkt hij weer in Istanbul, maar bij terugkeer trof hij een andere stad aan dan hij verliet, waardoor hij in zekere zin opnieuw in ballingschap verblijft. Vertelde hij vorige maand in De Balie, waar hij te gast was tijdens PEN Spreekt.
    Istanbul, Istanbul volgt de vorm van de Decamerone van Boccaccio. Tien dagen lang vertellen vier politieke  gevangenen – een dokter, een student, een barbier en ‘oom Küheylan’ – elkaar verhalen om de moed erin te houden. Zij zitten in een ondergrondse cel in Istanbul waar zij op elk willekeurig moment opnieuw verhoord kunnen worden.

    In die verhalen is Istanbul alom tegenwoordig. De bovengrondse stad, de stad die in herinneringen voortleeft en het mythische Istanbul. De vier die behalve hun gevangenschap weinig met elkaar gemeen hebben, bieden via hun verbeelding weerstand tegen de martelingen die zijn ondergaan.
    Istanbul, Istanbul verscheen in 2015, voordat de situatie in Turkije door de mislukte coup dramatisch verslechterde, maar de roman kan gelezen worden als een aanklacht tegen de meedogenloze manier waarop tegenstanders van het regime sindsdien onschadelijk gemaakt worden.

    Maar Istanbul, Istanbul laat zich los van een specifieke historische context ook lezen als een pleidooi voor het vertellen van verhalen. Burhan Sünmez geeft zijn personages de nodige overwegingen mee die ontleend zijn aan de (wereld)literatuur.

    Istanbul, Istanbul
    Auteur: Burhan Sönmez
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Alle verhalen

    Haar schilderijen tonen verwantschap met het werk van Jheronimus / Jeroen Bosch. Ze worden bevolkt door wezens die eerder aan de fantasie ontsproten lijken te zijn dan dat zij hun oorsprong in de werkelijke wereld hebben. Leonora Carrington (1917-2011) schilderde niet alleen, ze schreef ook, zij het niet heel veel en vooral korte verhalen. Die verhalen – vorig jaar ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag gebundeld en nu onder de titel Alle verhalen verschenen in het Nederlands – zijn net zo surrealistisch als haar schilderijen. Macabere sprookjes lijken het, waarin de grens tussen leven en dood vloeibaar is. Zwarte verhalen, waarin de natuur en de vergankelijkheid zich opdringen. Maar tegelijk getuigen ze van een scherpe kijk op de conventies waarmee het leven gepaard gaat. Veel van haar vrouwelijke personages onttrekken zich aan hun voorbestemde leven, zonder dat Leonora Carrington nadrukkelijk een feministisch statement maakt.

    Haar vroegste verhalen dateren uit de jaren 1937/’38. Naarmate de tijd verstrijkt, sluipt er meer herkenbare werkelijkheid en idem dito maatschappijkritiek in de verhalen die Leonora Carrington in het Engels, Frans en Spaans schreef.

    Eerder dit jaar verscheen al het autobiografische Beneden, waarin Leonora Carrington verslag doet van de waanzin die haar trof na de arrestatie van kunstenaar Max Ernst en haar gedwongen opname in een inrichting.

     

    Alle verhalen
    Auteur: Leonora Carrington
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Kellendonk

    ‘Een schrijversbiografie heeft pas iets in te brengen wanneer de schrijver zich niet volledig heeft kunnen waarmaken, wanneer toevallige omstandigheden hun bulten en blauwe plekken op het oeuvre hebben achtergelaten en de schepper interessanter is dan het werk, dat in zoverre dus mislukt mag heten.’

    Tot zover Frans Kellendonk. Zijn oeuvre – verre van mislukt – is relatief klein gebleven, want toen Frans Kellendonk in 1990 stierf, was hij pas 39. In zekere zin geldt voor hem dus dat hij zich als schrijver niet volledig heeft kunnen waarmaken en is het gerechtvaardigd dat er een biografie verschijnt van een schrijver die al wel veel beloftes inloste, maar nog niet uitgedacht en uitgeschreven was.
    Jaap Goedegebuure was niet de eerst aangewezen biograaf, maar uiteindelijk wel degene die de opdracht tot een (goed) einde bracht. Afgaande op zijn inleiding en het eerste hoofdstuk gaat Jaap Goedegebuure op zoek naar ‘continuïteit’ in het werk van de auteur in wiens leven juist (culturele) breuklijnen bepalend waren. Kellendonk trad niet in de voetsporen van zijn vader – zoals veel zonen van zijn generatie dat niet meer deden – en gaf gehoor aan de roep van het dichterschap én hij nam afstand van de traditionele wijze van het belijden van het rooms-katholieke geloof zonder de rituelen vaarwel te zeggen. Wat Jaap Goedegebuure voor ogen stond, was het traceren van de ‘spiegeling van de familiegeschiedenis in de grote geschiedenis.’ Hij zocht naar de invloed van Kellendonks afkomst op zijn maatschappijvisie en wereldbeschouwing, zoals die in zijn werk – romans, verhalen en essays – vorm kreeg. Volgens degenen die Kellendonk: een biografie al uit hebben met wisselend succes.

    Kellendonk
    Auteur: Jaap Goedegebuure
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)
  • Te hoog gegrepen

    Te hoog gegrepen

    In 2015 was het 25 jaar geleden dat Frans Kellendonk overleed. Arie Storm, een grote bewonderaar van zijn werk, heeft 9 jaar geleden in een onbewaakt ogenblik aan zijn uitgever toegezegd een biografie over Kellendonk te zullen schrijven; dat had hij beter niet kunnen doen. In 2015 komt hij tenslotte met een boekje van 144 pagina’s, dat een weinig verrassend, nogal dweperig en zeurderig pamflet is geworden.

    Storm heeft van het begin af aan gezegd dat hij geen klassieke biografie zou schrijven; de verwachtingen waren hoog gespannen en bovendien: had hij immers niet een knappe afstudeerscriptie over Kellendonk geschreven? Hij is nu gekomen met ‘een biografie die een roman is’. Een roman blijkt het evenwel ook niet te zijn; daarom laat hij verderop in het boek Kellendonk zelf zeggen dat het een testament is. Dat zou kunnen, althans wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat Kellendonk via Storm nog enkele gedachten en opvattingen over het leven nalaat die de moeite waard zijn.

    Zo lezen we: ‘deze tekst (…) is één lange en wanhopige poging u een notie te bieden in mijn voor u met niets te vergelijken toestand; waar ik nu ben.’ Dat belooft weinig concreets maar wanneer we dan even verderop lezen: ‘Ik schrijf óók om enkele zaken recht te zetten’, hoop je daar wel op. Maar helaas, welke zaken dat zijn blijft in nevelen gehuld. Die worden ook niet duidelijk wanneer je het boek uit hebt; dan voel je als lezer wel het wanhopige van deze poging in.

    De constructie die Storm heeft gekozen, namelijk dat Kellendonk via hem weer tot leven komt en oorspronkelijke gedachten uit, waarmee de lezer meer inzicht zou krijgen in de opvattingen van de schrijver, werkt niet. Daarvoor lezen we veel te weinig over Kellendonk en teveel over Storm.

    De Stichting Frans Kellendonk Fonds heeft wegens Storms werkwijze en geringe voortgang van zijn arbeid een tweede biograaf aangesteld, hoewel Storm niet in opdracht van dat fonds werkte. Het Fonds vindt dat Kellendonk recht heeft op een klassieke biografie en verwachtte, gezien de aanpak die Storm heeft gekozen, niet dat die er zou komen, vandaar. ‘Die tweede biograaf’ komt in dit boek overigens ook voor en wel als iemand waaraan Kellendonk een hekel heeft; waarom wordt evenwel niet duidelijk.

    Biografie, roman, testament, vertelling?
    Hoe het ook zij: nu ligt er dit boek waarin Storm zich als biograaf presenteert, Kellendonk neergedaald is op aarde, op de schouder van Storm zit en kijkt wat zijn biograaf ervan maakt en ook zelf aan het woord komt. Veel belangwekkends levert dat niet op. We komen niet alleen weinig te weten over Kellendonk, Storm grijpt dit boek ook aan om kritiek te spuien op de praktijk van de Nederlandse literatuurkritiek, op enkele schrijvers en critici in het bijzonder (Adriaan van Dis, Kees Fens) en op de gang van zaken aan de universiteit. Kwesties die niets met Kellendonk te maken hebben. Storm memoreert wel de rumoerige ontvangst van Mystiek lichaam, en dan met name de beschuldiging van Aad Nuis over vermeend antisemitisme in het boek. Maar over die kwestie is al veel gezegd en Storm voegt daar niets aan toe.

    Hij gaat zelfs zo ver Kellendonk te laten zeggen al het eerbetoon aan hem, met bijvoorbeeld de jaarlijkse Kellendonk-lezing, te verafschuwen: ‘die gaat steevast naar prutschrijvers’. Zou Kellendonk dat zo hebben beschouwd? Die mening lijkt meer van Storm zelf te zijn dan van Kellendonk.

    Debat?
    Je vraagt je af wat Storm met deze publicatie wil. Zelf laat hij Kellendonk zeggen, dat ‘deze biografie een debat is tussen hem en mij, door mij via hem geschreven.’ Een debat waarover dan? We lezen over de zielenroerselen van beiden, over de obsessie van Storm met Kellendonk, maar een debat? We lezen hoe Storm in het leven staat en hoe Kellendonk daarop –fictief- reageert, maar een debat? Eigenlijk kan dat ook niet, want beiden zijn het roerend eens over wat er mis is met het literaire wereldje in Nederland, over wat goed schrijven inhoudt etc. Dus waarover debatteren? Er wordt veel gepraat, dat wel.

    Een voorbeeld:

    En nu de grote vraag: ben ik hier, in dit nieuwe boek van mij, deze biografie die een roman is, nu al in het door mijzelf gecreëerde labyrint verdwaald? Ben ik in een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor terechtgekomen? Nee – ik ben juist beland bij de kern van de zaak. Schrijven, goed schrijven, is alles doen wat verboden is. Goed schrijven is een labyrint creëren. Goed schrijven is in een visioen stappen. Ergens van getuigen. Opstaan uit de dood. Met deze woorden stap ik weer in het leven. In deze biografie flakkert mijn bewustzijn weer op. In deze biografie word ik weer tot leven gebracht. Goed schrijven is altijd het leven zelf. Goed schrijven komt eruit voort en creëert het leven zelf. Maar meestal zit je als schrijver toch gewoon aan je bureau. In het leven zelf ben je een afwezige. Waarmee we terug zijn bij het grootste probleem van een biograaf.’

    Wat staat hier eigenlijk? (‘verdwalen in je eigen labyrint’, ‘een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor’?) Waar gaat dit over? Krijg je hiermee inzicht in het werk van Frans Kellendonk, in zijn betekenis voor de Nederlandse literatuur? Werpt dit een nieuw licht op de schrijver, 25 jaar na zijn dood?

    Nawoord
    In zijn nawoord schrijft Storm dat zijn boek ‘ons allen, lezers, schrijvers, biografen, dienen te bewegen ons met nog meer waakzaamheid en visie toe te leggen op wat het betekent literatuur te schrijven en te lezen, en ons eigen belang daarbij zoveel mogelijk uit te schakelen.’ Hierin ligt de kern van de obsessie van Storm met Kellendonk: hij is namelijk een van de weinigen in Nederland die volgens Storm echte literatuur bedrijft; de rest valt daarbij in het niet.

    Dit boekje is geen moderne biografie over Kellendonk. Storm heeft natuurlijk alle recht om geen klassieke biografie te willen schrijven, maar is er niet in geslaagd een interessant alternatief te schrijven. Hij heeft zichzelf overschat.

    Het wachten is nu op de biografie van Jaap Goedegebuure.

     

     

  • Van Christusidentificatie tot euvelaapstraatstroo

    Van Christusidentificatie tot euvelaapstraatstroo

    Een eindweegs op weg in Wit licht zullen veel lezers zich mogelijk afvragen wat auteur Jaap Goedegebuure eigenlijk wil betogen. Dat we in de recente literatuur nog altijd door mystiek geïnspireerde schrijvers – de ondertitel is Poëzie en mystiek in de Nederlandse literatuur van 1890 tot nu – vinden? Dat onder hen ook literatoren zijn die niet gelovig zijn? Dat de hang naar mystiek groter is in tijden van desoriëntatie? Het zullen voor de gemiddeld geïnteresseerde literatuurliefhebber toch geen schokkende conclusies zijn. Dat het een ondergewaardeerd aspect is, wellicht?

    Mystiek
    Mystiek blijkt overigens een lastig te vatten begrip. Zo begint Goedegebuure met te schrijven wat dichter Hendrik Marsman en essayist Van de Watering erover hebben gezegd, ‘waaraan met gemak nog vele tientallen [begripsbepalingen] kunnen worden toegevoegd’, om vervolgens zijn toevlucht te nemen tot een, volgens hem ‘kernachtige omschrijving’ van theoloog Paul Tillich: ‘Mysticism means inwardness, participation in the Ultimate Reality through inner experience’.
    Inderdaad is het (soms plotselinge) besef zich als diepste individualiteit verbonden te weten met het Al een herkenbare rode draad in Wit licht. Voor sommigen loopt die ervaring via de godsdienst (Marsman), voor anderen via het loslaten van rationaliteit (de aanhangers van Dada) of zelfs via geweld (Armando).

    Goedegebuure koos de titel Wit licht omdat hij die frase tegenkwam bij zoveel dichters die hij bestudeerde. Hij staat voor het doorbreken van dat één voelen van het  individu met het Al. De verschillende wegen naar de mystieke ervaring en de verwoording daarvan vormen in hoofdzaak de structuur van Goedegebuures beschouwing. Het boek telt twaalf thematische hoofdstukken. Enkele daarvan zijn historisch van aard (mystiek in het fin de siècle; mystiek in het symbolisme), maar de meeste beschrijven voorbeelden van de verschillende wegen naar de mystieke ervaring: via de kleine alledaagse eenvoud, via de terugkeer naar de kinderlijke ontvankelijkheid, via geweldsbeleving, via identificatie met het lijden van Christus en via oosterse invloeden als Zen. Maar voor de lezer zijn dat toch vooral op zichzelf staande korte essays, die elkaar bovendien soms overlappen en enigszins onevenwichtig zijn. Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat Goedegebuure zich meer heeft laten leiden door zijn (dichterlijke) voorkeuren dan door de lijn van zijn betoog.

    Onevenwichtig
    Lucebert is een goed voorbeeld van die keuze. Het is de man die waarschijnlijk het meest aan bod komt. Zijn naam valt in vrijwel elk hoofdstuk. Een enkele keer levert dat een herhaling op. Zo komt in hoofdstuk 8 het conflict ter sprake met Bertus Aafjes, die vond dat met Lucebert de SS de poëzie was binnengemarcheerd, en wordt dat in hoofdstuk 9 nog eens een keer uitgelegd.

    Overigens verschaft Goedegebuure de lezer op zich wel genoegen met zijn ruime aandacht voor deze ‘Keizer van de Vijftigers’. Velen van ons zullen op school immers meer zijn opgevoed met de duiding van diens poëzie als kritiek op de gezapige en cerebrale literatuur dan als een zoektocht naar zingeving. Door wat Goedegebuure erover te berde brengt worden regels als ‘in de huisha nabij euvelaapstraatstroo / aan de ulevellenstroepstoom uwe / bruidsdroom uw lohengrijns primeurprix’ heel wat meer dan een oerschreeuw tegen de gevestigde orde.

    Maar wie zoekt naar een heldere lijn in het betoog loopt toch vooral tegen die onevenwichtigheid op. Tegenover de ruime aandacht voor Lucebert, maar bijvoorbeeld ook Hans Verhagen, worden evenzeer mystiek geïnspireerden als Jacob Groot en Jan Hanlo maar vluchtig genoemd. En laten we het dan nog maar niet hebben over wie helemaal gepasseerd worden. Nou ja, één voorbeeld: Leo Vroman. Neem zijn Psalmen en andere gedichten, met regels als: ‘Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, /  Aard van ons hier en nu, / ik voel mij diep door U bereikt / en als daardoor mijn tijd verstrijkt / ben ik nog meer van U.’

    Geen letter over hem in Wit licht.

     

     

  • Literair tijdschrift Extaze nr 4 – muziek en literatuur

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In het voorlaatste nummer van Extaze in twee essays en een kortverhaal ruim aandacht voor de in 2000 overleden schrijver en muzikant, F.B. Hotz. Jaap Goedegebuure recenseerde in de jaren ‘70 de debuutbundel Dood weermiddel van F.B. Hotz en vroeg zich daarbij af of deze schrijver ooit een roman zou kunnen afleveren. Theo Sontrop hield hem toen gevat voor dat ook Tsjechov nooit een roman geschreven heeft. En zo is het, Hotz was een verhalenschrijver van een klein maar indrukwekkend oeuvre. Van Goedegebuure gaat in op de thema’s in de verhalen van Hotz. ‘Het zijn geen helden, de mannen van Hotz’, opent Goedegebuure zijn essay. Volgens Goedegebuure schrijft Hotz met een ‘gedempte berusting’. Een mooie omschrijving van een stijl die zich kenmerkt door afstandelijkheid, en waarin grote woorden geen plaats hebben.

    C.P. Vincentius richt zich op de muzikant en de muziekliefhebber in Hotz. Hiervoor duikt hij de geschiedenis van de jazz in. Hoe de dixielandjazz ontstond begin twintigste eeuw in New Orleans. Miff Mole, trombonist van de Five Pennies was het grote voorbeeld voor trombonist F.B. Hotz. In dit kader past ook het noemen van de vrouw van Hotz, jazz zangeres Greetje Rietbroek, die op zijn leven een onuitwisbaar stempel drukte door zijn beste vriend te vermoorden (!). Waarover Aleid Truijens in de biografie over F.B. Hotz Geluk kun je alleen schilderen, de ware toedracht onthulde.

    Christien Kok liet zich voor haar verhaal De buitenstaander, inspireren door de kring van muzikanten die geregeld bijeen kwam in het woonhuis van dominee Pfeiffer en zijn gezin. De zoon, Serrein, (de latere vriend van Hotz) was de gangmaker van het musicerende gezelschap. In 1952 sloot Hotz zich bij de musicerende groep in het domineeshuis aan, waar op een, voor omwoneneden, wat duistere wijze aan musiceren werd gedaan. Door de afstandelijkheid in de beschrijving, en de terughoudendheid van het personage zelf, is de stijl van Hotz voelbaar.

    In Geen ambitie vertelt Cor Gout hoe hij Robbie van Leeuwen (oprichter van o.a. Shocking Blue en The Motions) eens voorstelde een biografie over hem te schrijven maar dat Van Leeuwen de boot afhield. In 2011 neemt Van Leeuwen het initiatief met de vraag aan Gout of hij die biografie nog steeds wil schrijven. Maar weer wordt het niks, na drie gesprekken blijken de ideeën over een biografie te uiteenlopend om er iets van te kunnen maken. Maar dat wil niet zeggen dat Van Leeuwen zijn verhalen, die hij in de loop van de tijd geschreven heeft, niet wil publiceren. Bij deze: De ambitie, over een jongensdroom die uitkomt. Dat levert mooie beelden op uit de wereld van de popmuziek in de jaren 60/70 van de vorige eeuw. En die biografie, die zou nog wel eens kunnen verschijnen.

    Heleen Rippen (debutant proza) schreef Anni-Frid’s album, een verhaal dat de pijnlijke keerzijde van succes toont en gelezen kan worden als een fictieve auto-biografie. Anni-Frid, een van de zangeressen van Abba, bladert door haar foto-album. Als eerste wordt een foto van het Anni-Frid Andersson Park waar ze door haar man geblinddoekt naar toe werd gereden, getoond. Haar toenmalige man, Benny had dit publiekspark voor haar vijfendertigste verjaardag laten bouwen. Abba’s Chiquitita sing me your song en SOS schalt uit de boxen over het terrein. Het heeft iets flauw komisch Benny dingen te laten zeggen als: ‘Heb je het naar je zin Friedje?’ en ‘Helemaal voor jou gemaakt, dolly’ ware het niet dat juist daardoor het onderliggende verhaal, door Anni-Frid  verteld,   schrijnend wordt. Rippen laat haar, bladerend door het foto-album, weemoedig terugkijken op een leven van uitvluchten en ontsnappingen. Dan schrijft Anni-Frid een brief aan Agneta, die ze na het uiteenvallen van Abba nooit meer gezien heeft en waarin ze de balans opmaakt van haar leven. Ze komt tot de ontdekking dat van alles wat voorbij is, ze het repeteren met Agneta het meeste mist. Rippen schrijft fantasie en werkelijke feiten schijnbaar zonder moeite aaneen, en dat levert  een intrigerend verhaal op dat een intense eenzaamheid  weergeeft.

    Opmerkelijk is ook het verhaal De Berlijnse muur, daarin reist een groep jongeren per auto naar Berlijn. Een van hen, Gregory, heeft zichzelf verplicht mee te gaan maar voelt zich het ‘surplus’ van de groep. Hij beschikt over nogal wat dwangmatigheden, ‘Even duwt Gregory zijn neus tegen zijn schouderblad, hij wil erachter komen of hij stinkt’, die hij probeert te onderdrukken. Luisterend naar een cd zegt ene Tim: ‘Deze dj kunnen we vrijdag checken’. Maar Gregory checkt nooit dj’s. Gregory grinnikt omdat de anderen grinniken en voelt zich het hele, goed geschreven, verhaal door ronduit ongemakkelijk.

    Ook aandacht voor F. Springers(1932-2011) Bericht uit Hollandia. Een exercitie, door Ad Zuiderent. Zuiderent gaat uitvoerig in op enkele misverstanden over de intenties in het werk, en met name het debuut van Springer. Aan de hand van de verhalenbundel Bericht uit Hollandia, toont Zuiderent met bevlogen pen aan dat het werk van Springer al gauw als te eenvoudig of anekdotisch omschreven werd waar dat niet het geval was: ‘Wat op het oog nogal losjes en onevenwichtig is, blijkt bij nader inzien behoorlijk hecht geconstrueerd.’

    Verre en nabije oorlogen, Deel 1 van Kees Ruyt, verscheen in Extaze nr 3. In deze editie het slot daarvan. Over Aya Zikken, een Nederlands schrijfster die opgroeide in Nederlands-Indië tussen twee wereldoorlogen in. Haar ervaringen verwerkte zij in haar boeken. Ruyt werkte de afgelopen vier jaar aan een biografie over Aya Zikken (1919) Alles is voor even. Deze zal eind februari 2013 verschijnen bij uitgeverij In de Knipscheer.

    Schrijfster D. Hooier gebruikte Twee Pantoums, als titel van de twee gedichten, maar ook de dichtvorm paste ze in deze gedichten toe. Pantoun is een dichtvorm waarbij regelherhalingen voorkomen in de volgende kwatrijnen. Zoals in het heerlijke gedicht II van Twee Pantoums:

    ‘Het begint mij vervloekt, te dagen mevrouw
    dat u de schoonheid in fluweel bent die steevast
    te laat, de zaal verstoort met haar pardon, pardon
    niemand luistert als ik in uw kleine stad voorlees.

    Dat u die schoonheid in fluweel bent die steevast
    op mijn subtiel metrum met het hoofd knikt zodat
    niemand luistert als ik in uw kleine stad voorlees,
    door uw wiebelhoofd als van een plastic ezeltje’
    (…)

    Verder een uitvoerig stuk over de opkomst van de Punk-muziek in Punky reggea party,  door Siebe Thissen. En meer verhalen van Mischa van Brandhof, Hein van der Hoeven en Monika Sauwer. Poëzie van Annelie David, Frederik Lucien De Laere, Harry Geelen, Felix Monter, Richard Steegman. De in zwart/wit en grijstinten uitgevoerde psychedelisch vormgegeven illustraties zijn verzorgd door Zeloot. Kortom weer een editie van Extaze die zeer de moeite waard is.

     

    Extaze nr. 4

    Losse nummers in de winkel € 15,00
    Vanaf redactieadres € 17,00, Buitenland € 20,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00, Buitenland € 80,00
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer