• Matinee rond Slauerhoff

    Een programma over de dichter J. Slauerhoff (1898-1936) met poëzie en muziek.
    Rob Scholten vertelt over zijn leven.
    Tatiana Radier vertolkt een aantal gedichten: liefdespoëzie, zeegedichten en andere.
    Marie Anne de Rooij lardeert het programma met eigen en andermans composities. Ze begeleidt
    zichzelf daarbij op de gitaar.

    Toegang: vrijwillige bijdrage.
    Studenten toegang vrij.
    Reserveren gewenst: 070-3647585 (woensdag-vrijdag 12-17 uur; zaterdag en
    zondag 13-17 uur).

     

  • De opdracht

    De opdracht

    In tijden van quarantaine is het fijn om goede buren én verre vrienden te hebben. Geregeld zette onze buurvrouw een pannetje verse kippensoep met rode pepertjes bij onze voordeur. Een andere buurvrouw haalde aan de overkant boodschappen. Vanaf ons balkon volgden we haar met trouwe hondenblik. Er is nood, en vrouwen helpen. Een pakketbezorger bracht een cassette met de verzamelde gedichten van Slauerhoff. Twee gebonden delen. Lief kaartje erbij. Precies, van een verre goede vriendin. Niet naar buiten mogen en dan het werk van een globetrotter als Slauerhoff cadeau krijgen, dat zijn de milde grapjes die het leven je geeft als je er een klein beetje oog voor hebt. ‘Er was en is veel te verstouwen,’ schrijft de vriendin in het lieve kaartje. Ze somt wat persoonlijk tegenslag op, ik zal het hier vanwege de beperkte lengte van de column niet herhalen, en ze besluit met de wens dat een goed boek voor veel het juiste medicijn is. Ze heeft gelijk.

    Deel twee van het verzameld werk opent met de bundel Yoeng PoeTsjoeng – mijn favoriet. Enkele dagen later zoek ik in het eerste deel de bundel Eldorado op (door een disco liedje uit de jaren tachtig hou ik van het woord Eldorado) en zie op het schutblad een handgeschreven opdracht:
    Voor Eva, met wie ik leven wil.
    1-5-’84  Maarten.

    Zou het? Er zijn mensen die je vooral in paren ziet. Wim Kan en Corry Vonk, Jos Brink en Frank Sanders en eigenlijk ook Maarten en Eva Biesheuvel. De Biezen zoals vrienden hen noemden. Eva overleed in 2018. Haar prachtige, directe, rouwadvertentie herinner ik me goed: ‘Goedendag. Ik ben dood. Ik mis Maarten, mijn vrienden, de poezen, de kauwtjes en de duiven. Ik dank u allen hartelijk voor uw troostende vriendschap.’ Twee jaar later stierf  Maarten. 

    De zee en Biesheuvel horen bij elkaar. Als jongen voer hij op de grote vaart. Hij moet een zwak voor Slauerhoff hebben gehad, de scheepsarts die de wereld in de Nederlandse literatuur bracht. Komt het boxje uit hun nalatenschap? Ik pak Biesboek uit de kast voor een klein onderzoekje. Het is niet hun huwelijksdag. Mijn eerste intuïtie blijkt dus fout. Ze zijn op een augustusdag op Schiermonnikoog getrouwd, jaren eerder. Is het dan wel zijn handschrift? Of komt de cassette van een onbekend echtpaar dat toevallig ook Maarten en Eva heet?  Ik zie zoveel verschillende handschriften in Biesboek, twijfel, vergelijk, herken in een brief toch de v en a van de opdracht. 

    Dan de opdracht zelf: Met wie ik leven wil. Die ‘wil’ blijft haken, intrigeert. Het is een ‘wil’ zwanger van verlangen. Naar geluk, naar bevrijding, naar verbinding. Mag ik eindelijk eens leven? Mogen wij leven? Een leven zonder opnames en medicatie? Moet je zijn opdracht zo interpreteren? In 1984 verscheen Biesheuvels verhalenbundel Reis door mijn kamer. ‘Ik ga niet reizen,’ schrijft hij. ‘Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt!’ Tegelijkertijd doet hij Eva dus de verzamelde gedichten van een wereldreiziger cadeau. Al is het projectie of fantasie: zo is de cirkel rond voor wie er een klein beetje oog voor heeft.

     

     


    Humanistisch geestelijk begeleider en schrijver Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • Zomerboeken 2018 – Reizen zonder landsgrenzen te overschrijden

     

     

     

    Het genre van het reisboek verbinden we meesttijds aan verre landen. Reizen dichtbij huis zonder de Hollandse grens te overschrijden en daarover schrijven, dat deed de in 2015 overleden dichter Hans van de Waarsenburg (1943 – 2015).

    Vaak verwisselde hij zijn woonplaats Maastricht voor zowel Europese landen als voor Amerika, Macao, Puerto Rica en Indonesië. Tussendoor zocht hij Zeeland op. Het strand bij Domburg is het vertrekpunt geweest voor één van zijn mooiste bundels zeepoëzie in de Nederlandse literatuur: Avondlandschappen (1982). Hierin strijden doodsgedachten en drang om te (over)leven met elkaar om voorrang. Het zijn hoofdmotieven in Van de Waarsenburgs werk die in de openingsstrofe van de tweede afdeling in de bundel duidelijk herkenbaar zijn:

    In een Zeeuwse stilte
    daalde de tijd van regen neer.
    Scheef hij eb en vloed
    soms huiverend, maar altijd
    starend, de getijden voorbij

    De vierde en laatste afdeling van Avondlandschappen heet ‘(Sardijns) Avondlandschap’ en eindigt met een catharsis: dood en leven verenigen zich, lopen in elkaar over. De zintuigen van de dichter ‘zijn de zee geworden’ en daarmee krijgt het aardse bestaan een grenzeloze en onsterfelijke aanblik.

    De bundel Avondlandschappen kan vanwege het eigen geluid waarin telkens een niet-Hollandse melancholie doorklinkt als van een fado, in kwaliteit wedijveren met de zeegedichten van Hans Lodeizen en zelfs van A. Roland Holst.

    Van Sardinië dat Van de Waarsenburg aandeed, naar andere eilanden in Italië en zijn vasteland is een kleine stap. Deze gebieden zijn het tweede vaderland geweest van Bertus Aafjes (1914 – 1993), de misschien wel meest reislustige in de Nederlandse literatuur. Behalve een veelbesproken voetreis naar Rome ondernam de eens zo beroemde poëet een tocht in de voetsporen van Odysseus zoals zich die in Homeros’ heldendicht aftekenen.

    Evenals Van de Waarsenburg in zijn reisgedichten blijft Aafjes niet in een oppervlakkige waarneming steken in zijn verslag van het nareizen van Odysseus door Italië. Landschappen, steden en ruïnes inspireerden tot het maken van een ‘papieren’ reis, een reis binnen een reis, een tocht in zijn geest. Aafjes roept in Odysseus in Italië (1962) het klassieke verleden op dat bij alle verschillen met het heden in wezen eenzelfde mens te zien geeft. Betrad Odysseus als zeereiziger aardse gebieden die onbekend en onbemind waren, in 1960 overschrijden astronauten uiterste grenzen in het heelal. Zulke universaliteit staat in Aafjes’ werk centraal. Zij verleent de mens de allure van onsterfelijkheid: zijn leven is in het verleden al vele malen geleid en naar het zich laat aanzien zal het zich na zijn dood blijven herhalen.

    Net zo pregnant komt deze gedachte van de tot boeddhisme neigende katholiek Aafjes (in zijn latere leven bezocht hij vaak Japan) in Goden en eilanden (1959) naar voren. Hierin volgt hij de sporen van Odysseus over land en vooral over zee in Griekenland. Op een van de schepen waarmee hij naar een van de eilanden met sporen van zijn held vaart, wordt Aafjes omringd door eenzelfde slag zeelieden als de mannen van Odysseus. Gefascineerd is hij door het verhaal van een bootsman over het vissen op zee. Het is zó beeldend, schrijft Aafjes,  ‘of het was dat ik luisterde naar verzen uit de Odyssee.’

    De in 1981 verschenen bundel Reisbeschrijvingen van J. Slauerhoff bevat een ruime keuze aan kranten uit bijdragen die tot dan toe ongepubliceerd waren gebleven. Als scheepsarts bevoer hij Zuid-Amerika en het Verre Oosten, gebieden die voor talloze lezers in de jaren dertig van Nederlandse dagbladen en zelfs voor die van Nederlands-Indische uit eigen aanschouwing onbekend waren. Slauerhoff heeft hen deelgenoot gemaakt van het bonte en mysterieuze leven dat hij aantrof als hij zijn ‘varend eiland’ verliet en aan land ging. Niet ontsnapt aan zijn blik het verleden van de vaak veel oudere Europese cultuur. Hoe glorieus en eeuwig de bloeiperiodes in den vreemde ook leken, ze hebben het veld geruimd voor barre, vaak koloniale leefomstandigheden. Een heel andere kijk dus dan Aafjes met zijn ‘vereeuwiging’ van het menselijk bestaan door de verbinding van gemeenschappelijkheden in voorbije levens.

    In korzelige en beeldende zinnen weet Slauerhoff de eigenaardigheden ten voeten uit te schilderen van de bewoners in de vaak exotische gebieden. Zo hebben zich ‘enige kooplieden als amfibieën ontpopt. ‘Zij duiken alles na: sigarettendoosjes, spiegeltjes etc.’ Of: ‘Plotseling komen twintig, dertig, veertig boten, donkergroen of zwart met brullende naakte negers bemand van ’t strand af en in een ogenblik is de zee zwart en rumoerig van kano’s en roeiers.’ En ze slaan zich door de branding met hun boten, ‘korte pagaaien, die uit de verte grote witte handen lijken of drietanden.’

    Slauerhoffs visie in zijn reisverslagen uit de jaren dertig beperken zich overigens niet tot heden en verleden. ‘Misschien komt er een tijd,’ merkt hij zijdelings op, ‘dat iedere toerist zwijgend en zwetend bezig is met eigen filmtoestellen, geluidopnemers en reproductietoestellen […] En misschien komt het nog zover dat men geen toerist meer hoeft te zijn en alles thuis kan zien.’

  • Geen alledaags bestaan

    Geen alledaags bestaan

    De Hollandse beschaving, ‘roggebrood: substantieel, degelijk maar niet gracieus’. Zo typeert J. Slauerhoff (1898-1936) zijn land van herkomst in een van de vele brieven in Een varend eiland.

    Een goedgekozen titel voor een keuze uit zijn correspondentie van rond 1920 toen hij geneeskunde in Amsterdam studeerde en als dichter en lezer zijn weg in de literatuur zocht. Brieven uit het verre oosten, Zuid-Amerika en West-Afrika waar hij als scheepsarts van boord ging en rondkeek. Brieven ten slotte van de lichamelijk uitgeputte Slauerhoff uit 1936, het jaar dat hij na omzwervingen en een korte vestiging als arts in Tanger, ziek lag in zijn geboorteland waarmee de banden nooit verbroken waren geweest.

    Al in zijn studententijd had de reislust hem te pakken gekregen. Zee en land, schip op-schip af. Die tweespalt zou zijn verdere leven bepalen. In Oporto in Portugal schreef hij aan een vriend: ‘De nadering van land […] gaf mij fysiek onbehagen. Ik zal het dan ook op zee zoeken als ik klaar ben [met de studie].’

    Later, tijdens verre reizen, zag hij uit naar gebieden ‘met verrassingen’. Zwerven over de wereldzeeën op zoek naar geluk dat hij nooit vond. Hij wilde het ook niet omarmen, getuigt een gedicht als ‘Columbus’ en de brieven in Een varend eiland. Slauerhoff wantrouwt het geluk dat moet liggen in een alledaags bestaan met sleur en steeds dezelfde mensen om zich heen. Vastgeroest raken was het grootste ongeluk. ‘[Ik] ben zo veranderlijk, schreef hij, ‘dat ik me in geen vaste vorm kan geven en insluiten […]’

    Toch verlangde hij naar bestendigheid. Kort voor zijn dood verzuchtte hij niet voor het eerst dat hij ‘wel eens een reëel leven’ wenste, ‘een vaste basis’. Hij heeft serieus overwogen om zich op de Hollandse wal te vestigen, als assistent van een huid- of oogarts bij voorbeeld. Hij  heeft zelfs geprobeerd zich in een medisch specialisme te bekwamen waarvoor hem – naar eigen zeggen – de vereiste nauwkeurigheid ontbrak. Ook pogingen om in het (verre) buitenland voorgoed te ankeren liepen op niets uit.

    Het is Slauerhoff ten voeten uit: besluiteloos zodra hij een definitieve keuze diende te maken. Toch was het zijn enige kans om te overleven. Hij moest zich om zijn zwakke gezondheid ontzien en zijn turbulente leven opgeven. Zijn geest echter eiste vitaliteit en een zwervend en meeslepend leven.

    Een-huis-voor-altijd heeft hij van meet af aan in zijn schrijven gevonden, in de poëzie vooral. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak’, dichtte hij. In zijn korte leven heeft Slauerhoff veel gepubliceerd,  verhalen, romans en reisbeschrijvingen met exotische titels zoals Eldorado, Young Poe Tsjoeng en De opstand van Guadalajara.

    Als avontuurlijk schrijver en ‘poète maudit’ was hij een zeldzame verschijning in het overwegend kalme en gezapige Holland van de jaren dertig. Wat hem in het literaire landschap van die dagen naast zijn excentriciteit als persoon bijzonder maakt is zijn ‘functionele’ slordigheid zowel in zijn (slecht leesbaar) handschrift als in uitdrukkingsvorm. Geen gladde verzen, geen zorgvuldig gebouwde of afgeronde verhalen. Geen mooischrijverij en zeker in zijn poëzie een evocatie van het eigen ik.

    Een directheid die nog groter is in zijn brieven in Een varend eiland. In Een varend eiland profileert Slauerhoff zich feitelijk als de biograaf van zijn eigen leven. Niet zelden immers vertrouwde hij zijn diepste zielenroerselen toe aan familie, vriendinnen en literatoren in het Nederlandse literaire wereldje waar hij zijn grootste roeping had te vervullen.

    Het brievenboek betrekt de lezer in een domein waarin Slauerhoff gedoemd was te leven en dat hij probeerde te herscheppen. Hij hunkerde naar landen met ‘verrassingen’ die hij ook in de schoot krijgt geworpen. Stof voor verzen, verhalen en reisbeschrijvingen dient zich onophoudelijk aan. Onder de bevolking vindt hij geen surprises, op enkele bekoorlijke vrouwen na. Europese enclaves zoals leefgemeenschappen in Nederlands-Indië vindt hij vreselijk en soms ook patiënten die hem aan boord consulteren. Varen ‘met die imbecielen [is] stomvervelend,’ pende hij in een van zijn brieven tijdens een slechte bui neer.

    Op de literatuur van zijn tijd had Slauerhoff veel tegen, vooral op estheticisme, hoge toon en burgerlijk fatsoen. In Holland schreef men ‘zo slecht, zo mak’. Hoewel hij een echte ‘vent’ was heeft hij in de eerste helft van de jaren dertig niet uitsluitend in het door Du Perron en Ter Braak geleide tijdschrift Forum gepubliceerd dat de ‘persoonlijkheid’ centraal stelde. Slauerhoff was geen man van kritische principes, die nu eenmaal snel verouderen of verstarren.

    Niet zozeer uit verwantschap met tijdschrift programma’s maar uit geldnood bood hij zijn werk ter voorpublicatie aan. Het steekt vooral in de laatste jaargangen van Forum schril af tegen de bijdragen van schrijvers en dichters die zich weinig direct over zichzelf uitlieten en nog te veel aan het verhullende estheticisme van Tachtig vast zaten.

    Indringend zijn behalve de berichtgevingen over literatuur en reizen de brieven uit 1936, het jaar van zijn overlijden. De malaria die Slauerhoff aan een reis had overgehouden, speelt hem danig parten en ook zijn jeugdkwaal astma. Hij droomt nog over een toekomst, over een verhuizing naar de voor zijn gestel klimatologisch gunstige Canarische eilanden of Madeira. Maar hij raakt niet meer weg uit Nederland, uit een rusthuis in Hilversum, het meest verstikkende oord  voor Slauerhoff denkbaar . In de herfst van 1936 sterft hij , nog geen veertig jaar oud. Vergeten zoals veel van zijn tijdgenoten werd hij niet. Hij leeft voort in zijn werk en bleef het – meest nog in zijn brieven – voor altijd jong.

    Een varend eiland is een prachtboek geworden, mede dankzij Hein Aalders die nauwkeurig Slauerhoffs brieven heeft gebloemleesd en van een stevige inleiding en uitvoerige annotaties heeft voorzien.

     

     

     

  • Goed nieuws, slecht nieuws

    Goed nieuws, slecht nieuws

    Herinnert u zich de Salamanders? Een uitgestorven diersoort. Ooit kon je in elke boekwinkel terecht voor schrijvers en titels van vroeger, en vaak waren dat Salamanderpockets van Querido. Terwijl buiten de zomerjurken opwoeien en de regenwulpen overtrokken, ging je binnen fijn op zoek naar een Topper van Toen:  Marcellus Emants of Jan Mens, Daum of Menno ter Braak, Bordewijk of Willy Corsari, Vestdijk, Multatuli. Hoge en lage literatuur, ooit bestsellers, dan wel de minder bekende titels van schrijvers die ooit Groot waren.

    Contemporaine schrijvers vond je trouwens ook als Salamander, maar dan met de minder bekende titels: Mulisch met Drie verhalen, Doeschka Meising met Robinson. Het merendeel van de uitgaven was oorspronkelijk Nederlands. In 1996 was het gedaan met het sympathieke beestje.

    Waar kunnen we nog terecht voor de boeken van weleer? Enkele auteurs zijn gewoon nog verkrijgbaar (Elsschot, Nescio; wanneer is een auteur eigenlijk van vroeger?). Af en toe verschijnt met de nodige tamtam een ‘ontdekking’ (Ida Simons, Dola de Jong), de actie Nederland Leest van de Openbare Bibliotheken blaast eens per jaar een al of niet ten onrechte vergeten titel nieuw leven in (De grote zaal van Jacoba van de Velde). Maar een permanente beschikbaarheid van de boeken waarover je hoort op school en leest in de literatuurgeschiedenissen, om maar een simpel criterium te noemen voor de selectie, kennen we in Nederland niet.

    Nu het goede nieuws. Uitgeverij Aspekt is begonnen met een Klassieke Reeks. Daarin is als deel 1 verschenen De opstand van Guadalajara van J. Slauerhoff.

    Slauerhoff: de scheepsarts, de zwerver, de verdoemde dichter, bewonderd door grote namen als Ter Braak, Hermans en Nooteboom. De laatste heeft bij deze uitgave een nawoord verzorgd, waarin hij o.m. de historische achtergrond van het verhaal schetst.

    Waarom is juist voor deze kleine roman gekozen? Het gegeven is prachtig: een ontwortelde zwerver, gedroste zeeman, doorkruist als glaszetter het barre Mexicaanse platteland en wordt op een dag aangezien voor de Messias. Hij laat het zich welgevallen en valt ten prooi aan de hartstochten en de machinaties van de sloebers die van de komst van de Verlosser beter hopen te worden. Dat loopt niet goed af. Een vernietigende natuur, een achterlijke kerk, corrupte politici, revolutionairen met een dubbele agenda, heimwee naar een mythisch Mayaverleden – Slauerhoff kwam nooit verder dan de Mexicaanse havens maar hij wist zijn stof te kiezen.

    Aanvankelijk zou het boek ‘Christus in Guadalajara’ heten.

    In een nawoord bij de vijfde druk van De opstand… (1983) vertelt Kees Lekkerkerker, de bezorger van Slauerhoffs Verzameld Werk, hoe de schrijver aan zijn materiaal kwam. Slauerhoff putte voor zijn Mexico in de jaren ’20 met name uit een vervolgverhaal in De aarde en haar volken uit 1880 over Colombia. Eveneens ging hij te rade bij een ‘Mexicaanse revolutieroman’ die hij aan het vertalen was. Lekkerkerker merkt droog op: ‘geografische nauwkeurigheid mogen we van Slauerhoff allerminst verwachten’ en ‘Historische precisie streefde hij evenmin na’. Hij staaft zijn uitspraken met afdoende voorbeelden.

    We hebben hier dus te maken met de werkwijze van Karl May: een exotisch verhaal op basis van populaire lectuur, gangbare stereotypen en de dikke duim van de schrijver. Kan het resultaat iets anders zijn dan kitsch? Het veelvuldig gebruik van Spaanse woorden ter verhoging van de couleur locale maakt het er niet beter op (een verklarend woordenlijstje ontbreekt).

    Nooteboom op zijn beurt stelt dat Slauerhoff ‘een feilloos instinct (had) voor het tegelijkertijd archaïsche en anarchistische, corrupte en revolutionaire Mexico van de jaren twintig’. Zó feilloos was dit instinct, aldus Nooteboom, dat Slauerhoff ‘intuïtief het monsterverbond (heeft) aangevoeld dat zich na zijn dood in verschillende vormen zou herhalen (het Molotov-Ribbentrop-pact, mei ’68, toen de communisten weigerden de studenten te steunen (…).’

    De eerste druk van De opstand van Guadalajara verscheen nadat Slauerhoff was overleden, in 1937. Hij had er veel werk aan gehad maar, het hoge woord moet er nu maar uit, het was en blijft een mislukking. Toen hij het aanbood voor publicatie in Groot Nederland gaf Greshoff niet thuis, en terecht. De taal is lelijk, hakkelend, en niet doeltreffend. Dat laatste wreekt zich onder meer in het feit dat bij verwijzingen telkens opnieuw niet meteen duidelijk is naar wie wordt verwezen (‘Hij wist niet…’ Wie ís die ‘hij’? Even teruglezen. De priester of de hereboer? O nee, het is de glaszetter.)

    Deze vertelling lijkt niet meer dan een uiterst schetsmatige kladversie. Het verhaal bevat onvolkomenheden, Nooteboom wijst erop, en voor hem behoren ze tot ‘de aantrekkingskracht van zijn werk’ en hij wijt ze aan Slauerhoffs ‘notoire slordigheid’. Dat was inderdaad Slauerhoffs reputatie: ‘slordigheid van compositie’, waarmee hij overigens ‘bijzondere effecten’ teweegbracht, aldus Albert Helman in diens voorwoord bij het Verzameld Proza. Maar die reputatie leeft niet meer en de hedendaagse lezer ergert zich alleen maar aan het onverklaarbare gedrag van de bisschop van Guadalajara omdat niemand hem heeft verteld dat de arme man een beroerte heeft gehad, een verteltechnische stommiteit die Nooteboom grootmoedig onder de ‘bewonderenswaardige ongerijmdheden’ van het werk schaart.

    Had Slauerhoff het maar kunnen herschrijven, dan hadden we mogelijk werk gekregen van het kaliber van Het leven op aardeHet verboden rijk en Schuim en As.

    Want het centrale gegeven mag er zijn: het uitzichtloze bestaan van de verworpenen der aarde, een sprankje hoop, illusies, moedwil en misverstand, een volslagen deceptie. Van dit verhaal zou een prachtige film zijn te maken.

    De volgende delen in deze reeks zijn nog niet bekend. Laten we hopen dat het er vele zullen zijn en dat de reeks een commercieel succes wordt. Misschien dat een iets mooiere verzorging en wat minder drukfouten daaraan kunnen bijdragen. En op voor- en achterkant níet viermaal de naam van de schrijver van het nawoord tegen slechts tweemaal de naam van de auteur a.u.b.

     

     

    De opstand van Guadalajara

    Auteur: J. Slauerhoff
    Nawoord door: Cees Nooteboom
    Verschenen bij: Uitgeverij Aspekt
    Aantal pagina’s: 122
    Prijs: € 17,95

  • Brievenboek wekt oprechte belangstelling voor eerdere publicaties

    Brievenboek wekt oprechte belangstelling voor eerdere publicaties

    In de onvolprezen reeks Achter het boek, die al sinds 1962 bestaat en lange tijd werd uitgegeven door het Letterkundig Museum, verscheen dit 43ste deel bij uitgeverij Verloren. De briefwisseling tussen de dichters J. Slauerhoff (1898-1936) en Hendrik de Vries (1896-1989) verscheen onder de titel Brieven 1923-1932. Het boek bevat de bewaard gebleven correspondentie tussen Slauerhoff en De Vries van in totaal 49 brieven en briefkaarten: 36 van De Vries en 13 van Slauerhoff. Het moeten er veel meer zijn geweest. In een uitvoerige en solide inleiding bereidt Jan van der Vegt, (biograaf van o.a. Hans Andreus, Jan Elburg, A. Roland Holst), de lezer terdege voor op wat volgt. Van der Vegt gaat in op de correspondentie, de toenmalige literaire tijdschriftcultuur, het belang van de ‘literaire’ vriendschap en uiteraard op figuur, leven en werk van beide dichters en op de ontwikkeling van hun onderlinge contact.

    Van deze beide schrijvers is Slauerhoff natuurlijk de bekendste, niet alleen om zijn proza en poëzie, maar vooral om zijn ‘figuur’: reislustig, met zijn hang naar exotisme en zijn befaamde slordige onverschilligheid, kortom onze eigen poète maudit uit de Hollandse polder. Hendrik de Vries was, zoals ook uit zijn brieven in deze bundel blijkt, als dichter eindeloos ernstiger. Er bestonden tussen Slauerhoff en De Vries nog meer verschillen. Slauerhoff was opgeleid tot geneesheer, had een plezierige studententijd achter de rug in Amsterdam en bereidde zich voor op een carrière als scheepsarts. De Vries had na de lagere school nauwelijks aanvullend onderwijs genoten, woonde met twee volwassen broers bij zijn ouders thuis in Groningen en had een zeer eenvoudig baantje als ‘schrijver’ op het plaatselijke archief. Waarin zij overeenstemden was hun ‘onhollandsheid’ , mogelijk nog versterkt door hun Noordelijke afkomst: Slauerhoff uit Leeuwarden en De Vries uit Groningen.

    Wie in de brieven enige gemeenzame anekdotiek verwacht komt bedrogen uit. Het poëtische soortelijk gewicht van de correspondentie is extreem hoog, wat een eigenaardig soort dichtheid oplevert. Met name De Vries gaat in zijn brieven aan Slauerhoff uitvoerig in op diens poëzie, waarbij onder andere woordkeus, metrum, gebruik van metaforen en sfeer aan de orde komen. Slauerhoff stuurt bijvoorbeeld enkele gedichten min of meer ter beoordeling aan De Vries en deze reageert als volgt:

    De Vliegende Hollander (titel gedicht)  is bijna een varend beest, een nijlpaard of iets dgl. er leeft een zeer wezenlijke glimp van daemonische bovennatuurlijkheid in, een echt brok oerbewustzijn; het klinkt wel zonderling, maar ik geloof dat de smart bij jouw grootendeels de rol speelt die de techniek bij mij heeft. Wil men de vergelijking op redelijker plan brengen, en zeggen dat bij jouw de smart overweegt, bij mij de hartstocht, dan wordt het technisch verschil duidelijk: de smart eischt een soort verwaarloozing, de hartstocht eischt een soort overdrijving.’

    Hierbij frappeert een zekere feitelijkheid.  Even verder, nog zo’n voorbeeld:
    ‘Bestaat het geheele dichterlijke scheppen niet in het actief maken van een behoefte aan een bepaald ‘effect’. Zoolang het voorgesteld effect niet bereikt of behoorlijk benaderd is, noemen wij het werk onaf of mislukt.’

    Behalve over concrete gedichten handelen de (opnieuw: m.n. De Vries’) brieven over het ontstane idee om samen een bundel poëzie te schrijven. Er is ondanks de plannen en grondige voorbereiding niets van terecht gekomen, door ‘moedwil en misverstand’ en ook door praktische bezwaren. De Vries leed aan psychische en seksuele complexen (zo vermeldt de inleiding). Slauerhoff was vaak ziek, verhuisde voortdurend of was dikwijls zo onbereikbaar ver weg op reis, dat de context voor het gezamenlijk produceren van een bundel gedichten verre van ideaal was.

    Naast de poëzie en het gezamenlijk schrijven van een bundel gedichten is ten derde de belangstelling voor de Spaanse cultuur en de Spaanse taal een thema dat veelvuldig in de brieven terugkeert. Voor De Vries was dit min of meer aangeboren, op zichzelf vreemd voor zo’n bescheiden geschoolde en verstokte Groninger. Slauerhoff beschouwde in Spaanse aangelegenheden De Vries min of meer als leidsman en vraagbaak, wat er onder meer toe leidde dat ze – om zich te oefenen – ook enkele brieven hebben gewisseld in het Spaans.

    Bijna aandoenlijk is dat Slauerhoff, in een iets langere brief (eindelijk!), geschreven vanuit de Straat van Formosa op 24 maart 1926, aan De Vries meldt dat zijn brieven de moeite van het bewaren en herlezen waard blijken te zijn: “Je richtte ze zoo in dat ze iets blijvends beteekenen, in tegenstelling met de meeste brieven”. Niet alleen is het jammer dat zovele brieven verloren zijn geraakt, ook de wanverhouding tussen het aantal bewaarde brieven van De Vries en van Slauerhoff vertekent het beeld. Daar komt bij dat Slauerhoffs bewaarde brieven veel korter zijn en ook oppervlakkiger dan die van De Vries … m.a.w. het boek gaat veel meer over De Vries dan over Slauerhoff. Dat is op zichzelf niet erg maar wel  jammer omdat nieuwe bronnen over Slauerhoff schaars zijn en het brievenboek niet veel nieuws toevoegt.

    De indruk die overheerst na lezing van dit boek is verwondering en die geldt vooral de dichter Hendrik de Vries. Waar komt zo’n eigenzinnig en onnederlands dichterschap vandaan, en hoe komt het onder de toch kennelijk zeer ongunstige omstandigheden, zo beslist tot bloei? De bezorger van deze briefwisseling, Jan van der Vegt, heeft ons wat dit betreft op onze wenken bediend: in 1993 voerde hij al de eindredactie over de Verzamelde gedichten van Hendrik de Vries (bijna 2.000 pagina’s!) en in 2006 publiceerde Van der Vegt een biografie van De Vries. Dat deze briefwisseling tussen Slauerhoff en Hendrik de Vries oprechte belangstelling wekt voor die eerdere publicaties, lijkt mij de belangrijkste verdienste ervan.

     

     

  • Nieuwe teksten van en over Slauerhoff

    Nieuwe teksten van en over Slauerhoff

    De acne van Clara Eggink
    Het heele leven is toch verloren is een bundeling van Slauerhoff-teksten: nagelaten en verspreide gedichten, briefwisselingen met een studievriend en met zijn laatste geliefde, een gecoupeerde herdruk van zijn dagboek, aangevuld met 2 essays: eentje over Slauerhoffs Verzameld Werk en eentje over zijn Utrechtse periode. Een gezellige restantopruiming voor een spotprijsje. Elke Slauerhoviaan moet het lezen, en ook iedereen die wil weten hoe Slauerhoff de acne op het voorhoofd van Clara Eggink bestreed. De literatuurliefhebber kan ook kiezen voor Slauerhoffs ‘echte’ werk. Daar valt nog veel te ontdekken.

    Gekwelde ziel met gebroken hart
    Het is verbazingwekkend hoeveel Slauerhoff in zijn korte leven (hij werd 38 jaar) heeft geschreven en gepubliceerd: tien dichtbundels, drie romans (Het verboden rijk, het leven op aarde, De opstand van Guadalajara), drie verhalenbundels (Schuim en As, Lente-eiland en De erfgenaam), en veel journalistiek werk en vertalingen. Slauerhoff wordt nog steeds gelezen en van de Verzamelde Gedichten ligt de 20e druk in de boekhandel. Zijn werk heeft echter bij benadering niet de aandacht gekregen van literatuurwetenschap en -kritiek die het verdient.

    Biografica alom
    Slauerhoffs leven ja, dat leidde tot een stroom boeken en andere artikelen. Drie biografieën (van Constant van Wessem, C.J. Kelk en ‘de definitieve’ van Wim Hazeu) en boeken en boekjes over Slauerhoff als student-auteur, als zeereiziger en als sloddervos (Slauerhoff, slodderhoff door Peter Dicker). Zijn reisreportages en journalistieke werk werden uitgegeven, evenals zijn correspondenties met een handvol vrienden, vriendinnen en collega’s. Vorig jaar verscheen Het heele leven is toch verloren. Gedichten, brieven essays. Ook hier weer biografica alom. Niels Bokhoven geeft in zijn essay een overzicht (met aanvullingen op Hazeu’s biografie) van de Utrechtse periode van Slauerhoff. In 1929 – 1930 deed die een halfhartige poging zich in het Academisch Ziekenhuis daar te specialiseren in huid- en geslachtsziekten. Hij verhuisde vaak, dubde over steeds weer andere toekomstplannen en kankerde op collega’s. Maar hij publiceerde ook Fleurs de marécage (Franse gedichten), Yoeng Poe Tsjoeng, Schuim en As, Saturnus, Het Lente-eiland, Serenade en een aantal vertalingen. Hoe dat in zijn werk ging, daarover kom je nauwelijks iets te weten. Wél weer over zijn ontmoeting met de danseres Darja Collin, de enige vrouw met wie hij ooit trouwde en van wie hij ‘tout a fait épris’ was, zoals hij schreef aan Roland Holst. Andere biografica zijn de briefwisseling met Maarten Vrij (1918 – 1923) en met zijn laatste geliefde Caridad Rodriguez (1935 – 1936). De laatste correspondentie geeft de zoveelste proeve van Slauerhoffs compromisloze maar hopeloos onpraktische aard. Al heen en weer schrijvend over een oceaan komt hij erachter dat het allemaal toch wel weer niks zal opleveren: ‘Intussen, mijn schat en geliefde, als je het wachten moe bent en de ander wil, wacht dan niet langer.’ Een paar maanden later zou hij sterven.

    Schrijver pur sang
    De correspondentie met studievriend Maarten Vrij maakt vooral duidelijk hoe toegewijd Slauerhoff werkte aan zijn oeuvre, en hoe hij met wisselend succes probeerde zijn gedichten, vertalingen, verhalen en journalistiek werk geplaatst, gebundeld en uitgegeven te krijgen. Na veel gedoe en beperkt succes bij De Nieuwe Stem (Henriëtte Roland Holst), de Beweging (Verwey) en anderen schrijft Slauerhoff: ‘Ieder moet zichzelf zeer luide proclameeren, of moet een claque, een kring, een partij hebben om zich te doen proclameeren. En dan nog langzaam. […] Ach wij jeugdigen.’ Uiteindelijk vond hij onderdak bij het expressionistische ´t Getij en nog later Forum. En tegen het einde van zijn leven kwam de erkenning in de vorm van literaire prijzen en verkoop, maar toen was het – veel te vroeg – te laat. Wie des schrijvers ziel verder wil doorgronden kan zich verliezen in Slauerhoffs Dagboek 1926 – 1928. Ooit gepubliceerd in een beperkte oplage, direct uitverkocht, nauwelijks meer antiquarisch te krijgen en nu herdrukt. Maar dan zonder de reisbeschrijvingen die al werden opgenomen in een andere uitgave voor Slauerhovianen: Alleen de havens zijn ons trouw. Diepe zucht. Wel mooie beschrijvingen van opiumgebruik en de bijbehorende dromen – die later weer een plek vonden in zijn fictie.

    Blijft over de poëzie, een stuk of 30 gedichten die alleen te vinden waren in uitgaafjes van margedrukkers, verschijnen hier voor het eerst in een toegankelijke uitgave. Aangevuld met een (1) ongepubliceerde vertaling van een Spaanse copla. De gedichten zijn van alles maar vooral niet voldragen en voltooid. Wél interessant, zoals iedere loslopende komma van de arme man dat onderhand is. Onrijp jeugdwerk ‘Och arme kindje  / in grooten stad / ‘k wou dat ik je heel dicht / bij me had.’ Een poging door een omgekeerde verrekijker naar de wereld te kijken: ‘Het lijkt een vlooitheater / Doe maar of je ’t niet kent.’ En meer van wat we al kennen: ‘Ik kan niet zeggen hoe ik Holland haat’, onvoltooid maar met karakteristieke slotregel: ‘Maar ook in ’t mooiste ijs is wel een wak.’ En dan zijn er schimpdichten die onder de titel Drie confrontaties bijeen zijn gezet en toegelicht door Arie Pos. Goed voor de literatuurgeschiedschrijving, minder boeiend voor de letterlievende.

    Een heel nieuwe Slauerhoff
    Al wil je iedere letter van Slauerhoff lezen, dan toch word je ongelukkig van Het heele leven is toch verloren. Ondanks alle goede bedoelingen en interessante inhoud. Met iedere nieuwe publicatie van weer andere oude snippers vermindert de waarde van de Verzamelde Werken en wordt het beeld bevestigd van Slauerhoff als een slordig auteur die maar een eind wegschreef. Terwijl vrijwel alle nagelaten, onvoltooide en anderszins niet in de Verzamelde Werken opgenomen teksten toch afkomstig zijn uit één en dezelfde bron: de ‘befaamde zeemanskist met handschriften en andere documenten, door Slauerhoff nagelaten, nadat hij ze nog op zijn laatste ziekbed had geordend.’ Menno Voskuil beschrijft in zijn essay ‘Eén ding, niet teveel komma’s. Over de totstandkoming van Slauerhoffs Verzamelde Gedichten’ hoe de inhoud van die kist werd verrommeld, versnipperd en verknipt. Die scheepskist namelijk, werd in 1937 afgeleverd bij K. Lekkerkerker, die gesteund door een Commissie van wijze mannen (lees: ex-vrienden van Slauerhoff) de bezorging van het Verzameld Werk op zich nam. Hij had daarbij het recept te volgen van E. du Perron, die claimde dat de auteur het zo gewild zou hebben: de tijdens Slauerhoffs leven gepubliceerde bundels moesten worden beschouwd als niet meer dan ‘kernen’, die moesten worden aangevuld met andere gedichten uit diezelfde periode. Nagelaten, verspreid gepubliceerd, voltooid of niet, dat bleef in het vage. Het recept was vooral goed voor een editoriale nachtmerrie. Lekkerkerker ging manmoedig aan de slag en voltooide de editie. Toen NRC in 1980 (43 jaar later, dus) eens informeerde waar de beloofde tekstverantwoording bleef, gaf Lekkerkerker toe dat hij niet meer achter de uitgave stond. Omdat er zoveel nieuwe brieven en documenten waren opgedoken, zei hij. Maar ook omdat de editietechniek zich had ontwikkeld tot een volwaardige hulpwetenschap, die het mogelijk maakt overzicht en helderheid te creëren, waar de aanpak van Lekkerkerker (conform Slauerhoff, aldus Du Perron) leidde tot treurigheid en de nadruppelende stroom publicaties waar Het heele leven is toch verloren een voorbeeld van is. Hoog tijd dus voor ‘een geheel nieuwe Slauerhoff’ zegt Voskuil Lekkerkerker na. Als zijn essay daaraan kan bijdragen, dan is deze uitgave meer dan gerechtvaardigd.

     

    J. Slauerhoff, Het heele leven is toch verloren
    Gedichten, brieven, essays.

    Samenstelling Arie Pos en Menno Voskuil.
    Utrecht, (Het Literatuurhuis. Serie ‘Literaire Meesters’), 2012.
    Aantal pagina’s: 250
    Prijs: € 12,50 (2e druk verkrijgbaar vanaf 14 januari 2013).