• Mooie zintuigen

    Mooie zintuigen

    Op 30 maart 2014 overleed onverwacht dichter, essayist en romancier Erik Menkveld op 54-jarige leeftijd. Hij publi- ceerde drie dichtbundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005), waarin hij een duidelijke ontwikkeling liet zien.


    Vanaf een binnenplaats gestaard te hebben
    naar de oude sterren
    op een donkere bank gestaard te hebben
    naar de uitgestrooide lichten,
    die mijn onwetendheid niet kon benoemen
    of ordenen tot sterrenbeelden,
    verwijld te hebben bij de watercirkel
    in de geheime regenput,
    het geuren van jasmijn en kamperfoelie,
    de stilte van de vogel in zijn slaap,
    de boog van het portaal, de vochtigheid
    – die dingen zijn misschien wel het gedicht.

    J.L. Borges, vertaling Barber van de Pol en  Maarten Steenmeijer.


    Bij de dood van een dichter kantelt zijn oeuvre. De drie bundels die Erik Menkveld (1959-2014) publiceerde zijn nu de enige drie bundels geworden. En bij het herlezen van die poëzie kantelt de lezer mee, want veel gedichten krijgen een geheel andere portée wanneer de dichter dood is. En dan niet alleen de meer voor de handliggende gevallen van ‘pijnlijke’ gedichten die refereren aan het midden-in-het-leven staan (gedichten voor kinderen bijvoorbeeld) en die dus altijd wel bitter zijn geworden, maar ook gedichten die in het licht komen te staan van een zekere manier van kijken die nu typisch is geworden voor deze dichter.

    Menkveld ontwikkelde zich in zijn oeuvre ruwweg van een lichte ‘inlevende’ dichter à la  Szymborska in De karpersimulator, tot een waarnemende en verzamelende à la Borges in Prime Time. Menkveld heeft een opmerkelijke hoeveelheid perspectieven beproefd –  misschien wel de meeste in het Nederlands taalgebied –  hij schreef niet slechts over een ‘popelend boontje’,  of  was ‘geeuwend uit eeuwige leeuwheid’, of bezag de wereld vanachter de net neergeslagen ogen van een stenen meisje van de beeldhouwer Hildo Krop:

    Mij en heel de roekeloos
    veranderlijk bestaande stad die mij omgeeft

    brengt zij tot stand vanuit dat veel te hoge hoofd;
    hier fiets ik, onverklaarbaar volledig aanwezig

    op een brug in Amsterdam-Zuid – vreemde inval
    van een stenen meisje, dat even haar ogen sluit.

    Tot zelfs het perspectief van het raamkozijn:

    Nu we de kozijnen zijn
    in deze keuken, kijken
    ze wel naar de leuke
    overbuurvrouw op haar
    balkon of een bescheiden
    lijnvlucht die overkomt,
    maar niet naar ons
    die alles omlijsten.

    Menkveld wel. Zowel dit mild schertsend geportretteerde misnoegde kozijn als de stenen gedachten van een meisje in welke hij zelf figureert tekenen Menkvelds buitengemene behoefte zijn eigen bewustzijn te verbreden.

    Iemand schreef naar Menkvelds uitgever een ‘asymmetrische vriendschap’ te zijn gaan voelen na het lezen van zijn boeken, asymmetrisch omdat de vriendschap van een lezer voor een schrijver van éen kant komt, vriendschap omdat het lezen van sommige schrijvers juist dat met je doet: dat je vrienden met de schrijver zou willen worden. Diezelfde asymmetrie heeft Menkveld in zijn ‘incorporaties’ – want dat zijn het, hij verdwijnt in het lichaam van andere dieren, objecten, kunstwerken, bezielt ze. Hij vergroot zijn eigen wereld door zowel kozijn als gebeeldhouwd meisje te kunnen zijn. En daar zit dan misschien toch wat melancholie, een diepe spijt op te moeten houden waar je ophoudt.

    Of zoals het energiek luidt in het motto van de tweede bundel Schapen nu!: ‘Groots is de Schepper! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen? Zal hij je misschien tot de lever van een muis maken? Of tot de poot van een insect?’ Het is een citaat uit een taoïstisch geschrift, en inderdaad zal de schepper van Menkvelds bundel je als adem door de longen van een schaap doen gaan. Menkveld is soms redelijk Tao.

    Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
    dat men ziet is een fractie van mij.

    Van deze kunstige dier- en ding bezieling dus, beweegt het werk van Menkveld zich naar het verzamelen van sensaties met een steeds grotere precisie. Een poging zelf middelpunt van alles te worden, een aleph, in Borgesiaanse termen, de plek waar alles samenkomt. Menkveld ontwikkelde zich van een goedgeluimd ‘ bezieler van alles’ naar een dichter die wat hij ziet, leest, proeft, hoort, denkt,  binnenhaalt, is, en welgeformuleerd doorgeeft.

    In het zelfportret ‘Mooie zintuigen’  kijkt de dichter in de ruit van een trein en ziet sardonisch

    Doppen niet al te benepen,
    gok niet te gek, geen fietsenrek

    maar verderop, directer

    mooie zintuigen moet ik zeggen,
    al heb ik ze liever ongemerkt
    van binnenuit in gebruik

    We zien de dichter even naar zichzelf kijken. Menkveld is vaak evenwichtig en monter – een uitgesproken melancholiek gedicht steekt er als opvallend uit – en in dit prachtig gecomponeerd en muzikale gedicht wervelt de dichter naar een scherpe apotheose. Hij ziet een medereiziger in de spiegeling en

    Moet je mij onverstoorbaar
    zien blijven: ongerept bedachtzaam
    medereiziger, zich duidelijk
    niet bewust hoe smeulende
    overbuurvrouw terloops
    zijn weerspiegeling beschouwt
    vanuit het dansfeest op haar hoofd.
    Niet éen keer lijk ik uit mijn
    ogenschijnlijk kijken naar het
    dwars door haar lawaaiig staren
    en mijzelf heen razend grazen
    varen bouwen op te kijken.

    Een schitterende zin die Menkveld ten voeten uit is: relativerend, precies, verrassend, tot denken aanzettend, je verplaatsend. Erik Menkveld was een culturele veelvraat, wereldpoëzie, film, beeldende kunst, klassieke muziek, in alle gedaanten, de klassieken, culinaria,  jazz, religie, filosofie verpakt hij in dit oeuvre op een laconieke wijze en op zo’n manier dat het glanst. Ook wel dat het swingt, of statig danst. Of uitschiet, maar fraai, omdat het langste Menkvelddichtwoord appelrodewingerdrankomrande er in moest. Of een oplawaaiverzekerend komaaropkind. Menkveld kon goed schapen bezielen en zich inleven in zijdehandelaren, maar het mooiste aan Menkveld bleken zijn zintuigen. Veel van wat zij onbekommerd waarnamen is er nog.

     

    Dit stuk is eerder verschenen in Poëzietijdschrift Awater (2014).

    Erik Menkveld publiceerde de bundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005). In januari 2016 verscheen Verzamelde gedichten bij uitgeverij Van Oorschot.