• Over een rijke geschiedenis

    Over een rijke geschiedenis

    Een rivier kent ondanks haar stroomgebied noch een begin noch een eind en bevat vele verhalen. In De grenzeloze rivier voert Matthijs Deen ons aan de hand van een aantal van die verhalen door het heden en het verleden van de Rijn. Doordat de Rijn meer dan eens haar loop in de afgelopen millennia heeft gewijzigd en zowel een regenrivier als een gletsjerrivier is geweest is het zinloos om op te zoek te gaan naar de oorsprong van de rivier, aldus één van de vele personen die Matthijs Deen in de loop van het boek ontmoet. Deze boodschap is de rode draad van De grenzeloze rivier, dat zowel een ode aan als een poging tot een biografie is van de Rijn. Het boek begint met een bezoek van Mathijs Deen aan het mediterrane eilandje Vis vlak voor de Kroatische kust, waar het huwelijk van zijn dochter plaatsvindt. Tijdens het bezoek ontmoet hij een geoloog aan wie hij vertelt dat hij een boek over de Rijn aan het schrijven is en hij legt hem het volgende voor: ‘Stel dat de rivier een personage is, dan heeft hij ook een geboorte en een dood. Vertel me hoe hij is ontstaan.’

    Levendig portret

    Op boeiende wijze vertelt Deen vervolgens over de rol die de Rijn heeft gespeeld in de loop van de geschiedenis. De schrijver heeft er geen klassiek reisverhaal van gemaakt, waarin hij van de bron naar de monding van de rivier reist of de omgekeerde route aflegt. In plaats daarvan heeft Deen een caleidoscopisch beeld geschapen van de rivier die zo bepalend is geweest voor Nederland en voor de landen waar zij doorheen stroomt. Hij doet dit door ons naar de rivier en haar stroomgebied te laten kijken door de ogen van de bewoners die in haar buurt hebben gewoond en van haar afhankelijk zijn geweest door de eeuwen heen. Zo is er de vermoeide zalm die haar habitat ziet veranderen doordat de Rijn haar loop heeft verlegd en is er het meisje van Steinheim dat zo’n tweehonderdvijftigduizend jaar geleden geleefd moet hebben en van wie de schedel in 1933 werd ontdekt. We weten niet veel meer van haar dan dat ze ten tijde van haar dood ongeveer vierentwintig jaar moet zijn geweest en dat ze vermoedelijk als gevolg van een hersentumor is overleden, maar Deen laat haar door zijn eigen fantasie te gebruiken volledig tot leven komen. Hij laat daarnaast verschillende geschiedkundige en geografische experts aan het woord en vult vervolgens op basis van hun informatie de gaten die er nog zijn met zijn eigen verbeelding in. Deen slaagt er op deze manier in om een levendig portret van mensen van vlees en bloed neer te zetten. Het is een manier van schrijven die Deen vertrouwd is, want eerder weefde hij feit en fictie op eenzelfde manier in elkaar in De Wadden.  

    Sta even stil

    Toch is er ook wel wat aan te merken op De grenzeloze rivier. Deen stopt namelijk soms wel érg veel geschiedenis in zijn verhalen over de Rijn. Hij geeft dan zoveel informatie over historische figuren die in een bepaald tijdsgewricht hebben geleefd dat de vaart uit het boek raakt. Daarnaast heeft de schrijver ervoor gekozen om in een niet-chronologische volgorde in elk hoofdstuk een andere tijdsperiode uit te lichten, waardoor het soms wat zoeken is naar verbanden. Het is dan ook een boek dat je het beste rustig en in kleine proporties tot je neemt. Je zou anders zomaar het spoor bijster kunnen raken. Gelukkig heeft Deen ervoor gekozen om de gebeurtenissen uit het verleden in de tegenwoordige tijd te vertellen. Personages die al lang geleden zijn overleden galopperen op hun paard over de vlaktes langs de rivier als waren ze nog in leven. Al met al is De grenzeloze rivier een bijzonder boek waardoor je met andere ogen naar de Rijn gaat kijken, de rivier die je anders zo achteloos oversteekt zonder een moment stil te staan bij haar rijke geschiedenis.

     

  • Enthousiaste aandacht

    Het is nu een half jaar geleden dat ik samen met zeven anderen de antiquarische boekwinkel Colette overnam en sinds drie maanden zijn we officieel Colette & Co. In deze tijd heb ik onverwachts nog het een en ander over mezelf geleerd. Ik ging er vanuit dat ik op mijn vijftigste een goed beeld van mezelf had, maar dat bleek niet het geval. Hoewel ik het heerlijk vind om op mezelf te zijn en ik mensenmenigtes over het algemeen schuw, ben ik namelijk niet zo introvert als ik altijd dacht. Het leukste van mijn betrokkenheid bij de winkel is buiten het feit dat ik omringd ben door boeken, het contact met de klanten, die op enkele uitzonderingen na bijzonder enthousiast zijn over de boekenbergen die ze aantreffen. Geen enkele klant is hetzelfde. Sommigen lopen lang rond om vervolgens met een hele stapel boeken onder de arm af te rekenen, anderen maken alleen foto’s voor hun Instagram-account en nog weer anderen zitten vooral om een praatje verlegen. Elke dag is het wat dat betreft weer een verrassing, al heb ik inmiddels wel een paar voorzichtige conclusies kunnen trekken.

    Studentikoze types zijn over het algemeen zwijgzaam en geven de voorkeur aan contant betalen, oudere klanten zijn daarentegen behoorlijk spraakzaam en informeren met enige regelmaat bezorgd of ze met pin kunnen betalen. Er zijn klanten die haast hebben geven, en zomaar tien euro extra doneren. Weer andere klanten, waar ik tien minuten mee heb staan praten, willen afdingen op de prijs. Wat ze echter allemaal met elkaar gemeen hebben is de nieuwsgierigheid en het ongeloof over zoveel boeken als ze voor het eerst de winkel betreden. De boekwinkel werd ook opgemerkt door het tv-programma Brommer op zee. Tijdens een uitverkoop bij Colette waarbij boeken voor één euro over de toonbank gingen was er een cameraploeg aanwezig voor een reportage over de winkel.

    Het leverde een mooie impressie op in de eerste uitzending van Brommer op zee in januari jongstleden. In de reportage is te zien hoe oud eigenaar Jogchum de Vries een tas vol boeken komt afleveren bij de winkel. De interviewer vraagt aan een vrijwilligster of Jogchum nog vaak langskomt om zijn kennis over de zaak te delen. Het is immers niet zo simpel om in de vele boekenbergen een specifiek boek terug te vinden als een klant daar naar vraagt. De vrijwillige boekverkoopster antwoordt dat Jogchum nog altijd bijzonder betrokken is en regelmatig langs komt om te zien hoe het met de winkel gaat. Zijn betrokkenheid is overduidelijk als de interviewer haar naar een bepaald boek vraagt en Jogchum haar gedreven aanwijzingen geeft in welke boekenberg ze moet zoeken. De uitzending liet goed zien hoe belangrijk het is dat winkels als Colette bestaansrecht hebben en hoe zonde het is als deze uit het straatbeeld verdwijnen. Als het aan onze groep vrijwilligers ligt zal dat zeker niet gebeuren. 

     

     

    Antiquariaat Colette & Co,
    Reinkenstraat 45,
    2517 CP Den Haag


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette & Co. Dit was de laatste column van een serie van zes maandelijkse columns die Istvan voor Literair Nederland schreef. Veel dank daarvoor.

  • Creatief broeinest

    Creatief broeinest

    Struinen tussen de boekenstapels, boeken vinden waar je niet naar op zoek was, het was er de afgelopen weken niet bij. Ook de antiquarische boekwinkel Colette & Co was als gevolg van de harde lockdown tot 15 januari gesloten. De medewerkers van Colette zaten echter niet bij de pakken neer en besloten er het beste van te maken. In allerijl werd een nieuw digitaal systeem in elkaar gezet. Via de nieuwe service Click & Colette konden klanten boeken bestellen en ophalen in de winkel. De klanten uit de regio Den Haag konden ook, als ze daar de voorkeur aan gaven, rekenen op een bezoekje van één van de vrijwilligers die de boeken langs kwamen brengen. 

    Toch was het bij de aankondiging van de lockdown spannend of de klanten de weg naar Colette zouden blijven vinden. We waren nog maar net begonnen en de eerdere lockdown hadden we niet meegemaakt. Gelukkig bleek de zorg ongegrond, want de bestellingen bleven elke dag via het digitale bestelsysteem binnenkomen. Ook kwamen regelmatig mensen spontaan langs om te vragen naar een boek. Er kwam zelfs iemand die enkele tientallen boeken van Remco Campert mee naar huis nam. Ik besefte opnieuw dat Colette niet zomaar een boekhandel is. Mensen kwamen voorafgaande aan de lockdown vanuit het hele land naar Colette om boeken te kopen die ze voor dezelfde prijs ook dichterbij hadden kunnen kopen. Het gaat ze kennelijk niet alleen om de boeken, maar ook om de atmosfeer en het unieke karakter van de winkel. Het zijn niet alleen de lezers waarop Colette een bijzondere aantrekkingskracht uitoefent. De afgelopen week was er een fotoshoot van een voormalige Miss Nederland. Het model poseerde tussen en op de grote boekenstapels zonder dat de boekenbergen in beweging kwamen. Een prestatie van formaat, want ik hoef maar licht een boek te schampen om een boekenlawine te veroorzaken.

    Desalniettemin heb ik de klanten in de lockdown periode erg gemist in de winkel. Het mooiste is als klanten terwijl ze tussen de boeken rondstruinen iets vinden waar ze niet speciaal naar op zoek waren. Zelfs het geluid van neerstortende stapels boeken en de ongemakkelijke stilte die daarop steevast volgde, miste ik. De lockdown bracht gelukkig ook voordelen. Er was extra tijd om stil te staan bij de successen van het afgelopen jaar en voor het opruimen en sorteren van boeken. Daarnaast brachten de vrijwilligers van Colette de laatste dagen van december literaire kerstpakketten rond bij Haagse verpleeghuizen om eenzame ouderen een hart onder de riem te steken. Ondertussen kijk ik met optimisme vooruit naar de toekomst. De winkel gaat de lockdown overleven en er zijn leuke plannen voor de toekomst, zoals voorleesavonden, poëzieavonden en leesclubs. Colette is en blijft een een creatief broeinest. 

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Maandelijks schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Droomachtige scènes en surrealistische zijpaden

    Droomachtige scènes en surrealistische zijpaden

    De manier waarop we waarnemen verschilt per persoon. Maak met zijn tweeën een wandeling door een willekeurige stad en de kans dat je andere dingen ziet dan de ander is bijzonder groot. De debuutroman, Waterland van Pieter Kranenborg gaat voor een groot deel over het verschil tussen kijken en zien. Dat leidt regelmatig tot surrealistische taferelen, waarbij de vraag opkomt wat is waar en wat niet. Waterland begint nochtans als een roman waarin gebeurtenissen plaatsvinden die nogal alledaags aandoen. Aangezien de verteller Ingmar na zijn studie Chinees stuurloos ronddobbert, besluit hij in een  opwelling buschauffeur te worden.

    Hoewel hij elke dag een vast rondje tussen Waterland en Amsterdam rijdt is hij tevreden met zijn nieuwe leven, want het geeft hem grip en structuur in zijn leven waar hij tot op dat moment naar op zoek was. Zijn broer, een succesvol sterrenkundige, heeft een baan in de Verenigde Staten aangeboden gekregen en vreest dat zijn verlaten en in onbruik geraakte observatorium vreemd volk zal aantrekken als niemand er een oogje in het zeil houdt. Hij vraagt Ingmar om zijn intrek te nemen in een klein huisje vlakbij de sterrenwacht dat toevalligerwijs aan zijn busroute ligt. 

    Droomachtige scènes

    De zaken nemen een vreemde en onvoorspelbare wending wanneer Ingmar een telefoontje van zijn vriend Egon krijgt. Hierdoor denkt hij terug aan het verleden. Tijdens één van de concerten die ze samen bezochten, ontmoette Ingmar de mysterieuze leadzangeres K. met wie hij een onenightstand beleefde. Egon vertelt dat K. hem een cassettebandje met haar muziek heeft gegeven en wil per se dat Ingmar en hij er samen naar luisteren. Er blijkt iets vreemds met de muziek aan de hand te zijn, want zodra ze die opzetten, lijkt alles ineens fluïde te worden en zijn ruimte en tijd zeer relatieve begrippen. Het aquarium in Egon’s appartement loopt door een plots ontstane scheur leeg en vult de hele woonruimte met water waardoor Ingmar en Egon door het hele appartement rondzweven. Het is slechts één van de vele droomachtige scènes die vanaf dat moment volgen. Geïntrigeerd als hij is door K., besluit Ingmar naar haar op zoek te gaan. 

    Raar wordt normaal

    Kranenborg neemt voor een debuutroman nogal veel hooi op zijn vork door allerlei filosofieën los te laten op de persoonlijke zoektocht van Ingmar. Hij wordt onder andere beïnvloed door de Chinese wijsgeer Zhuang Zi. ‘Ik dacht aan de vlinder van Zhuang Zhi. Aan hoe de scheidslijn tussen het bekende en het onbekende vloeibaar was en de wereld zoals je die kende zomaar vreemd kon worden en de raarste dingen doodnormaal.’ In Waterland wordt door Kranenborg constant gespeeld met deze scheidslijn. Als Ingmar na zijn bezoek aan Egon naar buiten gaat en de jongen van de fietsstalling hem vraagt of hij hen nu echt zag zweven in dat appartement, dan is dat door de manier waarop de scène wordt beschreven zowel surrealistisch als geloofwaardig. Dat is best knap en zegt iets over het verteltalent van de schrijver. 

    Iets teveel van het goede

    Toch overtuigt de roman niet helemaal door de vele surrealistische zijpaden die worden bewandeld en de diverse personages die nogal doelloos in en uit de plot wandelen. Zo is er de intellectuele Astronoom die verder niet bij naam wordt aangeduid en die Ingmar kritisch naar de sterren leert kijken en Kelvin, een barman, die treurt om het verlies van een geliefde. Het zijn stuk voor stuk karakters die heel interessant zouden kunnen zijn, maar uiteindelijk toch een beetje aan de oppervlakte blijven drijven. Ook Ingmar dobbert met de diverse verhaallijnen mee zonder dat zijn keuzes enige invloed op de gang van zaken in het verhaal lijken te hebben. Waterland gaat meer over stijl dan over inhoud en dat is bij een labyrintische vertelling van ruim driehonderd pagina’s misschien iets te veel van het goede.  

     

     

  • Op zoek naar een boek

    Op zoek naar een boek

    De afgelopen paar weken zat ik op Curaçao. Weg van het thuiskantoor en de antiquarische boekwinkel Colette. Na bijna twee jaar vanwege de pandemie niet gereisd te hebben was ik toe aan verandering van omgeving. Elke keer als ik op vakantie ga, loop ik bij het inpakken talloze keren om mijn koffer heen. Welke boeken gaan mee en welke niet? Meestal probeer ik de titels op de plek van bestemming af te stemmen. Als ik naar een zwaar bewolkt Schotland ga dan kies ik boeken met een wat sombere atmosfeer en een filosofische inslag. Ga ik naar een zonnig oord als Curaçao, dan ga ik voor het lichtere werk. Thrillers en andere boeken die lekker weglezen. Maar zelfs met die criteria blijft het lastig. Voordat de koffer dicht gaat, zijn er heel wat boeken ingegaan en er ook weer uitgehaald. Het komt er steeds op neer dat ik teveel boeken meeneem. De helft van de boeken gaat ongelezen mee terug. Er is me weleens  gevraagd waarom ik geen e-reader neem. Dan kun je honderden boeken meenemen zonder dat je bang hoeft te zijn dat het maximaal toegestane gewicht van de bagage wordt overschreden. Toch doe ik het niet. Het voelt een beetje als vals spelen. Als ik op vakantie ben wil ik niet op een schermpje turen. 

    Wat ik op Curaçao mis zijn goede boekhandels. Dat heeft me altijd een beetje verbaasd. Curaçao heeft ongeveer honderdvijftigduizend inwoners en is daarmee qua inwonertal te vergelijken met een stad als Zwolle. Zwolle heeft meerdere boekhandels, waaronder het prachtige Waanders in de Broeren. Curaçao telt slechts één kantoorboekhandel en één Bruna. In de schappen ligt vaak een allegaartje aan populaire thrillers en literatuur. Bovendien zijn de meeste boeken niet heel recent uitgebracht. Als je op zoek bent naar een specifieke titel, dan wordt deze besteld in Nederland. Aan een antiquarische boekhandel hoef je hier al helemaal niet te denken. 

    Tijdens mijn verblijf op het eiland sprak ik af met Norman Jansen, werkzaam voor de Koninklijke Marechaussee. Hij is een expert op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel en schreef daarover meerdere boeken. Tijdens mijn gesprek met Norman realiseer ik me dat het eiland twee verschillende gezichten heeft. Het eiland adverteert graag met luxe resorts en prachtige stranden, maar er is ook een schaduwzijde. Criminele organisaties dwingen Venezolaanse vluchtelingen tot zwaar en gevaarlijk werk. In zijn roman Gevangen in dilemma’s illustreert Norman deze twee gezichten door het lot te beschrijven van twee Venezolanen die zich aan een illegale overtocht naar Curaçao wagen, terwijl de toeristen onbezorgd genieten van hun vakantie. Intussen ben ik terug in het koude en natte Nederland dat ik geen moment heb gemist. Op mijn eerste rondje door Colette ga ik op zoek naar een boek van Norman Jansen. Die hebben we niet in huis. Daar moet ik maar eens verandering in brengen. Zo hou ik Curaçao toch een beetje bij me.  

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

  • Jongeren lezen graag

    Er is veel gezegd en geschreven over de ontlezing van Nederland. Ook of voornamelijk onder jongeren. Een zorg die wereldwijd wordt gedeeld. Philip Roth zei in een interview in 2000 al dat hoewel er altijd romans zullen blijven worden geschreven de lezer zal uitsterven als gevolg van alles wat er op het scherm van televisie en computer te zien zal zijn. Zelf heb ik nooit zo geloofd in die doemdenkerij. Natuurlijk is het zo dat mensen steeds vaker en langer aan een scherm gekluisterd zitten, maar dat kan ook zijn voordelen hebben. Tegenwoordig heb je door de social media een veel groter bereik dan vroeger voor mogelijk werd gehouden. Zo was ik tot voor kort  volstrekt onbekend met het fenomeen #Booktok. Onder deze hashtag delen jonge TikTok gebruikers hun passie voor boeken, waardoor jongeren en masse aan het lezen slaan.

    Het Haagse raadslid van de PvdA, Janneke Holman, plaatste een filmpje over de boekwinkel Colette op TikTok. In het filmpje waren de enorme boekenbergen te zien waar de winkel zo bekend om is. Het filmpje ging meteen viraal, werd meer dan honderdduizend keer bekeken en de vele reacties waren meer dan enthousiast. Veel jongeren gaven aan op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de winkel en  voegden de daad bij het woord. Een week nadat het filmpje online kwam werd er een ‘Yardsale’ van boeken georganiseerd. Tijdens de zogeheten Colette Outlette konden mensen voor een euro per stuk boeken kopen in de tuin van Colette. Het leverde een bijzonder beeld op die zaterdagmiddag. Tientallen jongeren stonden in de rij bij de boekwinkel. Ik had nog nooit een rij mensen voor een boekwinkel zien staan en zeker niet een rij met alleen maar jongeren. Het mooie was dat ze niet alleen maar kwamen om te kijken. Dat bleek uit de vele boeken die ze onder hun arm mee terug naar huis namen. Er werden die dag meer dan vierhonderd boeken verkocht. Het bijzondere was dat de literaire boeken en met name ook de oudere schrijvers het erg goed deden. Simon Vestdijk en Willem Frederik Hermans bleken zomaar enorm populair te zijn. 

    Natuurlijk kun je tijd maar één keer invullen, daarna is die voor altijd verloren. Dat wil echter niet zeggen dat je telkens maar één keer een keuze kunt maken. De schermtijd en de sociale media die zo vaak verantwoordelijk worden gehouden voor ontlezing, kunnen net zo goed zorgen voor een hernieuwde aandacht voor de literatuur. Als die aandacht zich terugvertaalt naar meer leestijd dan hoeven scherm en boek elkaar helemaal niet in de weg te zitten. De kracht van #Booktok is bovendien dat volwassenen niet voorschrijven wat jongeren moeten lezen. Het zijn jongeren die andere jongeren enthousiasmeren. Als Booktok en de grote opkomst bij de Colette Outlette me iets hebben geleerd dan is het dat jongeren gewoon bijzonder graag boeken lezen. Er is hoop voor de toekomst.

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

  • Het beste is je over te geven aan de fantasie van de schrijver

    Het beste is je over te geven aan de fantasie van de schrijver

    Er zijn van die romans die zo bizar van inhoud zijn en tegelijkertijd zo goed geschreven dat ze lang nadat je ze voor het laatst hebt dichtgeslagen blijven resoneren. Arc is zo’n roman. Wat de inhoud betreft is het moeilijk om daar iets over te vertellen zonder vooraf te veel weg te geven. Alles grijpt namelijk op een ingenieuze manier in elkaar en hoe minder je op voorhand over het verhaal weet hoe beter het is. Richard Osinga doet iets waarvan zijn eerdere boeken al van getuigen, erg goed in is. Hij bouwt zijn verhalen op als een fascinerend weefgetouw waarvan je elk draadje afzonderlijk zou willen volgen. Arc is echter geen boek om al te rationeel te benaderen en tot de draad uit te pluizen. Beter is het om je gewoon over te geven aan de bijzondere fantasie van de schrijver.

    Meerdere verhaallijnen

    Arc kent globaal genomen drie verhaallijnen. De eerste gaat over Neil Canterbury, een wetenschapper die leeft voor zijn werk en daardoor zijn gezin ongewild verwaarloost. In zijn jonge jaren is hij gepromoveerd op de theorie dat de mens oorspronkelijk geen herinneringen kon opslaan totdat het zogeheten Arc virus dat vermogen op ons overbracht. Nadat zijn theorie jaren lang stof heeft liggen te vergaren wordt hij tijdens een congres in India aangesproken door een mysterieuze vrouwelijke wetenschapper die beweert dat ze met succes proeven heeft uitgevoerd die zijn theorie zouden bevestigen.

    Als hij na het congres een wandeling door de stad Varanasi maakt, komt hij de Aghori tegen, een groep van ascetische gelovigen – die overigens echt bestaat – die zich insmeert met de as van overledenen en mensenschedels gebruikt als drinkbeker. Ze zijn er van overtuigd dat op die manier het geheugen gevuld raakt met de ervaringen van overleden mensen. De tweede verhaallijn gaat over de Nederlandse arts Maja, die zich ontfermt over een patiënt die in een vliegtuig in slaap is gevallen en niet meer wakker is geworden. Uit diverse scans blijkt dat delen van zijn hersenen bijzonder actief zijn. Gefascineerd besluit ze zijn geval te onderzoeken en ontdekt dat de comateuze man ten prooi is gevallen aan een ongekende virale activiteit in zijn lichaam. De derde verhaallijn over de middeleeuwse dichter Kabir lijkt aanvankelijk volstrekt los te staan van de vorige twee verhaallijnen, maar schijn bedriegt. Het moment waarop de drie verhaallijnen bij elkaar komen en vooral de manier waarop dat gebeurt is ontzettend knap bedacht door de schrijver.

    Wonderlijke leeservaring

    Het is lastig om dit bizarre en fantasierijke verhaal van het juiste predicaat te voorzien. Op de voorkant van het boek staat ‘Roman’ en hoewel dat technisch gezien de lading wel dekt, zou je Arc ook heel goed een thriller kunnen noemen en misschien wel een esoterische thriller. Het verhaal is sowieso een stuk spannender dan menige thriller die als literaire thriller op de markt wordt gezet. Je zou het boek ook wetenschapsfictie kunnen noemen. Richard Osinga combineert namelijk op bijzonder vernuftige wijze wetenschappelijke resultaten met het bestaan van een eeuwenoude Indiase sekte die een hele eigen visie heeft op het hiernamaals en voegt daar zijn eigen rijke fantasie aan toe.

    Door deze bonte en wonderlijke cocktail van fictie en wetenschappelijke non-fictie rolt daar een bijzonder intrigerend resultaat uit. Het boek Arc nodigt uit om een en ander op internet te controleren van wat waar is en wat niet en verrassend, of misschien beter gezegd beangstigend veel van wat Osinga beschrijft blijkt op waarheid te berusten. Waar de realiteit in de fantasie van de schrijver overgaat is aan de lezer om dat te bepalen. Lees hoe dan ook dit boek. Voor de verwondering, de verbeelding en de verbazing.

     

  • Empathische verhalenbundel die lang blijft nazinderen

    Empathische verhalenbundel die lang blijft nazinderen

    Voor haar debuut Het water vangen nog moest verschijnen, riep het NRC Lies Gallez (1990) al uit tot dé rijzende ster in de literatuur. Dat was niet zonder reden. Ze won met haar korte verhalen, die onder meer in literaire tijdschriften als De Gids en Kluger Hans verschenen, reeds de A.L. Snijders-publieksprijs, de Hendrik Prijs-prijs en de Totaalprijs. 

    Het water vangen is een verhalenbundel over buitenbeentjes, over mensen die hoe graag ze ook aansluiting willen vinden, net buiten de boot lijken te vallen. Zo denkt in het verhaal Fantoomgeluid een meisje dat ze als enige de tweede oerknal meemaakt tijdens een wandeling door haar woonbuurt, in ‘Geluid en water’ raakt een meisje ervan overtuigd dat ze zwanger is van een dolfijn. Er is het schrijnende relaas over een jonge asielzoeker die wanhopig op zoek is naar een veilige plek waar hij zich thuis kan voelen. 

    Poëtische toon

    De toon van de verhaalbundel is soms poëtisch en droomachtig. Het verhaal Ik heb stenen in mijn DNA is daar een mooi voorbeeld van: Ik heb stenen in mijn DNA, die moeder en vader heten. Misschien kan ik ze huilen zoals het meisje uit Jemen dat steentjes huilt, om mezelf te verlossen van het verdriet dat in mij slaapt als een straathond vol vlooien. Omdat jeuk ook betekent dat ik wil aangeraakt worden, misschien. Een hand op een voorhoofd misschien.’ 

    De tragische verhalen over Omar, een jonge asielzoeker, zijn weer heel anders van toon. Ze schuren vooral door de grote betrokkenheid van de schrijfster bij dit onderwerp. Als leerkracht van anderstalige nieuwkomers heeft Gallez duidelijk affiniteit met asielproblemen en dit toont ze op een heel persoonlijke manier. De drie verhalen, die vanuit verschillende perspectieven worden verteld, kenmerken zich vooral door de directe en rauwe vertelstijl. In het eerste verhaal leren we Omar kennen via de ogen van Lies die – net als de gelijknamige schrijfster – Nederlands geeft aan anderstalige nieuwkomers. In het tweede verhaal is Omar zelf aan het woord. In het derde verhaal kijkt een naamloze verteller terug op het onzekere lot van Omar. De manier waarop Omar wordt vermalen door het onmenselijke asielsysteem zal menig lezer niet onberoerd laten.  

    Spelen met perspectiefwisselingen

    Lies Gallez wisselt in deze bundel sowieso regelmatig van perspectief. Soms gebruikt ze de eerste persoonsvorm enkelvoud, soms de tweede persoonsvorm enkelvoud of de meervoudsvorm. Daarnaast wordt er veel met taal gespeeld in de bundel. Er wordt lustig op los geassocieerd en worden regelmatig stukken tekst tussen haakjes gezet. In veel van de verhalen richt de verteller zich rechtstreeks tot de lezer. Opmerkingen als ‘Daar kom ik later op terug’ of ‘daarover later meer’ komen vaak terug. Soms is die herhaling wat te veel van het goede. Soms pakt het directe aanspreken van de lezer ook heel goed uit. Neem bijvoorbeeld de volgende passage uit Fantoomgeluid: ‘Alles begon ooit met een knal. Ook dit verhaal. Dus hier gaan we.’ Door dit soort korte zinnetjes af te wisselen met soms heel lange zinnen zit er een lekker taalritme in de verhalenbundel. 

    Ondertussen rijgt Gallez de mooie zinnen aan elkaar. ‘Herinneren is soms een weggetje kerven met een aardappelmesje. En elke mens in je leven bezit de mogelijkheid er eentje te worden.’
    Het zijn dit soort  pareltjes die regelmatig tot nadenken stemmen. Het is alsof Gallez duidelijk wil maken dat we weliswaar allemaal individuen met onze eigen levens zijn, maar dat we tegelijk niet zonder elkaar kunnen. Alle personages zijn afgedreven van de wereld om hen heen, maar hunkeren er naar gezien te worden, naar liefde, naar een thuis. Het maakt van Het water vangen tot een sympathieke en empathische verhalenbundel die lang na blijft zinderen.

     

     

  • Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    De in Den Haag geboren en in Schotland wonende schrijver Michel Faber (1960) is bekend van zijn monumentale roman Lelieblank, scharlakenrood van bijna 1000 bladzijden. Fabers oeuvre valt vooral op doordat hij thriller- sciencefiction en horrorelementen met filosofische beschouwingen combineert en nadrukt legt op uitgebreide sfeerbeschrijvingen. Nu is er Een geschiedenis van twee werelden, een jeugdboek met een sprookjesachtige setting. Het boek kent twee delen, die als volgt zijn aangeduid: ‘De eerste (iets kortere en aanzienlijk minder hachelijke) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DEZE wereld’ en ‘De tweede (iets langere en aanzienlijk hachelijker) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DIE wereld.’ Deze nogal archaïsch aandoende stijl hanteert Faber het hele boek. 

    Stel je een wereld voor waarin de letter d opeens is verdwenen. En stel je dan ook eens voor dat dit betekent dat alles waarin de letter ‘d’ voorkomt eveneens verdwijnt: drums, dromedarissen, dolfijnen, draaideuren en duffelse jassen. En stel je dan óók nog eens voor dat jij de enige bent die dit in de gaten lijkt te hebben en dat anderen je voor een zonderling uitmaken als je het ter sprake brengt. 

    Meisje uit Somaliland 

    Het overkomt de twaalfjarige Dhikilo. Dhikilo woont in het slaperige Engels kustplaatsje Cawber-on-Sands en is anders dan de andere kinderen in het plaatsje. Ze komt namelijk uit Somaliland. Dat maakt het leven van Dhikilo sowieso al ingewikkeld genoeg. Somaliland zou voor veel inwoners van Cawber-on-Sands best een sprookjesland kunnen zijn. De meesten hebben er nog nooit van gehoord of verwarren het met Somalië. Als ze besluit om op zoek te gaan naar de verdwenen letter d staat ze er dan ook aanvankelijk alleen voor totdat ze kennis maakt met een overleden professor en zijn huisgenoot mrs. Robertson. Mrs. Robertson is deels labrador deels sfinx. Samen met haar vertrekt ze naar de magische wereld Luminus waar ze het op moet nemen tegen de dictator Gamp.
    De eerste helft van het boek is genieten geblazen. Michel Faber leeft zich uit en het is te merken dat hij met veel plezier het verhaal vertelt. De wijze waarop Dhikilo als buitenbeentje wordt neergezet, de beschrijvingen van het schilderachtige Cawber-on-Sands dat betere tijden heeft gekend en de reacties van de overige inwoners op de waarnemingen van Dhikilo zijn ronduit sprankelend. 

    ‘De laatste plaats waar Dhikilo had gewoond voordat ze werd overgebracht naar de Engelse zuidkust was een stad die Laascaanood heette, wat klonk als een drankje op de menukaart van een oriëntaals restaurant dat je misschien wel wilde proberen, maar waar je van afzag omdat je bang was dat je het niet zou lusten, zodat je toch maar Pepsi nam.’

    Ontregelende leeservaring

    Michel Faber neemt de lezer op een mooie actieve manier mee in het verhaal. Op het moment dat je denkt dat er best veel personages voorbij komen, stelt hij de lezer gerust door op te merken dat de meesten van hen eigenlijk toch niet heel erg terzake doen. Zo serveert hij vlak nadat hij een pestend meisje ten tonele heeft gevoerd haar al snel weer af. De d-loze wereld waar Dhikilo in terecht is gekomen, is wonderlijk en onwennig, net als het lezen van dit boek. Want niet alleen ontbreekt de letter d in de nieuwe wereld van Dhikilo, maar laat de schrijver zelf ook consequent de letter d weg en dat is aanvankelijk wennen geblazen. Het is slechts één letter uit het alfabet, maar je krijgt als lezer voortdurend het gevoel dat er van alles in de tekst ontbreekt. Het is een behoorlijk ontregelende ervaring. In de tweede helft van het verhaal als Dhikilo via een magische deur de wereld Luminus betreedt, dreigt de vaart wat uit het verhaal te raken.

    Plotseling einde

    De door Faber aangekondigde aanzienlijk hachelijker tweede helft voelt nooit echt heel erg hachelijk. Het is een redelijk tam fantasy-achtig verhaal waarin de verwondering, die in de eerste helft nog aanwezig was, grotendeels uitblijft. Dhikilo en mrs. Robertson betreden een wereld die een kruising lijkt tussen De tovenaar van Oz en de Kronieken van Narnia en komen een keur aan vreemde volkeren en personages tegen die soms nieuwsgierig, soms afwijzend en soms ronduit vijandig tegenover hen staan. Zo zijn daar de Quilpen, een groep dwergachtige mannen die zowel vuil als dom zijn, de Magwitches, een stel kwaadaardige heksen en de Droods, een volk van lange elegante schepselen in elfengewaden.

    Dit klinkt allemaal erg interessant, maar écht spannend wordt het niet. Het land waar Dhikilo terechtkomt ontvouwt zich als een panorama waarin zij vooral een toeschouwer is.  Uiteindelijk komt ze de kwade dictator Gamp tegen, maar het blijft onduidelijk wat zijn motieven precies zijn. Het einde komt erg plotseling zonder dat Dhikilo daar een actieve bijdrage aan levert. Een personage dat even tevoren in de problemen was geraakt komt op onverklaarbare wijze terug in het verhaal en redt de dag. Dat voelt wat te makkelijk. Al met al is het een interessant jeugdboek met een bijzonder sterk begin, een geloofwaardiger einde had het in zijn geheel wel een stuk sterker gemaakt.

     

     

  • Deze zeereis is niet zomaar een reisverhaal

    Deze zeereis is niet zomaar een reisverhaal

    L.H. Wiener (1945) mag gerust tot de eminence grises van de Nederlandse literatuur worden gerekend. Wiener debuteerde in 1966 met verhalen in het literaire tijdschrift Tirade en heeft daarna decennialang zijn oeuvre gestaag uitgebreid. Aanvankelijk schreef hij onder de naam Lodewijk Henri Wiener, maar sinds 1980 publiceert hij onder de naam L.H. Wiener. In 1967 verscheen zijn eerste verhalenbundel Seizoenarbeid. Hoewel Wiener in de jaren daarna bleef werken aan zijn verhalen oeuvre en een groeiende groep bewonderaars opbouwde, kreeg hij lange tijd weinig aandacht van de pers. Het duurde meer dan drie decennia voordat hem erkenning ten deel viel. Voor zijn tweede roman Nestor (2002) werd hij in 2003 bekroond met de F. Bordewijk-prijs. Niet lang daarna verschenen zijn verhalen in twee gebundelde delen die door de pers gunstig werden besproken. 

    In Zeeangst vertelt L.H. Wiener over zijn zeiltocht vanuit Nederland naar de zuidkust van Engeland, die hij samen met zijn levensgezellin Ant en poes Loes onderneemt. Zijn doel is om langs de Belgische en Noord-Franse kust af te zakken richting Duinkerken om van daaruit het Kanaal over te steken. Het is echter zeker niet zomaar het zoveelste reisverhaal. Wiener is van kinds af aan een groot zeilenthousiast en vertelt daar in Zeeangst met bijzonder veel enthousiasme over. Hij gebruikt daarbij veel nautische terminologie die voor echte landrotten misschien moeilijk zijn te volgen, maar gelukkig is er een uitgebreide en verklarende woordenlijst achterin het boek opgenomen.

    Relatie tot de zee

    Zeeangst is een autobiografisch geschrift. Zelf noemt hij het deels een nautisch logboek waarin hij zijn verhouding tot de zee, de literatuur en het leven uiteenzet. Het logboek-karakter is overal aanwezig in het boek. Wat daarbij opvalt is het regelmatige gebruik van steekzinnen. Als hij en Ant aankomen in de haven van Calais noteert hij het volgende: Het Bassin de Plaisance de Calais. Klinkt mooi, is niets. Hadden niet naar binnen moeten gaan. De metalen steigers piepen door de beweging van het water, zodat je geen oog doet, dat is trouwens ook zo in Boulogne-sur-Mer, maar minder. ’ 

    Wiener beschrijft op een fascinerende manier zijn relatie tot de zee, die hem zowel afschrikt als aantrekt. Hij leidt aan zeeangst dat hij als volgt onder woorden brengt: Voor mij geldt geen liefde voor de zee, wel ontzag in een altijd sluimerende angst. En in dat ontzag en in die onderdrukte vrees begeef ik me op zee, om haar tegemoet te treden, om haar te tonen dat ik haar macht niet willoos zal ondergaan, maar die als zeiler juist naar mijn hand zal trachten te zetten, in de overtuiging dat de zee zelf willoos onderhevig is aan de oerkrachten van tij en wind, krachten die ik beide, anders dan de zee, in mijn voordeel kan aanwenden, of mijden.’ 

    Vriend en vijand

    Wiener ontkracht tegelijkertijd vele mythes over de zee alsof het een kwaadaardig schepsel zou zijn dat er op uit is om schepen schipbreuk te laten leiden. De zee is geen vijand, maar slechts een neutrale macht. Een macht die echter in staat is te vermorzelen als de mens niet goed voorbereid het ruime sop kiest. De zee blijft daarom zowel vriend als vijand voor Wiener. Een vriend die je waardeert en een vijand die je respecteert. 

    Zijn relatie met Engeland is eveneens op zijn minst ambivalent te noemen. Een echte Anglofiel is hij zeker niet. Wiener schrijft weliswaar met liefde, maar ook met kritische spot over Engeland. Wiener is op zulke momenten lekker op dreef. Hij is hoogst in zijn wiek geschoten als blijkt dat poes Loes alleen met de juiste formulieren Engeland in kan, en die zijn niet volledig. Zo krijgt Wiener opeens met de Engelse bureaucratie te maken, hetgeen een grote ergernis bij hem opwekt. ‘Regels zijn regels, de Duitsers hebben de naam, maar de Engelsen zijn erger, aangezien ze er een forse dosis hypocrisie aan toevoegen. Ik moest denken aan de vernedering van Oscar Wilde die op 20 november 1895, in gestreepte gevangeniskleding en met handboeien om, tentoongesteld werd aan het spugende publiek op het perron van Clapham Junction, in afwachting van zijn transport naar Reading Goal, hoewel in Londen avond aan avond, in twee theaters tegelijk, zijn geestige toneelstukken voor volle zalen werden opgevoerd, waarbij zijn naam als auteur op de affiches was zwartgemaakt.’ 

    Erudiete passages

    Deze passage is L.H. Wiener ten voeten uit. Hij rijgt op bijna achteloze wijze allerlei anekdotes die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben op een bijna vanzelfsprekende manier aan elkaar. Zo wemelt het in Zeeangst van de literaire terzijdes. Vooral Malcolm Lowry die Under the volcano schreef, blijkt een belangrijke invloed op L.H. Wiener te hebben. Ook veel andere schrijvers komen voorbij, waaronder Frans Kellendonk. Zeeangst werkt vooral erg goed doordat de schrijver allerlei erudiete passages over literatuur, geschiedenis en cultuur afwisselt met de nodige zelfspot en zijn oog voor het vrouwelijke schoon dat hij tijdens deze reis tegenkomt. Het maakt het lezen van Zeeangst tot een bijzonder aangenaam tijdverdrijf, waarbij de lezer veel te weten komt over zeilreizen, literatuur en de rare gewoontes van de Britten.

     

     

  • Als een traag stromende meanderende rivier

    Als een traag stromende meanderende rivier

    In de roman Midzomer, stadsmoe van Bernard Wesseling leidt Rochus Veldman een tamelijk doelloos leven. Als fietskoerier doorkruist hij dagelijks Amsterdam terwijl hij daarbij regelmatig het onzekere lot van zijn vermiste vriend Sjako overpeinst. Soms lijkt hij hem vanaf een afstand te zien, maar als hij de betreffende persoon nadert blijkt het toch weer iemand anders te zijn. Rochus en Sjako waren ondanks hun grote verschillen onafscheidelijk van elkaar. Rochus wil door het leven gaan zonder in al te veel conflictsituaties verzeild te raken terwijl Sjako vooral de rebel was. Sjako vond dat er constant stelling moest worden genomen tegen de burgerlijkheid van de samenleving en de machtsstructuren waaronder de samenleving volgens hem gebukt gaat. Bernard Wesseling debuteerde in 2004 op 25-jarige leeftijd met de roman De favoriet. Daarvoor genoot hij al enige faam als slamdichter. In 2006 won hij met zijn dichtbundel Focus de C. Buddingh-prijs voor beste debuutbundel. Met zijn tweede dichtbundel Naar de daken werd hij genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs.

    Poëtische observaties

    Zijn achtergrond als slamdichter is merkbaar in de tweede roman van Wesseling. De zinnen lezen bij tijd en wijle als verf dat met klodders op het canvas is gesmeten. Elke zin lijkt dan ook een losse indruk van het leven te zijn. Het resultaat is een af en toe wat moeilijk te volgen verhaal zonder duidelijke richting, maar misschien was dat ook wel de bedoeling van de schrijver. Het leidt in elk geval tot soms mooie poëtische observaties: ‘Als ik naar huis loop zie ik onder de kap van de remise een trambestuurder die in zijn tram in slaap is gevallen. Zijn gezicht helverlicht in de cabine, het blauwe jasje dat over de hoge stoel hangt. Omringd door gestalde trams droomt hij zeker van open wegen, zonder dwingende sporen, eindeloos.’

    Aanvankelijk lijkt het er op dat Midzomer, stadsmoe vooral gaat over de zoektocht naar Sjako, maar uiteindelijk gaat het vooral over de queeste van Rochus naar zichzelf. Wie is hij en wat verwacht hij van het leven? Zijn onmacht om deel te nemen aan het leven lijkt te eindigen als hij Alma tegenkomt. Zij neemt hem op sleeptouw en haalt hem over om met haar mee te komen naar het Griekse eiland Lesbos om bootvluchtelingen te helpen. Even lijkt hij een doel in het leven te hebben gevonden en komt er opeens ook wat meer vaart en structuur in het verhaal. Rochus wordt geconfronteerd met vluchtelingen wier levens op drift zijn. Mensen die huis en haard hebben moeten verlaten voor een onzekere toekomst. Hij wordt er geconfronteerd met een gevoel van onvermogen om daadwerkelijk iets voor een ander te betekenen.

    Afstandelijke beschouwingen

    Tot echte interessante bespiegelingen leidt het echter niet. Noch over de vluchtelingencrisis noch over zijn verhouding tot andere mensen en zijn eigen toekomst. Het blijft bij een enkele overpeinzing zoals deze: ‘Alles wat we uitwisselen lijkt van levensbelang. In geen tijden is kennis zo kostbaar geweest. Als ijverige biografen blijven we doorvragen tot het onderwerp is uitgeput, klaar om te worden gekoesterd als wezenseigen. Ik ontdek opnieuw: wie je bent ben je met anderen. Wat je bent ben je alleen. Maar bij hoge uitzondering, zoals nu met Alma, kan het gebeuren dat iemand je wat-heid vat. Ja, zoals ook zij voor mij een begrip is: iets wat elke vergelijking tart.’ Een mooie doordenker over het leven, maar het blijven afstandelijke beschouwingen en we leren Rochus er nauwelijks beter door kennen. 

    Midzomer, stadsmoe blijft daardoor een verhaal dat aan de oppervlakte blijft steken. Het verhaal is als een traag stromende meanderende rivier, waardoor het af en toe dreigt te verzanden en het niet altijd even gemakkelijk is om de aandacht erbij te houden. Het pleit wellicht voor Wesseling dat hij de lezer niet te veel gemakkelijke antwoorden mee heeft willen geven. Het leven is immers zelden een mooi afgerond geheel, waarbij alle levensvragen worden beantwoord. Desalniettemin zou een wat strakkere vertelstijl een bevredigender leeservaring hebben opgeleverd. 

     

     

  • Digitale leven versus natuur beleven

    Digitale leven versus natuur beleven

    Als klein kind was Dan Richards helemaal in de ban van het bekkenbeen van een ijsbeer in de werkkamer van zijn vader. Jaren later kreeg hij van hem te horen dat hij het stuk bot op de gletsjer in Kongsfjorden op Spitsbergen had gevonden. Sindsdien is Dan Richards gefascineerd geraakt door reizen naar verre uithoeken en is hij constant op zoek naar buitenposten, plekken waar mensen heen gaan om zich af te zonderen op zoek naar avontuur en spiritualiteit. Buitenpost is echter in de eerste plaats niet zozeer een reisboek als wel een onderzoek naar de menselijke ziel en verlangens. Wat is het precies dat mensen zo ontzettend aantrekt in eenzaamheid en afzondering? Om hierachter te komen reist Dan Richards naar een aantal afgelegen gebieden zoals het Cairngormgebergte in Schotland, verlaten spooksteden op Spitsbergen en de woestijn van Utah. 

    De gebieden waar Richards doorheen reist hebben door hun afgezonderde ligging een bijzondere aantrekkingskracht voor al diegenen die zich willen onttrekken aan de menselijke chaos en drukte. Hij lijkt daar zelf ook een voorstander van te zijn. De volgende zin getuigt daar op een mooie manier van: ‘Het spartaanse karakter van het buitenleven stelt ons open voor de vrijheid van het onbekende. Door onze verbinding met een gps-netwerk te ontkoppelen kunnen we plaatsen, ruimte en tijd beter ervaren. Zonder onze telefoons krijgen we een betere verbinding. Door de digitale banden te doorbreken maken we intenser contact met het landschap, stellen we ons in staat er zelf mee om te gaan en kunnen we verantwoordelijkheid voor onze eigen positie nemen.’ De natuur waarmee Richards te maken krijgt, blijkt vaak echter bijzonder hardvochtig en moeilijk ontsluitbaar. Dat ongenadige en compromisloze karakter van de natuur maakt de positie van de mens ten opzichte van de natuur op zijn minst ambivalent. 

    De natuur is onwillig

    Tijdens zijn poging om de bergen in Desolation Peak in de Amerikaanse staat Washington te beklimmen, ervaart hij aan den lijve hoe vijandig de natuur en hoe meedogenloos het weer kan zijn. In zware slagregens worstelt hij zich met een klimkameraad een weg naar boven over moeilijk begaanbaar terrein. Het leidt tot het inzicht dat de mens dan mag verlangen naar de ongerepte natuur, maar dat het omgekeerde beslist niet het geval is. De mens associeert de natuur vaak met romantiek en vrijheid, maar we vinden zelden wat we verwachten aan te treffen. 

    Wat Buitenpost bijzonder maakt zijn de vele literaire verwijzingen, zoals de volgende passage over Jack Kerouac: ‘(…) zijn aantekeningen en brieven uit die periode maken duidelijk dat hij die drieënzestig dagen vooral leed, smachtte en wanhoopte, op een manier die deed denken aan de pogingen tot abrupt afkicken van één van de verslaafden van Denis Johnson – schurkend tegen het kloosterlijke, strevend naar het ascetische, trachtend zichzelf dichter bij de hemel te reconstrueren – en intussen maar schrijven, manisch en door de leegte opgejaagd.’ 

    Het is slechts één van de vele prachtige zinnen waar de lezer zich aan kan laven. Uiteraard komt ook Henry David Thoreau voorbij, die met Walden een tijdloze klassieker heeft geschreven over zijn leven in de wildernis. Thoreau bleek echter weinig op te hebben met een Spartaanse levenswijze. Uit recent historisch onderzoek blijkt dat hij overleefde doordat zijn moeder hem elke dag warme maaltijden kwam brengen (het bos lag op loopafstand van haar huis) en dat zijn zus elke week zijn blokhut kwam schoonmaken. Er valt dus veel te halen uit dit boek dat zowel een ode aan de natuur als aan de literatuur is, en beiden op een liefdevolle manier bij elkaar brengt.

    Pleidooi voor onthaasting

    Uiteindelijk is Buitenpost ook een indringend pleidooi voor onthaasting en een groter besef van onze ecologische voetafdruk op aarde. Moeten we eigenlijk wel terug willen naar de natuur? De sporen en de vervuiling die de mens als gevolg van zijn toegenomen mobiliteit achterlaat in de weinige ongerepte plekken die er nog over zijn, zijn steeds meer zichtbaar. Steeds meer natuur dreigt te verdwijnen. Wellicht is het tijd voor enige herbezinning, volgens Dan Richards: ‘En als de vraag dus echt is hóe we reizen en niet óf we dat doen dan stel ik voor dat we om te beginnen fysiek wat rustiger aan gaan doen en niet langer de afgelegde afstand op onze reizen tot de kern van de zaak maken, maar de verbinding, en de kwaliteit van de ervaring.’

    Mooi aan Buitenpost is dat Dan Richards de lezer nergens al te nadrukkelijk een boodschap wil opdringen en zelf de conclusie laat trekken. Daardoor is het een boek dat je zelf laat reflecteren op de manier waarop we nu leven en ons verplaatsen, op de vraag of we niet op een andere manier met onze aarde moeten omgaan en welke rol en verantwoordelijkheid we daar in kunnen en moeten nemen.