• Naar Berlijn

    Naar Berlijn

    Het was zo’n middag dat ik erop uit moest, een onbedwingbare lust de trein te nemen, naar Berlijn desnoods. Waar videokunstenaar, componist en obsessief sporter Guido van der Werve in 2016 met zijn fiets tegen een openslaand autoportier knalde, eroverheen vloog, geschept werd door een touringcar. Hij sprak erover in een interview in de Volkskrant, dat bij hem niets gewoon kon gaan, zelfs een ongeluk niet. Hij had jaren nodig om te revalideren. Zijn arts zei dat als hij niet zo overdreven veel getraind had, hij dit ongeluk niet had overleefd. Ik nam me voor dagelijks tien kilometer te lopen. Dus trok ik mijn jas aan, liep naar het station. Het was guur, grijs weer. De wind ging dwars door mijn jas. Ik stopte de losgewaaide einden van mijn sjaal stevig vast. Op het volgende station waar ik moest overstappen, kocht ik een krant. De trein naar Deventer liet op zich wachten, er was een tekort aan verkeersleiders. Toen ik eindelijk in Deventer aankwam, leek het me opeens geen goed plan op de trein naar Berlijn te wachten. Ik sjorde mijn sjaal nog eens vast en ging de stad in.

    In een zaakje waar koffie met barista havermelk werd geschonken, las ik in de NRC dat Michiel Krielaars in de trein van Brussel naar Nederland een roman van Lucinda Riley las. Het las ‘als een lange tweet’, schreef hij. En, ja, een literatuurcriticus moet ook De zeven zussen lezen. Ondertussen dacht ik aan Ischa Meijer. Geboren op 14 februari 1943, tweeënvijftig jaar later op 14 februari gestorven, zomaar. Zesentwintig jaar afwezigheid waarin zijn Dikke Man verhaaltjes en ander teksten steeds meer aan betekenis toenemen. Er zijn een handvol gedichten, liedjes, theaterteksten in De handzame Ischa, een aantal Dikke Man stukjes over zijn ouders in Mijn lieve ouders. Teksten die het programma Een uur Ischa op de radio aankondigden in, Zing m’n jongen zing!, voorgelezen met de ronkende stem van Cor Galis. Teksten die over Ischa gingen, wat hem die week had beroerd, altijd eindigend met, ‘Hé, jôh, sta daar niet zo oenig te koekeloeren. En zing maar eens lekker. Ja, zing mijn jongen, zing, zing, zing!’ Of een variant daarvan, ‘En zing kleine klootzak, zing, verdomme, zing, zing, zing!’ En dan zong hij.

    In de biografie Jaap en Ischa Meijer, een Joodse geschiedenis door Evelien Gans wordt Ischa geboren in het derde oorlogsjaar. Hoe liefdevol zijn vader in een brief aan vrienden schreef, ‘Isga, die overigens best groeit, lief is en nu en dan er lustig op los keuvelt’. Ischa, die eerst Isga was. En zijn vader, die later, na de oorlog, niets liefdevols meer heeft. Om het minste geringste uitviel, vrienden, kennissen en zijn kinderen van zich afstootte, confronteerde. Ontberingen en de dood doen veel met een mens. Ischa schreef: ‘de dood maakt elk talent kapot / om te beminnen wat verging / ik ben de leegte die hier bleef; een bod / een gat, niet eens een ding / geen snaar die nog kan trillen van de angst / om te vergeten wat verging // ik blijf de leemte die beklijft; de vangst / die wel genoemd wordt: de herinnering’. Ik nam de trein naar huis, dacht erover volgende week nog eens naar Berlijn te gaan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

     

     

     

  • Ruzie kan altijd nog

    Ruzie kan altijd nog

    De wind buldert rond het huis en ik luister naar radiointerviews van Ischa Meijer. Dat hij vijfentwintig jaar geleden overleed wordt groots herdacht. Ik haal zijn boeken uit de kast. Lees De handzame, zijn interviews, blader door De Dikke Man columns. Luister naar degenen die hem gekend hebben. Ieder denkt te weten waarom Ischa was, zoals hij was. In de jaren negentig kwam ik wel eens in café Eik & Linde, waar ‘Een dik uur Ischa’ werd opgenomen. Tussen de gesprekken door, als de band speelde, zat hij doodgemoedereerd achter een tafeltje (flink) in zijn neus te peuteren. Ischa is een verslaving. Hoe meer ik over hem lees en naar hem luister, hoe dichter ik kom bij iets dat mijzelf raakt. Het heeft te maken met een steeds veranderen van richting, niets mag ooit gewoon worden. De gedrevenheid waarmee hij alles deed, Het is om gek van te worden.

    Ik moet er even uit en neem de bus naar Winterswijk met De zoete inval van L.H. Wiener op zak. 

    L.H. Wiener woont in een appartementencomplex aan het Spaarne, met vloerverwarming, een groot bad waar hij niet uit kan komen als hij erin zou gaan, en met ‘zo’n gluiperig kijkglaasje’ in zijn drie meter hoge voordeur, schrijft hij aan A.L. Snijders in een brief die in de bundel is opgenomen. Net als de (poste restante) brief die hij aan F. Starik schreef. De ene dag bezocht hij met F. Starik een kroeg, de dag daarop schreef hij hem een brief: met ‘een goed gevoel’ terugkijkend op hun cafébezoek. Rekent Starik tot een ‘bevriende mogendheid’. ‘Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen aanleiding.’ De brief eindigt met, ‘Blijf gezond, dat is gewoon het beste.’ Ruzie zouden ze nooit krijgen, Starik overleed de avond dat Wiener de brief verzond. ‘Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.’ 

    Wiener: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. / Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. / Vormgeven is de kunst.’
    Ik denk te weten hoe de vork in de steel zit, zijn verhalen zeer eenvoudig zijn, maar kom bedrogen uit.
    Lees dit verhaal, waarin de schrijver een buizerd voor dood op straat vindt. In een vogelhospitaal herstelt de vogel, wordt vrijgelaten in de duinen. Wiener gaat er kijken, in de hoop een glimp van de buizerd op te vangen. Dan wordt het verhaal van een vrij droge vertelling, vederlicht. Er komt een buizerd  op hem af, landt op zijn schouders, richt over  zijn hoofd heen de snavel naar zijn gelaat. Ze kijken elkaar aan. Dan verdwijnt de buizerd. ‘Zo staat het nu geschreven. / En zo is het dus gebeurd. / Voor altijd.’
    Kijk, dit is prachtig, en ik geloof het maar al te graag.

    Ik lees graag verhalen van schrijvers waarvan je amper iets verneemt buiten hun verhalen om. Dat is wel zo rustig. Hoewel ik hier moet oppassen dat de verhalen van Wiener, zoals Snijders met zijn zkv’s, niet verslavend gaan werken. Een beetje ruimte is geboden.

     

    De zoete inval (verhalen) / L.H. Wiener / Uitgeverij Pluim


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Rimbaud had dit prachtig gevonden

    Deze maand verscheen een nieuwe bundel zkv’s van A.L. Snijders. Doelloos kijken bevat een keuze uit de zkv’s die in 2017 en 2018 zijn verschenen in De Standaard, de VPRO Gids en de gesproken zkv’s op zondagochtend bij Radio 4. De bundel is bezorgd door uitgeverij AFdH die sinds 2006 bijna jaarlijks een bundel zkv’s uitgeeft.

    A.L. Snijders (1937) is schrijver, voormalig docent Nederlands, bedenker van het zkv en pseudoniem van Peter Müller. Zijn schrijversnaam koos hij in de jaren tachtig toen hij columns ging schrijven voor Het Parool. De naamskeuze was een willekeurige, zoals veel zonder voorbedachte rade lijkt te gebeuren in het leven van Snijders. Een schrijver die zich erover verwondert dat hij bij optredens nog steeds wordt aangekondigd als de schrijver die een prestigieuze prijs (met nadruk op dat prestigieuze) heeft gewonnen, jaren geleden alweer. Nooit wordt, om als interviewer maar eens wat te noemen, aangehaald dat Snijders bijvoorbeeld in 1992 al in het spraakmakende programma ‘Een uur Ischa’ door Ischa Meijer in café Eik & Linde werd geïnterviewd. Ziehier de verhouding van belangrijkheid en vergankelijkheid binnen de literatuur.

     

    Als ik het erf van de blauw/grijs geverfde woonstee op fiets, staat A.L. Snijders opzij van het huis te overleggen met zijn jongste dochter en, zoals Snijders haar voorstelt, zijn verloofde. Er is iets gaande, er zijn sleutels zoek, er moet een apparaat gevonden worden, zijn jongste zoon, die sinds enkele maanden in het nabijgelegen Zutphen woont, komt langs en dan moet er ook nog een interview plaatsvinden.


    Een standbeeld als vriend

    Binnen wijst Snijders naar de lange keukentafel die voor de helft volgepakt ligt met papierwerk, stapels boeken, kranten, pillendoosjes, enveloppen en nog meer boeken, om plaats te nemen. Er wordt koffie gemaakt. Langs de lange muren van de voorheen varkensstal staan meters boekenkasten, jaloersmakend goed gevuld. We besluiten elkaar te tutoyeren. Op de vraag naar het manshoge houten beeld dat met uitgestoken rechterhand bij de entree staat, vertelt Snijders dat het een eerste kunstproject van zijn jongste zoon is, ‘Uw nieuwe vriend’ getiteld. ‘De bedoeling is’, Snijders gaat voor het beeld staan, ‘dat als je hier binnenkomt het beeld een hand geeft. Nou is mijn ervaring dat handarbeiders, timmerlui enzo die hier komen, die geven het beeld een hand. Maar mensen die aan de universiteit gestudeerd hebben, die doen dat niet.’ Hij gaat zitten. ‘Dit is natuurlijk een zeer persoonlijke constatering die ook best niet waar kan zijn. Begrijp je?’

    Voor we goed en wel zijn begonnen, komt de dochter binnen. ‘Hij zit er niet in Peter.’ Ze zet een bak met sleutels op tafel. ‘Dat meen je niet’, roept Snijders. ‘Verdomme, wacht even.’ Hij staat op en helpt zoeken, ook de verloofde komt erbij. Snijders zegt: ‘Dit is geen manier om een interview te doen.’ Er wordt naarstig gezocht in doosjes en trommeltjes. Tot onder ah- en oh-geroep, de sleutel gevonden is. Dochter en verloofde gaan weer naar buiten. Snijders kijkt hen na.
    ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’

    Het leven van A.L. Snijders speelt zich af rond de landelijk gelegen plek bij Lochem waar hij in 1971 met vrouw en vijf kinderen is neergestreken. De kinderen zijn allang volwassen en zijn vrouw overleed in de lente van 2018. Het is een plek waar het leven onvoorbereid lijkt en alles zich tot een zkv vormt, inclusief de onbegrijpelijke elementen die daarin voorkomen.

    Ik sprak met de schrijver over wat een zkv is, over eenzaamheid, bekend zijn en onbegrijpelijk te willen schrijven. Het gesprek wordt omlijst door bijgeluiden als het verplaatsen van spullen, gerommel in de keuken, piepend opengaande deuren, heen en weer lopende vrouwen en het blinde hondje, Besje. Soms vallen er hiaten in het gesprek, omdat namen zich niet aandienen of wordt de lijn van het te vertellen verhaal zo ver uitgesponnen dat de draad even losraakt. Om dan uit te komen bij de vraag: ‘wat is de betekenis van de zkv’s van A.L. Snijders in de Nederlandse literatuur?’ Niet dat we dat van tevoren bedacht hadden.


    Niet al je stukjes zijn een zkv las ik eens, welke zijn het wel?

    ‘Laatst heb ik er een geschreven over een bezoek aan Deventer, waar het oudste huis van Nederland staat met een 375 jaar oude beuk. Ik zat in tijdnood en dan krijg ik iets onverschilligs, kan het me niet meer schelen of het te begrijpen is of niet. Ik deed er nog een gedicht van een Chinese dichter bij uit een bundel die ik net had ontvangen van een man waar ik al veertig jaar mee correspondeer. Dat bundeltje ligt nu boven want daar lees ik ‘s avonds uit voor aan mijn verloofde. Maar dat stukje is voor mij een echt zkv, omdat ik in het eerste gedeelte een kunstenares noem, maar niet zeg wie het is, wat ze doet. Ik leg niet uit dat zij een Nederlandse kunstenares is die erg onbegrijpelijke beelden maakt. In een langer stuk zou ik uitleggen dat ze de vrouw van de zoon van een broer van mijn overleden echtgenote is. En dat gedicht is uit de elfde eeuw, maar dat zeg ik er ook niet bij. Wat begrijpelijkheid betreft is dat zkv op het nippertje. Het intrigeert mij bovenmate dat in de elfde eeuw Japanners en Chinezen de meest fantastische poëzie schreven, poëzie die wij nu pas maken. Het is mijn grote ideaal om er dingen in te zetten waarvan je denkt ”wat heeft dat te betekenen?” .’
    ‘Je kijkt nooit naar het aantal woorden?’
    ‘Nee, daar heeft het niks mee te maken. Als er op zijn minst maar één dingetje raar is, dan reken ik het tot een zkv. Dus niet als een zeer kort verhaal, maar die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’


    Overbodige voegwoorden

    Er is sprake van een ontstaansgeschiedenis van het zkv. In de jaren vijftig, toen Snijders op het Spinozalyceum in Amsterdam zat lag hij altijd overhoop met zijn leraar Nederlands. Deze wilde hem leren dat in een samengestelde zin de verschillende delen aan elkaar gekleefd moeten worden met een voegwoord. Dat vond Snijders ‘volkomen nonsens’, al wist hij nog niet waarom.
    Snijders: ‘Die leraar gaf als voorbeeld: “Ik pak mijn paraplu, omdat het regent.” Dat ‘omdat’ of ‘want’ moest er per se bij. Dat gaf aan dat het een bij het ander hoorde. Ik vond dat onzin.’ Die leraar werd overigens zijn opmerkingen zat en verbood hem op een gegeven moment nog iets in te brengen tijdens de les. Daar begon iets, werd een kiem gelegd.

    ‘Later met die zkv’s wilde ik het korter maken en ik zag dat je veel van die voegwoorden gewoon weg kunt laten omdat je hersens een volkomen eigen manier van denken hebben. Die maken de verbinding ook zonder dat voegwoord wel. Zo nam ik dus wraak op die leraar Nederlands. In het begin van het zkv werd ik soms kwaad als mensen daaraan vasthielden. Als ik schreef: ‘Ik neem mijn paraplu mee, het regent.’ Dan kon dat niet. Voor sommige mensen schrijf ik nu eenmaal onbegrijpelijk.’


    Lees je de kritieken op wat je schrijft?

    ‘Het is allemaal toeval als ik dat hoor, ik ga er niet naar op zoek. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik ken een man uit Zutphen, Hans Heesen, die veel organiseert op literair gebied. Hij is negen jaar geleden begonnen met het lezen van Mei van Gorter in Utrecht, en doet dat nu in Zutphen.’
    Gekrabbel aan de buitendeur. Snijders staat op, hond Besje dribbelt schijnbaar doelbewust naar binnen.
    ‘…Heesen heeft verschillende jaren Mei-lezingen georganiseerd en op één keer na deed ik altijd mee. De laatste keer bij Mei lezen, een paar weken geleden, vertelde Heesen dat er twee mensen zijn die het langst meedoen, dat zijn Wim Noordhoek en ik. Wim was afwezig, want hij is erg ziek. Er waren deze keer honderdnegenentwintig dichters en schrijvers die meededen. Ik werd daar met alle egards behandeld. Na afloop kwam er ook nog een meisje naar me toe dat zei: “U was de beste.” Later sprak ik een jongeman die ook had meegedaan, die vertelde dat er mensen waren die hadden gezegd: “Die Snijders, die kan er echt niets van. Zoals hij het heeft voorgelezen, zo staat het er helemaal niet.” Kijk, en dat vind ik nou interessant. De een zegt, je was de beste en de ander vond hetzelfde helemaal niks.’


    In de supermarkt

    Snijders is een landelijke bekendheid, zelf lijkt hij dit maar amper te beseffen. Zijn verbazing is oprecht wanneer hij vertelt met ‘alle egards’ behandeld te zijn. In 2011 werd er werk van hem vertaald door kortverhaal schrijfster Lydia Davis voor Asymptote, een internationaal online tijdschrift voor vertaalde literatuur.
    ‘Weet je wat nu curieus is? In Lochem zijn vier supermarkten, maar er is er maar één waar ik aangesproken wordt als schrijver, en dat is bij Albert Heijn. Daar komen, denk ik, mensen die Radio 4 luisteren en boeken kopen. Bij die andere supermarkten ben ik nog nooit aangesproken.’


    Is het lezen van zkv’s dan toch een elitaire aangelegenheid?

    Lacht, ‘Ja, elitair als de pest. Ik gebruik teveel moeilijke woorden. Wat heeft dat nou te betekenen wat ik schrijf vragen mensen zich af, ze ergeren zich er wel aan. Ik probeer nu verder te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker te schrijven. Al wil ik niet volkomen onbegrijpelijk schrijven.’

    Veert op en kijkt me enthousiast aan. ‘Weet je, dat is nu het aller, aller interessantst, de schrijver die door de hele moderne literaire wereld als een van de allergrootsten wordt beschouwd, die deed dat wel. Die schreef absoluut onbegrijpelijke dingen. Arthur Rimbaud wordt beschouwd, en terecht, als de grote vernieuwer van de poëzie. Hij heeft een boekje geschreven, Les illuminations, in moeilijk Frans en er is geen touw aan die stukjes vast te knopen. Ik lees ze bijna elke avond die stukjes waar ik niets van begrijp. Ik vind dat werkelijk fascinerend. Toen Rimbaud vijfentwintig was heeft hij gezegd dat het allemaal flauwekul was wat hij geschreven heeft. Hij vertrok naar Afrika om in wapens te gaan handelen, wilde niets meer met literatuur te maken hebben. Zijn moeder en zuster waren erg bezorgd, bang dat hij ziek zou worden. En dat werd hij ook, hij stierf voor zijn dertigste. Dat leven van die man, onbegrijpelijk.’

    De verloofde komt binnen, vraagt waar ze moeten zoeken naar het apparaat, een Kärcher, dat de dochter mee naar Amsterdam wil nemen. Dochter komt erbij, ‘Op de deel moet je kijken’, zegt Snijders. ‘De hele deel moet je bekijken.’ De vrouwen lopen samen naar achteren. ‘En daartussen ook, en de vaaltstal’, roept hij ze nog na. Dan: ‘Rimbaud had dit prachtig gevonden.’


    Plaats in de literatuur

    Als we het hebben over de betekenis van het zkv in de literatuur, komt de verwachte zoon binnen, enthousiast en even praatgraag als zijn vader. Hij zet koffie voor ons terwijl Snijders een anekdote vertelt, hoe hij een paar dagen terug met zijn verloofde op een bankje voor het huis zat.
    ‘We hadden het over de betekenis van de zkv’s van Snijders in de literatuur. Er kwamen een man en vrouw op de fiets voorbij, ze stopten en ik vroeg: “Wat vindt u nou van A.L. Snijders, hoe schat je Snijders in binnen de literatuur? Toen zei die man: “De beste schrijver ter wereld is Toergenjev, de tweede plaats is ook voor Toergenjev, de derde is ook voor Toergenjev, de vierde is voor Karel van het Reve en de vijfde is voor A.L. Snijders.” Zomaar, een onbekende man die met zijn vrouw op de fiets voorbij komt. Dat kun je niet bedenken. Nou ja, en je weet’, gaat hij nog even verder, ‘wie van Toergenjev houdt, die houdt niet van Dostojevski, dat weet ik weer van Karel van het Reve die daarover heeft geschreven.’

    De vrouwen komen weer terug, ze hebben het apparaat gevonden. Snijders vraagt of alle onderdelen erbij zitten. ‘Er hoort wel een heleboel bij hoor.’ ‘Oh, zegt dochter, dit is toch goed met zo’n spuitding. Dat is het toch?’ ‘Jaha’ zegt Snijders, ‘maar je moet toch nog eens kijken of er nog een andere is. Zou best kunnen dat er meer zijn. Nog zo’n heel ding.’ ‘Oh, zegt dochter, ‘dat dit ‘m niet eens is. Dat er een met een andere kleur is.’ Beide vrouwen verdwijnen weer naar achteren. Snijders roept tegen de dichtvallende deur, ‘Of je moet even proberen of deze het doet.’


    Zelf gelooft Snijders niet dat het zkv van enige literaire betekenis is.

    ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers, en dit is natuurlijk een open deur, zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’


    In een interview zei je eens het liefst zonder publiek te willen zijn, is dit een pose of zit hier een kern van waarheid in.

    ‘Dat moet je niet te letterlijk nemen maar ik herken dat nog wel ja, dat ik het liefst een schrijver zonder publiek ben. Als ik word geconfronteerd met dingen die ik eerder heb gezegd, dan ben ik het er bijna altijd nog steeds mee eens. Het heeft ook wel te maken met toen mijn echtgenote gestorven was. Veel mensen zeiden, “Nu ga je hier zeker wel weg, want je wilt hier toch niet in je eentje zitten.” Qua Nederlandse begrippen woon ik erg eenzaam, zeker als de buren op vakantie zijn. Dan komt er helemaal niemand op dit paadje voorbij. Maar de eenzaamheid staat me absoluut niet tegen. In dat kader moet je volgens mij de opmerking dat ik geen publiek wil, begrijpen. Ik ben niet tegen publiek, maar ik doe er niets voor. Tot voor kort woonden al mijn kinderen in Amsterdam, dat is de weg die ik het meeste rijd. Wat cultuur betreft gebeurt het meeste daar. In mijn eentje hier blijven wonen heeft een verband met de opmerking geen publiek te willen. Dan is er ook de variant, “zou ik ook schrijven als ik niet werd uitgegeven?”, dat denk ik eigenlijk wel, ja. Ik denk dat ik zou blijven schrijven.’


    Heb je er wel eens over gedacht geen letter meer op papier te zetten?

    ‘Dat zou ik wel eens gedacht kunnen hebben om een reden. Als ik nu zonder druk stukjes zou moeten schrijven, zou ik wel minder schrijven. Omdat ik ook wel behoorlijk lui ben, dat komt er ook nog bij. En mijn dochter, vlak voordat jij kwam, zei me nog dat ik moest ophouden met dat schrijven. Want ik had gezegd dat er nog iemand kwam voor een interview. Toen zei ze: ‘Hou daar toch eens mee op, ga nou eens een makkelijk leven leiden.’


    De gedachte om te stoppen is er dus niet?

    ‘Die is er net zo min als als de gedachte dat ik hier weg zou gaan. En dat wist ik dus niet dat dat echt zo zou zijn, tot mijn vrouw werkelijk dood ging, begrijp je? Al twintig jaar leed ze aan de gevolgen van longkanker, aan de gevolgen van de medicatie is ze overleden. Dat wisten we, dat dat zou gebeuren. Maar het hoorde ook heel erg bij haar en bij mij dat we het negeerden. Dus toen het gebeurde, bleek dat we ons er mentaal op hadden voorbereid, maar niet door middel van gesprekken met elkaar. Dat moest op een andere manier worden opgelost, namelijk door de praktijk van het leven. Toen ik dus hier in mijn eentje kwam te zitten, merkte ik wat ik op dit punt waard was.’
    ‘Je bedoelt los van je levenspartner?”
    ‘Ja, dat, en in je eentje wonen in een veel te groot huis dat veel aandacht behoeft. Toen is mijn leven wel grijs en traag geworden. Ik kreeg allerlei kwalen die ik daarvoor nooit had gehad en waarvan de dokter zei dat dat te maken had met het verlies. Dan dacht ik, ja, hoe weet je dat nou? Maar toen leerde ik deze dame kennen’, kijkt naar buiten waar ze  met zijn zoon voor het huis zit, ‘en nu is het leven lichter.’


    Duizenden zkv’s schreef Snijders

    Eerst werden ze alleen verstuurd naar zijn kinderen en vrienden, later werden ze gepubliceerd, werd hij gevraagd om te schrijven. Hierover een anekdote die waar is zegt Snijders:
    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Nooit, niks. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit. Ik doe wat bij me past. Nog altijd word ik aangekondigd als de schrijver die de Constantijn Huygensprijs heeft gewonnen, maar zelf had ik er geen idee van dat iemand mij een prijs zou geven. Dus toen ik opgebeld werd, nou ja daar heb ik wel over geschreven, toen was ik alleen thuis en ik dacht dat het iemand was die me een telefoon wilde verkopen of zoiets. Toen werd er gezegd dat ik een prijs had gewonnen. Ik kon dat bijna niet geloven. Want iedereen denkt dat bij een literaire prijs er eerst een aantal genomineerd worden en dan een shortlist van drie bekend wordt gemaakt. Bij dit soort prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs weet je helemaal niet dat je genomineerd bent. Dat is een volkomen andere prijs. Dat vind ik dan weer erg leuk, het hoort veel meer bij mij dan die andere, meer commerciële prijzen.


    Had je er wel eens over gedacht hoe het zou zijn om een literaire prijs te winnen?

    ‘Niet echt nee. Maar ik kende wel de uitspraak van, kom, hoe heet ie, de grootste katter van literair Nederland, Gerrit Komrij. Die heeft die uitspraak gedaan dat als je in Nederland schrijft en nog nooit een prijs hebt gewonnen, je volstrekt talentloos bent. Een fantastische uitspraak. En dat gold dus voor mij, want ik had nooit een prijs gewonnen. Toen ik dan die prijs kreeg, heb ik in een stukje daarover geschreven dat die uitdrukking van Komrij altijd als een aap op mijn schouder had gezeten en mij liet voelen dat ik niks waard was. Tot iemand mij belde en zei dat ik een behoorlijk prestigieuze, dat zegt iedereen erbij dat het een prestigieuze prijs is, gewonnen had. En dat toen die aap door mij losgelaten kon worden. Ik zag hem uit het huis verdwijnen, ik geloof zelfs dat het die dag nog sneeuwde ook. Die aap vertrok en daardoor was ik bevrijd van Komrij’s uitspraak. Volgens zijn norm hoorde ik er nu behoorlijk bij. Eigenlijk werkt het zo nog steeds, bij iedereen.’

    ‘Wat die prijs betreft heb ik me ook ongelofelijk vergist. Ik was er echt trots op en ik kreeg ook nog tienduizend euro. Ik dacht, dat ebt weer weg. Maar dat is niet zo, want bij elke voordracht die ik doe, kijken de mensen van de bibliotheek onder mijn naam en dan zien ze ‘Oh! prestigieuze prijs!’ En die wordt elke keer genoemd. Zo werkt dat  dus. Het gaat helemaal niet voorbij, ik ben gewoon een naam daarin. Begrijp je?’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Bas Uterwijk

     

  • In gekwelde toestand aan de brugleuning

    In gekwelde toestand aan de brugleuning

    Drieëntwintig jaar geleden overleed Ischa Meijer. Mijn toen zestienjarige oudste dochter vertelde het me bij thuiskomst op die veertiende februari 1995. ‘Het was op de radio’, zei ze nog. Hij was jarig die dag, tweeënvijftig geworden. Radiopresentator bij de VPRO, interviewer, chansonnier, opeens weg. Ik was geschokt. Connie Palmen zei, ‘dat bij de dood van haar man een schok door Nederland ging’. De media zei dat dat wel meeviel. Dat Ischa als linkse jongen de laatste twee jaar van zijn leven voor Joop van den Ende werkte, werd hem niet in dank afgenomen. Ook zeiden ze dat hij als columnist geen geliefd figuur was zoals Simon Carmiggelt. Ach, ze zeiden zoveel toen.

    Deze week pakte ik zijn boeken erbij. Een jongetje dat alles goed zou maken, De handzame Ischa Meijer,waarin het verhaal ‘Bankstel’. De toon waarop hij verslag doet van het inricht talent van zijn ouders. Een dressoir, twee fauteuiltjes en een bank werden geleverd door wooninrichtingsbedrijf ‘Baja’. Zijn ouders sleepten er mee door de kamer maar kregen het niet op hun plek.
    “Ik red het niet”, zei mijn moeder.
    “’t Kan er niet in”, zei mijn vader.
    “Die meneer van Baja zei anders…,” hijgde mijn moeder.
    “Die meneer van Baja is een schoft,” siste mijn vader. “Die meneer van Baja is blij dat hij ons dit heeft verkocht. Wat kan ’t hem schelen dat wij …”
    De bank werd voor het dressoir gezet. Het dressoir werd weggetild. De bank ging tegen de muur. De bank werd voor de boekenkast geplaatst. (…)
    “Ik bel die gore antisemiet op,” zie mijn vader tenslotte.
    “Laten we het nog éénmaal proberen,” gilde mijn moeder. En ze verzette de stoeltjes achter het dressoir.
    Later op de avond komt meneer Baja zelf.
    “Dat doen we zo en zo,” zei meneer Baja.
    Zonder hulp verplaatste hij de meubels. In een minuutje stond alles op z’n plaats. Alsof het daar hoorde, en nergens anders. Het hóórde ook daar en nergens anders. Het zou daar blijven en nergens anders.
    “O, u bent geweldig,” zei mijn moeder tegen meneer Baja,
    “Een kunstenaar,” zei mijn vader, enigszins dof.
    “Niets te danken, graag gedaan,” zei meneer Baja. En hij vertrok.

    En dan De Dikke Man, stukjes die hij vijf jaar lang schreef voor Het Parool. Schetsen uit het dagelijkse leven van Amsterdam. Met veel bijvoeglijke naamwoorden. De gesprekken met Een Oude Kennis, De Zenuwachtige Kennis, Een Verre Vriend, De Melancholieke Drinkebroer, De Kleine Kale Uitgever, De Kale Acteur, De Stralende Jongeman, Het Meisje In Uniform  alsook Het Filosoofje, waarvan iedereen wist dat hij daarmee Connie Palmen bedoelde. Het had iets pedanterigs die Dikke Man, pathetisch ook. Nou, nou, nou.

    Ik begon te lezen. De dagelijkse ontmoetingen; op de brug, gesprekken met De Baas Van Het Koffiehuis in Het Koffiehuis, in Het Morsige Café, tijdens zijn ‘namiddagwandelingetje’. Er zijn veel ‘namiddagwandelingetjes’ Opmerkelijk hoe deze getormenteerde man in zijn stukjes zo’n scherp inzicht in de ander toonde. Dat de man, die in het gewone leven niet goed raad wist met zijn eigen kinderen, zo liefdevol schreef over kinderen (ook over zijn eigen). De Dikke Man, in al zijn hoofdletters, blijkt zoveel jaar na dato om te smullen. Een tijdsbeeld van het Amsterdam van toen. En verdomd, wat zijn ze Carmiggeliaans. Ik kom in de stemming en verlang opeens hevig naar een brugleuning waar in Gekwelde Toestand, of in een staat van Verbijstering tegenaan gehangen kan worden. Dat dan De Dikke Man langs komt en dingen zegt als: ‘Aan de boemel?’, of ‘Lang niet gezien.’ of ‘Wat is er met jou aan de hand?’ Dan volgt een gesprek waaruit een beeld ontstaat dat je zo aan de muur kunt hangen.

    Als ik
    iedereen
    zou haten
    die
    mij niet mag
    had ik
    geen leven
     dichtte De Dikke Man, krachteloos.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Een verbluffend openhartig boek

    Een verbluffend openhartig boek

    Deze titel laat vanzelfsprekend alle bellen rinkelen. Wil Berthe Meijer op deze manier meeliften met het dagboek dat inmiddels bekend is over de hele wereld? In eerste aanvang bestaat die indruk natuurlijk wel maar dit blijkt niet het geval te zijn. Niets verhullend verhaalt de schrijfster in zesentwintig hoofdstukken over haar emoties, trauma’s, teleurstellingen en haar liefdesleven. Op zeer jeugdige leeftijd verbleef zij samen met haar jongere zusje in het kamp Bergen-Belsen. De daar opgedane ervaringen hebben een stempel gedrukt op het verdere verloop van haar leven. Eigenlijk is het nooit meer goed gekomen ondanks de heldhaftige pogingen die ze hiertoe ondernomen heeft.

    In het Joodse kindertehuis, de Bergstichting, wordt ze na de bevrijding gevoed en gehuisvest maar alles in haar omgeving is van een deprimerende lelijkheid. Hier begint ook de ontdekkingsreis naar haar identiteit en haar familie, althans wat daarvan overgebleven is. Er duiken Nederlandse, Engelse en Amerikaanse familieleden op, die allemaal op hun eigen manier Berthe en haar zusje Flory proberen te verwennen om zodoende de doorstane narigheid te compenseren. Over hun kampervaringen en over hun ouders werd gezwegen, op de oorlog en de omgekomen familieleden rustte een taboe. Het dagboek van Anne Frank was onbekend in de Bergstichting en pas in 1961, na de geboorte van haar kinderen, heeft Berthe het gelezen. De orthodox Joodse rituelen en feestdagen waaraan ze moet deelnemen, ervaart ze als een last want er gaat erg veel tijd in zitten die ze liever had besteed aan lezen en muziek maken. Een tamelijk uitvoerige opsomming van alle Joodse feest- en gedenkdagen is in het boek opgenomen.

    Leven na het Joodse kindertehuis

    Eenmaal ingeschreven aan de Kunstnijverheidsschool en woonachtig op een klein kaal kamertje te Amsterdam voelt ze zich pas echt eenzaam. Er is voor haar gezorgd maar behalve van haar zus Flory heeft ze tot nu toe nooit echte liefde ondervonden. Inmiddels heeft ze wel, op een soms uitbundige wijze, haar eerste sexuele ervaringen opgedaan, maar die hadden waarschijnlijk meer te maken met hormonale reacties dan met oprechte liefde. De eerste serieuze depressies dienen zich aan, zij zullen zich veelvuldig herhalen en worden pas met succes bestreden nadat Berthe kennis heeft gemaakt met de psychiater Dr. Keilson. Op een feestje in Laren maakt ze, ook weer op stormachtige wijze, kennis met de architectuur student Gerard. Hij zal haar eerste echtgenoot worden en ze wonen geruime tijd aan de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam.

    Er worden vriendschappen gesloten voor het leven met een keur aan schrijvers en beeldend kunstenaars en er worden veelvuldig feesten gehouden waarbij de alcohol een steeds belangrijker rol speelt. Onder hilarische omstandigheden vindt in Londen het huwelijk plaats van Berthe en Gerard en niet lang daarna wordt hun eerste zoon, Saul, geboren. Het jonge gezin verhuist naar Edam en het wordt uitgebreid met een tweede zoon, David. Mede door overmatig alcoholgebruik van Gerard worden de scheuren in het huwelijk steeds groter en het draait, ondanks de manmoedige pogingen van Berthe om het gezin bij elkaar te houden, uiteindelijk uit op een echtscheiding. Tussen alle bedrijven door heeft ze toch een journalistieke carrière opgebouwd. Ze verzorgt een culinaire rubriek in een vooraanstaand dagblad en schrijft over woninginrichting en mode.

    Ontmoeting met het verleden

    Tijdens een boekenmarkt op het Museumplein ontmoeten de journalisten Ischa Meijer en Berthe Meijer elkaar. Eigenlijk zijn ze oude bekenden, als kinderen liepen ze hand in hand en huilend van de honger tussen stapels lijken in Bergen Belsen. Hun hernieuwde kennismaking mondt uit in een drie jaar durende relatie. Ischa stuurt Berthe gedeelten uit zijn dagboek die door haar zeker begrepen en gewaardeerd zullen zijn, maar op de lezer de indruk maken van onsamenhangende flarden. Na enige tijd blijkt dat Ischa en Berthe ondanks hun gezamenlijk verleden, hun liefde voor elkaar en hun gezamenlijke interesses niet samen kunnen leven. Hun wegen scheiden zich.

    Veelvuldig wordt Berthe geplaagd door een grote verscheidenheid aan ziektes en kwalen waardoor ze regelmatig artsen bezoekt, in het ziekenhuis terecht komt en ook nog eens alternatieve genezers raadpleegt. Ook zonder medische achtergrond zal het de lezer duidelijk worden dat er verband moet bestaan tussen haar ervaringen in haar vroegste jeugd en al deze ongemakken. Het is aan te raden om de meer dan twee bladzijden beslaande lijst van geneesmiddelen en vitamine preparaten over te slaan, je zou er ziek van worden. Toch handelt het boek niet alleen over kommer en kwel, er is zeker aandacht, hier en daar, voor humor. Zo is er het verhaal over de Seideravond tijdens welke de deurwaarder aanbelt en de kinderen veronderstellen dat het de langverwachte Messias is. Tenslotte is er toch een Happy end. Er komt een aardige man opdagen die op zoek is naar aandacht en onderkomen en die een begenadigd concertpianist blijkt te zijn. Gary Goldschneider heet de nieuwe echtgenoot waarmee Berthe beurtelings in Frankrijk en in Nederland woont.