• Vermakelijk, maar flinterdun

    Vermakelijk, maar flinterdun

    ‘Je wordt pas een mens als je ouders komen te overlijden.’ Aan deze woorden van zijn ex moet de verteller van Terug op de achterbank denken tegen het einde van een vakantie in Zuid-Frankrijk met zijn ouders, twee opgewekte pensionado’s van in de zeventig. De verteller zelf is tweeënveertig, zijn relatie is kort geleden op de klippen gelopen en hij komt net uit een depressie. Een goedbedoelende vriendin heeft hem aangemoedigd het vakantieaanbod van zijn ouders te accepteren in de overtuiging dat een paar weekjes weg hem goed zal doen. Wanneer hij terugdenkt aan de woorden van zijn ex, die ‘makkelijk praten’ had, want ‘haar ouders waren allebei vroeg gestorven,’ vraagt hij zich af of hij zijn goedzakken van ouders niet gewoonweg moet vermoorden. Dat hij werkelijk iets geks gaat ondernemen geloof je geen seconde meer, want Terug op de achterbank is braaf – heel erg braaf.

    De derde roman van Olivier Willemsen (1980) begint vlot. De stijl is prettig helder, net als de beelden. Zo staat de rode Renault van de vertellers vader ‘als een uitgeklapt Zwitsers zakmes op de oprit’ en zit zijn vaders gehoorapparaat als een ‘garnaalvormig stuk tandvlees boven zijn oor.’ Regelmatig valt er hardop te lachen, vooral wanneer de verteller, die we tot de één na laatste bladzijde kennen volgens zijn koosnaampje ‘Kokindje,’ zeer accuraat de woorden en acties van zijn ouders voorspelt.

    Sneltreinvaart

     Vanaf het eerste moment van hun samenzijn valt het driekoppig gezin terug in hun rollen als moeder, vader en kind en begint een oneindige reeks herkenbare, oer-Hollandse tuttigheid die grappig is, soms zelfs vertederend. Moeder smeert broodjes voor onderweg, vader laadt in zijn eentje de auto in want dat is ‘al decennialang zijn specialisme.’ ’s Avonds wordt er een tv spelletje gekeken en om kwart over negen kondigt moeder aan dat het tijd is voor bed. Liggend in zijn oude kamer, met op de commode het stapeltje reiskleren die hij op advies van zijn moeder heeft klaargelegd, droomt ‘Kokindje’ dat een losgelaten draagbalk hem dreigt te verpletten. Een omineuze droom, denk je dan nog, er staat ons heel wat te wachten!

    Aanvankelijk verzet ‘Kokindje’ zich nog enigszins tegen de betutteling. Zo kijkt hij zijn moeder ‘op zijn volwassenst aan’ wanneer ze voor vertrek vraagt of hij al naar de wc is geweest en vraagt hij zich verzuchtend af of het niet eens tijd wordt dat zijn ouders hem gewoon bij zijn eigen naam gaan noemen. Maar iets zeggen doet hij niet – een gebrek aan verzet dat je als lezer voorlopig nog accepteert. Na vertrek van huis gaat het rap. In een sneltreinvaart schotelt Willemsen de lezer een reeks typische vakantiebezigheden voor, veel tijd om de sfeer op te snuiven of ergens bij stil te staan krijg je niet. Zo wordt deze korte roman jammer genoeg erg schetsmatig, alsof Willemsen goede ideeën had maar geen tijd om ze uit te werken. Dat de vakantie voor de verteller algauw omslaat in een spanningsloze en voorspelbare onderneming is niet erg – dat het spanningsloos en voorspelbaar wordt voor de lezer, is dat wel. Wat niet helpt is dat we nauwelijks iets te weten komen over de ouders, wat ze reduceert tot wandelende clichés van het gelukkige Nederlandse stel op vakantie. De overigen blijven ook typetjes: de tante en oom, toegevoegd, lijkt het, om het geheel een saillant sausje te geven, de ex Anna en de jonge vrouw die hij ontmoet op de camping, het zijn geen van allen personages van vlees en bloed. Allemaal gemiste kansen, want Willemsen kan goed schrijven en komt af en toe met mooie vondsten. ‘Vanaf het terras klinken eetgeluiden; het rustgevende, zomerse getik van messen en vorken op borden.’ Dat rustgevende voel je, dat getik hoor je.

    Gebrek aan contrasten

     Gaandeweg verlies je sympathie voor de verteller, die niet alleen gedwee in alles meegaat, maar zich ook van alles laat aanleunen. Of het nu is dat zijn moeder zijn bammetjes smeert of zijn onderbroeken opraapt, hij doet nauwelijks moeite zelf zijn zaakjes op te knappen. Behalve een zwakke poging ertoe zien we hem nergens worstelen, wel snel opgeven en de boel over zich heen laten komen. Al snel blijkt dat zijn relatie met ex Anna niet heel anders was. ‘Háár huis, háár auto,’ zegt de vriendin die hem de vakantie met zijn ouders aanraadde. ‘Ze deed je was, haalde je op na het tennissen, ze betaalde jullie vakanties (…) – en zo kan ik nog wel even doorgaan.’

    Dit verlies aan sympathie is dodelijk voor het verhaal en had voorkomen kunnen worden als er meer contrast in het geheel had gezeten, als de verteller zich bijvoorbeeld anders had gedragen bij zijn ex en terug was gevallen in de rol van klein kind bij zijn ouders. Dan had het verhaal diepgang gekregen, gelaagdheid, in plaats van meer van hetzelfde. Het dreigt interessant te worden wanneer de verteller aan zijn vader vraagt of hij wel echt een kind wilde. Even veer je op, maar de vader zwemt weg en er wordt niet meer op teruggekomen, alsof Willemsen niet zeker wist wat hij met de scène aan moest. Met een beetje goede wil kun je tussen de regels doorlezen, maar daarvoor is de scène te zwak, te weinig indringend. Datzelfde geldt wanneer de verteller met zijn ouders op bezoek is bij zijn oom en tante. ‘Ik moet hier weg. Het maakt niet uit hoe,’ denkt hij. Je hoopt op een spetterende finale, maar nee: hij staat op, loopt weg ‘richting het meer of zo’ en daarmee is de kous af.

    Wie een boek wil met diepgang, een verhaal waarin op zijn minst de hoofdpersoon een ontwikkeling doormaakt, kan beter verder zoeken. Terug op de achterbank is voor de lezer die zin heeft in een soepel geschreven en vermakelijk vakantieverhaal dat gemakkelijk wegleest naast het zwembad. Bij voorkeur op een camping in Zuid Frankrijk natuurlijk.

     

     

  • Debuut waar het lef en de levenslust vanaf spatten

    Debuut waar het lef en de levenslust vanaf spatten

    Eicel, het debuut van Gaia Willemars (1993), kenmerkt zich door een innemende vertelstem, swingende zinnen en een wervelwind aan gebeurtenissen. Volgens de achterflap volgen we een jonge vrouw aan het begin van haar moederschap, toch gaat Eicel grotendeels over haar leven ervóór: haar ontluikende seksualiteit, haar verhouding tot haar lichaam en de worsteling met haar zelfbeeld – de voorgeschiedenis en vorming van een moeder dus, de drager van de eicel. En een eicel heeft een zaadcel nodig. De rode draad is dan ook de vertellers ingewikkelde relatie met haar grote liefde, meneer Zaadcel, een wispelturige man met bindingsangst die ze ontmoet tijdens hun gezamenlijke studie filosofie. Als het hem allemaal te benauwd of te moeilijk wordt, vlucht hij in gescharrel met mede-studentes die beeldend ‘glibberige salamanders’ worden genoemd. Dat, of hij gaat er gewoon vandoor. ‘De vorige keer dat we zo’n ruzie hadden bleef hij een jaar weg en sinds hij terug is ben ik aan het wachten tot hij weer vertrekt.’

    Het verhaal begint op de bank bij de broer van de verteller, waar ze samen met haar baby logeert omdat ze nu zelf is weggelopen bij meneer Zaadcel. ‘Om de rust te bewaren misschien, om iedereen tegen gedoe te beschermen. Of om mezelf te bewijzen dat ik ook kan gaan, dat ik autonoom ben.’ Eicel zit vol met dit soort treffende observaties waarmee de verteller haar eigen handelen onder de loep neemt.

    Meerderen in plaats van minderen

    Uitvoerig blikt de verteller terug op haar meisjesjaren, met name op haar eerste ervaringen omtrent seks. Van tongzoenen op haar achtste tot meedoen aan een trio op haar veertiende. Interessanter dan deze soms wat giechelig vertelde gebeurtenissen is de binnenwereld van de jonge deelneemster. Het vroeg in de puberteit komen, de schok die het plotseling verschijnen van borsten en de eerste menstruatie teweeg brengen, de innerlijke chaos. Wie ben ik? denkt het verwarde pubermeisje, en wat moet ik met dit snel veranderende, behoeftige lichaam?

    Na een gewelddadig vriendje ontstaat bij de verteller ‘een buiten-ik en een binnen-ik. Het dappere kind werd de façade waarachter het slinkende meisje verdween.’ Ze keert zich tegen haar lichaam dat ze met een eetstoornis stukje bij beetje uitholt. En ze ontdekt blowen. ‘Stoned kon ik niet zwaar aan dingen tillen. Ik verwaaide in de rook van mijn joint en tikte stukjes van mezelf af in het gras van het Vondelpark.’ Na een verkrachting niet lang daarna – ze is dan vijftien –  verzandt ze in verdriet en de wens te verdwijnen totdat ‘mensen zouden denken dat ik nooit echt bestaan had.’ Om weer grip te krijgen op haar leven gaat ze een tijd later in therapie. Ze gaat studeren en ontmoet meneer Zaadcel. Ondertussen worstelt ze verder, langzaam richting een onvoorwaardelijk liefde voor zichzelf (‘meerderen’ in plaats van ‘minderen’) en uiteindelijk voor haar ‘lieve, verwarde, onhandige maar altijd spannende meneer Zaadcel,’ die je in een vriendelijke lezing gevoelig en gecompliceerd zou kunnen noemen. Niet dat alle puzzelstukjes netjes in elkaar passen. Aan het eind zijn we weer terug bij het begin, op de bank bij haar broer en daar is ze natuurlijk niet voor niets. Wat Willemars knap laat zien is de weerbarstigheid van het leven, er bestaat geen rechte, esthetisch aangename lijn omhoog. Het is vallen en weer opstaan. Geef je over aan de chaos, lijkt Willemars te zeggen – omarm het leven, wat er zich ook aandient.

    Verplicht de moeite waard

    ‘Deze tekst is in eerste instantie niet geschreven als boek, het waren losse stukken die ik online zette’, legt Willemars uit in haar nawoord over de totstandkoming van Eicel (…). ‘Het resultaat is geen vooraf bedacht en gladgestreken verhaal, maar een verzameling losse delen waarin ik zelf nog op zoek moest naar verbindende elementen.’ Wie een traditionele roman verwacht – plot, uitgewerkte personages, dialogen, een decor met sfeerbeschrijvingen – komt ondanks het woordje roman op de kaft niet aan zijn trekken. Eicel is een persoonlijk en verkennend relaas dat tastend en zoekend op weg gaat, en leest als een memoir. Semi-autobiografisch uiteraard, want ongetwijfeld heeft Willmars zaken vervormd, uitvergroot of verzwegen en is de verteller niet één op één Willemars zelf. ‘Al schrijvend kies ik, maak ik mijn eigen fouten opnieuw maar dan esthetisch’ verwoordt ze zelf mooi in haar nawoord.

    Dat fragmentarische is hier en daar wel te merken, sommige zaken lijken er een beetje bij te hangen. De kracht die de verteller put uit het Jodendom zonder dat ze zelf Joods is komt enigszins uit de lucht vallen. Of wanneer ze verhaalt over de ‘archiefmensen’ op haar werk, die ze ‘vreselijk aardig’ vindt en wiens vak dreigt te verdwijnen. Leuk voor een column maar wat is de bedoeling ervan binnen dit boek? Je vergeeft Willemars deze uitstapjes wel, want verder heeft ze veel te zeggen. Heel veel, zelfs. Over de angst voor verkrachting die bij iedere vrouw en ouder van een dochter immer boven het hoofd hangt, bijvoorbeeld. Hier krijgt Willemars vleugels, grote sterke, en produceert ze gul, kwetsbaar proza dat nergens voor terugdeinst: de verontwaardiging en woede spatten van de bladzijden.

    Enorm verfrissend is haar kijk op het moederschap. In veel hedendaagse literatuur wordt twijfelend over het moederschap geschreven, kinderen en het gezin zijn een vorm van gevangenschap die de persoonlijke verwezenlijking van een vrouw in de weg staan. Voor de verteller van Eicel geeft het moederschap haar een gevoel van bestaansrecht, een stevige fundering waarop ze aan haar eigenwaarde kan bouwen – als moeder is ze ‘verplicht de moeite waard.’ Als ze zelf de moeite waard is, is haar kind dat namelijk ook. Ja, er is een wederzijdse emotionele afhankelijkheid en dat is niet erg. Dat wil niet zeggen dat haar hang naar autonomie en zelfstandigheid verdwijnt, eerder dat er meerdere versies zijn van haar- en dus onszelf: afhankelijk dan weer autonoom, kwetsbaar dan weer sterk. Met dit gegeven slaagt Willemars er in van iets persoonlijks iets universeels te maken. Hopelijk komt Willemars met een vervolg op Eicel, of misschien een column. Met haar levenslustige stijl en openheid zal ze ongetwijfeld een schare vaste fans aan zich weten te binden.

     

     

  • Wat verscholen ligt onder de oppervlakte

    Wat verscholen ligt onder de oppervlakte

    De Turks-Deense schrijfster Ayşegül Savaş woont in Parijs en schrijft in het Engels. Haar debuut Walking on the ceiling verscheen in 2019 en viel veel lof ten deel. Wit op wit is haar tweede roman en even intrigerend. Een naamloze verteller is recentelijk verhuisd naar een niet gespecificeerde Europese stad om onderzoek te doen voor haar proefschrift over middeleeuwse gotische naaktsculpturen – gering in aantal en, volgens het studievoorstel van de verteller, ‘grotendeels over het hoofd gezien.’

    Haar promotor heeft vraagtekens gezet bij het onderwerp: ‘(…) ze herinnerde me eraan dat het middeleeuwse lichaam in de kunsten een aangekleed lichaam was; als ik de standpunten omtrent naaktheid wilde bestuderen, zei ze, zou ik er beter aan doen mijn aandacht te richten op alle manieren waarop het lichaam werd verhuld, in plaats van hoe het werd onthuld.’ In uitermate beheerst en sober geschreven proza komt gaandeweg de diepere betekenis van deze woorden bloot te liggen.

    De verteller zelf blijft echter een mysterie. Veel meer dan haar bezigheden omtrent haar onderzoek komen we niet over haar te weten (zelfs niet haar gender, voor het gemak ga ik uit van een vrouw). Ze vult haar dagen met het bezoeken van musea en bibliotheken. Ze geniet van de afzondering en de rust die haar nieuwe leven met zich meebrengt, net als van het spaarzaam ingerichte appartement dat ze huurt van een in een nabijgelegen stadje wonende hoogleraar die haar een veilige haven biedt om te lezen en te schrijven. Dat wil zeggen, totdat Agnes, de vrouw van de hoogleraar, vrij plotseling komt opdagen.

    Betoverende aanwezigheid

    Agnes is kunstschilder en neemt haar intrek in de studio boven in het appartement. De verteller beschrijft haar uiterlijk met academische precisie: ‘Ze was lang en mooi slank en droeg haar zwarte haar in een paardenstaart. Haar hagelwitte blouse liep aan een kant ter hoogte van haar middel even opvallend als nonchalant uit in een sierlijke ruche. Haar schoenen leken op adellijke muiltjes en hadden dezelfde zachte tint groen als haar broek.’ De vertellers nauwgezette aandacht voor het uiterlijk van Agnes – wier aanwezigheid ‘iets betoverends’ heeft – loopt als een rode draad door de gehele roman. Regelmatig drinken ze samen koffie en vertelt Agnes over haar leven: haar kunstenaarschap, de relatie met haar volwassen kinderen, haar huwelijk met hoogleraar Pascal, gespecialiseerd in middeleeuwse studies. Maar ook over haar jongere jaren, de komst van een beeldschone au pair die op subtiele wijze haar huwelijk ontwricht en de ondergang van een door haar als jong meisje bewonderd nichtje.

    Vooral de verhalen over haar moeizame relatie met haar dochter vormen een hoogtepunt in de roman. ‘Haar dochter zou ook kunnen opmerken dat het gezond was over jezelf te praten, diep in jezelf te kijken, om de trauma’s te ontrafelen die ze sinds haar kindertijd had meegetorst. En mocht Agnes opperen dat haar dochter was opgegroeid zonder echte trauma’s, dan zou ze waarschijnlijk te horen krijgen dat ze tot dit standpunt was gekomen door een gebrek aan introspectie, door alles wat Agnes in zichzelf het zwijgen had opgelegd.’ Deze verhalen vormen de basis van de plotloze roman. De artistieke Agnes is het middelpunt, de academische verteller haar klankbord. Agnes’ verhalen zijn even beheerst als het proza waarin zij is gegoten, met heldere inzichten over het leven, de kunst en de werking van de menselijke geest. In het begin wankelt ze slechts een enkele keer en lijkt het even, zoals de verteller opmerkt, ‘alsof ze uit haar evenwichtige rol was gevallen.’ Voelen dit soort toevoegingen soms aan als een kunstgreep om de spanning op peil te houden, bepaalde handelingen daarentegen zijn raak. Bijvoorbeeld wanneer de verteller thuiskomt na een kort reisje en Agnes in haar afwezigheid haar kamer heeft opgeruimd en haar beddengoed verschoond. Hier is het ongemak invoelbaar; er sluimert iets onder de oppervlakte en op je hoede lees je verder.

    Afbrokkelende psyche

    Stukje bij beetje raakt de verteller verstrikt in Agnes’ wereld, als een vlieg in een plakkerig web. Op geraffineerde wijze laat Savaş Agnes zichzelf blootgeven en krijgt de verteller en daarmee de lezer steeds meer zicht op de onder de mooie façade verscholen verbittering. Het beeld dat Agnes aan de buitenwereld presenteert – mooi, stijlvol, zelfbewust – blijkt in schril contrast te staan met de kwetsbare, miskende, door twijfels verscheurde en misschien zelfs gevaarlijke ziel die erachter schuilt. ‘In het zachte duister leek Agnes’ gezicht glad en verwrongen – haar brede voorhoofd dat haar koortsige ogen verzwolg, haar mond die uitpuilde onder haar neus. Het was het gezicht van een dier, bedacht ik, een wezen zonder menselijke trekken, en toch des te levendiger, maar zonder dat ik kon opmaken wat ermee werd uitgedrukt.’ In wat een duistere apotheose genoemd mag worden, houdt Agnes de verteller genadeloos een spiegel voor.

    Wit op wit is een thematisch ambitieuze en, ondanks de sobere taal, sfeervolle roman die zowel klassiek als modern aandoet. De afbrokkelende psyche die zich stukje bij beetje onthult is herkenbaar uit de gothische verhalen van Edgar Allan Poe en Nathaniel Hawthorne en bijvoorbeeld de roman The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde. Savaş kent duidelijk haar klassiekers, maar ook haar tijdgenoten. Ongetwijfeld heeft ze thuis enkele stukgelezen Rachel Cusks liggen, waaronder wellicht Cusks Contouren trilogie. Het geheel roept wel wat gemengde gevoelens op, want wat moet je als lezer met de verhalen van Agnes? En wat te denken van de koele, analytische verteller die niets van haar eigen uiterlijk en binnenwereld prijsgeeft, maar wel een duidelijk beeld van Agnes oproept? Het bezoek van hoogleraar Pascal tegen het einde van de roman lijkt aanvankelijk voor wat antwoorden te zorgen, totdat blijkt dat hij uit hetzelfde hout is gesneden als Agnes. Opheldering hoeft de lezer niet te verwachten – wel verwarring en verontrusting – en dat is maar goed ook. In goede literatuur is tenslotte weinig pasklaar of feel good. Wit op wit is een fascinerende psychologische roman, en zeer de moeite waard.

     

  • De eeuwige slang en de zachte klank van regen

    De eeuwige slang en de zachte klank van regen

    In 2019 doet de prijswinnende Italiaanse dichter Alba Donati (1960) iets waar vele mensen van dromen: ze zegt haar uitputtende baan in de stad op en verhuist naar een pittoresk bergdorp om daar een boekhandel te openen. Al kent ze het Toscaanse dorp Lucignana goed – ze groeide er op – is het, gezien de afgelegen plek en het geringe aantal zielen dat het dorp telt, een opmerkelijke en gedurfde zet. In haar dagboek Boekhandel in de bergen neemt ze ons mee in haar vastberadenheid om van haar boekhandel een succes te maken. Om dwars door rampspoed, persoonlijke worstelingen en de coronapandemie heen een plek te scheppen waar gelijkgestemden –  ‘verhalenreizigers en ‘woordenpelgrims’ – elkaar in een klein literair paradijs kunnen ontmoeten. 

    In december 2019 wordt onder grote belangstelling de boekhandel geopend. De vreugde is van korte duur; slechts een maand later brandt de boekhandel zo goed als af. ‘Zo eindigt het sprookje van een dichteres die op Facebook een crowdfunding-actie opzet en een boekhandel begint in een klein gehucht in de bergen,’ schrijft Donati bedroefd. Algauw raapt ze de moed weer bij elkaar en, opnieuw met behulp van crowdfunding, weet ze de boekhandel te herbouwen. Ze staat er niet alleen voor, een groep vrijwilligers uit het dorp schiet haar te hulp. Dat laatste vormt een enorme kracht in het boek en is de kern waar het in Boekhandel in de bergen om draait: saamhorigheid, mensen en hun verhalen. 

    Bestellingen van vandaag

    Een van de vrijwilligers, Donatella, worstelt met het verlies van haar dochtertje. Donati vermoedt dat de boekhandel haar heeft geholpen de wond te genezen. Misschien, mijmert ze, heeft Donatella het leed ‘op een boekenplank neergelegd, in goed gezelschap, tussen een Kincaid en een Ernaux in, en is het een vertelbaar verhaal geworden.’ Ook is er Donati’s eigen leed, als schimmen verscholen achter de stapels boeken. Bij tijd en wijle komen ze tevoorschijn: de vader die het gezin verliet, de veel oudere broer die door te trouwen hetzelfde deed, de verbitterde moeder die alleen met de kleine Alba achterbleef. Lezen, schrijft Donati, transformeerde haar van ‘een klein wezentje van modder en angst’, naar ‘een vrij mens.’ In verhalen zocht ze houvast, zocht ze zichzelf. Haar moeders verhalen daarentegen boezemde haar haar jeugd lang een diepe angst in. Eén in het bijzonder, over een slapend meisje bij wie een slang in de keel kruipt, blijkt van diepe symbolische waarde voor de levenslange verstikkende relatie met haar moeder. Tijdens donkere perioden ligt die slang nog altijd op de loer.

    Knap verweeft Donati de liefde voor boeken met fijnzinnige verhalen over de schrijvers ervan. De tragische dood van Virginia Woolf, bijvoorbeeld. Of de bijbel die haar man Leonard na haar dood verbrandde. Ze vraagt zich af of  het kan, boeken verbranden als ze ‘de perceptie van waarden aantasten’. De rebel, de Pippi Langkous in haar vindt van wel. Daarnaast waagt ze zich aan bespiegelingen over wat een tekst tot literatuur maakt. Schrijflessen in techniek leuk en wel, pas als het de schrijver lukt ‘af te dalen naar waar de techniek niet komt,’ zal de tekst tot leven komen en waarachtig aanvoelen. De essentie –  ‘hetgeen dat bezinkt in het hart van de lezer’ – zal overblijven en niet de clou, als er al een clou is. Mooi is het citaat van Robert Frost over het schrijven van poëzie: ‘Een gedicht begint als een brok in de keel, als heimwee naar huis, of naar liefde.’ Enkele regels uit het weergaloze gedicht ‘Digging’ van de Ierse Nobelprijswinnaar Seamus Heaney illustreren de woorden van Frost raak.  

    Donati houdt van boeken die je andere boeken doen lezen. Het is daarom niet verrassend dat ze er zelf een heeft geschreven dat de nieuwsgierigheid naar andere titels prikkelt. Naast een lofzang op voor haar betekenisvolle verhalen, sluit ze iedere dagboekaantekening af met een lijst titels onder het kopje bestellingen van vandaag. Aantekening na aantekening bouwt ze zo een rijke bibliotheek op, tovert ze haar winkel tevoorschijn. Vele titels wil je gelijk aan de stapel op je nachtkastje toevoegen.

    Magisch medicijn

    Het gevaar van fragmentarische teksten is dat de lezer interesse verliest; er is immers geen plot, het verhaal gaat nergens heen. Wat stuwt de lezer dan toch voort? In Boekhandel in de bergen moet het Donati’s intieme, losse manier van schrijven zijn, haar warme, zeer eigen stem, als die van een vriendin die je dingen toevertrouwt. Maar ook de sfeer zorgt ervoor dat de lezer de bladzijde omslaat. Een bijzondere rol is weggelegd voor het weer. Veel aantekeningen openen met een beschrijving van het weer en voegen iets toe aan de zintuigelijke ervaring van de tekst. Het zacht tikken van regen op het lage dak van de boekhandel, de zon die vastberaden schijnt. En natuurlijk is er de tuin, een ‘klein paradijs,’ met zijn perzikboom en uitbundig bloeiende pioenrozen. Tijdens de lockdown – toen er dagelijks een ‘stoet doodskisten (…) het ziekenhuis van Bergamo verliet’ – biedt de tuin een veilige haven om samen te komen en nieuwe gewoontes te kweken. ‘Thee drinken met Donatella en Tiziana werd een gewoonte, en ook de meubels in de tuin schilderen, stoelen, bankjes, tafeltjes (…).’ En lezen natuurlijk, heel veel lezen. Want lezen is ‘levensreddend’, schrijft ze, een ‘magisch medicijn’ dat haar haar ‘vier ontbrekende zintuigen heeft teruggegeven.’   

    Hoewel Donati de keerzijde van boekhandelaar zijn niet negeert, –  er zijn vermoeiende dagen, dagen met weinig aanloop, of mensen die van de boekhandel hebben gehoord en alleen even een selfie komen maken – is voor haar de boekhandel een bron van genezing geworden, een loutering. Zo ook, hoopt ze, voor eenieder die met de boekhandel in aanraking komt. De slang ligt misschien eeuwig op de loer, gelukkig is er de zachte klank van regen en een eindeloze stroom verhalen om het leed te verzachten. 

     

     

  • Al wandelend tot de essentie komen

    Al wandelend tot de essentie komen

    Ze zijn er al even, vaak uitgestald op de toonbank bij de boekenwinkel, de Terloops-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Kleine, handzame boekjes van bekende schrijvers over hun favoriete wandeling. Wat meteen opvalt zijn de mooie uitgaven: ingetogen, klassiek bijna, tekening op de kaft met een paar mooie penseelstreken tot stand gekomen. Al vele memorabele wandeltochten zijn er verschenen en nu mochten Sander Kollaard (1961) en Yolanda Entius (1961) hun wandelrelaas aan de imposante lijst toevoegen. 

    ‘Er zijn dagen dat ik me niet eens kan voorstellen dat ze nog komt,’ begint Sander Kollaard zijn verhaal met de passende titel Lentehonger. Hij tekent het op tijdens de sombere winter in Zweden, het land waarin hij sinds 2006 woont en werkt. Reikhalzend kijkt hij uit naar  de ‘glorieuze’ lente, ‘de ongelooflijke frisheid ervan, het licht, de kleur.’ Hij telt de minuten daglicht die er dagelijks bijkomen. ‘Ik tel ze allemaal,’ schrijft hij, een korte zin die de urgentie kernachtig en invoelbaar weergeeft. Op de tijd vooruitlopend, schrijvend vanuit zijn wandelaantekeningen en herinneringen, probeert hij de lente alvast op te roepen. Maar eerst wordt de lezer uit de droom geholpen. Zweden heeft namelijk ‘een overwegend saai landschap, (…)  gedomineerd door eindeloze, eenvormige akkers en even eindeloze en eenvormige bossen.’ Land- en bosbouw worden op ‘industriële schaal’ bedreven en bij de kap wordt er niet lichtvoetig te werk gegaan; er is geronk van dieselmotoren en ‘het indringende waarschuwingssignaal bij achterwaartse bewegingen,’ omineuze herrie van voertuigen die een ‘verwoesting’ aanrichten, een ‘ravage’. Deze rigoureuze bomenkap komt ook voorbij in Kollaards vorig jaar verschenen roman De kleuren van Anna

    Kibbelende seizoenen

    Al woont Kollaard landelijk, hij en zijn vrouw S moeten een goed half uur rijden om een plezierige wandeling te vinden, een die het documenteren waard is. En die vinden ze, in een gebied ‘waar alles een slag kleinschaliger is’ en dat een variatie biedt die elders ontbreekt. Veel dieren ontmoeten ze op de wandeling: vogels in het bijzonder (ganzen, leeuweriken, kieviten, kraanvogels, puttertjes, eksters), maar ook reeën, hazen, muizen en een jonge adder ‘midden op het pad, levend maar kennelijk suf van de kou,’ waar Kollaards hond geïnteresseerd aan snuffelt. Mooie bespiegelingen volgen over de symboliek van de lente – ‘wedergeboorte, herstel, nieuw leven’ – en onze gemoedstoestanden, onze verbondenheid met de seizoenen, en hoe die terug te vinden is in kunst en mythologische verhalen. Ook denkt hij aan de dood van zijn moeder, kort daarvoor, op het hoogtepunt van de coronapandemie; al wandelend krijgt rouw de ruimte. 

    Kollaards proza wordt gedragen door een zeer eigen stem waar zowel levenslustige lichtheid als melancholie in doorklinken. Die dualiteit is overal in zijn werk te vinden. Neem het volgende, waar niet alleen een wonderschoon landschap wordt getoond, maar ook een lente die worstelend op gang komt en soms even ten onder gaat: ‘Op weg naar huis, aan het eind van de middag, zien we hoe op deze eerste lentedag een winteravond valt, even spectaculair als grimmig, met geeloranje horizonlicht en vlak erboven een donkerpaarse wolkenbank die her en der uitloopt, als waterverf, aan de kleur herkenbaar als sneeuwbuien.’ Er gebeurt hier iets in het hoofd van de lezer dat alleen de magie van goede literatuur genoemd kan worden: iets opent zich, nieuwe gewaarwordingen, een frisse blik. Zelfs iets banaals als koeienpoep weet Kollaard glans te geven wanneer hij schrijft over ‘stijfbevroren plakkaten zomerstront’.

    Niet gemaakt voor het alleen-zijn

    Ogentroost begint met een aangename vaart. Monter vertelt Yolanda Entius over hoe ze tot het wandelen is gekomen. Ze is geen reiziger of avonturier: ‘Liever bouw ik een huis en leg ik een moestuin aan.’ Toch brengt het wandelen haar iets wat het alle moeite waard maakt: ze voelt zich vrij, ‘vrij van twijfel’. De wandeling waarover wij lezen is een uitdagende – sommigen zouden het een barre tocht noemen –  in de Mercantour, het grensgebied van Frankrijk met Italië, waar ze al wandelend nadenkt over herkenbare levenszaken, zoals de moderne wereld waarin we leven. ‘Hier, in het westen, is een overvloed waardoor onze talenten niet meer worden aangesproken en gaan kwijnen. En wat te denken van mijn zintuigen? Ogen die niets zien dan mijn cursor en de letters letters letters die ik tik tik tik.’  

    Stilistisch gezien wringt Ogentroost, vooral de bevreemdende platheden. Zo moet Entius nodig ‘pissen’ (‘en niet zo’n beetje ook’), haar man F. ‘poepen,’ en is ‘schijten met dit weer een beproeving, maar zeker geen ramp.’ En dan nog de veelvoud aan clichés: ‘glad vergeten,’ ergens mee ‘in je nopjes’ of ‘in je sas’ zijn, regen die met ‘bakken uit de hemel’ valt, ‘hijgend als een paard,’ bergen die meer dan eens omschreven worden als ‘puisten.’ Grappig als spreektaal, kleurloos op papier. Je hoopt daarom op een goed verhaal, een stukje inzicht, food for thought. Mooi is de bespiegeling over samen- versus alleen-zijn, die oprecht aanvoelt en ontroert. ‘Ik ben, ik zeg het maar eerlijk, niet gemaakt voor het alleen-zijn. Ik ben te jong te lang alleen geweest om er de lol van in te kunnen zien. (…) Ik bewonder ze wel hoor, mensen die volmaakt gelukkig zijn zonder een lief, maar ik heb nog nooit zo’n man of vrouw ontmoet, alleen maar mensen die het beweren; (…).’ Je voelt dat Entius heel wat te verduren heeft gehad in haar leven. Ook tijdens de wandeltocht moet ze zich steeds vermannen, zichzelf steeds weer moed inspreken.

    Ronduit onprettig is de botsing tussen Entius en F., die van de lezer een voyeur maakt. We kennen F. immers niet en leren hem ook niet echt kennen, alleen via deze botsing met Entius die van hem een onsympathiek, kleinzerig figuur maakt. Even later worden we uitvoerig getrakteerd op het medisch dossier van Tea, een wandelvriendin van vroeger. Gaandeweg vraag je je af: Waar dienen al deze intieme details toe? Misschien is bekendheid met het gehele oeuvre van Entius een voorwaarde om Ogentroost echt te kunnen waarderen, al moet een kunstwerk op zichzelf kunnen staan, niet hoeven leunen op voorgangers. 

    Waar Lentehonger uitblinkt in subtiliteit en gelaagdheid, grossiert Ogentroost in een directheid die weinig overlaat aan de verbeelding van de lezer. Kollaard laat de natuur zelf tot leven komen, als een personage haast, en wanneer de auteur verlangt, verlangen wij mee. Ogentroost blijft erg particulier, en een verhaal dat wil beklijven moet meer bieden dan dat.

     

  • Ode aan een daadkrachtige vrouw

    Ode aan een daadkrachtige vrouw

    In 1967 ontving de Franse verzetsstrijder en neurofysioloog Annette Beaumanoir (1923-2022) de Yad Vashem voor het redden van twee Joodse tieners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Later streed ze mee tegen de Franse bezetting van Algerije. Met Annette, een heldinnenepos schreef de Duits-Franse Anne Weber een ode aan haar boeiende bestaan. 

    Het verhaal begint in het heden. Annette ‘is heel oud, en (…) / tegelijk nog ongeboren.’ Want, zo stelt Weber als een ware poëet, Annette zal opnieuw ter wereld komen ‘op dit witte blad.’ Ze gaat terug naar het prille begin van een leven waar verzet als een rode draad doorheen loopt. Annette is van eenvoudige komaf. Ze wordt geboren in een vissershuisje aan het einde van een doodlopend straatje waar ze opgroeit bij liefdevolle, sociaal bewogen ouders en grootmoeder van moederskant. Na een moeilijke start van hun relatie – met een huwelijk beneden zijn stand heeft haar vader alles op moeten geven  – bezorgen haar ouders Annette een gelukkige en stabiele jeugd.

    Dromen van heldendaden

    Annette is zeventien wanneer de Duitsers Frankrijk bezetten. Door een toevallige ontmoeting en kort daarop door haar lidmaatschap van de Franse communistische partij, raakt ze betrokken bij het verzet. Ze studeert medicijnen maar droomt van een ‘lotsbestemming, van offers en heldendaden’ en kan niet wachten om in actie te komen. ‘Kan volwassen-worden misschien ook een tandje / sneller? Hoelang blijft alles nog zo saai en / naar haar smaak veel te dadeloos / doorgaan?’ Op een lentedag in Parijs gaat haar wens in vervulling. Als in een scène uit een film wacht haar mentor, zogenaamd krant lezend, haar op buiten een kiosk. Hij heet Roland. In hem ontmoet Annette haar tegendraadse, non-conformistische evenknie; tegen de strikte regels van de partij in krijgen de twee een relatie. 

    Naast onderlinge relaties is eigen initiatief ook ten strengste verboden, iets wat Annette ook in de wind slaat. In een spontane, risicovolle actie redt ze twee Joodse tieners, broer en zus. In zwierige zinnen sleept Weber de lezer mee in het relaas van ‘drie zwijgende schimmen’ die met bonzend hart op zoek gaan naar veiligheid. Hoewel geslaagd, wordt haar actie niet geaccepteerd; Annette en Roland worden uit de partij gezet, waarna een tragedie op de loer ligt.

    Na de oorlog krijgt Annette kinderen en werkt ze als arts. Haar leven loopt op rolletjes maar voor Annette is een rustig, voortkabbelend bestaan dodelijk. Een vakantie naar Algerije brengt verandering. In de ogen van de bevolking ziet ze haat voor de Franse bezetter. Ze keert huiswaarts met de overtuiging dat ‘Frankrijk binnenkort nog een kolonie / armer zal worden.’ Haar hele leven wordt Annette voortgedreven door een allesoverheersend gevoel van rechtvaardigheid en een hang naar spanning. Dus wanneer ze kans ziet weer in verzet te komen, ditmaal tegen haar vaderland, zegt ze geen nee. Ook al betekent het dat ze voorlopig haar twee kinderen niet zal zien. 

    In nevelen gehulde toekomst

    Weber voerde gesprekken met Annette Beaumanoir en las haar memoires. Bewondering voor haar onderwerp steekt ze niet onder stoelen of banken, toch schuwt ze Annette’s zwakheden niet. Vaak blijkt Annette een naïeve en impulsieve heldin die zich schuldig maakt aan zwart-wit denken. De voor vrijheid vechtende Algerijnen zijn goed; de onderdrukkende, bezettende Fransen zijn slecht. Dat het Algerijnse FLN (Front de libération nationale) zich net zo goed als de Fransen schuldig maakt aan foltering en onderdrukking, komt niet in haar op. Evenmin dat sommigen de Algerijnse zaak financieren vanuit duistere motieven. Maar, zo houdt Weber de lezer terecht voor, achteraf is het makkelijk praten. Vanuit het verleden is de toekomst immers in nevelen gehuld. Soms roept ze vanuit het heden de jonge Annette waarschuwend toe.  ‘Het FLN wil / onafhankelijkheid én het socialisme en islam, / maar dat laatste is in het begin nog niet iedereen / duidelijk. Waarom doe je daaraan mee, Annette, / waarom zet je je leven voor deze mensen op het spel? (…) Annette! Het doel / is slechts een mooi groot hersenspinsel en het heiligt / zeker niet de middelen.’ Met een spreekwoordelijke engel op haar schouder is het ook makkelijk voor Annette om onbevangen te blijven. Altijd blijft ze ongedeerd, observeert haar chroniqueur haast ongelovig, altijd ontspringt ze de dans, is ze net de hoek om als de bom ontploft. 

    Verheffende vorm

    Strak en geraffineerd houdt Weber het verhaal in de hand. Af en toe legt ze het verhaal stil om de lezer te wijzen op het schrijfproces: ‘Maar ho, niet zo snel, anders breekt de spanningsboog.’ Soms neemt ze een zijpaadje, waarvoor ze zich dan weer excuseert. Op gedurfde en bijzondere wijze heeft ze haar heldin vereeuwigd in dit epos, wat haar de Deutsche Buchpreis opleverde. Een epos is een genre dat we vooral kennen uit de oudheid. Odysseus wordt dan ook meerdere malen aangehaald wanneer Weber verhaalt over de uitputtingsslag van Annettes zwerftochten door Frankrijk tijdens de oorlog. Al is de vorm verheffend, de taal die Weber hanteert houdt de lezer stevig verankerd in het alledaagse. Zo krijgt Annette na een donkere periode weer ‘feeling met het leven,’ is iets wel of niet ‘oké’, en kent een huwelijk ‘ups en downs.’ Dit wordt afgewisseld met poëtische taal die mooie beelden oproept, zoals dit over de landing van de geallieerde troepen op het strand van Normandië: ‘Aan parachutes / dalen, stil en zacht als in een droom, duizenden soldaten / op de kuststrook neer, een sprinkhanenzegen, waarop / de meeste hier met smart hebben gewacht.’ Historisch, biografisch, literair: met Annette, een heldinnenepos heeft Anne Weber zowel qua vorm als inhoud een rijke tekst geschreven, die recht doet aan het boeiende leven en wandel van haar onderwerp. Een tekst waaruit bij herlezing ongetwijfeld nog heel veel verborgen pareltjes opduiken. 

     

     

  • Sprankelende verhalen die de lezer aan het werk zetten

    Sprankelende verhalen die de lezer aan het werk zetten

    Af en toe is het je gegeven een bijzondere ontdekking te doen in de wereld van de letteren. Vergeten reis van de Argentijnse dichter, schrijfster en beeldend kunstenaar Silvina Ocampo (1903-1993) is er zo een. De verhalen in deze bundel zijn stuk voor stuk pareltjes: mysterieus, verontrustend – wreed zelfs – en doorregen met zinnen en beelden van uitzonderlijke schoonheid. Ocampo, telg uit een grote en zeer rijke familie, bracht haar leven in weelde door te midden van de Argentijnse elite. Villa’s, landgoederen, bediendes, kindermeisjes, gouvernantes en verre reizen: in bijna alle verhalen is Ocampo’s geprivilegieerde achtergrond merkbaar.

    Hoewel ze later erkenning kreeg voor haar werk en diverse prijzen won, stond Ocampo voor het merendeel van haar leven in de schaduw van haar man Adolfo Bioy Casares, schrijver van de Argentijnse klassieker Morels uitvinding, en hun goede vriend, dichter, essayist en korteverhalenschrijver Jorge Luis Borges. Een tijd lang werd haar werk onterecht gezien als een mislukte poging om te schrijven als Borges. Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd het op waarde geschat. Veel van haar verhalen gaan over het lot van meisjes en vrouwen. Of de verhalen feministisch zijn bedoeld weten we niet; Ocampo was zeer op haar privacy gesteld en gaf nauwelijks interviews.

    Beschermengelen

    Al is de setting in Ocampo’s vertellingen herkenbaar, de gebeurtenissen zijn steevast surrealistisch, soms tegen het magisch-realistische aan. Zo maken we in ‘De twee huizen van Olivos’ kennis met twee vriendinnen, de een rijk en de ander arm. Beiden vinden ze het huis waarin ze wonen lelijk. De een omdat haar huis tien kamers heeft ‘waar je nooit naar binnen mag’ en een tuin die geen frambozen geeft waardoor haar vader altijd boos is. De ander omdat haar huis ‘helemaal van blik’ is en koud in de winter. Bovendien staat het op de oever ‘tot waar het hoogwater altijd komt.’ Ze spreken af bij de omheining die hun huizen van elkaar scheidt en bij iedere ontmoeting gaan ze steeds meer op elkaar lijken. Eenmaal identiek ruilen ze van kleding en huis. Ze maken echter één grote fout: ze vergeten van beschermengel te ruilen. De beschermengelen zelf hadden niets door, zo wordt de lezer voorgehouden, die lagen op het gras te slapen. 

    Sommige verhalen tonen een wreedheid die doet denken aan de horrorverhalen van Edgar Allan Poe. In ‘Het slecht gemaakte portret’ ontmoeten we Eponina, moeder van meerdere zonen die ze ‘stuk voor stuk verfoeide naarmate ze werden geboren, als dieven van haar jeugd die niemand opsluit, afgezien van de armen die ze in slaap sussen.’ Die in slaap sussende armen zijn van het overwerkte dienstmeisje Ana. Slechts drie bladzijden heeft Ocampo nodig om het verhaal tot een even tragisch als gruwelijk einde te brengen.

    Geraffineerde stijl

    Het alledaagse weet Ocampo op een caleidoscopische manier te vervormen; niets is wat het lijkt. ‘Ze was leeftijdloos en net op het moment dat je meende een kinderlijk gezicht te zien, werden de diepste rimpels in haar gelaat en het wit van haar vlechten geaccentueerd.’ Veel van de verhalen gaan over meisjes, hun vriendschappen, hun kwetsbaarheid. Opgroeien, lijkt Ocampo te zeggen, is een gevaarlijke zaak. Gemene kinderen en ‘duivelse’ volwassenen liggen op de loer. In ‘Glazen soldering’ bijvoorbeeld zien we de angst van een kind voor de boze, straffende volwassene. ‘Er klonken demonische stappen van heel zwarte schoenen, dichtgeknoopt met veters die als ze losraakten dodelijke driftbuien opwekten […] de blote voeten stopten met springen; de voeten renden in rondjes zonder elkaar te bereiken; de rok rende achter de blote voetjes aan, strekte de armen met uitgeslagen klauwen, en een haarlok bleef hangen, haakte aan de handen van de zwarte rok, en kreten van uitgetrokken haren welden op.’ Let op de onheilspellende details: schoenen, voeten, armen, handen (klauwen!), rok – precies het blikveld van een klein kind. En dan die kwetsbare, touwtje springende blote kindervoeten tegenover ‘de voeten verpakt in de bottines van een verdorven gouvernante.’ Je voelt de rillingen over je rug lopen.

    Ocampo hanteert een zeer gerijpte en geraffineerde stijl. In een paar pagina’s weet ze een sfeer op te roepen die doet denken aan de gedichten van William Blake en John Keats (denk aan het prachtige ‘La Belle Dame sans Merci’), maar ook aan de bedwelmende roman Wuthering Heights van Emily Brontë. Dit doet ze onder meer door een mysterieuze, weelderige wereld te scheppen en knap gebruik te maken van terugkerende elementen die het gevoel van mysterie versterken: paarden, circussen en circusdieren (apen vooral), kledingstukken, hutkoffers, treinen, de zee. Hiermee toont Ocampo zich een zeer zintuiglijke schrijver: ze laat ons zien, voelen, ruiken, zelfs horen. Ieder verhaal is een schilderij haast, en verraadt een kunstenaarsoog. De zinnen zijn in balans, de woorden precies. Dit alles vraagt een aandachtig soort lezen, zoals goede poëzie dat doet. De beloning is ook hetzelfde: indringende beelden die nog lang door je geest dwalen. 

     

  • Eigenzinnig debuut over de tragiek van vergeten individuen

    Eigenzinnig debuut over de tragiek van vergeten individuen

    In haar debuutroman Hier komen wij vandaan schetst Leonieke Baerwaldt (1985) in zes betrekkelijk korte delen een wereld die net zo grimmig is als de sprookjes waarin sommige van haar personages hun oorsprong vinden. Eén van die personages is de kleine zeemeermin, die ervan droomt de onderwaterwereld te verruilen voor de mensenwereld, waar ze boven alles de sterren wil zien. Tot die tijd verzamelt ze  vreemde voorwerpen die mensen in zee zijn ‘verloren.’ ‘Bestek, batterijen, autobanden. Een marmeren torso vol vastgezogen zeepokken.’ Koppel haar verzameling aan de mensenwereld die haar zussen beschrijven en als lezer denk je: pas op, kleine zeemeermin, want waar mensen wonen is het vies, overvol en lawaaiig, een plek waar de sterren nauwelijks nog zichtbaar zijn.
    Alleen al de beelden waarmee Baerwaldt die mensenwereld neerzet maken de roman het lezen waard. 

    Strompelend door het leven 

    In het boek leren we personages kennen die een marginaal bestaan leiden aan de randen van de maatschappij. Tegen de klippen op proberen ze een leven op te bouwen in een onbarmhartige en vervuilde wereld die hen bar weinig gunt. Allen hebben ze littekens, vaak letterlijk, en allen strompelen ze door het leven, zich vasthoudend aan hoop op een betere toekomst. Zo is er het stel Loek en Brenda. Hij, getraumatiseerd door een verleden van seksueel misbruik, en zij, met een ‘verweerde stem, de tatoeages in haar nek en op haar handen.’ De oordelende blik van de buitenwereld – en die van de eigen binnenwereld – is nooit ver weg. ‘Ze wist wat mensen zagen, ook al was ze jaren terug gestopt met gebruiken.’ Er is niets dat Brenda liever wil dan een baby en een normaal leven. Het stel brengt hun tijd door op een stuk grond te midden van ‘een vuilstortplaats, een afvalverwerkingsfabriek en een grote chemische fabriek’ waar ze een armoedige woonwagen bewonen en Loek ervan droomt een echt huis te bouwen. 

    Ook is er fabrieksarbeider Alex, veertig jaar en nog thuiswonend bij zijn zieke moeder, wier adem ruikt naar ‘de natte geur van oude koffie en versleten ingewanden.’ Zoals Loek van een zelf gebouwd huis droomt en Brenda van een baby, droomt Alex van een aquarium vol kleurrijke vissen die hem troost zullen bieden in een donkere, van schoonheid verstoken wereld. En dan zijn er Miriam en Ondine, de moeder en dochter die zwervend door het boek trekken. Op zoek naar een prins valt Miriam ten prooi aan mannen die haar misbruiken. Prinsen, zo leert haar observerende  dochter Ondine, zijn zeldzaam – kikkers daarentegen zijn er in overvloed.

    Zintuiglijke schrijver

    Baerwaldt hanteert een spaarzame, registrerende stijl en gaat daarbij bijzonder beeldend te werk. Wateroppervlak rimpelt ‘als loszittend vel,’ dode tetra’s drijven tegen de waterspiegel als ‘rubberen badspeelgoed,’ dichtgetimmerde huizen staan tegen elkaar aan als ‘tanden in een scheef gebit.’ Viezigheid en ziekte zijn  alomtegenwoordig. Neem de binnenkant van Loek en Brenda’s woonwagen die grauw ziet van roet. Of de ‘teflonkoorts’ waardoor Alex een week lang misselijk en zwetend ‘lag te trillen in [zijn] nest.’ Om het benauwd van te krijgen. 

    Opvallend is Baerwaldts fascinatie voor vissen, water en de zee die in alles is terug te vinden. In het dreigende ‘waterwezens kunnen zeer wraakzuchtig zijn’, maar ook in de rust wanneer Alex avondenlang naar de vissen in zijn aquarium tuurt ‘totdat hij moe genoeg was om te slapen’, of Loek vissend aan de waterkant zit waar hij zijn problemen laat ‘meedrijven op de stroming van het kanaal’. En dan weer die mooie taal en observaties. De tinteling die langs Ondine’s ‘ruggengraat omhoogborrelt als zuurstof in een watertank.’ Of: ‘Vissen, begreep ik meteen, leven samen zonder elkaar aan te raken.’

    Weerklank van andere verhalen

    Gaandeweg de fragmentarisch opgezette roman, in korte hoofdstukjes en wisselend perspectief, komen de verhaallijnen op een knappe manier samen. Zo ook de twee voornaamste sprookjes waaruit Baerwaldt haar inspiratie putte, De kleine zeemeermin en Van de visser en zijn vrouw. Maar even interessant zijn de echo’s van andere literaire werken. Neem Michael K bijvoorbeeld, hoofdpersoon uit het bekroonde boek Wereld en wandel van Michael K  (J.M. Coetzee), een verschoppeling overlevend aan de rand van de maatschappij die ook hem weinig gunt. De tranen van vreugde die hij ervaart bij het lukken van zijn pompoenoogst doen denken aan die van Brenda. ‘Met haar handen wroette ze in de aarde en woelde alles los tot ze de laatste ui te pakken had. Er kwam een brok in haar keel, tranen trokken modderige sporen over haar gezicht. Ze huilde omdat de grond zo vruchtbaar was.’

    In dit eigenzinnige debuut gebruikt Baerwaldt sprookjes waar sprookjes in essentie voor bedoeld zijn: om te waarschuwen en om waarheden over het menselijk bestaan aan te tonen. In Baerwaldts boek gaat het om de moeilijkheid van communicatie, van echt contact, van omgaan met het simpelweg in leven zijn en het beheersen van onzuivere neigingen. Maar nog het meest om de moeilijkheid van thuis zijn in het eigen lichaam, van thuis zijn in de wereld. In het tragische vijfde deel zien we de kleine zeemeermin die ploeterend door de modder een weg probeert te vinden in de nieuwe wereld boven de zee. Ooit fantaseerde ze ‘over een wereld die zo anders was dan die waarin ze zelf rondzwom.’ Heel herkenbaar, en gek genoeg heel menselijk. 

    Deze week werd bekend dat Hier komen wij vandaan op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 staat. Hopelijk komt dit bijzondere boek binnenkort op de shortlist te staan. 

     

     

  • Een raak verhaal over menselijk onvermogen

    Een raak verhaal over menselijk onvermogen

    ‘Was ik maar wat banger voor de dood en minder angstig voor het leven,’ schrijft Jente Posthuma (1974) over haar vroegere zelf in een stuk voor Trouw (februari 2021). Het zouden net zo goed de woorden van de zus in haar tweede roman Waar ik liever niet aan denk kunnen zijn, of die van haar tweelingbroer. Levensangst doet hen allebei vluchten, de zus door ongeremd te googelen, de broer door zich op een ‘doordeweekse dag’ al fietsend het diepste punt van een rivier in te storten. De zelfdoding van de broer is waar het in deze roman om draait. Alle observaties en anekdotes zijn verbonden met die ene, definitieve daad en de diepe eenzaamheid die dit bij de zus teweegbrengt.

    Het verhaal is opgebouwd uit een reeks korte, heldere stukjes die zich soepel van het heden naar het verleden bewegen en weer terug. Posthuma laat de zus terugblikken op het leven van haar broer, een jeugd getekend door onverschillige ouders en pesterijen op school die, zoals veel gebeurtenissen in deze roman, terloops worden benoemd. Een bevroren hondendrol op zijn schoolbankje hier, een uitgestrekt been dat hem doet struikelen daar. Broer en zus zijn voortdurend in competitie met elkaar om wie het meeste kan en wie het meeste weet. Meestal wint de broer en staat de zus in zijn schaduw, in alle opzichten. ‘Mijn broer was beweeglijker, praatte harder, had grotere driftbuien dan ik.’ Maar zoals vaker bij tweelingen, zijn ze ook bijzonder hecht. Samen bakken ze taarten, ontdekken ze dat ze op jongens vallen en spelen ze gevaarlijke ‘spelletjes’ als ‘waterboarden’ – een scène waar de roman veelzeggend mee opent. Ook smeden ze plannen voor hun toekomst, ‘alsof het een gezamenlijk knutselproject was dat we alleen nog maar hoefden uit te voeren.’

    Aantrekken en afstoten

    Op hun achttiende verhuizen ze samen naar de stad waar ze ieder een eigen etage betrekken, zij aan de westkant van een park, haar broer aan de oostkant. Slechts driehonderd meter liggen er tussen hen in en toch is dat voor de zus een hele wereld. Na een jeugd als outsider lijkt de broer zijn leven als jong volwassene met verve op te pakken. Hij studeert net als zijn zus Engels, wordt manager in een gaybar, krijgt een vriendenkring en gaat een eigen leven leiden. Op een gegeven moment wordt het park tussen hen een hele oceaan, wanneer zij naar New York en hij daarna naar Brazilië vertrekt en ze elkaar, tot groot verdriet van de zus, een jaar niet zien. De behoeften van broer en zus lopen nooit synchroon en zo wordt het van beide kanten een voortdurend aantrekken en afstoten. Dit wordt pijnlijk duidelijk in de toespraak die hij later, na zijn terugkomst, op haar bruiloft geeft. ‘Hij zei dat het goed voelde om me met Leo zo gelukkig te zien, maar dat hij zich wel een beetje zorgen maakte om zichzelf, hoe het hem zonder mij zou vergaan. Ze was er altijd, zei hij, ook als ik dat niet wilde. […] Hij vertelde over het enige jaar in ons leven dat we elkaar niet zagen […]. Hij was blij dat hij weer bij zijn zusje was, bij mij, want soms was ik wat veel, maar als ik er niet was dan was ik echt te weinig.’

    Nadat de broer een liefdesrelatie schijnbaar plotseling verbreekt, raakt hij in een diepe crisis en ontglipt hij de zus volledig – zij begrijpt hem niet en hij kan zijn behoeften niet duidelijk maken. Opvallend zijn zijn zorgen om hedendaagse kwesties: de ondergang van het milieu, het lot van dieren in de vleesindustrie, de ontbossing van het Amazonegebied. Ook zij kan er wat van. ‘Ik schaamde me voor de uren waarin ik mezelf verloor in het zoeken naar verhalen van Holocaustoverlevenden, voor de manier waarop ik het grote leed van anderen gebruikte om mijn kleine leed te verwerken. Om de Holocaust mocht ik huilen.’ Verwoede pogingen om haar broer te bereiken in zijn laatste dagen zijn tevergeefs, een menselijke worsteling waar de wereldliteratuur bol van staat. Na de dood van haar broer slaapt de zus steeds vaker aan de andere kant van het park, in de woning die hij altijd aanhield, waar ze zijn kleding draagt en aan zijn keukentafel zit. Je voelt haar ontreddering, haar eenzaamheid – maar ook die van haar man Leo, die machteloos moet toekijken hoe hij zijn vrouw verliest aan haar dode broer. 

    Wat ze mist moet ze erbij denken

    Alles benoemen wat mooi is aan deze roman is ondoenbaar. Posthuma heeft weinig woorden nodig om een gevoel of een sfeer op te roepen. Ze schrijft rake zinnen die schrijnende beelden oproepen. Aan uitweiden doet ze niet, aan plot evenmin. Ook naamloos zijn broer en zus levensecht en kruipt hun verhaal onder de huid. In veel opzichten doet het denken aan Verdriet is het ding met veren, het indrukwekkende debuut over rouw van Max Porter. Net als in die roman zit de kracht hem in de details of toevoegingen die het verhaal diepte geven, en lading. Vooral wanneer het gaat over de zus en haar kleine, allesoverheersende obsessies. Haar aftandse, tweedehands bank in een ‘verkeerde kleur geel’ bijvoorbeeld, of haar asymmetrische gelaatstrekken; wat ze in haar leven mist, moet ze erbij denken. ‘Soms bedekte ik een klein stukje van de bank met de juiste kleur geel uit het stalenboek en dan dacht ik de rest van de bank er in die kleur bij. Soms dacht ik mijn ogen op gelijke hoogte als ik in de spiegel keek. Of ik dacht mijn broer erbij, zoals hij vroeger naast mij stond als we onze tanden poetsten, hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne.’ Het zijn dit soort combinaties – de juiste kleur geel in één adem noemen met het gemis van de broer, gekoppeld aan details – ‘hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne’ – die de tekst tot leven brengen en de lezer rechtstreeks in het hart raken.

    In eerdergenoemd stuk voor Trouw schrijft Posthuma dat de verkoop van Waar ik liever niet aan denk nauwelijks op gang kwam door de coronacrisis. Hopelijk is daar ondertussen verandering in gekomen, want dit boek verdient een groot lezerspubliek. 

     

  • Wat te pijnlijk is om te verwoorden

    Wat te pijnlijk is om te verwoorden

    Wytske Versteeg (1983) debuteerde in 2012 als romancier met het alom geprezen De wezenlozen en won dit jaar de Frans Kellendonk prijs voor haar oeuvre. Haar eveneens geprezen roman Quarantaine (2015) geniet wederom aandacht dankzij de coronacrisis. Naast romancier is Versteeg essayist en docent creatief schrijven aan de hogeschool voor de kunsten in Arnhem en Wageningen University. De afgelopen jaren schreef Versteeg vier romans. Al die tijd sluimerde Verdwijnpunt, het verhaal over haar incestverleden, op de achtergrond. Lange tijd was er de angst dat een dergelijke persoonlijke geschiedenis als sleutel tot begrip van haar werk zou worden gezien en dat was haar te eendimensionaal, vertelt Versteeg in een interview met de NRC in april. Bovendien had ze rekening te houden met gevoeligheden binnen de familie. De man die haar van haar vierde tot ongeveer haar elfde misbruikte was tenslotte de vader van haar moeder. 

    Verdwijnpunt begint bij een centrum voor geestelijke gezondheidszorg, waar Versteeg door een vriend naartoe is gebracht nadat ze weken nauwelijks heeft kunnen slapen. Na een jarenlang verzet tegen therapie, tegen ‘inmenging van welke psycholoog dan ook,’ ontkomt ze er niet meer aan. Ze heeft het gevoel in ‘één ruimte opgesloten (te zitten) met vroeger, en alsof die ruimte steeds kleiner wordt.’

    Onder de oppervlakte

    Aan de opname gaat heel wat vooraf. Versteeg is eerstejaars student politicologie wanneer ze in korte tijd twee keer wordt aangerand, beide keren in de trein. Ze begint zich af te vragen waarom ze zo’n gemakkelijk prooi is, waarom ze de grenzen van haar lichaam – of überhaupt haar lichaam – zo slecht kent. De vraag over het prooi-zijn doet denken aan wat Manon Uphoff schrijft in Vallen is als vliegen. ‘Blijkbaar is het zo, heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond, dat wanneer je tot object wordt gemaakt, plat moet liggen, geen geluid of kik mag geven, je een geur afgeeft. Een riek van angst die je begeleidt. Of zelfs een van gemakkelijke overgave, omdat je hebt geleerd dat snelle capitulatie het beste is.’ Die geurcellen, suggereert Uphoff, blijven hardnekkig aan slachtoffers van seksueel geweld kleven. Tenzij de cyclus wordt onderbroken zal het slachtoffer steeds opnieuw te maken krijgen met grensoverschrijdend gedrag van anderen. 

    De incidenten in de trein rakelen een verleden op dat Versteeg tot dan toe zorgvuldig onder de oppervlakte heeft weten te houden, een verleden dat ze doorgaans liever neutraal aanduidt als ‘wat er gebeurd is’ of ‘vroeger’ in plaats van wat het werkelijk is: incest en seksueel geweld. Zo’n overlevingsmechanisme is niet vol te houden omdat het er een is van ontkenning, en wat ontkend wordt zal zich steeds hardnekkiger gaan opdringen. Een lichaam dat is blootgesteld aan geweld zal krimpen, zijn best doen ‘zichzelf kleiner te maken, onzichtbaar, niet langer bestaand’ met als gevolg dat de bewoner van dat lichaam er niet langer mee in contact staat en het begint te veronachtzamen. Zo ook bij Versteeg, die haar lijf systematisch verdooft door langer hard te lopen, meer te fietsen, vaker te zwemmen’ totdat ze zo uitgeput raakt dat het haar nauwelijks meer lukt een trap op te lopen. Ze vervreemdt van zichzelf, op zowel emotioneel als fysiek vlak. Daarbij is haar poging haar perfecte, onafhankelijk ogende buitenkant te behouden – I am a rock, I am an island, citeert ze Simon & Garfunkel – evenmin vol te houden. Ze stort in, met een opname tot gevolg.  

    Lichaam als bron van genezing

    Versteeg beseft dat a rock geen warmte kan ontvangen en an island geen verbintenissen kan aangaan. Ze heeft ‘een diep verlangen om te helen,’ om ‘gezond te worden, vanbinnen één geheel met duidelijke buitengrenzen.’ Maar praattherapie is zinloos, met de standaardvragen van de therapeuten met wie ze tot dan toe te maken heeft gehad, kan ze niets. Sommige therapieën zijn angstaanjagend. Tegen een kussen praten dat haar opa voorstelt bijvoorbeeld. Of overtuigend Stop! roepen tegen een dramatherapeut die langzaam op haar af komt lopen. Dan komt ze in contact met lichaamstherapeut D en leert ze heel langzaam haar lichaam op te merken, te bewonen, te vertrouwen, lief te hebben. D geeft haar het gevoel ertoe te doen. Ze vraagt zich af of dit is wat er nodig is: ‘door een ander gezien, gehoord te worden vóórdat het mogelijk is jezelf te zien, je eigen stem te horen.’ Ze voelt zich veilig bij hem, zozeer dat hij na verloop van tijd een arm om haar heen mag slaan. Gaandeweg leert ze ook iets cruciaals over de werking van het geheugen: herinneringen aan incest en geweld presenteren zich niet als keurig gecomponeerde scènes met een begin, midden en eind. Veeleer zijn het woordeloze beelden die in een donker hoekje van het geheugen schuilen. Dat maakt ze echter niet minder betrouwbaar.  

    Onbeantwoorde vragen

    In Verdwijnpunt verweeft Versteeg persoonlijke gebeurtenissen met rauwe dagboekfragmenten die haar angst en verdriet weergeven. Ze zoekt houvast in de woorden van filosofen, mythologie en kunst, rituelen van andere culturen. Met precisie onderzoekt ze de etymologie van woorden als ‘trauma’ en legt ze sleetse uitdrukkingen als ‘iets een plek geven’ en ‘in je kracht staan’ onder de loep. Soms kan ze alleen de woorden van een ander lenen, maar niet zonder zich af te vragen ‘of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld.’ Treffend beschrijft Versteeg de beleving van depressie. ‘Het land om (de balling) heen heeft geen diepte meer, het raakt hem niet. Dat is hoe het voelt als het slecht gaat: alsof alles in zichzelf keert, zich afwendt, de afstand vergroot. Er is minder detail, er is geen textuur. De wereld zelf trekt zich terug, stapt achteruit.’ 

    Versteeg heeft het niet over de impact van het verleden op haar relaties. Ze presenteert zich als outsider, als loner, maar er zijn veel vrienden die haar bijstaan en soms langdurig opvangen. Ze heeft begrijpelijk het contact met haar ouders verbroken maar bezoekt wel haar oma. In plaats van licht te laten schijnen op deze kwesties verliest ze zich regelmatig in academische uiteenzettingen. In dit opzicht blijft het boek afstandelijk en laat het de lezer achter met onbeantwoorde vragen. Maar misschien kan Versteeg niet anders. ‘Het maakt uiteindelijk niets uit,’ zegt ze in een gesprek met D, ‘want zelfs als je probeert om iets te zeggen over hoe het is, lukt dat toch niet, nooit echt.’ Versteeg geeft ons geen happy end. Wel vooruitgang, stap voor stap, en dat is genoeg. 

     

     

  • Met de moed die ze erfde van haar moeder

    Met de moed die ze erfde van haar moeder

    ‘Ik ben Winona.’ Zo begint de nieuwe roman van de Ierse schrijver Sebastian Barry (Dublin, 1955), de huidige Irish Laureate for Fiction oftewel Schrijver des Vaderlands. Duizend manen is de opvolger van Dagen zonder eind (2016) en speelt zich af in West-Tennessee, in de nadagen van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het boek maakt deel uit van een reeks romans waarin Barry fictioneel verhaalt over zijn voorouders, die het verarmde Ierland verlieten om een leven op te bouwen in America. De Ierse diaspora is dan ook een terugkerend thema in zijn werk. 

    Winona Cole, een zeventienjarig Lakota meisje is de verteller van het verhaal. Nadat haar familie tien jaar eerder is afgeslacht tijdens de American Indian Wars wordt ze geadopteerd door de soldaten en minnaars Thomas McNulty en John Cole die haar liefdevol groot brengen op een afgelegen boerderij. Daar wonen ook oud strijdmakker Lige Magan en twee vrijgemaakte slaven, broer en zus Rosalee en Tennyson.  

    Complexe relatie

    Samen vormen ze een hechte familie. De relatie van Winona met Thomas McNulty en John Cole heeft echter een complexe oorsprong aangezien de mannen zowel ooggetuigen van als deelnemers aan de slachtingen van Indianen waren, mogelijk hebben ze zelfs familieleden van Winona omgebracht. ‘Mijn wond was dat ik een verloren kind was. Gek genoeg hebben ze mij genezen, Thomas McNulty en John Cole. Ze hebben hun uiterste best gedaan, geloof ik. Dus ze hebben me zowel de wond toegebracht als hem genezen, wat in zekere zin een ingewikkeld feit is.’ 

    De boerderij biedt Winona een veilige haven waar racisme en geweld steevast buiten de deur worden gehouden. Ook op het kantoor van de opgewekte advocaat Briscoe waar Winona werkt, wordt ze als volwaardig beschouwd. Maar buiten de boerderij en het kantoor is ze ‘minder dan de zwarte vliegjes die iedereen in de zomer plaagden. Minder dan de ouwe stront die tegen de achterkant van de huizen werd gesmeten.’ Winona leeft in een wereld waar het geen misdaad is een indiaan te mishandelen, een wereld waarin men ‘wil dat indiaanse meisjes nare dingen overkwamen.’ De constante dreiging van buitenaf, van bendes, aan lager wal geraakte soldaten en mannen ‘met juten zakken op hun hoofd’ teisteren het boek van begin tot eind. 

    Ondoordringbare eenzaamheid

    Ondanks de liefde en waardering die Winona ontvangt, is haar eenzaamheid pijnlijk voelbaar. Ze heeft vage herinneringen aan de slachtpartij die haar moeder, beroemd binnen de stam om haar grote moed, zus, nichten en tantes uitroeide. ‘Ver in mijn achterhoofd was een zwart schilderij met bloed en geschreeuw erop en bloed dat eruit barstte. (…) Blauwjassen die boven op ons naar binnen tuimelden en bajonetten en kogels en brand en zielen die gewelddadig werden gedood.’ Thomas McNulty en John Cole weten zich geen raad met haar lijden. Wanneer Winona een van haar sombere buien heeft kan John Cole slechts een arm om haar schouder slaan. Meer is niet nodig, er zijn toch geen woorden voor wat haar overkomen is.

    Toch krabbelt Winona zich keer op keer omhoog. ‘Zelfs als je voortkomt uit bloedvergieten en rampspoed moet je uiteindelijk leren leven.’ Dan keert ze op een avond zwaar gehavend terug na een bezoek aan het dorp. Ze blijkt te zijn mishandeld en verkracht. Rosalee onttrekt haar aan het zicht van de mannen om haar te verzorgen. ‘Ze was danig bedroefd terwijl ze mij schoonmaakte. Ze moest tussen mijn benen naar binnen. Ze zal veel ellende van vrouwen hebben gezien toen ze slavin was.’ Winona vermoedt dat Jas Jonski, een blanke jongen die verliefd op haar is en haar zijn verloofde noemt, de dader is.  Uit angst dat John Cole de dader opspoort en doodschiet en daarvoor wordt opgehangen, besluit Winona zelf op zoek te gaan naar gerechtigheid. 

    Meesterlijk spel

    Barry speelt meesterlijk met de verwachtingen van de lezer en laat tegelijk de dualiteit in zijn personages zien. Verkleed als jongen en bewapend met een damespistool en de moed die ze erfde van haar moeder, trekt Winona het dorp in om navraag te doen over Jas Jonski. De manier waarop ze het dorp binnenrijdt op haar muilezel doet denken aan een ouderwetse western. In het dorp verwacht de lezer rake klappen, een show-down, en ook bij haar bezoek aan de rechter Aurelius Littlefair loopt het anders dan de lezer verwacht. Daarnaast toont Duizend manen ook Barry’s lef als schrijver. Met zijn keuze voor een indiaans meisje als verteller ligt de beschuldiging van culturele toe-eigening al snel op de loer. Barry lijkt zich hier echter goed van bewust. Hij kiest voor een sterk personage met een kraakheldere stem die op de eerste bladzijde al laat weten dat haar leven door blanke mannen wordt gestuurd. Zelfs haar naam, zegt ze, is haar gegeven door Thomas McNulty omdat hij haar echte naam, Ojinjintka, niet kan uitspreken en haar dus ‘de naam van mijn dode nicht (gaf), want die ging beter over zijn tong.’ Bovendien, vertelt ze, klopt de betekenis van de naam niet, want ‘Winona betekent eerstgeboren. Ik was niet eerst geboren.’ Opvallend is dat Winona afstand van de blanke (mannelijke) personages houdt door ze consequent bij hun volledige naam te noemen. 

    Gedragen door liefde

    Duizend manen is een veelomvattende roman met een rijke thematiek. Racisme, identiteit, gender en homoseksualiteit, de werking van het geheugen – alle komen ze aan bod zonder dat de roman topzwaar wordt. Met een goed uitgewerkte plot en losse eindjes die stuk voor stuk aan elkaar worden geknoopt, toont Barry zich een schrijver die zijn pen feilloos beheerst. Daarnaast schuwt hij emotie niet. Hij laat Winona voelen en de familie hecht zijn zonder sentimenteel te worden. Daarnaast heeft hij weinig woorden nodig om iets als racisme hard te doen binnenkomen. Neem de dokter die een kogel uit Winona’s arm verwijdert. Uit trots en een gevoel van eer verbijt ze haar pijn. ‘Ze schreeuwt niet eens,’ zegt hij tegen de andere aanwezige, ‘weet je ze zijn niet eens menselijk, niet echt, niet zoals jij en ik.’ 

    Wat Duizend manen op indringende wijze toont is wat geweld met een mens doet – het ontwricht en doet verstommen, soms letterlijk – maar ook de kracht die de mens bezit om zich te herpakken en het leven te leven, wat zich ook aandient. Het enige middel daartoe is liefde in al haar vormen en verschijningen. Met dit gegeven voert Barry de lezer naar een prachtige slotscène waarin Winona zich geliefd en gedragen weet door haar familie, zowel hier op aarde als in het spirituele rijk.

     

     

  • Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Het is een bekend genre in de Duitse literatuur, familiegeschiedenissen waarin schrijvers op zoek gaan naar het oorlogsverleden van broers, vaders en grootvaders. In Mijn broer bijvoorbeeld (herdruk van de in 2004 verschenen versie), onderzoekt schrijver Uwe Timm (1940) de beweegredenen van zijn zestien jaar oudere broer Karl-Heinz om zich vrijwillig aan te melden bij de Waffen-ss. Onvermijdelijk dringt de vraag zich op: was zijn broer, lid van de Totenkopfdivision, ‘goed’ of ‘fout’ en bestaat er wel zo’n scheidslijn?

    Het boek opent met een herinnering. De auteur is een kleuter wanneer hij uit de tuin de keuken binnenkomt en zijn broer ziet staan, waarschijnlijk gekleed in Waffen-ss uniform. Karl-Heinz tilt hem op en voor de jonge Uwe voelt het alsof hij zweeft. Het is de enige herinnering aan een broer die niet veel later, slechts negentien jaar oud, sterft aan het oostfront. Toch is Karl-Heinz gedurende Timms hele jeugd zijn ‘metgezel geweest, afwezig en toch aanwezig, in het verdriet van mijn moeder, in de twijfels van mijn vader, in de vage opmerkingen die mijn ouders tegen elkaar maakten.’ 

    Blauwbaard

    Pas na de dood van Timms ouders en zus – van iedereen die zijn broer heeft gekend – lukt het hem om over zijn broer te schrijven. Ook dan pas durft hij voor het eerst diens oorlogsdagboeken te lezen. Eerdere pogingen de dagboeken uit te lezen deden hem ‘angstig terugdeinzen’, mooi vergeleken met zijn angst als kind om het sprookje van Blauwbaard uit te lezen, bang voor wat die op zijn kerfstok zou hebben. Of dergelijke gruwelijkheden ook voor Karl-Heinz gelden komt Timm niet te weten. Wel zijn er aanwijzingen via cryptische dagboeknotities als: ‘grote luizenjacht’, ’75 m rookt Ivan sigaretten, voer voor mijn MG’ en ‘veel buit!’

    Uwe maakt zich een voorstelling van ‘die Rus, die Ivan’ en in dit soort empathische overpeinzingen zien we een meesterverteller aan het werk. ‘Een jongeman die net een sigaret had opgestoken – zijn eerste trek, het uitblazen, genieten van de rook die voor de volgende trek van de brandende sigaret opstijgt. Waar zal hij aan gedacht hebben? Aan de aflossing, die niet lang meer op zich kon laten wachten? Aan de thee, een stuk brood, aan zijn vriendin, zijn moeder, zijn vader? Een uiteendrijvend wolkje rook in dat met vochtigheid doordrenkte landschap, sneeuwresten, smeltwater in de loopgraaf, het tere groen van de wilgen.’ 

    Met zijn onderzoek probeert Timm te doorgronden wie zijn broer was en hoe hij zich verhield tot zijn taak. Nam hij het moorden op de koop toe, omdat het nou eenmaal bij oorlog hoort? In zijn dagboeken en brieven naar huis maakt Karl-Heinz geen enkele notitie over het leed van de vijand terwijl hij zich wel beklaagt over de Engelse luchtaanvallen op Duitsland: ‘Dat is toch geen oorlog meer, dat is moord op vrouwen en kinderen – en dat is niet humaan.’ Timm staat voor een raadsel. Hoe kon een stille, dromerige, ietwat ziekelijke jongen als zijn broer overgaan tot het plegen van moorden, de vijand niet langer als mens te zien? 

    Autoritaire vadergeneratie

    Schrijven over zijn broer betekent voor Timm ook schrijven over zijn vader, een vindingrijke man met een knappe verschijning die plichtsvervulling en gehoorzaamheid hoog in het vaandel had staan. Een man die veel wist van geschiedenis en lange verhalen kon vertellen. Maar ook een rigide man met wie Uwe als tiener voortdurend in de clinch lag. Hij hekelde de naoorlogse opkomst van Americana en alles wat daarmee gepaard ging: spijkerbroeken, jazz, films, allemaal dingen waar de jonge Uwe zich voor interesseerde. Buitenshuis vierde de cultuur van de overwinnaars weliswaar hoogtij maar binnenshuis, de enige plek waar zijn vader en zijn autoritaire generatiegenoten nog konden commanderen, was die cultuur verboden.

    Toch lukte het Timm zich door de vrijere naoorlogse tijd te bevrijden van het strenge oudergezag. Die luxe had zijn broer niet gehad. ‘Er werd altijd gezegd dat hij (Karl Heinz) zich echt vrijwillig had aangemeld en dat mijn vader geen druk op hem had uitgeoefend. Maar dat was ook niet nodig. Het was niet meer dan een stilzwijgende uitvoering van wat mijn vader in overeenstemming met de samenleving wilde dat hij deed. Ik daarentegen had eigen woorden kunnen vinden, kunnen tegenspreken, kunnen vragen en doorvragen.’

    Timms portret van zijn vader is nietsontziend, toch leest het nergens als een afrekening. Ronduit liefdevol zijn de scènes – soms mooi in de tegenwoordige tijd geschreven – waarin hij zijn vader even tot leven wekt en tegelijk zijn tragiek zichtbaar maakt. Zo zit zijn vader achter de bontnaaimachine die hij na het bombardement op Hamburg uit de puinhopen viste en ‘naait de eekhoornhuiden aan elkaar, strijkt de haartjes opzij, die zo fijn en dun zijn dat er bij het kleinste zuchtje wind grijze schaduwen overheen glijden. Een moeizaam friemelwerkje, waarbij mijn vader steeds weer vloekt omdat er haar tussen de naad is gekomen. (…) Het was de eerste bontmantel die mijn vader in zijn leven maakte.’

    Geen eenduidig antwoord

    Liefdevol zijn ook de portretten van zijn gelijkmoedige, nimmer klagende moeder en zijn grotendeels genegeerde en onfortuinlijke zus wier ‘wensen nauwelijks werden geregistreerd.’ Maar schrijven over zijn familie betekent voor Timm ook schrijven over zichzelf. Want hoe is hij zelf geworden wie hij is? En zou hij hetzelfde hebben gedaan als zijn broer? Zou hij zich ook ‘vrijwillig’ hebben aangemeld om vervolgens op commando te doden? In zijn zoektocht naar antwoorden neemt hij zijn conformistische opvoeding onder de loep. Als de lens van een camera zoomt hij uit en bekijkt zichzelf op afstand, schrijft dan in de derde persoon en probeert zodoende inzicht te krijgen in zijn eigen levensgeschiedenis en vorming. ‘De jongen kan zich niet herinneren ooit door zijn ouders aangemoedigd te zijn om niet te gehoorzamen, ook niet door zijn moeder – je erbuiten houden, voorzichtig zijn, dat wel, maar niet nee zeggen, nooit weigeren, nooit ongehoorzaam zijn.’

    Toch blijft de gesneuvelde broer de rode draad in het verhaal en het is dankzij Timms immense talent als schrijver dat we het zicht op Karl-Heinz nooit kwijtraken; overal lijkt hij aanwezig. In amper 152 bladzijden wordt Timm heen en weer geslingerd tussen zijn broer begrijpen en niet begrijpen, kennen en niet kennen. Het is een constant gissen naar motieven, tasten naar antwoorden, gebeurtenissen bij elkaar puzzelen. Maar een eenduidig antwoord bestaat niet en Timms worsteling met dat feit maakt het verhaal aangrijpend en diep menselijk.