• Oogst week 36 – 2024

    In den vreemde – Kronieken

    Frida Vogels (1930) is bekend geworden met het driedelige De harde kern (1992) en vooral door het tweede deel waarvoor ze in 1994 de Libris Literatuur Prijs ontving. Tussen 2005 en 2014 zijn elf delen van haar dagboeken gepubliceerd, over de jaren 1954-1978. Vogels schreef meerdere boeken, en vertaalde uit het Italiaans. Haar onderwerp is haar eigen leven, altijd in relatie tot familieleden en vrienden die dan ook uitgebreid beschreven worden, soms als hoofdpersoon. Zichzelf en anderen doorgronden is wat haar drijft, en verantwoording afleggen – aan de onbekende lezer. Ze wil kennen en gekend worden.

    In de proloog van In den vreemde schrijft ze: ‘Ik schrijf woorden op het papier. De lezer zit op mijn schouder en leest mee. (…) Hij heeft me door. Dat is trouwens precies wat ik verlang. Ik stel me voor dat hij me ongenadig zal ontmaskeren, (…) dat ik woorden op papier schrijf is geen gekkenwerk; ik heb me te verantwoorden.’ Het is een veel directere stijl dan de meer omfloerste van haar vroegere boeken. In den vreemde beslaat haar jeugd in Bloemendaal en Laren, de oorlog, haar studietijd in Parijs en Milaan, haar huwelijk met de Italiaanse Ennio, haar leven in Bologna en de jaarlijkse gang van enkele maanden naar Amsterdam om er te schrijven.

    ‘Pappa en mammie hielden een Levensboek bij,’ zo begint ze, ‘over mijn eerste levensjaren en dat boek heb ik pas nu, nu ik tweeënnegentig ben, voor het eerst in handen gekregen. Dat ik ooit die bedrijvige, zorgzame kleine Frida ben geweest waar zij twee toen over schreven, “al zo echt een vrouwtje” zoals pappa tevreden constateerde, kan ik nauwelijks geloven, maar zo is het dus geweest.’

     

    In den vreemde - Kronieken
    Auteur: Frida Vogels
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Boven aarde, beneden hemel

    Kodokushi is een Japans woord voor mensen wier eenzame overlijden voor langere tijd door niemand wordt opgemerkt. Gespecialiseerde schoonmaakdiensten halen de lijken weg en maken de woning schoon. In Boven aarde, beneden hemel van de Oostenrijkse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980, Japanse moeder, Oostenrijkse vader) is Suzu nieuw in het werk, waarvoor behalve eerbied en zorg vooral geduld en een sterke maag vereist zijn. In steden met een toenemend aantal mensen en een kleiner en duurder aanbod van woningen groeien de problemen. Mensen zijn afstandelijk, de grens tussen desinteresse en discretie vervaagt, kodokushi komen vaker voor. Suzu, die thuis haar eenzaamheid deelt met een goudhamster, vindt het moeilijk om met mensen om te gaan, inclusief haar eenzelvige collega die net als zij een gebruiksaanwijzing heeft. Toch leert ze in haar werk iedereen snel kennen. Ook de doden, waarvoor ze groot respect toont. Door hen en hun voorbije leven ontdekt ze de waarde van omkijken naar een ander mens. Ook de kleurrijke collega’s van de schoonmaakdienst helpen Suzu zich te ontwikkelen tot iemand die het belang van contact met andere mensen leert kennen en waarderen.

    Net als in Flašars Een bijna volmaakte vriendschap (2015), waarin een jongeman, een hikikomori, twee jaar het huis van zijn ouders niet uit is geweest, zijn de hoofdpersonages sociaal onhandige, geïsoleerde individuen. Langzaamaan laten ze anderen toe, durven ze toenadering te zoeken en de verbinding met een ander mens aan te gaan.
    Ondanks de zwaarte van de onderwerpen weet Milena Michiko Flašar haar verhalen op droogkomische toon lichtvoetig te vertellen.

     

    Boven aarde, beneden hemel
    Auteur: Milena Michiko Flašar
    Uitgeverij: Cossee 2024

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog

    Bioloog Arjen Mulder leerde met bomen communiceren en schreef erover in De vriendschap met bomen. Eerder al schreef hij Vanuit de plant gezien (2019) waarin hij zich in planten verplaatste. Voor meer bomenkennis volgde hij een cursus bij fysisch geograaf en boomdruïde Maja Kooistra die in veel werelddelen onderzoek naar bomen deed. Mulder had al ontdekt dat hij met bomen kon communiceren. In De vriendschap met bomen legt hij uit dat bomen onder- en bovengrondse netwerken hebben waarmee ze met elkaar communiceren en ook met dieren en mensen. Bomen kunnen een stemming oproepen, of actief de menselijke somberheid doen verdwijnen en op vragen reageren, schrijft Mulder. Maar of het allemaal echt zo is weet hij niet. Wel heeft hij ontdekt dat je deze wereld alleen kunt kennen via gevoel, intuïtie en zelfkennis. Als je met bomen wilt communiceren moet je de aannames van het psychologisch model loslaten.

    In het radioprogramma Vroege vogels vertelt hij over zijn ervaringen. Hij merkte dat bomen op hem reageren. Of een boom werkelijk zijn onbewuste kan lezen weet hij niet. ‘Ik heb geen flauw idee. (…) Misschien klopt het idee van hoe wij in elkaar zitten wel niet en kunnen wij met ons lichaam veel meer registreren zonder dat we er erg in hebben, maar leren we onszelf om dat niet te doen.’ In het begin nam hij de beslissing om geen verklaringen te zoeken maar het gewoon mee te maken. Hij ontdekte dat er meer mensen waren met dezelfde ervaring. ‘Toen wist ik zeker dat ik niet gek aan het worden was.’

     

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog
    Auteur: Arjen Mulder
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2024
  • Onmachtig om het juiste te doen

    Onmachtig om het juiste te doen

    In Een bijna volmaakte vriendschap draait het om besluiten die geen besluiten zijn. Hoofdpersonen Taguchi Hiro, een zogenaamde ‘hikikomori’, en Ōhara Tetsu, een ‘salaryman’, laten zich drijven door hun gevoel en erkennen tenslotte dat nietsdoen ook een besluit is.

    Een hikikomori is een Japanse jongere die zich langdurig opsluit in het ouderlijk huis, meestal omdat hij of zij zich niet kan of wil aanpassen aan de prestatiemaatschappij. Een salaryman is in Japan een mannelijke werknemer van een bedrijf.

    Bij ik-verteller Taguchi was het niet de prestatiedruk op school waardoor hij een hikikomori werd. Het was nadat hij zijn vriend Kumamoto door een auto overreden zag worden en in zijn herinnering voortdurend diens hand vanaf het asfalt naar hem opgeheven zag, dat hij besloot voortaan op zijn kamer te blijven en het leven te ontwijken.

    In de jaren daarvoor verloochende en verloor hij vriendinnetje Yukiko door haar zijn steun te onthouden op het moment dat zij die nodig had en ook de neergang van een klasgenoot op school had hij misschien kunnen voorkomen als hij niet had weggekeken bij de treiterijen door andere klasgenoten.

    Twee jaar na zijn zelfgekozen afzondering zoekt hij huiverend de buitenwereld weer op. ‘Op een koude februariochtend, gaf ik toe aan mijn verlangen.’ Hij laat zichzelf vrij, zoals hij het noemt.

    Onwennig vermijdt hij iedere aanraking, ieder contact. ‘De gruwelijkste gedachte was die aan twee blikken die op een toevallig moment in elkaar vasthaken.’

    Als hij in een park waar hij als kind met zijn moeder kwam een plek gekozen heeft om zijn dagen door te brengen, komt een oudere man, Ōhara, die Taguchi later ‘Stropdas’ gaat noemen, dagelijks op de bank tegenover hem zitten. Na twee weken wisselen ze wat blikken en woorden en in de toenadering die volgt vertellen ze elkaar langzaam hun geschiedenis. Ook Ōhara kent situaties waarin hij het liet afweten op momenten dat hij een ander, zijn vrouw, houvast had moeten bieden en in de huidige situatie heeft hij een essentiële gebeurtenis, de reden waarom hij op de bank zit, voor haar verzwegen. De consequenties van hun nalatigheid moeten Taguchi en Ōhara met zich meedragen.

    In treffende bewoordingen en betekenisvolle zinnen laat de Oostenrijkse schrijfster Flašar (Japanse moeder, Oostenrijkse vader) zien hoe de jongere en de oudere man, ieder om verschillende redenen en op een andere manier, lijden onder hun huidige bestaan en hun onvermogen om de moreel juiste keuzes te maken. Ōhara zegt: ‘Verteerd door haat verscheen de dood aan mij als een vriend die me hartelijk zou ontvangen, me vriendelijk in zijn hart zou sluiten.’

    Waar Taguchi in het begin van het boek nog denkt: ‘Ik wilde niemand ontmoeten. Iemand ontmoeten betekent verstrikt raken.’ gloort op de bank in het park gaandeweg de hoop. Het praten over de gebeurtenissen en de erkenning zonder oordeel lijken het begin van genezing, van kracht voor een nieuwe start. Als Ōhara op een dag niet komt opdagen, geeft de ontstane vriendschap Taguchi een paar weken later de moed om te besluiten naar hem op zoek te gaan.

    Flašar gebruikt geen aanhalingstekens, zet punten waar je eerder een komma zou verwachten en schrijft soms heel korte en onaffe zinnen. Zoals ‘Stil blijven liggen, terwijl buiten het leven.’ Dat beroep op invulling door de lezer leidt nergens tot onduidelijkheid en heeft een aangename kant omdat het je belet door de tekst te razen – een optie door het ogenschijnlijk eenvoudige taalgebruik – en de kern van de zinnen te missen. Want vele daarvan zijn de moeite waard om nog eens over te lezen en de betekenis tot je te laten doordringen. Ze belichten de psyche van de mens in het algemeen en van het individu in een prestatiegerichte maatschappij in het bijzonder, waar bij falen schaamte op de loer ligt. Dat is in het westen net zo herkenbaar als in Japan. Maar aan het einde van dit uitmuntende boek is het lijden voorbij en de loutering mild. De lezer kan gerust gaan slapen.
    Een bijna volmaakte vriendschap