• Een leven met vele verhalen

    Een leven met vele verhalen

    Frederika en haar man Henrik hebben besloten uit elkaar te gaan, en die breuk is op het oog bedrieglijk liefdevol. Van de laatste keer samen de feestdagen vieren tot Henriks gewoonte ’s ochtends haar koffie te maken, zelfs als het hoge woord er al uit is; alles lijkt op het patroon van een gelukkig getrouwd stel. Dat is het uitgangspunt van Riikka Pulkkinens De kinderplaneet, de roman die in 2018 uitkwam en in 2020 in de Nederlandse vertaling van Annemarie Raas verscheen bij De Arbeiderspers.

    Maar onder de rimpelloze oppervlakte die Pulkkinen schetst, roert zich iets. Het ‘we’ en ‘ons’ dat Frederika bezigt, komt voort uit gewoonte: ze vult in wat Henrik voelt en vindt, ze denkt zoals een koppel in plaats van zoals een individu. ‘We voelen ons goed’, ‘(…) we zouden niet blijer kunnen zijn’, ‘We zouden ons net zo goed in het heelal kunnen bevinden, omdat we los zijn van onze eigen tijd of ons besluit uit elkaar te gaan’. Praten, écht praten over de scheiding doen zij en Henrik niet, totdat ze er uiteindelijk niet meer aan ontkomen. Plotseling gebruikt Frederika het defensieve ‘ik’ en ‘hij’. Henrik verwijt haar dat ze gevoelloos is, dat ze mensen – onder wie hij ook valt – veroordeelt tot iets wat zij verzonnen heeft. ‘Je schrijft een script voor dit soort situaties en beeldt je dan in hoe de mensen moeten zijn,’ zegt hij. In de weken erna raken ze elkaar niet meer aan.

    Frederika’s angst

    Pulkkinen is een meester in het vormgeven van een ogenschijnlijk doorsnee setting: een simpel en vredig eettafereel met geurige zelfgemaakte baksels, of de zon die door de kieren van gordijnen valt herbergen na eerste lezing zo veel meer dan alleen die volmaakt lichte buitenkant. Al snel wordt Frederika’s persoonlijke verslag van de beslommeringen die een scheiding met zich meebrengt – de inhoud van kastjes uitzoeken en haar vondsten droogjes benoemen, meubels verdelen, onderling afspraken maken en schema’s in rastervorm uittekenen – onderbroken door een andere verhaallijn, De geschiedenis van de angst. Een alwetende verteller tekent die op. Af en toe lijkt deze nieuwe stem er een sadistisch genoegen in te scheppen om enkele personages aan hun eigen keuzes ten onder te laten gaan. Die personages zijn onderdeel van Frederika’s verleden: drie studentes, die er met de moed der wanhoop voor proberen te zorgen dat een van hen op tijd wordt behandeld voor haar psychische aandoening.

    Wanneer Frederika kort na haar breuk met Henrik verhuist naar een treurige flat vlakbij ‘Psychiatrisch ziekenhuis Hesperia’, dient zich de vraag aan wie ze nog is zonder degene die ze haar man noemde. Óf ze wel een eigen identiteit heeft. Het is het begin van een periode vol onzekerheid, waarin ze worstelt met de ouderschapsregeling die zij en Henrik na veel discussiëren en ruziën hebben getroffen, waarin ze haar peuterdochter in het gareel moet houden, ze zich afvraagt of ze een slechte moeder is en een mogelijk nog slechtere huisvrouw en waarin ze zich ergert aan die irritante buurman en zijn hond. Dat psychiatrische ziekenhuis op de achtergrond is dramatische ironie: je weet dat er iets is met dat ziekenhuis wat Frederika angst inboezemt, iets met gekte in het algemeen wat haar bang maakt. Waarom is ze zo gefixeerd op de instelling?

    Filosofische bespiegelingen

    Pas later begrijp je welke rol Frederika zelf heeft gespeeld in haar verleden en denk je als lezer te begrijpen waarom ze is geworden wie ze nu is. Iemand die kastjes liever gesloten laat dan uitpluist, die zich te veel aantrekt van wat anderen over haar denken en van haar vinden, die graag de regie voert, overal controle over wil hebben. De scheiding is niet alleen die van haar en Henrik, maar ook die van Frederika’s oude en huidige zelf. De versnippering van verhaallijnen, stemmen en metaforen maakt dat je je als lezer afvraagt hoe veel verschillende verhalen er überhaupt te vertellen zijn. En vooral: welk van die verhalen waar is.

    Die constante twijfel vormt het uitgangspunt voor Frederika’s filosofische bespiegelingen over de mogelijkheden van het bestaan, over de rollen die mensen aannemen ondanks of dankzij de gegeven mogelijkheden en tegenslagen, over de wereld die iemand wil achterlaten voor (hypothetische) kinderen. Zo valt op dat Frederika haar dochtertje standaard ‘de kleine’ noemt, alsof elk kind ter wereld in haar plaats zou voldoen. En dat is juist niet het geval, want Frederika is angstaanjagend veel bezig met het moederschap; hoe ze haar kind opvoedt, of ze het wel genoeg waardeert, koestert en verwent. Die afstandelijke bijnaam, ‘de kleine’, impliceert dat het verhaal over elke ouder zou kunnen gaan en dat alle ouders dezelfde tegenslagen en worstelingen kennen, hoe geïsoleerd en uniek ze zich in hun vertwijfeling ook voelen.

    Weergaloos onbetrouwbare verteller

    Daarmee ontstijgt De kinderplaneet het particuliere verhaal van de huwelijksproblemen van Henrik en Frederika, dat haast enkel een vehikel lijkt te zijn, een opstapje naar een onderzoek betreffende de essenties van het bestaan. Tegelijkertijd is het de kern van de vertelling: samen zijn of alleen zijn staan niet lijnrecht tegenover elkaar, maar worden eerder onderzocht als verschillende mogelijkheden binnen de opvattingen van individuen en maatschappij over relaties. Pulkkinen kaart verschillende andere overkoepelende thema’s aan: waar zijn we thuis, wie zijn ons thuis, wat betekent tijd voor de relaties die we onderhouden, is tijd opofferen aan de ander het ultieme offer? Geef je daarmee iets van jezelf weg, en word je ooit weer ‘heel’? Die vragen resoneren in Frederika’s reflecties. Haar angsten strekken zich uit over alle facetten van het leven en komen in elke periode van haar leven terug.

    Dat is ook meteen de paradox van haar bestaan: er is zo veel om bang voor te zijn dat ze het net zo goed niet zou kunnen zijn. Maar helpt dat besef haar, laat ze haar angsten los? Er is geen catharsis in de strikte zin van het woord. Als lezer blijf je je afvragen wat Frederika verzonnen heeft en wat er echt zo is gebeurd als je het krijgt voorgeschoteld. Ze is een weergaloos onbetrouwbare verteller. Meermaals denk je: hoe kan het dat ik zo ontzettend veel weet over de beweegredenen van dit personage, deze verteller, en haar tegelijkertijd zo slecht ken? Misschien is het antwoord daarop: omdat je ook over jezelf leest, en over ieder ander. In De kinderplaneet wordt de wereld nietsontziend geanalyseerd, soms op hoopvolle, soms op pessimistische toon, maar wordt ook een rigide zelfonderzoek voltrokken.

     

  • Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

    Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

    Nacht en dag (1919), de tweede roman van Virginia Woolf, vertelt op het eerste gezicht het geijkte verhaal van een aantal mensen die door onhandige keuzes en ongelukkig toeval in een precaire situatie terechtkomen waaruit geen uitweg mogelijk lijkt. Maar ondanks dat particuliere verhaal is Nacht en dag vooral ook maatschappijkritisch van ondertoon. In de nieuwe vertaling van Barbara de Lange is de roman honderd jaar later nog even relevant. 

    Mary Datchet, een overtuigd feministe, valt voor een man die haar niet ziet staan, advocaat Ralph Denham. Ralph heeft sterke gevoelens voor een ander, de knappe maar ondoorgrondelijke Katherine Hilbery, die uit een gegoede intellectuele familie komt. Katherine verlooft zich op haar beurt met William Rodney, een pseudopoëet die nogal vol is van zichzelf, en William wordt nog tijdens hun verlovingsperiode hopeloos verliefd op Katherines nichtje, Cassandra Otway – met alle pijnlijke én komische gevolgen van dien. Klinkende porseleinen theekopjes, de grauwe straten en gehorige huizen van Londen en de typisch Britse omgangsvormen waarachter zoveel meer schuilgaat dan alleen beleefdheid, nuffigheid of ongemak maken Nacht en dag een karakterstudie en zedenschets ineen.

    Vals ideaalbeeld

    De onbegrepen liefdes, vileine grappen en talloze (thee)visites aan familie en kennissen doen denken aan Jane Austens Trots en vooroordeel, met als significant verschil dat daar, ondanks alle verwikkelingen, uiteindelijk toch het geluk zegeviert. Waar Elizabeth Bennet Fitzwilliam Darcy eerst veracht, moet ook Katherine Hilbery aanvankelijk niets van Ralph Denham weten. Keer op keer schatten ze de gevoelens van de ander verkeerd in. Maar als Katherine en Ralph elkaar uiteindelijk toch naderen, probeert Katherine de betovering tussen hen beiden te verbreken. Ralphs liefde is haars inziens een idee-fixe; geen echte verliefdheid, maar eerder het nastreven van een vals ideaalbeeld van de voor hem perfecte vrouw. Daardoor blijft er, ondanks het toch min of meer geruststellende einde, slechts een voorzichtig sprankje hoop op een goede afloop achter bij de lezer.

    Contrasten in personages

    Nacht en dag is uitgesponnen, maar nooit saai. Dat is onder meer te danken aan de diepte van Woolfs personages. Ze vertonen grote contrasten, zowel innerlijk als uiterlijk. Katherine Hilbery, met haar rationele, ongenaakbare uitstraling en rijzige schoonheid, verschilt als dag en nacht van haar nichtje Cassandra Otway (een speaking name), die lijkt op een frêle Française en haar aandacht nooit lang op één persoon, gesprek of hobby  kan vestigen. ‘De nichten leken samen een heel scala voortreffelijke eigenschappen te bezitten die nooit in één persoon verenigd en zelfs zelden in een handvol mensen bij elkaar wordt aangetroffen,’ schrijft Woolf, spottend haast. Ralph Denham is advocaat, schrijft zo nu en dan journalistieke stukken en draagt zorg voor zijn moeder, een weduwe, en zijn broers en zussen. Hij is het tegenbeeld van William Rodney, de onaantrekkelijke dichter met literaire ambities die Denham in de hitte van hun “strijd” om Katherines liefde bestempelt als een ‘veinzende, ijdele, bizarre fat’. Toch vervalt Woolf nergens in flat characters. Het scherpe contrast dient een doel, het serveert de lezer steeds een andere veronderstelde werkelijkheid, bezien en bevraagd door de afzonderlijke hoofdpersonages, en bewerkstelligt uiteindelijk compassie met hen die elk op hun eigen manier twijfelen over de zin van het bestaan.

    Karakterontwikkeling

    Woolf dwingt haar lezer zich onder te dompelen in hun psyche. Met scherpe blik en psychologische diepgang schetst ze de mechanismen die schuilgaan achter een handbeweging, het voorbereiden van de theebijeenkomst of de overdenkingen tijdens een namiddagwandeling. Elk gebaar, elke uitspraak is in het licht van hun eigenschappen volkomen geloofwaardig. Woolf kent haar personages als waren ze haar kinderen, maar spaart ze niet. Het uitgebreide onderzoek dat waarschijnlijk aan de karakteriseringen vooraf is gegaan legitimeert de soms wijdlopige stijl. De enige kanttekening is de dramatische ironie. Bij voorbaat wéét je dat er iets mis zal gaan, en dat gaat het dan ook. De uitgebreide innerlijke dialogen zijn dan eigenlijk overbodig. Als je als lezer al weet dat een handeling onherroepelijk ergens toe zal leiden is de gedachtestroom die daaraan voorafgaat minder boeiend. Maar omdat de karakterontwikkeling misschien wel een van de belangrijkste pijlers van het verhaal is, is dit niet iets om Nacht en dag op af te rekenen. De gemene deler is dan ook de verandering die zich voltrekt als personages hun eigen gedrag beginnen te ontleden. Katherine zou zich bijvoorbeeld liever op de wiskunde storten dan tegen wil en dank de literaire nalatenschap van haar opa, de beroemde dichter Richard Alardyce, te editeren. Ralph wil zijn toga aan de wilgen hangen en een knus huisje kopen, ver van zijn familie. Uiteindelijk komt de rode draad van Katherines rationaliteit langzaam maar gestaag los als ze tegenstrijdige gevoelens ervaart. Ralph beseft hoeveel zijn familie eigenlijk voor hem betekent en hoe moeilijk het is om zijn verantwoordelijkheid naast zich neer te leggen.

    Onderhuidse borreling

    Woolfs analyse van en kritiek op de overkoepelende culturele ideeën en mores maken Nacht en dag een roman van grote sociale en maatschappelijke urgentie. Opvallend zijn de strikte sociale regels en de onderkoelde maar uiterst beleefde wijze waarop iedereen met elkaar omgaat in het Londen van het begin van de twintigste eeuw. Nooit verheft iemand zijn stem, nooit bevecht iemand zijn lot op het scherp van de snede, maar onderhuids borrelt er van alles. Uit de relaties die de personages aangaan spreekt bovendien een zekere voorwaardelijkheid. Of, zoals Katherine in gesprek met Mary constateert: ‘Misschien zijn onze affecties wel de afschaduwing van een idee, Mary. Misschien bestaat er niet zoiets als affectie op zichzelf…’ De gegoede intellectuele kringen waarin vooral Katherine verkeert (en die tot op zekere hoogte parallellen vertonen met het milieu waarin Woolf opgroeide), worden op de hak genomen. De vooroordelen en hypocrisie die schuilgaan achter het perfecte beeld voor de buitenwacht brengt Woolf met haar stream of consciousness meesterlijk in beeld.
    Het is dan ook geen toeval dat Katherine Hilbery en Ralph Denham in een van de sleutelscènes juist in de Londense dierentuin vrijuit van gedachten kunnen wisselen: daar voelt Katherine zich geen ‘gekooid wild dier’, daar lijken hun vooroordelen voor het eerst echt weg te vallen. Maar ook de tijdens hun verloving opgebouwde spanning tussen Katherine en William leidt tot een explosie. Het is prachtig en pijnlijk tegelijk.

    Ook de uiteindelijke confrontatie tussen Katherine en haar vader is veelzeggend. In een felle discussie over de keuzes die ze maakt, laat ze haar emotie de vrije loop en weigert ze tegelijkertijd haar gevoelens tegenover hem te verantwoorden. Na hun ruzie stelt Trevor Hilbery voor samen Walter Scott te lezen. ‘Voordat zijn dochter kon protesteren of ontsnappen, werd ze al door tussenkomst van Walter Scott omgevormd tot een beschaafd mens.’ Die oplossing is illustratief voor hoe hij omgaat met problemen, en hoe alle generaties vóór hem deden: dek de onenigheid toe met de mantel der civilisatie, zorg voor remmingen en de zaak is gered. 

    Feminisme

    De feministische thematiek die Woolf in A Room of One’s Own (1929) zou uitwerken, schemert al door in Nacht en dag. Ze wordt niet alleen weerspiegeld in Katherines onwil zich te conformeren aan de gewoonten van haar familie, maar ook door Mary, die voor een suffragetteorganisatie werkt en thuis pamfletten schrijft om het onderwerp stemrecht voor vrouwen onder brede aandacht te brengen. Haar kamer wordt een broedplaats van verwachting, een symbool voor soevereiniteit: het in vrijheid nastreven van je idealen, zonder dat iemand over je schouder meekijkt. Vanuit de rollen die Katherine en Mary op zich nemen, toont Woolf genuanceerd verschillende vormen van feminisme. Katherine lijkt gevangen in haar familieomgeving en haar editeursrol, maar komt tegelijkertijd over als een onafhankelijke en ongenaakbare vrouw. Ze is in haar omgang met mannen rationeel en scherp, wat deze als bedreigend ervaren. Het traditionele huwelijk is eigenlijk niet aan haar besteed. Mary lijkt enerzijds star in haar overtuigingen, anderzijds minder streng voor zichzelf en haar vrienden, wordt hopeloos verliefd op Ralph en ontpopt zich vervolgens tot raadgever van alle ongelukkige geliefden. Uiteindelijk besluit ze toch haar eigen zakelijke plan te trekken en de prioriteit van een huwelijk te laten varen om de feministische zaak te dienen.

    Woolf laat zien wat er gebeurt als mensen een pasklaar referentiekader (werken, trouwen, een gezin stichten) over de grillige werkelijkheid plaatsen en op hun eigen onvolkomenheden en niet waargemaakte verwachtingen stuiten. Ze legt de lezer indirect universele vragen voor. Moet je trouwen om gelukkig te zijn, dien je in de voetsporen van je familie te treden of juist de status quo te doorbreken, en is het erg als je (nog) niet weet wat je doel in het leven is? Nacht en dag biedt een boodschap die resoneert, zeker in een tijd waarin identiteit en individuele beweegredenen expliciet worden bevraagd en herzien.

     

     

  • Krachtig betoog over scheppings- en bestaansvoorwaarden van kunst

    Krachtig betoog over scheppings- en bestaansvoorwaarden van kunst

    Is het concept ‘banaan, met ducttape bevestigd aan de witte muur’ kunst? Is in dit geval de naam van de kunstenaar – Maurizio Cattelan – daarbij van doorslaggevend belang, de specifieke banaan en haar unieke ‘aura’ of het feit dat het idee voor 120.000 dollar werd verkocht? Deze vraag zong eerder deze maand rond. Een vraag die Florette Dijkstra in haar essaybundel Rumoer, over het begin van kunst, in feite ook stelt, maar algemener en doorwrochter. Wat is kunst, waar begint (en eindigt) ze? Dijkstra bespreekt filosofische, sociologische, culturele en artistieke opvattingen die onze kijk op kunst mogelijk hebben beïnvloed of dat nog steeds doen. Uiteindelijk onderzoekt ze meer dan ‘alleen’ kunst. Ze gaat na hoe kunst zich verhoudt tot de huidige maatschappij en hoe die zich verhield tot de vroegste menselijke samenlevingsverbanden. In een verhalende, soms anekdotische vertelstijl laat ze invloedrijke kunstenaars en denkers aan het woord, ieder in het bestek van een paar pagina’s. Enkele essays die in Rumoer zijn opgenomen zijn al eerder verschenen in de bundel Oerstof (2016, De Ketelfactory).

    Schetsmatige stijl

    Dijkstra is naast schrijver kunstenaar. De omslagillustratie van Rumoer, getiteld, ‘Een schrijver werkt’, is van eigen hand en is een portret van schrijver en beeldend kunstenaar Michel Seuphor (pseudoniem Ferdinand Louis Berckelaers, 1901-1999). Seuphor zit licht gebogen over een nog onbeschreven blad papier, achter hem zweeft een wolk van licht. Dijkstra’s schetsmatige stijl en gebruik van donker en licht keren terug in haar schrijfstijl: ze schrijft associatief, soms van de hak op de tak. Ze licht uit wat naar haar idee het belangrijkst en veelzeggendst is en laat toch ruimte over voor de lezer. Ze is afwisselend schrijver, kunstenaar en toeschouwer en in die drie rollen benoemt ze steeds andere aspecten van kunst en kunstenaarschap.
    Waarvan een aspect – associatie – terugkomt in de opbouw van de bundel. Soms is samenhang enkel tussen de regels door aanwezig – denkers en kunstenaars die ‘tegenover elkaar’ worden geplaatst, simpelweg door middel van de volgorde van de essays, zodat plots de ogenschijnlijke verschillen of overeenkomsten tussen hun denkwijzen opvallen.

    Romantiek rond kunstenaarschap

    De keerzijde van die haast willekeurige (zij het min of meer chronologische) indeling, is dat het de lezer aan een duidelijk referentiekader ontbreekt. Op den duur kunnen hoofd- en bijzaken nog maar moeilijk van elkaar worden onderscheiden. Dit gegeven is echter te verklaren aan de hand van Dijkstra’s visie op kunst en engagement. In 2012 richtte zij het tijdschrift KUNSTWORDTTERUGKUNST (een verwijzing naar een collegereeks van kunstenaar Luciano Fabro) op als reactie op bezuinigingen in de kunstsector. In een interview over haar initiatief in Trouw stelt zij dat ze in haar werk op zoek is naar ‘lege plekken in de kunstgeschiedenis’. ‘Ik zie de kunstgeschiedenis als een fictief verhaal dat telkens opnieuw wordt verteld. Wat in dat verhaal vergeten wordt, probeer ik te reanimeren,’ aldus Dijkstra. In het licht van deze uitspraak kan ook Rumoer worden begrepen: Dijkstra kijkt mee over de schouder van de kunstenaar of kruipt in zijn huid. Ze duidt en interpreteert zonder op grond van haar bronmateriaal exáct te kunnen weten hoe een kunstenaar of filosoof zich gevoeld moet hebben voor, tijdens of na het creëren van een nieuw kunstwerk of theorie.

    Toch legt ze daar haar focus. Ze vertelt over Sappho’s liefde, legt de twijfels van Mallarmé bloot, doorbreekt Duras’ isolement om de lezer een blik op het schrijfproces te gunnen. In zekere zin lijkt Dijkstra ook te impliceren dat de kunstenaar nog steeds het romantische genie van weleer is, het scheppend individu dat ook onder omstandigheden die verre van ideaal zijn weet te creëren en te inspireren (Vincent van Gogh, Virginia Woolf, Marlow Moss, om er enkelen te noemen – die laatste is desondanks bijna in de vergetelheid geraakt).

    Gedachte en mens centraal

    Wie een (populair)wetenschappelijk werk verwacht met de belangrijkste artistieke stromingen en cultuursociologische perspectieven van de afgelopen eeuwen, komt bedrogen uit – de vraag is of dat erg is. De geïnteresseerde lezer kan zich voornemen de gebruikte primaire bronnen te raadplegen na deze kennismaking. De kunstkenner, expert of filosoof kan Rumoer zien als een werk waarin niet alleen de gedachte, maar ook de mens daarachter centraal staat.
    Dijkstra geeft legio concrete voorbeelden van eerste keren in de kunst, maar formuleert geen sluitend antwoord op de vraag die ze opwerpt. Waar en wanneer moet het begin van kunst worden gesitueerd? Haar onderzoek is eerder een verkenning dan een afgerond geheel. Elk essay leidt tot een andere interpretatie over scheppings- en bestaansvoorwaarden van kunst. Eigenlijk is dat juist de kracht van haar betoog. Misschien bestaat kunst vooral bij de gratie van de toeschouwer. Of, denkend aan het incident met de banaan, dat al snel viral ging: misschien is zelfs de geïnspireerde of juist geschokte toeschouwer (of lezer) van ondergeschikt belang. Kunst is nooit af: zodra iemand besluit een banaan van de muur te halen en op te eten, ontstaat een nieuw ‘kunstwerk’ en daarmee een nieuw begin.

     

  • Oogst week 46 – 2019

    De man in de rode mantel

    De Amerikaanse portret- en landschapsschilder John Singer Sargent (1856-1925) maakte met zijn Portrait of Madame X (1883-1884) de tongen los: omdat het expliciet erotisch zou zijn, maar wellicht ook omdat het een weergave was van aristocratische stijl en decadentie die niet werden gewaardeerd in de Franse bourgeoisie-kringen van destijds (aldus Jonathan Jones in The Guardian). Vanwege alle ophef exposeerde Singer zijn Dr. Pozzi at Home, dat hij in 1881 al voltooide, in Londen onder de naam A Portrait. Singer zou met die anonimiteit de reputatie van de geportretteerde, de jonge chirurg en gynaecoloog Samuel-Jean Pozzi, hebben willen beschermen. Poserend in een flamboyant rood gewaad, zijn hand op zijn borst, wendt Dr. Pozzi zijn blik van de toeschouwer af. Het schilderij vormde de inspiratiebron voor de alom geprezen auteur Julian Barnes, die de lezer in zijn De man in de rode mantel langs ingrijpende gebeurtenissen gedurende de Belle Époque voert, maar vooral de mysterieuze figuur Pozzi in een nieuw licht plaatst en hem de biografie schenkt die hij naar Barnes’ idee verdient.

    De man in de rode mantel
    Auteur: Julian Barnes
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De dood van Jezus

    Nobelprijs- en tweevoudig Booker Prize-winnaar J.M. Coetzee sluit zijn saga over het leven van de jonge Davíd af met De dood van Jezus (vertaling Peter Bergsma), waarin hoofdpersoon Davíd zich geëngageerd toont en gaat, zonder dat zijn ouders Inès en Simón enige inspraak hebben op zijn keuze, in een weeshuis wonen. Als hij kort daarna onverklaarbaar en ernstig ziek wordt, vrezen zijn ouders voor zijn leven. Coetzee schuwt diepe thema’s en emoties niet in zijn nieuwe roman – iets wat hij volgens kenners van zijn werk per definitie niet doet. Zoals Griet Op de Beeck eens zei: ‘(Precies daarom) is hij me zo lief: hij loopt niet in een boogje om de grote emoties heen, maar staart ze vol in het gezicht.’

     

    De dood van Jezus
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vormen van gekte

    In het gedicht ‘Een kinderspiegel’, uit Beemdgras (1968), reflecteert dichteres en toneelschrijver Judith Herzberg op het ouder worden – en alle ongemakken die de verteller in de toekomst liever uit de weg zou gaan:

    ‘Als ik oud word neem ik blonde krullen
    ik neem geen spataders, geen onderkin,
    en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
    dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
    alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.’

    Nu, op haar vijfentachtigste, is Herzberg even jong van geest en actief als altijd. In Vormen van gekte, haar nieuwste bundel, zijn zowel oude als nieuwe gedichten opgenomen. Herzbergs werk werd onder meer bekroond met de P.C. Hooft-prijs, de Constantijn Huygens-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.

    Vormen van gekte
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie
  • Nacht van de Poëzie grootschalig festival met traditionele elementen

    De 37e editie van de Nacht van de Poëzie vond plaats op 28 september 2019 in de Grote Zaal van TivoliVredenburg.
    ‘Een Nacht van de Poëzie is voldoende om jaren niet meer te dichten,’ schreef Remco Campert eens. Een bezoek aan de Nacht doet anders vermoeden: dichter Esther Jansma, van wie al een tijd geen bundel is verschenen, merkt na haar aankondiging meteen op dat er snel nieuw werk zal komen. Daarop gaat er een zucht door de zaal.

    De jaarlijkse Nacht kent een lange traditie, maar ook nogal wat rellen en ophef. Mirjam van Hengel beschreef in de Volkskrant (27 sept. 2019) enkele van de veelzeggendste: zo trad Gerard Reve op in een nazikostuum en tekenden chaos en wanbeleid de eerste edities. Ook zouden dichters volgens de overlevering vetes achter de schermen uitvechten tussen de bedrijven door. Waar Campert destijds opmerkte dat je ‘ten slotte het slagveld verliet’, ‘gewonden en gesneuvelden achterlatend,’ verloopt deze 37e editie soepel. Dat is niet verwonderlijk, want van een rommelig evenement in de jaren ’60 is de Nacht uitgegroeid tot een grootschalig festival in poppodium TivoliVredenburg in Utrecht. De Nacht trekt grote namen en biedt bezoekers naast optredens ook signeersessies en een boekenmarkt, waar werk van de auteurs gekocht kan worden. Toch is de sfeer kleinschalig gemoedelijk: zodra de stoelen in de Grote Zaal vol zijn, gaan mensen op de trappen aan weerszijden van de tribune zitten, nemen plaats op de balkons, zelfs bij de uitgangen staan drommen toeschouwers. Iets van het ongeorganiseerde van vroeger lijkt hier toch nog – op een goede manier – te heersen.

    Thema van de Nacht

    TivoliVredenburg is voor de gelegenheid ingericht naar het thema, een dichtregel van Jan Wolkers uit zijn ‘Kalkstenen vlinders’: De stad zegt met één oog de nacht gedag. Vanaf het podium kijkt een enorm oogvormig decorstuk het publiek in. En in de pupil zijn de contouren van een skyline uitgesneden. Zo breed als je die frase kunt interpreteren, zo afwisselend is het programma: onder de negentien dichters zijn (vijf!) veelbelovende debutanten en geprezen oudgedienden. Onder hen zijn, in willekeurige volgorde: Babs Gons, Adriaan van Dis, Hagar Peeters, Tom Lanoye, Ellen Deckwitz, Rosa Schogt, Iduna Paalman, Ivo van Strijtem, Asha Karami, Ingmar Heytze, Nachoem Wijnberg, Esther Jansma, Lévi Weemoedt, Maud Vanhauwaert, Gerda Blees, H.C. ten Berge, Joost Decorte, Frans Kuipers en Kees Spiering. Van jeugd- tot ‘volwassen’ poëzie, serieus en satirisch, van abstracte dichtvormen tot klassieke sonnetten: alles komt voorbij.

    Een aantal dichtoptredens maakt bijzondere indruk. Adriaan van Dis draagt werk voor van onder anderen de Zuid-Afrikaanse dichters Antjie Krog, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach – de laatste is verhinderd en Van Dis is in zijn plaats. Hij adresseert Apartheid, maatschappelijke ongelijkheid, de arm van de wet die geliefden uit elkaar en tot zelfmoord drijft in Adam Smalls ‘What abou’ de lô/What about the law’. Zijn voordracht zet de intieme ruimte in een ander licht, het oogvormige decorstuk staart naar het publiek, de dichtregels galmen na. Toch reageert Van Dis luchtig als er wordt geklapt: ‘Hè, stop nu toch, dit gaat allemaal van mijn minuten af!’

     

    Hij is niet de enige die een statement maakt zonder zijn engagement al te dik aan te zetten. De gedichten van Asha Karami zijn absurdistisch, sec, af en toe messcherp. Vaak lijkt haar werk aan te sluiten bij politiek-maatschappelijke onderwerpen, hoe abstract de situaties die ze schetst aanvankelijk ook overkomen. Ze laat genoeg stiltes vallen om haar regels nog even te laten rondzingen in de ruimte. Als ze impliceert een zekere rechtse politicus een kaakslag te hebben verkocht, gaat na een paar seconden een bevrijdende lach door de zaal. Ze doet ook het tegenovergestelde met verve: met schijnbaar alledaagse onderwerpen laat ze de luisteraar in vertwijfeling achter. Ook haar ‘vloeibare’ identiteit vormt een belangrijk thema dat ze desondanks terloops aankaart: ‘om mijn moeder te zien/ga ik naar holland casino/ladies night gratis drankje/ vind ik haar bij roulette’

    Angagement aanwezig

    Tom Lanoye toont zich eveneens maatschappelijk geëngageerd, en iedereen mag het weten: hij trekt alle registers open. Hij voert zijn bewerking van het Hooglied op, samen met een jonge actrice die hij voorstelt als zijn nichtje. Haar rol is beperkt maar doorslaggevend: ze is degene die door Lanoye wordt lastiggevallen tijdens het uitgaan, hij dwingt haar hem een kans te geven in niet mis te verstane bewoordingen. Zij wijst hem tot drie keer toe af, waarop hij inbindt, op zijn knieën valt en haar smeekt om hem dan ’toch minstens haar telefoonnummer te geven!!!, duidelijk geïnspireerd door de #MeToo-tendens. Lanoyes Hooglied is indringend en theatraal, compleet met lichtshow, aanzwellende muziek en geluidseffecten. De reacties zijn wisselend: sommigen zuchten, anderen zijn gehypnotiseerd.
    De Utrechtse dichter Ingmar Heytze windt het publiek ingetogen om zijn vinger: eerlijk, bijna breekbaar draagt hij een gedicht voor over een overleden dierbare. Er wordt ademloos geluisterd.

    Entre’actes

    Ook de entr’actes verrassen in hun veelzijdigheid. Het duo Marnix Dorrestein (elektrische gitaar) en Nora Fischer (zang) voert 17e-eeuwse liefdesliederen en vroege 20e-eeuwse klassieke muziek op. Bijzonder zijn de moderne arrangementen waarin ze de muziekstukken steken: er klinken rock, grunge en hier en daar zelfs fado-invloeden in door. De Bosnische zanger Božo Vrećo brengt in een jurk en op torenhoge hakken traditionele volksliederen ten gehore, begeleid door opzwepende drums. Zijn stem is krachtig en zuiver, maar niet iedereen begrijpt de act, en ondanks herhaalde verzoeken klapt het publiek maar aarzelend mee op het ritme van de muziek.

    Ook Gilbert O’Sullivan treedt op, een op het eerste gezicht verrassende keuze. De Ierse singer-songwriter had in de jaren ’70 succes met nummers als Matrimony en Alone again (naturally), maar verdween uit de schijnwerpers, afkerig als hij was van de showbusiness. Haast verlegen zit hij achter zijn keyboard, tussendoor af en toe anekdotes en grappen vertellend over zijn carrière, het schrijven van liedjes. Na het eerste nummer al blijkt waarom O’Sullivan zo’n goede keus is: bijna alle oudere bezoekers van de Nacht zingen mee (‘You can join in.’), dansen met elkaar, knijpen elkaar in de arm: ‘Goed is hij, hè? Nog steeds!’ Met hun enthousiasme steken ze de jongere bezoekers aan.

     

     

    De Nacht van de Poëzie mag dan al decennialang volwassen zijn, sommige dingen lijken onveranderd, met name het spontane karakter ervan. Er wordt niet op voorhand een programma bekendgemaakt, wat een bezoek ook een beetje in een zoektocht doet veranderen: er is voor elk wat wils, maar je moet wel net op het juiste moment op de juiste plek zijn. Dat is tegelijkertijd de charme ervan: als je je favoriete dichter mist, kan een nieuwe favoriet zich plotseling aandienen. Één Nacht van de Poëzie is voldoende om nog jaren te kunnen lezen.

     

    © foto’s Michael Kooren en Patrick Post

     

  • Het nietige van de mens in essayistische roman

    Het nietige van de mens in essayistische roman

    In Flessenpost uit Reykjavik schetst schrijver en violist Laura Broekhuysen (1983) met rake, zintuiglijke bewoordingen de geïsoleerde fjord en de stad Reykjavik, waar zij en haar gezin afwisselend wonen. Broekhuysen emigreerde naar het geboorteland van haar geliefde, de IJslandse componist Einar Torfi Einarsson. Ze deed in Winter-IJsland (2016) verslag van hun eerste jaar daar met hun jonge dochtertje, en in verwachting van hun zoontje. Met Flessenpost uit Reykjavik pakt ze de draad van haar relaas weer op. Beide boeken zou je kunnen lezen als ‘enkel’ literaire dagboeken, reflecties op het leven van alledag in een nog relatief onbekende leefomgeving, maar daarmee zou je haar ernstig tekortdoen. Ze snijdt legio veelomvattender thema’s aan: nationale identiteit, migratie, taal, de rol van literair erfgoed en cultuurverschijnselen.

    Tastbare beschrijvingen

    Broekhuysen heeft een bijzonder talent voor het tot leven brengen van haar omgeving en de waarnemingen die ze doet: ze laat haar lezer de zeelucht ruiken, de vlieger Pórarinn klapperend in de straffe wind. Kleuren, smaken en aanrakingen omschrijft ze indringend en poëtisch, IJsland wordt tastbaar. De continue strijd met de elementen en de afstand tussen de fjord en de bewoonde wereld bepalen het leven op het eiland, een bijna unieke ervaring in een tijdsbestek waarin smartphoneprikkels en comfort onze levensstijl dicteren. In een aangenaam tempo loodst Broekhuysen de lezer door de natuur en door Reykjavik waarbij ze alles benoemt wat haar op die route opvalt, zowel in positieve als negatieve zin. Haar persoonlijke worsteling met integreren en talige obstakels is daarbij leidend: ze neemt noodgedwongen de rol van ‘de ander’ aan.

    Zonder taal

    Haarfijn levert zij kritiek op dat beeld van de ander, dat tegelijkertijd context gebonden en universeel is. Het draait allereerst om iemand die de taal niet machtig is, niet is geïntegreerd in het culturele leven van zijn nieuwe woonplaats en zich nooit heeft verdiept in de legenden en sagen van de oorspronkelijke bevolking – die laatste zijn op IJsland heilig. Verhalen verbinden: taal is een wapen, een manier om jezelf een identiteit aan te meten en je te verbinden met degenen die hun ervaringen en herinneringen al tijdenlang op diezelfde manier vormgeven. Exemplarisch is het feit dat Broekhuysens dochtertje op school een IJslands liedje aanleert dat al snel veel minder onschuldig blijkt te zijn dan haar moeder had gehoopt, maar dat de kinderen als vanzelfsprekend wordt aangeleerd. Opeens blijkt haar dochter beter geïntegreerd dan zij, hoewel zij nog niet op de hoogte is van de diepere betekenis van de liedtekst.

    Spiegelend integratieproces

    Haar onmacht zich als IJslandse te bewegen koppelt Broekhuysen aan het integratieproces van immigranten in Nederland. Aanpassing moet vooral snel gebeuren – hoe sneller en vlekkelozer, hoe beter. Maar aanpassing duurt jaren, zo niet een mensenleven, en hangt af van de aansluiting bij iemands oorspronkelijke referentiekader.
    Ze concludeert: ‘We zijn niet in staat betekenis te geven aan de parameters omdat we ze niet van binnenuit kennen. […] De informatie die we ontvangen vindt nergens een bedding.’ IJsland lijkt in die zin soms een onneembare vesting, waar mensen afkerig zijn van buitenstaanders – een beeld dat gelukkig al snel begint te wankelen. De eerste voorzichtige gesprekken met de andere ouders, Broekhuysens ingeving om haar viool mee naar school te nemen en voor de kinderen te spelen, de manier waarop ze toenadering zoekt tot haar schoonfamilie en die ook vindt, zijn individuele maar veelzeggende overwinningen.

    Blauwdruk van een samenleving

    Zonder generaliserend of aanmatigend te zijn legt Broekhuysen haar blauwdruk van de IJslandse samenleving naast haar beeld van de Nederlandse en raakt ze aan algemene maatschappelijke pijnpunten. Flessenpost uit Reykjavik is echter niet alleen een geslaagde essayistische roman, maar ook een zorgvuldig uitgevoerde compositie. De weidsheid van het woeste IJslandse landschap contrasteert scherp met het huis in de fjord en de isolatie van het gezinsleven, benadrukt de kwetsbaarheid ervan. De minutieuze wijze waarop Broekhuysen het natuurgeweld en het nietige van de mens beschrijft, roept hier en daar associaties op met passages uit Willem Frederik Hermans’ Nooit meer slapen.

    Broekhuysen analyseert ruimten, voorwerpen, mensen en woorden en elke observatie draagt bij aan de gelaagdheid van haar verhaal. De indeling van het huis en de vormgeving van het interieur koppelt ze bijvoorbeeld aan de werking van haar twee hersenhelften, als metafoor voor de eenwording van mens en directe leefomgeving. Ook haar integratie in het thuisland van haar man krijgt metaforisch gestalte: van weggewaaide vlieger naar het samen stekken van een plant en naar verstrengeling van vliegertouw met pas geplante boom; van los zand naar vaste grond onder de voeten, van aarzelende ‘kant-en-klare’ zinnen bij de bakker en slager naar intieme gesprekken. Flessenpost uit Reykjavik is een krachttoer die leest alsof het Broekhuysen nauwelijks moeite kostte – het opschrijven ervan dan.