• Juweel van een roman over verliezers in het Duitse interbellum

    Juweel van een roman over verliezers in het Duitse interbellum

    Zelden zoveel slampampers bij elkaar gezien als in de roman Mensen naast het leven van de jonggestorven Duits-joodse auteur Ulrich Alexander Boschwitz (1915-1942). Slampampers maar ook overlevers. De roman werd in 1937 gepubliceerd, niet in het Duits, maar in het Zweeds. Boschwitz verliet Duitsland in 1935, emigreerde naar Zweden, waar hij de roman op zijn tweeëntwintigste schreef. Blijkbaar kreeg hij het Zweeds in korte tijd onder de knie. Hij vluchtte in 1939 naar Engeland, werd er kort geïnterneerd en daarna per boot naar Australië gedeporteerd. In 1942 kwam hij om het leven toen de boot, waarop hij van Australië naar Engeland terugvoer, werd getorpedeerd. In 2018 werd Mensen naast het leven pas voor het eerst in het Duits vertaald. Onlangs is het juweeltje in een uitstekende Nederlandse vertaling van Irene Dirkes door uitgeverij Oevers uitgebracht.

    De roman speelt zich af in Berlijn in de beginjaren dertig, een verschrikkelijke tijd, voorafgaand aan het nazitijdperk. Boschwitz geeft een verbijsterend portret van een aantal werklozen, steuntrekkers en randfiguren die slachtoffer zijn geworden van hun gemankeerde opvoeding, opleiding en gezinssituatie en proberen te overleven in een wereld waarin er voor hen geen werk is. Deze mensen zijn op de een of andere manier met elkaar verweven en komen uiteindelijk in de apotheose van de roman samen in een café met de misleidende naam De Vrolijke Jager.

    De slampampers en overlevers

    De oude bedelaar Fundholz leeft van de pfennigs die hij bij elkaar bedelt, slaapt in een vochtige kelder. Een dikzak die de naam Tonnetje draagt, sleept hij uit mededogen overal met zich mee. Tonnetje heeft alleen belangstelling voor eten en slapen, spreekt in gebrekkige zinnen (‘Tonnetje honger’) en is een blok aan zijn been. Fundholz is, zoals de auteur zegt, een vogelverschrikker, ‘niet gekleed maar omhangen’ en al enkele malen wegens landloperij opgepakt. Hij probeert uit handen te blijven van de politie die hem van de straat wil hebben en onderbrengen in een werkkamp. Via Fundholz krijgen we inzicht in de strategie van de beroepsbedelaar, komisch maar ook mensonterend.

    Dan heb je Grissman, een lafhartige werkloze, die zich te goed voelt voor eerdergenoemden. Hij bezint zich op het plegen van een grote misdaad waardoor hij rijk kan worden om zich uit zijn beklagenswaardige toestand te bevrijden. Grissman heeft geen enkel zelfvertrouwen, omdat hij denkt dat hij zelf de oorzaak is van zijn werkloosheid. Hij is naarstig op zoek naar een vriendin.

    De chique hoer Minchen Lindner zit goed in de slappe was vanwege het herenbezoek dat zij iedere avond ontvangt. Zij is de enige met wat zelfvertrouwen. Zij onderhoudt haar aan lagerwal geraakte vader die door malversaties in zijn werk als gerechtsdienaar in de gevangenis is beland en daarna aan het zuipen is gegaan. Prachtig laat Boschwitz zien dat de snor van haar vader het toonbeeld is van gezag en positie in het begin van de twintigste eeuw (Kaiser, officieren). Deze snor wordt in de gevangenis afgeschoren. Boschwitz begrijpt de symbolen van zijn tijd.

    Tenslotte is er nog de blinde man Sonnenberg, die zijn handicap heeft opgelopen in de Eerste Wereldoorlog. Hij houdt zich in leven met de verkoop van lucifers en het spelen op de trekharmonica. Heel mooi beschrijft Boschwitz de psychologie van de aalmoesgevers: ‘Als ze Sonnenberg tien pfennig gaven, dan wilden ze niet alleen hem helpen, ze wilden tevens investeren in het nobele gevoel ruimhartig te zijn.’ Sonnenberg reageert zijn eigen frustraties af op zijn vrouw Elsi, die bang voor hem is en van hem af wil. Dat leidt tot prachtig geschreven afschuwelijke scènes van een in zijn woede bijna stikkende blinde man die zijn vrouw verrot scheldt en fijnknijpt en daarna spijt heeft.

    Zij die het gelag betalen

    Boschwitz beschrijft zijn hoofdpersonen ironisch en vol mededogen. De schrijver laat zien dat deze mensen het slachtoffer zijn van maatschappelijke en economische ontwikkelingen die niet door hen veroorzaakt zijn. Tussen de verhalen over de mensen door besteedt hij aandacht aan thema’s als rationalisatie, de term die toentertijd gebruikt werd voor de strikte tijdsbeschrijving van het productieproces, waardoor arbeidskrachten werden opgedreven tot hogere productie in dezelfde tijd en mensen zonder werk kwamen te zitten. De term rationalisatie werd internationaal gebruikt en had in de jaren dertig eenzelfde verachtelijke klank als voor sommigen de term ‘globalisering’ nu.

    De roman bevat prachtige scènes waarin de hoofdpersonen met al hun gebreken worden getoond. Het gaat stuk voor stuk om mensen die in hun leven spreekwoordelijk het gelag moeten betalen, maar daar zelf weinig of niets aan kunnen veranderen. De roman blinkt ook uit in scènes waarin bepaalde opvattingen worden geridiculiseerd. Zo wordt de onnozele Tonnetje op een bankje in het park door een vreemdeling, genaamd Müller, getrakteerd op beschouwingen over de ware schuldigen van de malaise in de wereld: de joden en de vrijmetselaars, zoals dat al in de Protocollen van Zion staat vermeld. De man oreert over mensen als Ludendorff, de generaal die van mening was dat Duitsland in de Eerste Wereldoorlog een dolk in de rug was gestoken door het thuisfront, met name door joden. Hij praat ook honderduit over vrijmetselaars als Schiller en Goethe. Tonnetje denkt dat het om groentes gaat die hij nog nooit heeft gegeten, want hij eet enkel koolrapen, zijn lievelingsgerecht. Als Müller hem vraagt of hij een vrijmetselaar is en Tonnetje uit angst ‘ja’ knikt, is dat voor de man de bevestiging dat die vrijmetselaars overal zitten. Hij loopt boos weg en Tonnetje blijft peinzend achter: ‘Schiller, dacht hij, hoe zou dat smaken? Hij had de zoetige smaak van gedroogde pruimen nog in zijn mond. Of dat Schiller was? Hij zou het niet weten.’ Alleen al deze en vele andere schitterende scènes maken het lezen van dit boek tot een genot.

    Ook schrijft Boschwitz prachtige beschouwingen, bijvoorbeeld over wat honger met mensen doet: ‘Honger is de beste kok wordt gezegd, maar ook een uitstekend kalmeringsmiddel. Mensen die wekenlang niets te eten hebben zijn in de meeste gevallen bereid de onjuistheid van hun standpunt in te zien. Meningen en opvattingen worden vale schimmen wanneer je ze niet kunt voeden.’

    Vernietiging van ‘hele volksstammen’

    Aan het einde van de roman komen alle hoofdpersonen van de roman samen in café De Vrolijke Jager. Het café is de pleisterplaats van een groep pooiers die om de politie te misleiden doen alsof ze een zangkoor zijn. Een van de pooiers is Mooie Wilhelm, een jongeman van 26 die bij toeval in het beroep terecht is gekomen. Hij wil eruit, probeert een normale baan te vinden en besluit de pooiersvergadering van zijn beslissing op de hoogte te stellen. Maar zijn goede bedoelingen worden doorkruist door de harde realiteit. Er breekt namelijk een gevecht uit tussen de oersterke blinde harmonicaspeler Sonnenberg en de slapjanus Grissman. De schrijver gebruikt vele bladzijden om de confrontatie tussen deze kemphanen te beschrijven. Het is de apotheose van een boek waarin de beschrijving van de gevoelens van de vechtersbazen samengaat met algemeen maatschappelijke beschouwingen. De confrontatie tussen Sonnenberg en Grissman is een onvermijdelijke, gewelddadige botsing tussen twee mensen die door de omstandigheden vervreemd zijn van het gevoel dat ze nog enige betekenis hebben in de samenleving. Deze confrontatie geeft Boschwitz aanleiding te filosoferen over de totale vernietiging van ‘hele volksstammen’. Volgens de auteur is het te verwachten dat in de volgende jaren nog andere vernietigingen zullen plaatsvinden. Er is een alomvattend gevecht aanstaande waar iedereen bij betrokken zal worden.

    Door deze profetische laag stijgt het boek uit boven het niveau van een komisch en bizar verhaal en dringt Boschwitz door in de kern van de tot ondergang gedoemde samenleving van zijn tijd.

     

     

  • Sterven in de zomer

    Sterven in de zomer

    De Duits-Hongaarse Zsuzsa Bánk (1965) schrijft in haar nieuwe roman De paradijstuin over de dood van haar vader. In tegenstelling tot wat de titel van het boek en het omslag met een bloeiende tulpenboom op het eerste gezicht doen vermoeden, is het onderwerp van de nieuwe roman van Bánk dus weinig idyllisch, alhoewel de taal die wordt gehanteerd weer bijzonder lieflijk is. Vertalers Irene Dirkes en Lucienne Pruijs hebben een geweldige prestatie geleverd door de lyrische zinnen en de prachtige stijl van Bánk vanuit het Duits te vertalen.

    Zsuzsa Bánk vertelt het verhaal vanuit het ik-perspectief. Ze brengt haar ernstig zieke vader vanuit Duitsland naar Hongarije, waar hij aan het Balatonmeer zijn laatste zomer zal gaan doorbrengen. Het loopt echter anders, omdat de ziekte waaraan hij lijdt plotseling sneller dan verwacht om zich heen slaat en vader met grote spoed teruggebracht moet worden naar Duitsland. Het gaat voor Bánk allemaal veel te snel: sterven vindt zij niet passen bij de zomer, sterven hoort in de winter.

    Ongeneeslijk wordt van alle kanten bekeken

    Aan de hand van talrijke flashbacks wordt het leven van vader gereconstrueerd. Zijn jeugd als zoon van een stationschef in Hongarije, de vlucht in 1956 voor het regime in Hongarije, zijn ontmoeting met haar moeder, de eindeloze vakanties naar hun zomerhuis met de paradijstuin en vooral de langdurige zwemtochten in het meer worden liefdevol en met aandacht voor detail beschreven.

    De aftakeling van haar vader valt de ik buitengewoon zwaar: het wachten op uitslagen, op artsen die tijd hebben, het zichtbare lijden van haar vader die verandert van een pientere en actieve tachtiger in een door een delirium gekwelde bejaarde, die om zichzelf zou moeten huilen als hij van buitenaf naar zichzelf kon kijken. Bijzonder is de manier waarop de auteur woorden geeft aan haar verdriet. Een woord als ongeneeslijk wordt van alle kanten bekeken: ‘Eerst moesten we de zin of onzin achter de letters vinden, zijn ware betekenis, het geniepige en het onontkoombare erin; dat het betekent: zonder genezing, dat het betekent: zonder perspectief, dat het betekent: zonder toekomst, dat het betekent: zonder morgen, dat het betekent: het komt niet meer in orde, het komt nooit meer goed.’

    Stilletjes huilen

    Het verdriet van Bánk loopt parallel aan de draaikolk van woorden die dat verdriet beschrijven, maar zonder dat het op enig moment sentimenteel wordt. Zij heeft zichzelf namelijk getraind in het niet-huilen en ze legt dat ook aan haar moeder op. Alleen stilletjes, als er niemand bij is, mag er gehuild worden. Ze begint haar vader al te missen, nog voordat hij gestorven is en realiseert zich dat allerlei alledaagse dingen ondermijnd, aangetast en weggevreten worden, terwijl er niets anders voor in de plaats komt, geen vervanging, geen ruilwaar en geen troost. Ze beseft dat ze voorheen eigenlijk nooit rekening heeft gehouden met zaken als ziekte en dood. Gelukkig heeft ze een paar goede vriendinnen, die wonderlijk genoeg allemaal in een vergelijkbare situatie zitten waardoor ze elkaar tot steun kunnen zijn.

    Wanneer het onvermijdelijke dan toch gebeurt, voelt de ik zich omwikkeld met verdriet. Ze houdt zich niet langer groot en ziet met lede ogen hoe er steeds meer bewijzen dat haar vader geleefd heeft verdwijnen. De rituelen rond overlijden en begraven zijn in Duitsland enigszins verschillend ten opzichte van wat wij in Nederland gewend zijn, maar dat is voor de leeservaring niet storend. Het enige minpuntje van het boek is dat de thema’s rouw, ziekte, verdriet en dood en de manier waarop ze beschreven zijn nogal zwaar zijn om de lezer langdurig aan bloot te stellen; De paradijstuin is daarom bij uitstek een boek dat zich leent om simultaan met een ander boek te lezen.

    Herkenbaar en troostrijk

    Zsusza Bánk heeft een geheel eigen, lyrische en warme stijl. Het contrast tussen de schoonheid van de taal en het onderwerp van het boek kan bijna niet groter zijn. Voor iedereen die een geliefde heeft verloren aan ziekte en dood is het verhaal herkenbaar en troostrijk, omdat Bánk woorden weet te vinden voor de gevoelens die een mens in zo’n situatie kunnen overspoelen. Gelukkig is er te midden van het verdriet ook altijd liefde en hoop: ‘De doden zijn nooit dood, ze horen in de eerste zinnen van een ontmoeting, van een gesprek, ze zitten in de tuinen, aan de tafels, voor de soepkommen, de mandjes met gesneden witbrood en bevelen, zo, praat nu over mij, stop niet, hou niet op over mij te praten.’
    De weergaloze wijze waarop Bánk zonder ook maar enig cliché te gebruiken taal inzet om een geliefde te portretteren,  is ongekend. Het is niet voor niets dat haar werk al met vele prijzen is bekroond.

     

  • Grillige thriller

    Grillige thriller

    De beste thrillers komen uit Scandinavië. In Stieg Larssons bloedstollende Millennium-trilogie bestrijdt journalist Michael Blomkvist de misdaad: hij rolt een machtig concern met nazisympathieën op en onthult de betrokkenheid van Zweedse gezagsdragers bij vrouwenhandel. Een glansrol is weggelegd voor één van de sterkste vrouwen over wie ooit geschreven is: Lisbeth Salander, de rechterhand van Blomkvist. Zij is als kind ernstig beschadigd, omdat menig curator en psycholoog zich seksueel aan haar vergreep. De discussie over het literaire gehalte van dit tot op heden zeer actuele drieluik duurt weliswaar voort, tijdens het lezen blijft geen nagelbedje onaangetast. 

    In Het licht is hier veel feller kiest de Oostenrijkse schrijver Mareike Fallwickl een andere, vaker bewandelde weg. Niet een geëngageerde journalist, maar verzuurde vrijgezel met een writer’s block is de hoofdpersoon, Maximilian Wenger. Ook dochter Zoey en een mysterieuze brievenschrijfster die Wengers schrijfdrift reanimeert, krijgen een stem. Het licht is hier veel feller is tweeslachtig, voor een roman te eendimensionaal en hashtaggerig, voor een thriller is er te weinig spanning en daarbij wil het boek literair zijn. Met de nadruk op ‘willen’. De opbouw voelt plichtmatig en voorspelbaar aan. In een poging haar mannelijke hoofdpersoon te sparen bagatelliseert ze de #metoo-discussie. En dat Zoey’s broertje Spin het aardigste personage is – een jongen die brandsticht in de zomerse villa van zijn ouders – helpt ook niet bepaald mee.

    Achtbaan blijkt draaimolen 

    Fallwickls hoofdstukken lopen af van tien naar nul. Toch verloopt het verhaal in chronologische volgorde, op wat flashbacks na. Het boek anticipeert op een waanzinnig slotakkoord, waarin Wengers dubieuze verleden, de verkrachting van Zoey en de onmogelijke romance van brievenschrijfster Marlen, tot uitbarsting komen. Die climax blijft uit. Fallwickl verdeelt ieder hoofdstuk keurig in drieën en weigert dit stramien te doorbreken. Eerst mag Wenger zijn frustraties uitwasemen over zijn vergane glorie, ‘Niemand kreeg nog een halve pagina in de kranten, tenzij hij een donkere huid had en over rassenstrijd schreef.’ Vervolgens leest hij een brief van de beter schrijvende Marlen en dan sluit Zoey het hoofdstuk af met hashtags, klef als een apfelstrudel, #newhorizons, #nevermind, #loveofmylife. 

    De boeiende perspectiefwisseling geeft stof tot nadenken. Fallwickl schrijft over Wenger vanuit een hij-perspectief, terwijl Zoey en Marlen hun ervaringen vanuit de ik-vorm meedelen. Hiermee schept Fallwickl enerzijds afstand tussen het lezerspubliek en de man, anderzijds wekt ze medeleven op voor de vrouwen, beiden slachtoffers van seksueel geweld. Het boek stuurt aan op ‘female empowerment’ en uitgerekend de vrouw met de minste spreektijd, Marlen, vindt de juiste woorden: ‘Ik zou mijn tong willen afsnijden en hem boven je willen uitdrukken, zodat alles op je druppelt wat ik niet zeggen kan.’ Het is een gemis dat Fallwickl Marlen niet meer pagina’s geeft, al legt Zoey ook de vinger op de zere plek: ‘Je mag echt helemaal niets meer’, schrijven veel kerels, ‘je wordt al veroordeeld als je gewoon de deur openhoudt voor een vrouw,’ en altijd als ik zoiets lees, hoor ik (…) de stem van papa.’ En diezelfde papa krijgt de meeste spreektijd.

    Boys will be boys

    Aanvankelijk treffen we Wenger aan in een roemloze toestand: in zijn meubelloze woning, pornokijkend met de erectie van een castraat. Meer vernedering verdient een voorheen gevierde auteur niet. Als echter duidelijk wordt hoe hij met het andere geslacht omgaat, mag hij van geluk spreken er zo genadig vanaf te komen. Zijn ex-vrouw Patrizia, de moeder van beide kinderen, bezwangert hij, zodat haar carrière minder glansrijk dan de zijne blijft. Bij een etentje met zoon en dochter noemt hij een lachende vrouw aan de aangrenzende tafel een slet, hij heeft tijdens zijn huwelijk vele affaires en sneert op de Frankfurter Buchmesse dat vrouwen berekenende hoeren zijn. De reactie van zijn literair agent? ‘Geen spat veranderd, die Maximilian. Dezelfde grote bek als altijd.’ Bovendien krijgt hij bij een Tinder-afspraak de neiging zijn 27-jarige date te bespringen terwijl zij dat niet wil en drukt hij de oproep van Zoey weg, die net verkracht is. Zijn excuus is dat hij zijn inspiratie heeft hervonden, nota bene dankzij de prachtig beschreven briefvellen van Marlen. Wanneer zijn kinderen hem confronteren met zijn gedrag, schiet Wenger in de verdediging: ‘”Waar zie je me voor aan, een beest?” Spin laat de vraag onbeantwoord, en dat is erger dan welk antwoord dan ook.’ 

    Met zulke passages geeft Fallwickl haar hoofdpersoon een corrigerende tik, waar hij een flink pak slaag, zo niet een trap voor zijn kloten verdient. Ze moet halverwege het boek hebben gedacht dat een expliciete karaktermoord of afrekening met Wenger te moraliserend zou zijn. Te feministisch, te zuur. Nu is het vooral te lief. Hij maakt namelijk geheel tegen verwachting in een stormachtige comeback met een verhaal over misbruik en steelt de harten van het overwegend vrouwelijke lezerspubliek, hetgeen zijn status als sekssymbool in ere herstelt, ‘In bed schrijft hij de vrouwen.’ Hugo Claus deed dat met Ik schrijf je neer een stuk beter. Tot overmaat van ramp vindt Wenger het nodig dé grootmeester uit de Germaanse literatuur te citeren, wanneer hij in discussie is met een Vice-journaliste die hij te links vindt: ‘‘Dat is de mentaliteit van het gedogen, zoals Robert Musil al heeft beschreven.’ / ‘Wie?’ / ‘Dat was een Oostenrijkse schr… ach, weet je wat, googel hem gewoon.’’ Zo genadeloos als Robert Musil in De man zonder eigenschappen afrekent met de zelfgenoegzaamheid van de Weense jetset, zo kritiekloos portretteert Fallwickl een arrogante vrouwenhater als miskend genie. Ik betwijfel of Musil vereerd is te worden geciteerd in een vertelling die de chicklit maar nauwelijks ontstijgt.

    Achtergelaten kinderen

    In de scènes van Spin en Zoey schittert de roman. Spin haalt Zoey weg uit het bos waar zij is verkracht. Vader was bezig zijn schrijverschap te redden en moeder moest op Instagram een vegan smoothie posten in Los Angeles. Haar broer is de enige die haar begrijpt. En zij alleen begrijpt hem. Als ze bij elkaar in bed liggen, zoals vroeger, staat geschreven, ‘We zijn nog steeds dezelfde, en de pijn is dat ook. (…) ‘‘Mario,’’ zegt hij zacht, ‘‘Mario heeft gezegd dat hij van me houdt.’’ Pas nu voel ik dat mijn broer trilt.’ Even presteert Fallwickl wat Niccolò Ammaniti met Ik en jij presteerde: de eenzaamheid van achtergelaten kinderen verwoorden. 

    Zij die gebruikt en verlaten worden, zijn de ware helden van deze vertelling. Het is dan ook een hard gelag dat haar meest dominante personage, Wenger, diezelfde verlatenheid bij meerdere mensen veroorzaakt én de gebrokenheid afdoet als aanstellerij. Fallwickl had meer tekst kunnen reserveren voor de vrouwelijke stemmen, maar ze laat liever de misstappen van de machoman onderbelicht. ‘Het licht is hier veel feller’, jammer dat het licht de verkeerde kant op schijnt.

     

     

  • Oogst week 45 – 2020

    De jaren

    De Franse schrijfster Annie Ernaux is afkomstig uit een eenvoudig milieu van kleine middenstanders waar arbeiders met hun verhalen de voornaamste klanten waren. Ernaux leerde en studeerde, werd docente en schrijfster waardoor ze een stuk hoger op de sociale ladder terechtkwam. Haar boeken hebben alle een autobiografisch karakter, al streeft Ernaux naar een objectieve wijze van vertellen. In De jaren (2008) beschrijft ze ruim een halve eeuw – de periode 1941-2006 – aan maatschappelijke gebeurtenissen en ervaringen. Ze doet dat chronologisch en becommentarieerd aan de hand van voorwerpen, foto’s, haar dagboeken, kranten en tijdschriften, nieuwsfeiten en haar geheugen.

    Ernaux probeert het verleden te vangen, bespreekt politieke aangelegenheden, culturele gewoonten, gedrag van mensen, taalgebruik, liedjes, radio en tv, reclames, modeverschijnselen, de vooruitgang, en vermengt het persoonlijke met het algemene. Het is een mix van autobiografie, sociologie en geschiedenis geworden, een vorm die door haar is uitgevonden. In het leven van één vrouw wordt een stukje Franse historie weerspiegeld. Het boek, dat haar magnum opus wordt genoemd, won tientallen literaire prijzen.

     

    De jaren
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het licht is hier veel feller

    Een eens gevierde bestsellerschrijver is over alles de controle kwijt. Zijn vrouw is opgestapt, zijn kinderen ziet hij nauwelijks en zijn inspiratie is verdwenen, er komt geen boek meer uit zijn handen. Het enige wat Maximilian Wenger nog kan opbrengen is op de bank hangen in een appartement waar hij de verhuisdozen nog moet uitpakken, en bedenken hoe hij zichzelf te gronde richt. Maar dan ontdekt hij bij zijn post een brief die is geadresseerd aan de vorige bewoner: ‘Wenger heeft de leeftijd waarop een brief nog betekenis heeft, omdat het een echt geschrift is, met het weefsel van iemands woorden, dat dagen in plaats van seconden nodig heeft om aan te komen.’

    Hij opent en leest de brief, net als de volgende brieven die van dezelfde afzender komen, en raakt in de ban van de hartstochtelijk schrijvende vrouw. Wat hij niet weet is dat zijn dochter Zoey de brieven ook inziet. ‘Tot aan mijn tanden is mijn mond met woede gevuld.’ leest de zeventienjarige. De woorden van de onbekende helpen haar bij het nemen van een vergaand besluit wanneer ze geen hulp krijgt als ze in een MeToo-achtige situatie terechtkomt. Ook voor Wenger heeft het lezen van de brieven ingrijpende gevolgen.

    Het licht is hier veel feller
    Auteur: Mareike Fallwickl
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Waar woont de haat?

    Hongarije kent een lange literaire geschiedenis. Al eeuwenlang zien veelgeprezen gedichten en prozastukken van Hongaarse schrijvers het licht. Vandaag de dag denken we bij Hongarije al gauw aan kleingeestig nationalisme, verval van de democratie en de rechtstaat, vreemdelingenhaat en een neergaande lijn in de persvrijheid. In de beste literaire traditie laten 21 van hedendaagse Hongaarse schrijvers in de bundel Waar woont de haat? een ander geluid horen. Via verhalen en essays nemen ze hun land onder de loep, bekritiseren de intolerantie, het cultiveren van haat en de sociale ongelijkheid en pleiten ze voor mededogen en ruimdenkendheid.

    Ze onderzoeken de Hongaarse identiteit, nemen historische gebeurtenissen als de slachting onder Hongaars joden en Roma in 1944 door en behandelen de hedendaagse omgang met minderheden. Het boek houdt de Hongaren een spiegel voor waarin ook Nederlanders zich zouden kunnen herkennen.

    Waar woont de haat?
    Auteur: Samenstelling: Mari Alföldy & Viacheslav Sereda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas