• Het ding dat weg moest

    Het ding dat weg moest

    Sinds het succes in 2008 van Les années (De jaren, 2020), is ook hier bekend dat de Franse schrijfster Annie Ernaux zichzelf en haar levenservaringen tot onderwerp van haar boeken maakt. Ook in het pas opnieuw verschenen Het voorval verwerkt zij haar abortus uit 1964, een trauma dat ze jarenlang onderdrukte, dat wil zeggen: er niet een compleet boek aan wijdde.
    Al vanaf 1974, toen Ernaux debuteerde met Les armoires vides (Lege kasten, 1990), tekent zij op wat er in haar leven omgaat en wat dat met haar doet. Geboren in een kleinburgerlijke omgeving bleek ze door haar intelligentie bestemd voor een meer dan gemiddelde ontwikkeling, waardoor ze vanzelf in een hoger milieu terechtkwam.
    Op school kreeg ze eerst te maken met vernedering en minachting en ervoer ze steeds meer het onderscheid tussen haar thuis en de wereld van het onderwijs.

    Ze haalde hoge cijfers, maar de schaamte over haar ouders, hun triviale gedrag en gewoonten die Annie al snel ontgroeide, verliet haar nooit. De enige manier om er controle over te krijgen was blijkbaar door erover te schrijven. Over haar kindertijd en adolescentie, over haar ouders, haar vader die haar moeder wilde vermoorden, over haar huwelijk, over haar moeders Alzheimer, aftakeling en overlijden. Over haar onvermogen zich op haar gemak te voelen bij mensen van hogere komaf, over haar borstkanker. Alles moest worden vastgelegd, geanalyseerd en begrepen. Ook bij bondige  registraties van het leven van alledag, zoals in De jaren en in De blik naar buiten, is het Ernaux’ beleving ervan die met de lezer wordt gedeeld: ‘Ik laat de mensen, hun leven, in me binnendringen, als een hoer.’ In al haar werk wordt haar wedervaren uitgeplozen, raakvlakken zijn overal te vinden.

    Allesomvattende blik

    Het taalgebruik dat zij voor haar geschriften kiest toont dat de introspectie verder gaat dan een eenvoudig “van zich af schrijven”. Ernaux bedrijft een soort sociologie: beheerst, afstandelijk, authentiek en altijd met scherpe, allesomvattende blik. Zo onderzoekt ze in Mémoire de fille (2016), (Meisjesherinneringen, 2017 en 2022) welk meisje ze ooit is geweest, het meisje dat ze eigenlijk wilde vergeten. Ze heeft het dan over het ‘grote herinneringsvermogen van de schaamte, dat minutieuzer, onverzettelijker is dan enige andere vorm van herinnering.’ En we zien dat ze, jong nog, haar eigen directe ervaringen plaatst in het grote geheel van mens en samenleving.

    ‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen,’ zo begint Meisjesherinneringen, ‘door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken. Die verzinken in de verhevigde aanwezigheid van anderen. Op een dag, of eerder op een nacht, worden ze meegesleept in de begeerte en de wil van één enkele Ander. Wat ze meenden te zijn vervliegt, […]. Ze lopen steeds achter op de wil van die Ander. Die wil is hun steeds vóór. En inhalen doen ze nooit.’

    In Lege kasten overpeinst de hoofdpersoon na een abortus de toekomst. Ze kijkt terug op haar jeugdjaren, wordt heen en weer geslingerd door gevoelens van afschuw en schuld jegens haar ouders die er toch alles voor over hadden om haar te laten studeren. Dan al, in 1974, dringt de herinnering aan de abortus zich steeds op.

    In 2000, in L’Événement (Het voorval, 2004 en 2022) werkt Ernaux deze belevenis van de in 1964 nog illegale abortus volledig uit. Het trauma dat haar leven lang in haar sluimerde moest eindelijk eens gedetailleerd onder ogen worden gezien. Ze kijkt terug op de zomerrelatie met P. die al lang bekoeld was. Hij wordt door haar per brief op de hoogte gesteld van de zwangerschap en van de voorgenomen abortus, al weet ze dat de laatste mededeling bij hem alleen maar tot opluchting zal leiden. Voor haar toestand weigert ze de woorden ‘ik ben in verwachting’ of ‘ik ben zwanger’ toe te laten. Ze zoekt in Rouen, waar ze studeert, naar mensen die haar kunnen helpen – ‘Ik had geen enkele aanwijzing, geen enkel spoor’ – iemand te vinden die de abortus wil uitvoeren, want, schrijft ze, ‘Ik ben wanhopig. Dat ding moet weg.’

    Mannelijke overheersing

    Door het verhaal van toen heen plaatst Ernaux gedachten die ze heeft op het moment van schrijven, zoals: ‘En wanneer ik geen gedetailleerd verslag zou doen van deze ervaring, draag ik ertoe bij dat de werkelijkheid van vrouwen versluierd wordt en schaar ik mij aan de kant van de mannelijke overheersing van de wereld.’
    Het was vanuit een zekere naïviteit dat Ernaux het gevaar niet zag van de samenhang tussen seks en zwangerschap, dat ze niet kon geloven dat haar dit zou overkomen. Ze wijt dit aan haar afkomst. ‘Vaag legde ik het verband tussen de sociale klasse waaruit ik afkomstig was en hetgeen me overkwam. […] Ik werd door mijn verleden ingehaald en wat er in mij groeide was in zekere zin mijn maatschappelijke mislukking.’

    Eenzaam zoekt ze naar een arts die haar wil helpen. ‘Onmogelijk te zeggen waarom ik die chique wijk was ingelopen […]. Het werd al donker en misschien wilde ik niet terug naar huis gaan zonder iets geprobeerd te hebben.’ Ze belt aan, wordt ontvangen. Het woord abortus valt niet. ‘… ik smeekte hem alleen er tot iedere prijs voor te zorgen dat ik weer ongesteld werd. […] Meisjes als ik vergalde de dag van de dokters. Zonder geld en moederziel alleen – anders waren ze niet op goed geluk bij hen terechtgekomen -, dwongen ze hen om zich de wet te herinneren die hen in de gevangenis kon doen belanden […].’ De arts schrijft injecties voor en Ernaux vraagt een medicijnenstudente om ze haar te geven. Later blijkt dat de arts haar met een middel tegen miskramen heeft opgescheept.
    Een vruchtafdrijving gebeurt dan ook niet en vertwijfeld gaat Ernaux zichzelf met een breinaald te lijf waar ze vanwege de pijn die dat oproept al snel mee ophoudt. ‘Niets. Gewoon onmogelijk. Ik huil en ik ben het zo zat.’

    Uiteindelijk komt ze via een kennis in contact met een vrouw die zelf een abortus heeft ondergaan en haar het adres geeft van een ‘engeltjesmaakster’. In een sjofele kleine woning in Parijs krijgt Ernaux een sonde in en bij gebrek aan resultaat een paar dagen later een andere. Minutieus beschrijft ze wat er gebeurt als de vrucht loskomt. In haar studentenflat heeft ze inmiddels een vage vriendin in vertrouwen genomen en ‘was zij het die mij die nacht als enige terzijde stond in de geïmproviseerde rol van vroedvrouw’. Ze huilen beiden. De bloeding stopt niet en Ernaux komt in het ziekenhuis terecht, waar ze geconfronteerd wordt met de heersende klassenverschillen. De coassistent die haar heeft gecuretteerd komt langs en ‘leek slecht op zijn gemak. Ik dacht dat hij zich schaamde omdat hij me er in de operatiekamer zo van langs had gegeven. […] Hij schaamde zich alleen maar […] omdat hij bij gebrek aan informatie over mij een studente van de faculteit der letteren had behandeld als een textielarbeidster of een verkoopster bij de Monoprix.’

    Trots op het vereffenen van de schuld

    Helder beschrijft Ernaux hoe een meisje dat in die tijd zwanger werd en een illegale abortus onderging, door de meeste mensen behandeld werd als een misdadigster, als iemand die zich diende te schamen voor haar misstap.
    Als ze weer helemaal is opgeknapt, is ze veranderd. ‘Ik kijk naar mijn door de zon beschenen benen in een zwarte panty, het zijn de benen van een andere vrouw.’ In Rouen loopt ze over straat ‘met het geheim van de nacht van 20 op 21 januari als iets heiligs in mijn lichaam. […] Ik voelde trots. […] het gevoel dat je verder bent gegaan dan anderen ooit zullen doen. Dat ik dit verhaal heb opgeschreven hangt ongetwijfeld voor een deel samen met die trots.’

    Met het schrijven van Het voorval heeft Ernaux een schuld vereffend, schrijft ze, ‘de enige schuld die ik ten aanzien van dit voorval ooit heb gevoeld: dat het me is overkomen en dat ik er niets mee heb gedaan. […] En het echte doel van mijn leven is misschien alleen dit: dat mijn lichaam, mijn gevoelens en mijn gedachten tot geschriften worden, dat wil zeggen tot iets wat begrijpelijk is en algemeen, mijn bestaan volledig opgelost in de hoofden en levens van de anderen.’
    Beter had Annie Ernaux haar levensdoel niet kunnen verwoorden.

     

  • Oogst week 4 – 2022

    Het voorval

    Het eigen leven tot onderwerp van haar boeken maken. Dat deed de Franse schrijfster Annie Ernaux al vanaf het eerste boek dat ze in 1974 schreef, over haar kindertijd. Daarna volgden romans over haar adolescentie, haar huwelijk. Ook haar ouders waren met hun individuele wedervaren onderwerp van Ernaux’ literaire aspiraties, zoals de maatschappelijke ontwikkeling van haar vader en de ziekte van alzheimer bij haar moeder. In haar eigen leven waren afzonderlijke gebeurtenissen aanleiding voor een boek. Zo was daar L’Événement (2000), dat in 2004 onder de titel Het voorval werd uitgegeven door Singeluitgeverijen.

    Na het succes van De jaren (2020), een vermenging van autobiografische fictie en sociologie, is er nu een derde druk van Het voorval, eveneens in de vertaling van Irene Beckers. Tijdens een heel korte zomerrelatie raakt Annie zwanger. Al snel is ze ervan overtuigd dat ‘dat’ weg moet en ze besluit tot abortus. Een riskante onderneming, want abortussen geschieden dan nog clandestien. De zwangerschap dwingt haar ook na te denken over de relatie met haar moeder en over het feit dat zijzelf leven door kan geven. Neutraal, eerlijk en authentiek beschrijft Ernaux de feiten, zoals ze in al haar negentien boeken doet. Van Het voorval is een film gemaakt die in 2021 in première ging.

    Het voorval
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2021

    Een winter in Parijs

    Het driejarige racepaard Peres duwt per ongeluk tegen de deur van haar stal op het Franse platteland en als de deur opengaat stapt ze naar buiten, ziet iets liggen wat ze kent. ‘Ze bracht haar neus ernaartoe, snuffelde er wat aan en ontdekte het hengsel. Ze pakte de tas op en draafde van het stallenterrein af, de renbaan op. Serieus, dacht ze, voor een paard dat net een lange race met veertien hindernissen achter de rug had, barstte ze eigenlijk nog van de energie. Ze maakte een uitgelaten bokkensprong en brieste.’ Dan gaat het paard op weg, wat het begin is van een avontuur over vriendschap. Jane Smiley schreef met Een winter in Parijs een boek vol vriendelijkheid, troost en hoop, in de trant van Charlie Mackesy’s bestseller De jongen, de mol, de vos en het paard.

    In Parijs komt Peres hond Frida tegen, later komen er twee eenden bij en een raaf. Samen scharrelen ze in de winterse kou hun kostje bij elkaar. Als Peres de achtjarige Étienne ontmoet, ontstaat er vriendschap tussen de jongen en het dierengroepje. Étienne smokkelt de dieren die dat willen naar binnen en ook een rat sluit zich aan. De dieren praten samen, zorgen voor elkaar, hebben ieder een eigen taak en ergeren zich soms aan elkaar. Ze hebben alle eigenschappen en gedragingen die mensen ook hebben. Smiley vertelt het verhaal vanuit de verschillende perspectieven van de dieren en de jongen met ieder hun eigen, unieke persoonlijkheid. Het is een lief boek geworden.

    Een winter in Parijs
    Auteur: Jane Smiley
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    De expeditie

    Het boek De expeditie schreef Wessel te Gussinklo op verbeten toon al in 1963, in drie maanden tijd. Hij was toen tweeëntwintig jaar. Uitgeverij Koppernik laat het nu voor het eerst in druk verschijnen. Hoofdfiguur Ronald spiegelt zichzelf een helder beeld voor van de volmaakte vrouw. Hij legt het zijn geliefde, Mirjam, dwingend op en verwacht dat zij eraan voldoet. Hij verlangt naar een symbiose, naar een compleet samenvallen met de ander. Maar Mirjam weigert aan dat beeld te voldoen en volgt haar eigen belangen.
    In De Groene Amsterdammer zegt Te Gussinklo in januari 2021 over De expeditie: ‘Helemaal per ongeluk, toen ik net tweeëntwintig was, begin ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: verdomd, dit is het, dit wil ik met mijn leven.’

    Eveneens is in deze uitgave van Koppernik Het meesterwerk opgenomen, een autobiografisch en soms hilarisch verslag over de moeilijkheden en mislukkingen die Te Gussinklo ondervond bij het schrijven, vanaf het voltooien van De expeditie tot aan de publicatie van De verboden tuin. Voor deze tweede roman kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden.

    Te Gussinklo, bewonderaar van Dostojewski en Sartre, vindt zichzelf meer een schrijver van inzichten dan van verhalen. Zijn thema’s zijn veelal de strijd met het dagelijks bestaan, macht, ideologieën, tirannen, beelden en visioenen. In 2021 won hij de Boekenbon Literatuurprijs voor Op weg naar De Hartz, het vierde deel van de romancyclus over zijn alter ego Ewout Meyster.

     

    De expeditie
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Koppernik 2021