• Wegwijzer in de wereldliteratuur

    Eerst was er het tijdschrift Raster (1967) en toen dit in 2008 ter ziele ging, was er drie jaar later Terras. Juist, een anagram van Raster. Maar meer dan alleen een anagram is Terras een voortzetting van dat eens zo befaamde tijdschrift. Ook de redactie van Terras streeft ernaar een podium te zijn voor internationale literatuur en kunst. Aan elke editie werken dan ook veel vertalers mee en wordt er werk van internationale schrijvers gepubliceerd, waar je zonder Terras niet zo snel, buiten hun al vertaalde romans/dichtbundels om, werk van zou tegenkomen. Dat je ze daar dan dankbaar voor bent.

    In Door de nacht, het 9e nummer van Terras zijn bijvoorbeeld twee verhalen van de uit Portugese ouders in Angola geboren schrijver José Eduardo Agualusa (1960) opgenomen. Agualusa was in 2013 te gast in Utrecht tijdens City2cities. Een schrijver van magisch realistische literatuur. Agualusa publiceerde meer dan vierendertig titels en werd in vijfentwintig landen vertaald. Vier titels van hem werden in het Nederlands vertaald waaronder de futuristische  roman Labyrint van Luanda, die hij in Amsterdam voltooide met steun van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. De twee verhalen hier gepubliceerd, zijn vertaald door Anne Lopes Michielsen en komen uit de verhalenbundel Fronteiras Perdidas – contos para viajar (1999), Verloren grenzen – verhalen voor op reis. Het is mooi om werk van deze schrijver hier aan te treffen.

    Anders dan in het merendeel van de literaire tijdschriften staan er in Terras weinig of geen debuten. Het werk van buitenlandse schrijvers wordt namelijk vergaard uit reeds gepubliceerd werk. De Italiaanse schrijver Fabio Morábito (1955) groeide op in Mexico-stad en schreef al zijn werk in het Spaans. Het verhaal De schikking (vertaling Heleen Oomen) is uit de bundel La vida ordenada (Een geordend leven) uit 2000. Het is één van de verhalen die sterk tot de verbeelding spreken van een schrijver waarover je meer wilt lezen. Je krijgt het gevoel, wat het korte verhaal betreft, buiten de voetsporen van laten we zeggen Raymond Carver te treden, die gek genoeg tot een soort oervader van het korte verhaal is bestempeld. Maar er zijn meer, zeer goede, prachtige en intrigerende verhalen over de grenzen te vinden. Je zou ze willen ontdekken. Gelukkig dat Terras daar de helpende hand bij kan bieden.

    Een schrijver, waarvan je gewild had dat je hem al kende, is de Peruaan Julio Ramón Ribeyro (1929 – 1994). De koning van de dakterrassen (vertaling: Jos Kockelkoren) is een fantastisch (mooi) verhaal over een jongen die aan de dwingende ogen van zijn moeder ontsnapt door de dakterrassen van de hele buurt af te struinen en van alles van zijn gading te verzamelen. Op een dag ontmoet hij een oude man in een ligstoel die vanuit een wijsheid, die tot niets verplicht, hem dingen laat ontdekken over zichzelf. Dit gaat goed tot zijn moeder dit ontdekt. Van Ribeyro is alleen zijn eerste boek in het Nederlands verschenen. Verwacht wordt nu natuurlijk dat er meer van zijn verhalen vertaald zullen worden. Vooral ook omdat in 2010 in Spanje een honderdtal van zijn verhalen opnieuw zijn uitgegeven onder de titel La Palabra de Mudo, (vrij vertaald) Het gedempte woord. Laten we in stilte afwachten.

    Van de kunstenaar Klaas Kloosterboer (1959) zijn in het midden van het katern op glanzend papier, zes schilderijen afgedrukt. Kijk, en dat maakt Terras zo rijk in beleving. Er is met zorg en aandacht gezocht naar het juiste papier, kleurendruk, lettertype, soepelheid en vorm van het papier. Een fijn tijdschrift. Ga over de grens met Terras en neem gewoon een abonnement.

    Voor meer: kijk op www.tijdschriftterras.nl Ook voor een abonnement.

     

     

  • Er met niemand over praten

    Er met niemand over praten

    De onlangs overleden psycholoog Nico Frijda (1927-2015), die onder andere emoties op de kaart zette, zei dat onder extreme omstandigheden zoals oorlog, er weinig anders op zit dan je emoties te onderdrukken. Zelf legde hij een ‘betonnen deksel’ op zijn oorlogsverleden (zijn vader stierf in Auschwitz en zelf zat hij ondergedoken in Friesland) omdat, ‘je bang bent dat anderen het niet aan kunnen als je erover praat en omdat je bang bent zelf gek te worden als je het doet.’  Iets gelijksoortigs deden de jonge mannen die in 1949 uit Indië terugkeerden.

    Voormalig hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant en schrijver Hylke Speerstra (1936) wordt wel het historische geweten van Friesland genoemd. Eind jaren negentig schreef hij Het wrede paradijs, een bundeling levensverhalen van Friese landverhuizers, die in de jaren vijftig emigreerden naar onder meer Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Tijdens één van deze reizen hoorde hij het verhaal van een oud-Indiëganger die hem op het spoor zette van de geschiedenis van Friese jongens die in Nederlands-Indië (1945 – 1949) hebben gevochten. Hij kwam met tientallen oud-veteranen in contact (allen ver in de tachtig) die hun hele leven gezwegen hebben over hun ervaringen in Indië.  Achttien van deze, zeer openhartige, gesprekken zijn in Op klompen door de Dessa opgenomen.

    Ze werden uitgezonden om ‘rust, orde en veiligheid’ te brengen. Maar het kwam er op neer dat ze werden aangezet tot het uitbranden van kampongs en het uitvoeren van standrechtelijke executies. Wie weigerde te gaan, kwam in de gevangenis en was de familie tot schande. Het was een vaderlandsplicht, zoals een geïnterviewde zei. En meer dan dat: Ze werden door de kerk min of meer naar Indië toe gepreekt.

    De jongens waren nergens op voorbereid en zaten tot kort voor hun vertrek nog onder de plak van ouders en kerk. Christelijk opgevoed, zonder enige ervaring, werden ze in Indië al snel aan seksuele verleidingen blootgesteld. Waren ze eenmaal gezwicht dan bleven ze achter met venerische aandoeningen. Een arts trachtte hen daarvoor te behoeden met het advies: ‘Dreigen de hormonen jullie de baas te worden, masturbeer dan.’ Waarvan veel jongens niet begrepen wat hij daar mee bedoelde. Velen dachten het avontuur tegemoet te gaan maar kwamen terecht in een guerrilla-oorlog die niet te winnen was.
    Toen ze gedesillusioneerd terugkwamen in Nederland, werden ze ontvangen alsof er niets was gebeurd. En zelf zwegen ze. De blijdschap dat ze het overleefd hadden, was groot. Hoe ze het overleefd hadden en wat ze gedaan hadden, daar werd niet naar gevraagd. En voor wie zijn verhaal toch kwijt moest was er op het schip terug de aalmoezenier geweest. Maar die had hen wel op het hart gedrukt dat ze de gruwelijk dingen die ze hem verteld hadden, thuis niet mochten vertellen.

    Ook een dienstweigeraar en een sergeant (oud lid van de Tweede Kamer voor landbouw en ontwikkelingssamenwerking) Rinse Zijlstra, laat Speerstra aan het woord. Zijlstra werd niet uitgezonden maar kreeg de opdracht ondergedoken Indiëweigeraars op te sporen. Hij vertelt hoe hij als twintigjarige met een legergroene drietonner, een bijrijder en een lijst met namen op pad ging.

    In de oorlog moesten wij onderduiken om uit handen van de Duitsers te blijven, in Schoonhoven hebben wij ons laten overhalen jacht te maken op jongens die niet mee wilden doen in Indië. Jongens van ons eigen volk nog wel.

    Je vraagt je af waarom deze mannen er pas zoveel jaren nadien over spraken, en zo ‘gretig’ naar het schijnt. Het antwoord is even simpel als schrijnend: er werd nooit eerder naar gevraagd. Het is mooi te lezen hoe Speerstra bij deze mannen thuis op bezoek, hen met de juiste vragen en integere stiltes, hun verhaal laat vertellen. Waarbij de oprechtheid van deze mannen, ondanks de afschuwelijke details van hun verhalen, verbijsterend is. Daaruit blijkt eens temeer de urgentie van hun verhalen.

    Veel Nederlandse families kennen wel een oom of achteroom die als vrijheidsstrijder in Nederlands-Indië heeft gediend. Wat ze daar hebben meegemaakt was geen gespreksonderwerp. En, zoals gezegd, er zat niemand op hun verhalen te wachten.

    Oorlog ontwricht levens. Met sommige Indiëgangers kwam het nooit meer goed. En veel van de terug gekeerde mannen verlieten voorgoed het dorp en emigreerden. En dan het verhaal over een jongen waarvoor geen zee te hoog ging maar die zijn geliefde vanuit Indië schreef dat hij er tegenop zag om thuis te komen. Tijdens een achtervolging op Java stoof hij in zijn legervoertuig door een kampong vol spelende kinderen, waarvan de afloop zich raden laat. Met dit verhaal durfde hij niet thuis te komen en vertrok van Soerabaja rechtstreeks naar Australië.

    Op klompen door de Dessa is zeer invoelbaar geschreven en geeft inzicht in een periode uit de Nederlandse geschiedenis die lang duister is gebleven.
    De verhalen geven te denken over de impact van ‘bevel is bevel’ en moreel besef. Haal de mens uit zijn context, zet hem in een oorlogsgebied en hij is tot dingen in staat waarvan niemand had gedacht dat hij daar ooit toe in staat zou zijn. En ook dit is een gegeven: Zolang er, waar ook ter wereld oorlog is, zullen mensen traumatische ervaringen opdoen die zij een leven lang met zich meedragen.

     

     

     

  • In memoriam H.H. ter Balkt 1938 – 2015

    In de nacht van 8 op 9 maart is schrijver en dichter H.H. ter Balkt in zijn slaap te Nijmegen overleden. Ter Balkt is 76 jaar geworden.

    Dat hij een teruggetrokken en sober leven leidde was van hem bekend. In 2013 was H.H. ter Balkt uitgenodigd voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. De reis van Nijmegen naar Utrecht was hem echter teveel. Bij hem thuis werd een opname gemaakt waarmee Ter Balkt, na het online optreden van Leo Vroman, die 31ste Nacht afsloot. Zijn laatste woorden waren toen: ‘Droom niet lelijk over de poëzie.’

    Zijn verzameld werk werd vorig jaar uitgegeven door De Bezige Bij. Een dundrukeditie van 1800 pagina’s onder de titel, Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens. Ter Balkt was bekend geworden als dichter van het boerenland. Zijn eerste versje schreef hij op zijn negende; zijn eerste gedicht op zijn vijftiende. In de tijd dat hij onderwijzer was in Drenthe, debuteerde hij in 1969 met Boerengedichten. Hij publiceerde meerdere bundels onder het pseudoniem Habakuk II de Balker. Hij koos voor een pseudoniem omdat hij vond dat een onderwijzer geen dichter kon zijn. Het was of het een of het ander.

    Karakteristiek aan zijn verschijning was zijn sonore stemgeluid waarmee hij zijn gedichten als broeiend brallende stromingen voortbracht en zijn haardracht, dat als een toupetje over zijn schedel leek te zijn gelegd. De haren naar voren, altijd half voor zijn ogen alsof hij daarachter beschutting zocht.
    Over zijn woordkeus is gezegd dat de woorden “stampen, knoerpen, toeteren, wringen en walsen”. Hij gebruikte eigenzinnige woorden als ‘hemelzweep’ en’aardappelmeelschuim’ en lardeerde zijn gedichten met uitroepen: (‘O’) en uitroeptekens. Uit zijn gedichten sprak een sterke kracht als gevolg van woorden en soms hele regels te herhalen. Hij allitereerde naar hartenlust en rijmde zo het hem uitkwam.
    ‘Ik bezing het vertrapte’, schreef hij eens en hij publiceerde als een van de weinige Nederlandse dichters protestverzen: tegen de vervuiling van de zee en tegen kerncentrales. Op de vraag of hij Dichter des Vaderlands zou willen worden, antwoordde Ter Balkt in een interview: ‘Ik heb een moederland, geen vaderland’.

    Van Ter Balkt verschenen meer dan dertig boeken. Eén van de hoogtepunten uit zijn werk zijn de Laaglandse hymnen, bestaande uit meer dan 200 veelstemmige sonnetten waarin Ter Balkt de Nederlandse geschiedenis vanaf de steentijd tot aan het heden bezingt. Van de klokbekervolken tot Rembrandt, van Erasmus tot veldslagen, zeereizen en aardappeleters, van de Bloedraad tot de Vrede van Nijmegen. Met een rauwe maar ook tedere blik op de geschiedenis toonde Ter Balkt zich een meester van de taal en de verbeeldingskracht. Ter Balkt won sinds 1973 verschillend literaire prijzen voor zijn werk, waaronder de Jan Campertprijs, Karel de Grote prijs, Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs. In 2014 ontving hij de erepenning van de gemeente Nijmegen.

    Hierbij een gedicht van Maarten van der Graaff dat zowel in stijl als onderwerp een eerbetoon aan de dichter Ter Balkt is. Het werd geschreven ter ere van het verschijnen van Ter Balkts verzameld werk vorig jaar.

    Voor H.H. ter Balkt

    Een tor.
    Het weerstandsbeleid
    van de tor.
    Zijn onzichtbare woede.

    Ik wacht op de stoptrein
    die verschijnt en aan alles voldoet.
    De tor is de waarheid trouw
    en mijn vader was maagd.

    De veranda.
    Zieltogende lampen.
    Ik hoor geroezemoes uit het slachthuis
    klimmen.

    De tor zweert de waarheid
    te spreken en duikt op bij de deur.
    Over gorzen en slikken
    is hij tot ons gekomen.
    De tor deelt een broodje ei
    met een zwerver.

    Het zwembad. Een tombe.
    De showroom. Een auto.
    De kooi is groter
    dan de belemmeringen
    die wij betreuren.

    Ik wil geen ruïneuze gedichten schrijven,
    maar ingesloten door ontspannen verschijningen
    op een terras zitten.

    Een tor. De tor van zojuist.
    Onze meesters aan zet.

    Ineengedoken op een terras
    aan de wilde dieren denken.
    De wilde dieren der woestijnen.
    De wilde dieren der eilanden.

    Ik wil niet meer,
    maar het leven heeft zijn vormen.
    Recreatieve vormen. Parasietvormen
    en de afmattende vormen
    waarin wij vertroeteld worden.

    Er is geen stem in de wind
    die voor zich uit praat.

    Geen ruïneuze gedichten nu.
    Belangrijk is dat de tor
    blijft staan.
    Dat de tor op zijn pootjes blijft
    in het licht van een fruitautomaat.
    Er is een tor in de wind.
    Hij nadert.

    Dit gedicht werd eerder op de website van De Gids gepubliceerd.

     

    Bron: Wikipedia, De Bezige Bij en de Koninklijke Bibliotheek

     

  • Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

    Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

    Een ontmoeting tussen Wim Brands en Kees ’t Hart bij de literaire salon in het Letterkundig Museum Den Haag. De één publiceerde onlangs de dichtbundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee en de ander de satirische roman Theatro Olympico. Twee schrijvers  met elkaar in gesprek over hun schrijfproces. Voor de pauze interviewde Wim Brands, Kees ’t Hart over zijn laatste roman, na de pauze sprak ’t Hart met Brands over zijn dichtbundel.

     


    Nooit over jezelf schrijven

    Er is al veel gezegd over de opzet van ’t Harts roman Theatro Olympico en Brands vraagt zich af hoe het komt dat het geen ‘onzin’ roman is geworden. Dat ’t Hart daar erg zijn best voor moet hebben gedaan. ’t Hart geeft wat ontwijkende antwoorden en Brands wil weten wat hem ergert. ‘Nou’, zegt ’t Hart, ‘dat is die in zich zelf gekeerde draai die ik maak.’
    ‘De personages in je romans nemen zichzelf niet serieus’, gaat Brands door. ’t Hart bevestigt dat hij met omtrekkende bewegingen schrijft om te vermijden dat je over jezelf gaat schrijven. ‘Nooit over jezelf schrijven’. roept hij stellig. Brands: ‘Maar je doet niet anders.’ ‘Jaja, nu ja’, mompelt ’t Hart, die dondersgoed weet dat hij dat doet. ‘Wat ben je nu aan het doen?’ besluit Brands. ’t Hart werkt aan een kleine historische novelle, Het beeld van Goethe. En aan een idee voor een boek over een echtpaar dat in nare situaties belandt door alledaagse ergernissen.

    Brands op de plek van geïnterviewde toont onwennig, maar geen nood, hij neemt als vanzelfsprekend de leiding in dit interview. Hij stelt voor, omdat hem dit maar het beste lijkt, gelijk de angel eruit te halen (of zoiets) en het eerste gedicht uit zijn bundel te belichten. Zijn bundel, bestaande uit zo’n veertig gedichten lag vorig jaar rond deze tijd klaar toen zijn vrouw te horen kreeg dat ze ernstig ziek was. Zijn gedichten kwamen hem opeens zo nutteloos voor dat hij ze bijna allemaal wegdeed en twintig nieuwe schreef.

    Hij vertelt over een nacht dat het stormde en hij niet slapen kon. En daar kwam ‘de troost van de onverschilligheid’. Een zin die zich in zijn hoofd vormde terwijl hij daar, in de nacht, stond. Hij leest voor: ‘In de eerste nacht nadat ik had / gehoord dat je ziek was / schrok ik wakker // Het waaide buiten. Het waait, zei / jij, die nog geen oog dicht had / gedaan, en je glimlachte. // Ik begreep het pas later. // Wat er ook is, het zal de natuur een / zorg zijn. // Het waait, het waaide – buiten klonk / de troost van de onverschilligheid.’

    Iemand die iets is, wil altijd iets anders worden

    Brands wilde vroeger bioloog worden. Op zijn zestiende schreef hij zijn eerste gedicht en vroeg aan een vriend, die eigenlijk de dichter was, wat hij ermee kon doen. De dichter sprak: ‘Je stuurt het op naar een literair tijdschrift en dan krijg je het terug.’ Hij stuurde het gedicht op en het werd geplaatst. En zo werd hij dichter in plaats van bioloog. Maar ’t Hart herkent in zijn gedichten de bioloog, de ‘sporenzoeker’ in een poging iets te snappen.

    Hoe gaat het schrijven van een gedicht in zijn werk? Een gedicht begint met een gedachte die mogelijkheden openhoudt. Brands wilde een liefdesgedicht schrijven en vroeg zich af: hoe begint een liefde? Daarbij herinnerde hij zich een uitspraak van Wubbo Ockels. Gedaan nadat hij een rekening van 3000 euro voor zijn iPhone gebruik ontving en zijn kinderen hem hadden uitgelegd wat hij had fout gedaan, ‘Achteraf is alles altijd eenvoudig.’

    Het hoofd van de dichter als een vat vol uitspraken en een web van gedachten waarin ook de uitspraak ‘’s middags zwem ik in de Noordzee’, is blijven hangen. Deze opmerking is ontstaan in de tijd dat Brands met zijn, toen nog jonge gezin, vele seizoenen in Bakkum aan zee verbleef. Iemand kwam hem berichten dat de VPRO hem wilde bellen en hij sprak: ‘Dat is goed, maar ’s middags zwem ik in de Noordzee’. En dan ontstaat jaren later dit liefdesgedicht voor zijn vrouw:

    ‘Mijn liefde voor haar begon als een geloof. / Ze was er op een dag, daarna volgden / bedremmeld de redenen: // haar licht loensende ogen, hoe ze sprak / ‘Nee, ’s middags zwem ik in de Noordzee’. // Hoe in dat water haar armen nauwelijks / bewogen. Eenvoudig. Achteraf is alles / altijd eenvoudig.’

    ’t Hart merkt op dat hij geen poëtische taalmunter is, geen grote bewoordingen gebruikt, geen metrum en geen rijm. Dan zegt Brands: ‘Als mislukt bioloog ben ik misschien ook wel mislukt als kunstenaar.’ Maar dat weet hij beter.

     

     

  • Literatuurhuis sluit seizoen met eerste sessie CitySessions succcesvol af

    Het was zo’n  zomerse zondagmiddag dat het beter is de stad te mijden wanneer je er niets te zoeken hebt. Ware het niet dat Het Literatuurhuis in de Winkel van Sinkel te Utrecht op 7 juli een ontmoeting had geregeld tussen ‘Nederlandse lezers’ en de Iers-Amerikaanse schrijver Colum McCann (1965). Terwijl de vrouw van McCann en zijn kinderen zich per boot over de Utrechtse grachten lieten vervoeren, bezong Jan van Mersbergen zijn schrijverskunst en ging Hans Bouman met de schrijver in gesprek over zijn oeuvre. Het geroezemoes vanaf de straat dat door de geopende hoge deuren langs de aanwezigen gleed, samen met het uitzicht op de Domtoren en de Oude gracht gaf deze middag een onverwacht Zuid-Europees cachet.

    Het Literatuurhuis organiseert jaarlijks in april City2Cities, een internationaal literair festival waar twee Europese steden elkaar ontmoeten. Dit jaar waren Berlijn en Lissabon te gast. Voor de vierde editie in 2014 zijn Dublin en Boedapest uitgenodigd. CitySessions is in het leven geroepen om maandelijks of tweemaandelijks een buitenlandse schrijver een podium te bieden en het gebied tussen de City2Cities festivals te overbruggen. Colum McCann, die inspiratie vond bij schrijvers als John Berger (trilogie: De vrucht van hun arbeid) en Michael Ondaatje (De Engelse patiënt) en zelf auteur van zes romans was de allereerste gast van CitySessions.

    Voor McCann aan het woord kwam sprak Jan van Mersbergen  (Naar de overkant van de nacht) vol lof over hem. Van Mersbergen maakte in 2010 voor het eerst kennis met zijn werk. Het was tijdens een vakantie op Schiermonnikoog met zijn toenmalige vriendin en kinderen dat een dringende nood tot lezen hem naar de plaatselijke boekhandel dreef waar hij een boek van McCann kocht. Van Mersbergen is een gulzig lezer, nog voor hij het eerste boek uit had haastte hij zich nogmaals naar de boekwinkel en kocht een tweede boek van McCann. Hier was duidelijk sprake van liefde op het eerste gezicht. Hij geniet van McCann’s zegswijzen als: ‘Oh, wat veel regen voor zo’n kleine hemel,’ en sluit hiermee zijn lofrede af.

    Wat is er te ontlenen aan het feit dat je grootvader door dezelfde straten heeft gelopen als de auteur van Ulysses, James Joyces en je grootmoeder (inval)huishoudster is geweest bij Samuel Beckett? Het heeft er bij McCann in ieder geval toe geleid dat hij Ulysses ging lezen (om zijn grootvader te begrijpen moest hij het lezen) en schrijver werd. McCann is een makkelijke prater waar je graag naar luistert zoals ook zijn verhalen prettig lezen. Op de vragen van Hans Bouman (recensent Volkskrant) ‘hoe hij schrijft’ en waar hij het allemaal vandaan haalt gaf McCann antwoorden als: ‘Meest van de tijd weet ik niet wat ik doe. Later pas ontdek ik wat de roman vertelt.’ Of, ‘ Je herinnert je meer als je emigreert.’ En, “Ik beschrijf geen loze dingen, alles heeft een betekenis. Zola zei immers: ‘We zijn hier om ons leven hardop te leven.’” En dat is wat McCann doet in zijn boeken. Zijn romans hebben als uitgangspunt een historisch gegeven die hij vermengt met fictie waardoor het verhalen worden die ‘levensecht’ zijn en een ieder die nu leeft, aangaan. McCann houdt niet van de term historische romans. Hij brengt liever de historie naar het hier en nu.

    Dan leest McCann in korte, snel opeenvolgende zinnen voor uit zijn net verschenen roman Trans-Atlantisch dat speelt in 1845 en gaat over drie verschillende mannen en loopt langs evenzovele verhaallijnen. De eerste verhaallijn gaat over een zwarte Amerikaanse slaaf die in Ierland een willig oor vindt bij voorvechters van afschaffing van de slavernij. De tweede verhaallijn speelt in 1919. Twee piloten proberen het bloedbad van de Eerste Wereldoorlog te vergeten en maken met een omgebouwde bommenwerper de eerste trans-Atlantische vlucht van Newfoundland naar het westen van Ierland. En in 1998 steekt een Amerikaanse senator de oceaan over om te bemiddelen in het Noord-Ierse conflict. Drie verhalen die op ingenieuze wijze met elkaar vervlochten worden door vrouwen die de oversteek naar Amerika en terug naar Ierland hebben gemaakt.

    Het heeft iets betoverends, de resonerende stem van McCann die de zaal vult en door de hoge open deuren naar buiten uitwaaiert over de zomers geklede mensen die flaneren langs de gracht. Daarbij geven de hoge grijze gebouwen aan de overkant van de gracht met de donkerrood geschilderde balkonweringen de indruk aan, laten we zeggen het Praca do Rossio in Lissabon te zitten. Maar dat komt waarschijnlijk omdat de Angolees/Portugese schrijvers, Eduardo Agualusa en Goncalo M. Tavares nog niet zo lang geleden de stad aandeden.

     

     

  • Gedachten bij een decennium Literair Nederland

    Een persoonlijke herinnering

    Op 15 december 2012 bestaat Literair Nederland 10 jaar. Dit decennium van internetrecensies van Nederlandse en vertaalde literatuur, fictie en non-fictie, proza en poëzie begon met een krantenbericht.
    In het voorjaar van 2000 stond er een klein berichtje in de krant dat een aantal ministeries een potje met geld had vrijgemaakt voor een zogenaamde ‘Millenniumprijsvraag’. Over een aantal disciplines zouden bedragen van een ton, in guldens, worden uitgekeerd voor innovatieve plannen. Ik had een weekeinde niets te doen en zette een idee op papier dat duidelijk geschreven was voor het ontvangend comité, doorspekt met wat visionaire internetgedachten –  die geleend waren – en een blauwdruk voor een website over literatuur die erg veel leek op de Internet Movie Database (IMDB), een website waarvan ik een nogal fervent gebruiker was. Er kwam op geschept papier een bevestiging van ontvangst binnen, en een bericht dat het plan de eerste screening gepasseerd was. In het najaar ging ik naar Tibet en in november kwam ik terug in Amsterdam. Toen lag er opnieuw zo’n brief en die meldde dat het plan genomineerd was en dat de uitreiking zou plaatsvinden op 23 november in de Ridderzaal in Den Haag.

    Kostuum uit Vietnam

    Het was een mooie dag, ik meen dat er acht prijzen werden uitgereikt. Een hele mooie was –  misschien in de categorie emancipatie – de ‘plastuit’, een kartonnen ‘geleider’ die het vrouwen mogelijk maakt staand te plassen. Het was deze plastuit die het meest het nieuws haalde. Ze ontvingen 100.000 gulden om met het plan aan de gang te gaan.
    Die 100.000 gulden ontving ik ook. In de categorie literatuur was mijn database boven komen drijven. Ik stond er in een pak dat ik het jaar ervoor op reis in Vietnam had laten maken, veel pakken had ik niet, ik was net afgestudeerd en vermoedde in Azië dat ik zo’n ding wel eens nodig zou kunnen hebben. Vervolgens moest het nog duizenden kilometers mee in mijn rugzak. Maar hier stond het nu. De toen vigerende ministers Louk Hermans en Annemarie Jorritsma gaven een grote gouden check en een hand en wensten ons allen veel succes.

    Polsblessure

    De avond erna ging onder ingewijden de geschiedenis in als ‘het champagnefeest’. Het volstaat misschien te zeggen dat ik de maandag die volgde bij de dokter was met een polsblessure, die, zo ontdekten we samen, dan toch wel het gevolg moet zijn geweest van champagneflessen ontkurken.
    Een paar weken later had ik een stichting en 100.000 gulden, waarvan 75 voor de uitvoering van de website, en 25 voor eigen gebruik. Over die 25 kunnen we kort zijn, die heb ik twee jaar daarna stukgeslagen door met mijn vrouw Caroline en jong baasje  Zeb (twee jaar), drie maanden door Nieuw-Zeeland te struinen.
    Over de 75 kunnen we ook redelijk kort zijn, die resulteerden uiteindelijk in wat de site nu is, een archief van meer dan 4.000 recensies, stukken over literatuur die gratis beschikbaar zijn en waar mensen die van boeken houden met aandacht aan gewerkt hebben.

    Die mensen zijn belangrijk. Zoals in veel literatuur zal ik de namen hieronder in een noot noemen, niet om ze weg te moffelen, maar omdat het er meer dan zestig zijn.

    Redactie voeren

    De beste manier om ‘redactie te voeren’ hebben we moeten leren. Er zijn drankovergoten avonden geweest in een café aan de Zeedijk, met stapels boeken op tafel, hees pratende dronken Amsterdammers die ons vroegen of we een leesclub waren. (‘Nee? Wat doen dan godverdomme die boeken op tafel?!’) Er zijn picknicks geweest, ruzies, telefonades en eindeloze correspondenties. Er zijn heel erg goede recensenten geweest, en ze gingen ook weer weg, en er kwamen nieuwe.

    Thans wordt de redactie gevoerd door Carolien Lohmeijer en Ingrid van der Graaf. Het nu behoorlijk omvangrijke recensentencorps krijgt boeken per post toegestuurd, recenseert en ontvangt een nieuw boek. Zo kun je het blijkbaar ook doen.

    Een opzet voor de website uit 2008 die het niet werd

    Ik heb in die 10 jaar veel geleerd. Over websites, databases, en afspraken. Over hoe je je geld niet moet uitgeven, over deadlines en wie er wel van houden en wie niet. Ook veel over boeken, want twee lezen meer dan één. En dertig mensen lezen ongelooflijk veel.
    De site heeft een keer of vier in dit decennium een extreme make-over ondergaan. Er was een tijd dat je de kleur van de website zelf kon kiezen, er was een tijd dat we een boek van de week hadden, dat we aan toneel deden, dat we essayettes publiceerden, essays van duizend woorden, dat we een weekschema hadden, een dichtbundel van de week, een non-fictieboek van de week.

    Backup voor het nageslacht

    Literair Nederland heeft nu, (op een maand na) tien jaar na het moment van online gaan, 15 december 2002, 7.000 abonnees en vele, vele bezoekers. Dat vinden we leuk en daar zijn we trots op, maar belangrijker voor ons is dat we literair nieuws signaleren en recensies publiceren over boeken die er toe doen. Niet de boeken waar je tante zo enthousiast over is. De Koninklijke Bibliotheek vroeg ons onlangs of ze een complete back up mochten maken voor het nageslacht. Dat mocht, maar wij schrijven gewoon door, voor u.

    De niet professionele recensent

    Een database is het niet geworden. Als ik in het jaar 2000 van het fenomeen Wiki had gehoord had ik het anders aangepakt. Als ik van Wikipedia had geweten, was ik dat weekend in het park gaan liggen. Het is misschien toch goed dat ik dat niet deed, en voor mij persoonlijk om deze reden: ik ben de recensie-van-de-niet-professionele-schrijver gaan waarderen als een onmisbaar element in het literaire leven. De recensent van Literair Nederland heeft nooit haast, heeft niets af te rekenen en hoeft niet bij de 400 woorden te blijven. Ik geef veel korte recensies van de kwaliteitskranten en bladen graag cadeau voor die van Literair Nederland. Al kunnen we de grote stukken in de krant nog niet altijd evenaren. Maar dat zijn er slechts twee per week. Op papier is ruimte duur. De kleine stukjes, met hun ‘sterren’ laten we meestal ver achter ons.

    Hoogtepunten

    De komende weken zullen we wat hoogtepunten uit tien jaar Literair Nederland boven water halen. Grotere stukken, of heel bijzondere, of recensies over inmiddels vergeten boeken. We hebben nu ook een overzichtelijke archiefbladzijde waarop je kunt kiezen voor boekomslagen of tekst. (In de vroege jaren minder plaatjes.)
    Overigens zijn we altijd op zoek naar goede recensenten, want om lezers draait het. Wilt u meeschrijven en meelezen? Laat het ons weten.

    De noot: graag dank ik de volgende mensen uit heden en verleden voor hun inspirerende bijdragen:  Fred Baggen, Wil van Basten, Thalita van Basten, Gijs Barends, Patrick Bassant, Geert Beernaert, Ina Bieze, Jessica Brouwer, Hugo Brutin, Anne Margriet van Dam, Joost Duijvelshoff, Ingrid van der Graaf, Daphne de Heer, Frank Heinen, Albert Hogeweij, Lisette Huibers, Sunny Jansen, Machiel Jansen, Jaap Jansen, Nikki de Jong, Jan de Kater, Alexander van Kesteren, Eva Keuris, Stacey Knecht, Rosalien Koster, Mohana van den Kroonenberg, Lodewijk Lasschuit, Thomas van Lier, Carolien Lohmeijer, Martin Lok, Michiel Mijs, Thomas Möhlmann, Mike Naafs, Marleen Nagtegaal, Niels Nijborg, Geesje Nijland, Maria Noordman, Coen Peppelenbos, Judith Ploegsma, Marleen van de Pol, Annemarie van der Poel, Katelijn Pompe, Ella Quist, Ria van Rheenen, Eeke Riegen, Olivier Rieter, Dominique Rothengatter, Laura Schans, Kurt Snoekx, Yvonne Stengs, Rein Swart, Saskia Taggenbrock, Marieke Visser, Hilde van Vlaanderen, Joost van der Vleuten, Andreas Vonder, Wouter de Vries, Karel Wasch, Carolien van Welij en anderen wier namen mij niet meer te binnen schieten, maar wier bijdragen blijvend zijn. Voor persoonlijke herinneringen, en vergeten aspecten mail!
  • Dialoog van een huwelijk

    Dialoog van een huwelijk

    Het werk van J.J. Voskuil bestaat uit meer dan vijfduizend pagina’s waarin zijn eigen leven centraal staat. De roman Binnen de huid (voltooid in 1968 en postuum uitgegeven in 2009) gaat over een dieptepunt in zijn leven waarin hij bevangen raakt door een haast vernietigende verliefdheid op de vrouw van zijn vriend. Een semi-autobiografische roman waarin Voskuil voor het eerst de ik-vorm hanteert. Ook de onlangs verschenen roman De buurman valt onder deze categorie.

    In De buurman legt de schrijver getuigenis af – voornamelijk in dialogen – van de ongelijkwaardige vriendschap met het homoseksuele stel Petrus en Peer. Waarbij  het onvermogen zijn vrouw te kunnen volgen in haar blinde gedrevenheid dit stel in hun leven te betrekken, onverbloemd aan de oppervlakte komt. De eerste passage uit het boek geeft een kijkje achter de voordeur van huize Koning wanneer er nog geen vuiltje aan de lucht is. Een kennis- making met Maarten en Nicolien, en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Voor de liefhebbers van Voskuil zal dit een voortzetting van de kennismaking betekenen en voor degene die met De buurman het eerste boek van Voskuil openslaan, een passende introductie.

    Voordat Petrus (60 jr.) in het achterhuis kwam wonen en later Peer (45 jr.) bij hem introk, zat er een groothandelaar in wc-potten. Maarten en Nicolien hebben de man in kwestie nooit ontmoet. Wel hoorde Nicolien hem elke werkdag langskomen als Maarten naar zijn bureau was en zij de afwas deed. Ze hoorde hoe hij over het portaal liep, de negen treden naar het achterhuis beklom, zijn voordeur opende en weer zachtjes achter zich sloot. Ze wist dat het een oude man was. Dat ook kon ze horen.

    Op een dag wordt er gebeld. De oude man staat voor de deur en Maarten nodigt hem binnen waar hij met Nicolien aan de borrel zit en biedt de man er ook een aan. Het is de directeur van het bedrijfje in het achterhuis, die aankondigt te gaan verhuizen. “‘U gaat verhuizen!’ zei ik verrast. Hij knikte. ‘Eind van de maand.’ ‘Dat is jammer.’ ‘Ik vind het ook jammer, maar het kon niet anders.’ ‘Omdat we altijd een goede buurman aan u gehad hebben ’ Ik keek naar Nicolien om een bevestiging. ‘Ja,’ zei ze. ‘En ik aan u,’ zei hij beleefd. Er viel een stilte waarin ik het nieuws verwerkte.”

    Een rustige passage in een verder zeer onrustig boek, waarin de Konings nooit meer zo’n goede buurman zullen treffen. De eigenaardigheden van Nicolien (die het niet verdraagt tegengesproken te worden) en Maarten (die de discussie nooit echt aangaat) ontaarden geregeld, zo niet constant in vlammende ruzies. En deze ruzies worden altijd ‘afgedwongen’ door Nicolien. Zo gauw er derden hun leven binnnentreden, ontstaan de irritaties over elkaar vanzelf. Veel huwelijken kunnen als een mijnenveld beschreven worden waar de echtelieden alles vermijden om de pais en vree niet te verstoren. Echter, zo gauw er derden binnenkomen, verliest men het zicht op de kwetsbare plekken, wordt men roekeloos. Zo ook Maarten Koning die er in gezelschap van alles uitflapt. Met het gevolg dat er in het mijnenveld plofjes ontstaan of heftige uitbarstingen. Uiteraard achter gesloten deuren. Na iedere ontmoeting met de buren uit het achterhuis voelt Nicolien de behoefte elk woord te herkauwen, speurend naar onvolkomendheden. En die zijn er altijd te vinden, waar Maarten dan op wordt afgerekend.

    Hoewel Nicolien aan het begin van het boek roept dat ze toch echt niet hoopt dat er in het leegstaande achterhuis aan de Herengracht waar ze wonen, een echtpaar intrekt, ‘Want ik heb geen zin om hier samen huisvrouwtje te gaan zitten spelen.’ (…) ‘En dan bij elkaar op de koffie of de thee zeker. Ik denk er niet over!’ (…) ‘Wat zou ik dat verschrikkelijk vinden!’ is dat precies wat ze zelf inzet in haar contact met de nieuwe buren. Een kopje thee over en weer, een borrel, koffie en taart op verjaardagen en zelfs samen uit eten en gedeelde vakanties. Nicolien is ervan overtuigd dat homo’s tot de underdogs van de samenleving behoren en daarom haar toewijding verdienen en ook die van Maarten. Maar daar past hij voor. Een vriendschap dus waarin onderling veel getolereerd wordt en waar hun huwelijk flink onder te lijden heeft.

    Maarten doet zijn best maar zijn pogingen zijn tot mislukken gedoemd omdat hij het stel  niet serieus kan nemen. ‘Vanachter gezien leek Petrus nog het meest op een kever: kromme, dunne benen in een te korte, te nauwe zwarte broek, waardoor zijn knieën opvallend uitstaken, daarboven een onbeweeglijke rechthoekige massa in een te groot jack, met daar weer boven dat eigenaardige hoofd met sprieten die stijf vooruitstaken boven de ogen en rond de mond.’ De vriendschap loopt de nodige schade op door nogal wat boute uitspraken van Maarten. Het zal je maar gezegd worden dat de badkamer in het huis van je zus (Peer), waar ze met zijn vieren vakantie vieren, ‘iets weg heeft van een bordeel’.  Maarten is zich van geen kwaad bewust maar het einde van de vriendschap is ingezet.

    Wanneer Petrus en Peer hen ontwijken en er duidelijk iets aan de vriendschap schort, slooft Maarten zich uit in gedienstigheid. Hij neemt de krant voor ze mee en gaat zelfs zo ver dat wanneer Petrus een ei komt lenen en ze die niet in huis hebben, Maarten aanbiedt die te gaan halen in de winkel. En wanneer hij ze op straat tegenkomt, verplicht hij zich met ze op te lopen, al was hij duizend keer liever alleen gebleven. Hij manouvreert zich in situaties waardoor hij zo opgefokt raakt dat zijn gezicht ‘stijf staat’ van de spanning.

    In Binnen de huid is sprake van veel opgekropte, ongecontroleerde woede bij Maarten wat onder andere Nicolien moet ontgelden. Geregeld zegt Maarten ‘erop te willen slaan’. Dat zijn handen trillen van ingehouden woede en hij zo gespannen is dat hij zijn blik niet kan richten op zijn gesprekspartner. In De buurman is het Nicolien die met haar verbale agressie jegens Maarten zichzelf overtreft en hem letterlijk en figuurlijk van alles naar zijn hoofd smijt en hem geregeld de deur wijst.

    Maarten beseft niet dat het Nicolien woedend maakt als hij, om ruzie te vermijden haar naar de mond praat. Ze raakt gefrustreerd door zijn ontwijkende gedrag waarmee hij onbewust hun huwelijk in een immer kabbelende kibbelstand zet. ‘Misschien ben jij ook eigenlijk bang voor ruzie. Ik vind ruzie fijn. Ik zou nog veel scherper willen zijn.’ zei Nicolien al in het begin van hun huwelijk (Uit: Binnen de huid, pag. 59). Maar in een meningsverschil met Maarten over Peer en Petrus eist ze haar territorium op en snoert ze Maarten de mond. ‘Peer en Petrus, is mijn terrein. Daar weet ik alles van af!’ Als Maarten haar waarschuwt dat ze haar kunnen horen, schreeuwt ze: ‘Ze zijn niet thuis! En dan heb jij te luisteren! Dan moet je zeggen: ‘O, zit dat zo? Dat wist ik niet. Dat is interessant. Want zo heb ik het nog nooit gezien.” Dat moet je zeggen.’ Waarna ze opnieuw begint te huilen en het ruziemaken waarvan ze ooit zei te houden, wel een zeer eenzijdig actie is geworden.

    Het werk van Voskuil, waarin minutieus wordt beschreven wat er gezegd wordt, en vooral hoe het gezegd wordt (geknepen mond, hij keek weg, of het onvergetelijke ‘van onder de wenkbrauwen kijken’ in Bij nader inzien) en alledaagse problemen die als gefileerde vis gepresenteerd worden, is gretig weg te lezen. In De buurman is het huwelijk verworden tot een plaats waar Maarten zich niet begrepen voelt en Nicolien onvoorstelbaar eenzaam is. Nog nooit is een huwelijk in de Nederlandse literatuur zo van alle vlees ontdaan en tot op het bot beschreven.

    Maar het is niet alles treurnis in De buurman. Want juist deze wanhopige dialogen werken aanstekelijk op de lachspieren. Ik kon het niet laten verschillende dialogen aan mijn huisgenoot voor te lezen (‘luister!’, of, ‘deze is fantastisch’ of, ‘nee, deze, niet te geloven!’). De uitzichtloosheid van deze dialogen werkt bevrijdend want ohzo herkenbaar. Waarna geconstateerd moet worden dat er zo toch best te leven valt. Daarvan getuigt het lange leven dat Voskuil met zijn Lousje deelde, tot de dood erop volgde. Niet onbelangrijk is de ruimte die Voskuil, dankzij diezelfde Lousje, kreeg om aan zijn oeuvre te werken. Woede is een dankbare aanjager om scheppend werk te verrichten.

     

     

  • Uit het nest geroofde gedichten

    Uit het nest geroofde gedichten

    Het liegend konijn is een tweejaarlijks tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige Poëzie, en is uniek in zijn soort. Samensteller en redacteur Jozef Deleu gaat er prat op vers (gelegde) geschreven gedichten van veelal gearriveerde dichters en een enkele debutant ‘uit het nest te roven’ om ter publicatie op te nemen in het poëzietijdschrift.

    Deleu, die als stropende vos de nesten van – uit bloed, zweet en tranen ontstane gedichten –  zwoegende poëten leegrooft. Dat heeft wel wat. En het levert steeds weer een verrassende oogst en vooral een grote diversiteit aan dichtkunst op. Waarbij het opmerkelijke is dat van de 175 geplaatste gedichten er niet één bij is die de zeggingskracht van een goed gedicht gepasseerd is. Ze zijn allen zeer lezenswaardig.
    Het liegend konijn biedt plaats aan zo’n dertig dichters per uitgave, die elk drie tot zes gedichten geschreven hebben. Daardoor heeft de bundel algauw een omvang van 250 pagina’s. Aldus een stevig boekwerk waarvan op de voorkant de namen van de dichters staan en steevast op de achterflap een tekst van Paul van Ostaijen: Diergaarde voor kinderen van nu (1926). Over het konijn dat op zoek gaat naar de lach maar die niet gevonden heeft. Want vlak voordat het de lach vond hield de kennis van het konijn op. En bleef het voor altijd in verwondering achter.
    Wellicht zoals de lezer zelf in verwondering achterblijft na het lezen van willekeurig welk gedicht uit Het liegend konijn, dat toch echt geen (literair) tijdschrift genoemd kan worden gezien de hierboven geschetste omvang.

    In nummer 1 van Het liegend konijn (2011) zijn 175 gedichten opgenomen van dertig dichters die in alfabetische volgorde geplaatst zijn. Waaronder Wesley Albstmeyr (nog geen bundel gepubliceerd), Maria Barnas, Tsead Bruinja, Bernard Dewulf, Gerrit Komrij, Delphine Lecompte, Gwy Mandelinck, Charlotte Mutsaers, Tonnus Oosterhof ( die onlangs de P.C. Hooftprijs 2012 won), Bart van Straeten (geen bundel gepubliceerd) en Miriam van Hee.

    Opmerkelijk uit het aprilnummer van 2011 zijn de gedichten van Luuk Gruwez die de titel Een minnaar voor elk lichaamsdeel, ontleende aan de hand van een citaat van Adriaan Morrien: ‘Ik maakte van elk lichaamsdeel een beminde.’ Erotische gedichten geschreven bij het schilderij Venus van Lucas Cranach. In opdracht van het Egigius Kwartet dat eind 2009 een concert verzorgde rond het vrouwelijk schoon. Hieronder een enkel fragment daarvan.

    Bij de haren
    ‘Het hoofd is mijn schunnigste lichaamsdeel. Het is de hemel
    en de hel in ieders lijf, het gekreun en het gereutel.
    Hoevelen kregen niet ooit logies onder mijn krullen?
    Kostschoolmeisjes, kelnerinnen, gore knullen.
    Nee, ander haar dan schaamhaar ken ik niet:
    het moet de bacchanalen in mijn hersenen verhullen.’

    Venus’ epiloog
    ‘Wanneer ik afscheid van u neem, beobacht dan vooral mijn
    achterste.
    Heb ik soms niet de mooiste billen sinds het quattrocento?
    Ik vraag mij af: hoe naakt bent u onder uw nette  kleren?
    U bent mij lief. Erbarm dich, al was het maar een keer.

    (…)

    Mijn mond, akkoord, werd groter met de eeuwen.
    Maar wil een uwer hem nog zoenen: Bitte. Gerne.
    Dan kies ik voor een oogopslag vol hunker naar de sterren.
    Ik heb, al ben ik grofgebekt, nooit afscheid kunnen nemen.’

    Favoriet is Delphine Lecompte die titels schrijft als waren het gedichten: Ik ben blij dat mijn moeder mijn geboorte heeft overleefd / Alles hort en niets is zoals het hoort / Een weifelende duik en de vertrouwde viezigheid  / Boter voor de ter dood veroordeelde en Dit is een kuststad met een zee die een krijttekening eist.
    Haar gedichten zijn prozaïsche miniatuurtje die een avontuur op zich zijn.

    Dan Willem Zadelhoff, een dichter die lijdt aan verloren eenzaamheid in zijn gedichten. Het laatste gedicht uit Tussen taal en teken een cyclus van tien gedichten:

    ‘nu is de cirkel rond traag tekent het potlood
    haar schouder langzaam ontstaat een herinnering
    op papier een beeld van lang geleden waarvoor
    geen woorden beschikbaar waren dat soort drogrederen

    ook is nu wat was niet langer meer excuus
    ik lees haar ik volg de lijnen van haar mond
    met mijn vingers teken ik figuren in de lucht
    ik kleed haar omgeving in zacht oranje licht

    ik trakteer mezelf op verleden ik beuk de waarheid
    op papier straks ga ik bloemen strooien op haar graf
    luisteren naar dat oorverdovend zwijgen
    dat stem gaf aan dat toch nog onverwacht verleden.’

    Dat ’toch nog onverwacht verleden’ maakt de cyclus rond. Koop Het liegend konijn om de hele cyclus en die overige 29 dichters te lezen. Het is geen moeite, het is het waard.

    Het oktober nummer van Het liegend konijn biedt ruimte aan niet eerder gepubliceerde gedichten van onder andere Mark Boog, Anne Broeksma, Emma Crebolder, Paul Demets, Stefan Hertmans, Rouke van de Hoek, Emy Koopman, Lieke Marsman, Cees Nooteboom, Hagar Peeters, Marjoleine de Vos en Menno Wigman. Waarvan ik u het laatste gedicht uit de bundel niet wil onthouden. De weg van alle boeken van Menno Wigman.

    De weg van alle boeken
    ‘Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht
    en zeven keer schreef ik mijn naam.
    Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.
    Ik dacht: iets scheefs verkankert mijn gedicht.
    Ik zag mijn schrijfhand en ik wist.

    Wat ik gedaan heb, ja – en wat ik doe.
    Mijn schrijfhand is aan roken toe.
    De angst. De witte wimpers van de angst
    dat ik mijn hele leven heb verschreven.

    Ik wil de hemel en ik wil de straat,
    ik wil in zestigduizend hoofden ruisen
    en iedereen een tand uitslaan.

    voor ik de weg van alle boeken ga
    en roemloos bij De Slegte sta.’

    Schrijnender kan het niet en daarom des te mooier. Dat is wat dichters kunnen, de gevoelige meetlat van zelfmedelijden langs het leven leggen, dit met streepjes inkaderen en dan daarover heen gaan, over die kaders.
    Het is een rijkdom deze literaire poëziebundels een plaats in de boekenkast te geven. Wachters in de rij om ter hand te nemen wanneer de poëtische nood hoog is.