• Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Terwijl de premier van het Verenigd Koninkrijk zijn ambt voortijdig moet neerleggen, gaat  Het liegend konijn zonder veel ophef of rumoer zijn twintigste jaargang in. Een jubileumjaar in poëzie, een gekroond konijn siert de cover. Sinds 2003, publiceerde HLK  meer dan vijfduizend vers geschreven hedendaagse, Nederlandstalige gedichten van meer dan vierhonderd dichters. Dat betekent dagelijks iets meer dan één nieuw gedicht per dag, twintig jaar lang, verzameld, gekozen, geredigeerd door een persoon, dichter Jozef Deleu. Die dit alles jaar in jaar uit als eenmans redactie tot stand bracht, en gestaag doorvoerde. In een redactioneel stuk, bedankt Deleu de dichters, uitgever, lezers en mecenassen voor hun inzet. HLK twintig jaar als een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten, een vrijplaats voor al wat niet ongenoemd kon blijven. Menig dichter maakte zijn debuut in HLK.

    Dat ook de raadselachtige tekst die elke editie de achterflap siert, in al die jaren nog niet heeft doen vervelen, geeft weer eens aan hoe sterk poëzie kan zijn. Het fragment is uit ‘Diergaarde voor kinderen van nu’ van Paul van Ostaijen (1896-1928). Ostaijen zal welhaast de enige dichter zijn van wie een tekst zo veelvuldig gelezen wordt. Wie nooit een achterflap leest, moet in dezen geadviseerd worden dit wel te doen, waarmee gelijk de kans geboden wordt een literair tekst uit het hoofd te leren. Om u op weg te helpen hier de eerste regels uit het wonderlijke fragment.

    ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zoiets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo  nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit is nu iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt; hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. (…)’ een tekst die onze nieuwsgierigheid scherpt en ‘zet onze zekerheden op de helling,’ schrijft Deleu in zijn inleiding.

    Het bladeren, hardop voorlezen, namen noemen

    Honderdzevenentachtig nieuwe gedichten van veertig dichters in deze laatste editie. Het bladeren kan beginnen, regels hardop lezen, namen noemen, coupletten souperen, met  de smaak van poëzie in elke regel.
    ‘Ik zie dat u dapper noteert. / Vreemd genoeg beschouw ik wat ik uitkraam / als volstrekte nonsens.’ (Edwin Mortier)

    ‘zij kent geen ingekeerd / en treurend buigen / als wat met haar verbonden is / uit handen glipt / en van haar schoot afglijdt / zij recht het hoofd -’ (Ludwien Veranneman, gelijk als het personage Veranneman uit een verhaal van Campert).
    ‘Nergens hebben dingen het zo voor het zeggen / als in de zoldering, in sponning en gebinte / van een huis. Zij zingen herinneringen uit / die groots en nobel blijven nazinderen.’ (Luuk Gruwez)
    ‘licht veranderde in zand / en regende zachtjes bedekte / niemand in het bijzonder / en nestelde en // alles wachtte’ (Linda Veldman)
    ‘De ree in het veld stapt achter een bosje / net als ik haar aanwijs. Nee echt zeg ik, / mijn wang tegen het glas.’ (Isa Altink)
    ‘Aan de badkamerdeur staat zij doodstil / te luisteren. Ze hoort in de geluiden / de vreemde onrust die zijn wangen kleurt’ (Charles Ducal)
    ‘in alle potjes zalf van mijn moeder / ontstaat in het midden een bergje / terwijl die van mij een dal krijgen / nu het nog kan verzamel ik dat / het blijkt dat alle vogels duiven zijn / in de ogen van mijn moeder’’ (Bianca Boer)

    Het kortste gedicht is van K. Michel:

    Op de Dam

    (klimaatmars 6-11-21)

    als het zonlicht doorbreekt
    en valt op twee flaporen voor mij in de menigte
    zie ik twee dieprode vlinders

    Het langste gedicht, van Michael Tedja ‘Het uitgelezen deel’ beslaat vijf dichtbeschreven pagina’s. Indringend en overrompelend, niet eenvoudig te betreden, met overstelpende regels over uitsluiting, plichten en verboden. Poëzie die trekt en duwt, niet altijd te bevatten, maar het moet gelezen worden.

    ‘De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf bestuurd.
     Jij gaat katoen plukken, zeiden wij in koor. Sta op en pluk
     de dag door die in toom te houden. Hier kwam het kader
     in beeld. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan.
     Door de driften te contextualiseren ontstond er betekenis.
     (…)’
     Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
    Er groeien plukkers aan de takken van het verkoolde houdt.’ 

     (…)

    Poëzie die aan de randen van je comfort zone trekt

    Er zijn stromende gedichten, overvloedige en niet helemaal te begrijpen gedichten, die trekken aan de randen van je comfort zone. Neem deze van Eva Gerlach, het vierde uit een serie van vijf gedichten.

    ‘Hoe krijg ik je samen heel
     stil mag je zijn hier breekman
     schreeuwend in dromen schreeuwend in het diepe
     dagwater in, schreeuwend om losgelaten
     vastgehouden te zijn

     Hoe zwijg je zo hoog schreeuwend in me
     hartman hoe snij je je
     klem in me, kraak je je schrap, hoe krijgt elke amper

     begonnen schreeuw van je zwijgende lichaam het mijne
     elke dag meer zoals jij raasman elke dag stiller.’

    Ach, wie twintig jaar aan Het liegend konijn bijeen op de plank heeft staan, heeft de poëzie in pacht. Die kan zich niet ander dan een verguld mens voelen.

     

     

  • Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

    Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

     


    Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.


    Jan van Mersbergen
    (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.


    We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.


    Schrijver worden door te lezen

    Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer, begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.

    ‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’

    Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.


    Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.

    ‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’ 

    Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’


    Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.

    Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.

    Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
    Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’

    ‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’

    Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden. 


    Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.

    Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’

    Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
    Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.


    Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst 

    ‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht,  hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’

    In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’ 


    Overlevingsdrang en het volgen van patronen

    Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
    Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’

    ‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’

    Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’ 

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Jan Willem Kaldenbach

  • Anton Wachterprijs toegekend aan Simone Atangana Bekono voor ‘Confrontaties’

    Simone Atangana Bekono ontvangt de Anton Wachterprijs 2022 voor haar roman Confrontaties, dat eerder genomineerd werd voor de LibrisprijsDe jury omschrijft haar debuutroman als ‘een daverende roman met details die je bijblijven’ en prijst ‘de knappe compositie en uitgekiende vertelstijl die zowel direct is als suggestief’.

    Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ in Arnhem met de bundel gedichten en brieven hoe de eerste vonken zichtbaar waren. Zij werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab en voor CELA, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers in zes Europese landen. In 2018 werd hoe de eerste vonken zichtbaar waren bekroond met de Poëziedebuutprijs Aan Zee en in 2019 ontving ze het Charlotte Köhler Stipendium voor haar poëzie.

    Haar romandebuut Confrontaties verscheen in 2020 en gaat over de zestienjarige Salomé Atabong die vastzit in een jeugddetentiecentrum omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld.

    Overige genomineerden waren Lale Gül met Ik ga leven, Valentijn Hoogenkamp met Het aanbidden van Louis Claus, Jilt Jorritsma met Was, Tobi Lakmaker met De geschiedenis van mijn seksualiteit, Vincent Merjenberg met De grijzen en Joost Oomen met Het Perenlied.

    De jury, bestaande uit voorzitter Geart de Vries, Gerbrand Bakker, Kees ‘t Hart, Joke Linders en Marja Pruis, las voor deze 23e editie een kleine negentig boeken. De prijs, een bedrag van 2000 euro en een beeldje van Anton Wachter, wordt op 25 juni uitgereikt, voorafgaand aan het Literair Festival Harlingen.

    De Anton Wachterprijs wordt sinds 1977 elke twee jaar uitgereikt aan een debuterend auteur.Vrijwel alle winnaars hebben naam gemaakt in het literaire veld. Eerdere prijswinnaars zijn onder meer Frans Kellendonk, Wessel te Gussinklo, Anne Gine-Goemans, Peter Buwalda, Arnon Grunberg, Tessa de Loo, Ilja Leonard Pfeijffer en Maartje Wortel.

     

  • Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Oogst week 14 – 2022

    Filter 29:1

    Filter, tijdschrift over vertalen, brengt elke editie verhalen die uit de ervaringspen van vertalers zelf komen. Vertalen is een kans je te verdiepen in een werk dat nog niet eerder door taalgenoten gelezen werd. Daar komen verhalen uit voort. In deze editie, met het thema ‘De geuren van het voorbije jaar’, wordt er teruggeblikt op vertaaljaar 2021. Schrijver Daniël Rovers doet in een column verslag van zijn eenmalige vertaalervaring. Hij waagde zich ooit samen met vertaler Iannis Goerlandt aan een vertaling van David Foster Wallace’s (nagelaten) roman The Pale King. Wat hij ontdekte was, dat vertalen niet is, er een toegankelijke tekst van te maken. Vertalen is een mentale krachttoer om ‘je over elk woord, elke zin van een compleet boek te willen buigen’, een werk dat nooit ophoudt. En ook, ‘een vertaler is net als de schrijver, nergens zonder een meedogenloze corrector.’

    Wat je eraan overhoudt is in het geval van Rovers naast een hernia ook een speciaal oog voor vertalingen gekregen. Want, concludeert hij, ‘het is een voorrecht als je een tekst in de oorspronkelijke versie kunt lezen, maar als ze niet in je moedertaal is geschreven (en heus, je Engels is minder uitgelezen dan je denkt) zie je talloze nuances over het hoofd.’ Ook kan hij nu oprecht genieten van een ‘vlekkeloze vertaling – dat zijn er verrassend veel, als je nagaat hoeveel moeite het kost om zelfs maar één pagina perfect te krijgen.’ Met bijdragen van Ton Naaikens, over onder meer het redden van woorden; Janne van Beek, met een ‘objectieve wetenschappelijke’ maar begeesterde analyse van de vertaling van Bluets. Bespiegelingen in blauw van Maggie Nelson door Nicolette Hoekmeijer. En meer, veel meer voor geïnteresseerde lezers die vertaalde literatuur willen lezen.

     

    Filter 29:1, De geuren van het voorbije jaar
    Koop hier: Bazarow ISBN 9789493183117

    Filter 29:1
    Auteur: Ton Naaikens, Michiel Krielaars, Miek Zwamborn e.a.
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Afscheid

    Van de novelle Afscheid, van de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994), luidt de eerste zin: ‘Ik zou willen dat ik van de man, de eerste keer dat hij de winkel binnenkwam, alleen zijn handen had gezien; traag, bedeesd en onbeholpen, bewegend zonder veel vertrouwen, lang en nog niet gebruind, verontschuldigden ze zich voor hun ongeïnteresseerde manier van doen.’
    Deze zin roept vragen op, maakt nieuwsgierig. Zo suggereert, ‘de eerste keer dat hij de winkel binnenkwam’, dat de man er vaker kwam. Degene die in de winkel was, zag zijn handen, maar vermoedelijk zag hij meer van deze man, dingen waarvan hij/zij later wenste ze niet gezien te hebben. Er spreekt spijt uit deze zin, maar waarvan? De beschrijving van die handen laten een hele persoonlijkheid zien, en waarom waren ze ‘nog niet gebruind’?

    Afscheid gaat over een succesvolle basketbalspeler die met tuberculose wordt opgenomen in een sanatorium. De aanwezige gasten vertrouwen hem niet, roddelen over hem. De verteller – de man van de eerste zin – brengt met verwondering en genegenheid het doen en laten van de sportman in herinnering. Er komen brieven voor hem, hij ontvangt bezoek van twee vrouwen (maar wie zijn dat?). Flarden van gesprekken, observaties en de herinneringen van de verteller creëren een mysterieus netwerk van onwaarschijnlijke relaties die spelen in het Argentinië van de jaren vijftig.

    Onetti werd geboren in Montevideo en stierf in ballingschap in Madrid. Ondanks dat hij een solitair schrijver was, behoort hij met García Márquez, Jorge Louis Borges en Mario Vargas Llosa tot de vier belangrijkste schrijvers van Latijns-Amerika. Mario Vargas Llosa was een bewonderaar van Onetti, noemde hem een groot meester van de moderne novelle. Volgens Vargas Llosa schreef hij een proza dat niemand beoefende en introduceerde Onetti als eerste Spaanstalige schrijver het modernisme in zijn verhalen.

    Met jaarlijks een uitgave van een van zijn zeven korte romans, wil Uitgeverij Kievenaar deze schrijver herintroduceren. Afscheid is de eerste van deze uitgaven.

    In een interview op Youtube spreekt Vargas Llosa (Spaanstalig) vol enthousiasme over het werk van Juan Carlos Onetti.

    Afscheid
    Auteur: Juan Carlos Onetti
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar

    Een onverwachte broederschap

    De roman Een onverwachte broederschap van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf, beschrijft een situatie waar we heden mee te maken hebben, ‘de schipbreuk van de beschaving’. Spelers in de roman zijn Alec, een perstekenaar met een uitstekende staat van dienst en een schrijfster van een cultboek die zich beiden, onafhankelijk van elkaar op een afgelegen eiland in de Atlantische Oceaan hebben afgezonderd. Ze hebben amper contact met elkaar, tot zich een groot elektriciteit-storing voordoet en communicatie met de rest van de wereld onmogelijk is. De wereld blijkt op de rand van een kernoorlog te staan. De schipbreuk der beschavingen lijkt een feit. Wie gaat de wereld redden?

    In deze roman komt de wereld tot stilstand en die resoneert met de wereld waarin we nu leven. In een interview in de NRC zei Malouf daarover: ‘We zijn op het moment beland dat we ons moeten afvragen wat voor wereld we willen. De wetenschap en de techniek hebben grote hoogten bereikt, maar er is geen wereldorde meer die die naam waardig is. De wereld kan niet meer functioneren met landen die politiek bedrijven vanuit identiteitsdenken; dat leidt tot de ondergang. We hebben al onze verbeeldingskracht nodig om ons voor te stellen hoe de wereld eruit moet gaan zien, hoe hij geleid moet worden. We móéten onze manier van met elkaar omgaan veranderen, anders gaan we ten onder.’ Een belangrijk boek!

    Een onverwachte broederschap
    Auteur: Amin Maalouf
    Uitgeverij: Uitgeverij Davidsfonds
  • Geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing en meer willen lezen

    Geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing en meer willen lezen

    De laatste editie van literair tijdschrift Terras #21 met als thema ‘Jungle’, nodigt uit tot het toetreden van de jungle die in stad, land, eigen huis, alsook door een wildgroei aan beelden die het dagelijkse leven overwoekeren kan ontstaan. Er is onvertaald werk van (veelal) onbekende schrijvers (niet vertaald, niet gezien), alsook nieuw werk van Nederlandstalige auteurs. De vertalers, die een groot deel van het speurwerk verrichtten, trakteren op teksten die gretig gelezen worden, ongekend wordt soms liefde op het eerste gezicht. Zoals de teksten van de Portugese Mário-Henrique Leiria (1923-1980), schrijver van surrealistische (micro)verhalen. Portugees vertaalster Anne Lopes Michielsen schreef een introductie op deze schrijver, waarbij ze ook de ingrediënten en bereidingswijze voor een gin-tonic meegaf, hoewel Leiria liefhebber was van gin-tonic zonder tonic. Zoals er ook Bacalhau com natas sem Bacalhau (kabeljauw in roomsaus zonder kabeljauw) bestaat voor vegetariërs.

    Alles kan, bij Leiria in ieder geval wel. Zijn teksten, waarin absurde dingen gebeuren, worden rechtgetrokken met zinnetjes als, ‘Dus ik deed wat ik moest doen.’ Of, ‘Zo ging het.’ Begin jaren zeventig verschenen van hem twee bundels, Contos do Gin-Tonic, en later, Novos Contos do Gin-Tonic. Lopes Michielsen vertaalde daaruit het korte verhaal, ‘Tropicalia’ over verschijningen en verdwijningen in de tropen, zo is er een olifant op het balkon van een hotel, en zo is deze verdwenen. ‘Zo gaat dat.’ eindigt het verhaal. En nog drie microverhalen, waaronder deze:
    ‘Huwelijk

    “In rijkdom en armoede, in goede en slechte tijden, tot de dood ons scheidt.”
    Uitstekend.
    Ik kom mijn beloftes altijd na.
    Daarom heb ik haar gewurgd en ben vertrokken.’

    Verhalen uit Rwanda

    Vicky Franken vertaalde een fragment van de Rwandese schrijfster Scholastique Mukasonga (1956). Op vierjarige leeftijd werd ze met haar familie gedwongen te vertrekken naar een oostelijke provincie van Rwanda, waar de grond vrijwel onvruchtbaar was en weinig water. Later vluchtte ze naar Burundi en op zesendertigjarige leeftijd vestigde zij zich in Frankrijk. Twaalf jaar later debuteerde ze met Inyenzi ou les Cafards (Inyenzi of de Kakkerlakken), bij Gallimard, een ‘papieren graftombe’ voor de Tutsi-slachtoffers, zelf verloor ze vele familieleden. 

    Het vertaalde fragment gaat over een nieuw leven opbouwen in dat deel van Rwanda waar ze als kind met haar familie terecht kwam. Mukasonga schrijft, ‘De families die als een meute Robinsons aanspoelden midden in de savanne, moesten de muren van de huizen optrekken, het dichte doornbos ontginnen om een lapje grond in te zaaien en zien te overleven in afwachting van de eerste oogst.’ In afwachting van die oogst gingen de vrouwen met de kleinste kinderen werken bij gezinnen voor een tros bananen of wat zoete aardappelen. Een verhaal van nooit weten wat de dag van morgen brengt. Toen ze de grond hadden bewerkt, de oogst wat opbracht en er enige zekerheid ontstond, eisten landbouwkundigen dat haar familie koffie ging verbouwen. ‘We moesten alles wat we tot dan toe hadden verbouwd uit de grond trekken en, erger nog, ook een groot deel van onze bananenplantage die net vruchten begon af te werpen.’  Uit oude koloniale overwegingen kwamen ze onder toezicht van landbouwkundigen, ‘Wij, op onze blote voeten, waren vooral gefascineerd door het glanzende van hun laarzen.’  Mukasonga schreef drie non-fictie boeken en verscheiden romans en een verhalenbundel. Stille verwondering bij het lezen van haar geschiedenis, die niet zichtbaar genoeg kan worden gemaakt. Tijd dat haar werk vertaald wordt.

    Jonge Franse arbeiders, schrijvers

    Van Tommy van Avermaete een stuk over de Franse dichter Thierry Metz (1956–1997). Waarover hij voor het eerst hoorde toen hij de vertaalde roman van Joseph Ponthus (1978-2021) las, waarin deze over Het dagboek van de bouwvakker van Thierry Metz schrijft:
    ‘is een dagboek dat je gelezen moet hebben
    Het is een meesterwerk
    […]
    Die taal
    Zo puur zo subtiel
    Ideaal dat ik nastreef
    Die woorden
    Die stilte na het werk’

    Beide schrijvers stierven jong, Ponthus door kanker, Metz door zelfdoding nadat hij door de dood van zijn achtjarige kind aan depressies leed. Ook hadden ze gemeen dat ze hun arbeidersbestaan combineerden met schrijven. Van Avermaete, geïnspireerd door deze regels, ging op zoek naar Thierry Metz, ontdekt dat de inzet van het werk van hem, ‘inderdaad niet [is] om op realistische wijze een verhaal te vertellen “over” arbeid, het is hen er eerder om te doen de ervaring van de bouwvakker in taal te vatten – en eigenlijk moet ik niet van “de” bouwvakker spreken, maar over deze ene bouwvakker (Metz) (…) Het gaat hem erom, en misschien gaat het daar in literatuur wel altijd om, een ruimte te scheppen waarin de individuele ervaring in al zijn complexiteit en uniciteit getoond kan worden.’ Ruimte maken voor stilte bijvoorbeeld, zo doet Metz dat. ‘Het is zaterdag. Mijn handen doen niets. je hoort kinderen die in het zand spelen en auto’s die passeren…’. En dan over ‘Binnenshuis leuteren de stoelen. Je weet niet waarover. (…) Het zijn enkel woorden die opklinken, gemurmel van oude besjes… Tussen twee maaltijden, twee afwassen.’ Veelbetekenend met weinig tekst.

    Verdrietplaatjes en Cambrische thee

    Vier nieuwe gedichten  van Marieke Lucas Rijneveld, waarvan enkele regels uit, ‘I love you like I love myself’.
    Lang geleden dat de zondag spinnend naast mij lag,
    dat ik geen verdrietplaatjes draaide, het levenslied een keer
    niet uit mijn borstkas knalde, gewoon een trage wals met

    de stilte. Ik heb de schaar in mijn haar gezet en waterpas een
    jongetje uit me geknipt, (…)’

    Dat de zondag spinnen kan, er een zondag is die naast je ligt, er ‘verdrietplaatjes’ bestaan en er ‘waterpas een jongetje uit iemand geknipt’ kan worden. Het kan bij Rijneveld, daarmee zet hij een wereld van droom en daad open voor wie toegang zoekt.

    Indringende poëzie van de Canadese dichter Gary Geddes, over het verlies van zijn moeder op jonge leeftijd. ‘Jij was haar dood, deelt / oma mee, terwijl ze heet water / in een beker melk giet. / Cambrische thee noemt ze het.’ Regels uit de cyclus Doodtij,  in vertaling van H.C. Ten Berge en onderdeel van de bundel The Resumption of Play (‘De hervatting van het spel’).
    De bundel bevat vijf afdeling, waaronder ‘Doodtij’. De langste afdeling, de titelreeks, gaat over over het onlangs naar buiten gekomen misbruik op kostscholen van Inuit en Indiaanse kinderen in Canada. Onder de titel ‘Empathie en verbeelding’, licht Ten Berge het indrukwekkende werk en de dichter zelf toe.
    ‘Zoals dikwijls in zijn poëzie gebeurt, verplaatst de dichter zich in de wederwaardigheden en het lot van zijn personages, in dit geval een kostschoolkind dat – net als als vele van zijn medescholieren – ontvoerd is door overheidsbeambten en onder dwang in een religieus (her)opvoedingsinstituut is geplaatst.’ Wie het overleefde was ‘getekend voor het leven’. Dat is wat Geddes doet, met empathie en verbeelding gruwelijke misstanden voor het voetlicht brengen. 

    Een schrijver en zijn land

    Verhalen komen overal vandaan, verhalen die tonen hoe het geweest moet zijn, verhalen die treffen, gelezen moeten worden. Dan is er nog niets gezegd over de bijdrage van Mariolein Sabarte Belacortu, vertaalster Spaans-Nederlands, winnaar van de vertalersprijs van het Letterenfonds (2010). Zij opent met haar stuk ‘De erfenis van José María Arguedas’, een weg naar het werk van deze Peruaanse schrijver die zichzelf van het leven beroofde. Zijn zesde boek verscheen postuum in 1971. ’Het is niet gewaagd te zeggen dat hij zich het lot van zijn land en met name dat van de oorspronkelijke bewoners, zo sterk heeft aangetrokken, dat hij eronder is bezweken.’ Aan deze editie werkten vijfenveertig schrijvers/ vertalers/dichters mee, het is een geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing, voor op de plank en ter hand nemend als informatiebron voor schrijvers die (nog) niet gekend worden in Nederland, (waar in de toekomst meer van gehoord zal worden). Er is veel in de wereldliteratuur dat nog naar boven gehaald moet worden, de redactie van Terras doet dat met verve.

     

    Lees meer op Terras.nl.
    En klik hier voor de webshop.

     

  • Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt

    Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt

     

    Jos van Hest (1946) is dichter, redacteur, presentator en geeft poëzielessen aan basisschoolkinderen. Hij presenteerde vele literaire evenementen, waaronder sinds 2004 het maandelijkse Open Podium voor bekende en onbekende schrijvers in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Gedichten van hem zijn te vinden bij uitgeverij Plint op kaarten, posters en kussenslopen.Hij publiceert regelmatig in Dichter, het poëzietijdschrift van Plint voor kinderen van 6 tot 106 jaar. Onlangs stelde hij met zijn man, Jan ter Heide en Plint uitgeefster Mia Goes het poëzieboek Dood gewoon hemelen samen en werd er werk van hem opgenomen in verzamelbundels waaronder Een wonder prachtig dier van uitgeverij Ploegsma. Op jonge leeftijd debuteerde hij met de bundel Tegen beter weten (1968). In 2010 werd hij voor zijn inzet voor cultuur geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Wie is deze man, die zich volop inzet om poëzie onder de aandacht te brengen, schrijvers stimuleert en begeleidt en kinderen poëzie laat beleven.


    Het is een mistige dag als ik de trein naar Amsterdam neem. Halverwege is er een seinstoring, ik vrees te laat te komen. ‘Komt goed’, appt Van Hest me. Ik krijg, ook via de app, instructies hoe ik, eenmaal aangekomen, moet fietsen vanaf Centraal Station naar de Stadhouderskade, bij welke brug ik mijn fiets kan stallen. 

    Aan de lange tafel in de keuken drinken we eerst thee, er is cake. Een verdieping hoger is de werkkamer, een ruimte, groot als een bescheiden danszaal. Aan de voorkant staat een werktafel voor het raam met uitzicht op de gracht. Eén lange wand, zo’n tweeënhalve meter hoog, is boekenwand. Verspreid door de ruimte stapeltjes boeken, dichtbundels op stoelen, tafeltjes, op de vloer, ook in de gangen trouwens. Wie dit huis betreedt, ademt poëzie. 

    Voor we aan tafel plaatsnemen, laat Van Hest me op zijn computer een afbeelding zien van de herdenking van de Februaristaking bij de Dokwerker. Jaarlijks worden basisschoolkinderen betrokken bij de herdenking met kunst- en poëzielessen. Van Hest is als poëziedocent verbonden aan dit project. Op de afbeelding is een indrukwekkende groep beeldjes te zien. Elk kind maakte een van die beeldjes, geïnspireerd op het beeld van de stakende Dokwerker. Sommigen staan met opgeheven armen, springen, of staan op een been, houden spandoeken vast.

    ‘Uiteindelijk schrijven ze dan een gedicht, en ik vertel ze dan dat zij het schrijven, maar dat het het beeld is dat spreekt. Als je het woord ‘ik’ opschrijft, dan ben jij dat niet, maar het beeld. Dan krijg je hele mooie regels als, “Ik strijd voor de vrijheid! / Oorlog is een harde storm / Ik hoop dat ik weer thuis kom.” Tijdens de herdenking zijn de kinderen met hun ouders uitgenodigd. Ze zetten hun beeldje bij het monument en er worden gedichten voorgedragen. Jaren geleden, toen Job Cohen nog burgemeester was, was er een Turks meisje dat haar gedicht voordroeg voor de burgemeester. Ze kwam samen met de burgemeester op de foto. Haar ouders waren apetrots. Het gaat dan ook over hen, weet je, deze herdenking wordt ook deel van hun geschiedenis.’

     

     Zou je zelf poëzielessen op school gehad willen hebben toen je jong was?

    ‘Ik had zeker iemand gehad willen hebben die toen tegen me gezegd had, “Je moet het gewoon opschrijven. Je moet niet twijfelen.” En als je twijfelt, ook dan gewoon opschrijven. Later kun je altijd kijken wat er weg moet of wat erbij moet. Want een gedicht is eigenlijk nooit af. Hugo Claus ging bij een nieuwe druk van een bundel al die gedichten weer langs en dan vond ie dat het toch weer anders moest.’

     

    Wanneer begon je zelf te schrijven?

    ‘Na de lagere school ging ik naar het gymnasium Augustinianum in Eindhoven, een school voor zoontjes van notabelen en doctoren. Ik kwam uit een heel ander milieu, ik wist niks van huiswerk. Op de lagere school was ik gewoon goed in alles, het ging vanzelf. Ik dacht dat het op het gymnasium ook zo zou gaan. Maar daar werd ik als jongen door de Augustijnen ontzettend slecht behandeld. Het was een vreselijk jaar, ik bleef zitten. Toen ging ik naar het Van der Puttlyceum. Dat was een nieuwe school, er waren maar twee jaargangen boven mij. Na drie weken schreef ik een stukje voor de schoolkrant en een maand later zat ik in de redactie. Daar ben ik mijn hele schooltijd in gebleven.’

     

    Schreef je in die tijd ook al poëzie ?

    ‘De leraar Nederlands gaf mij een bundel, die heb ik nu nog, een bloemlezing, ik weet even niet meer hoe die heet, maar die ging ik toen lezen. En Bert Schierbeek, Remco Campert, die dunne bundeltjes van De Bezige Bij. We hadden ook het boek Literaire kunst, van Lodewick, daarin werden allerlei stijlfiguren behandeld met voorbeelden. Dat vond ik fantastisch, en dat ging ik dan zo’n beetje uitproberen.’

    Op jonge leeftijd won Jos van Hest een poëziewedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen. De prijs werd uitgereikt in Brussel. Het werd zelfs op de radio, in het nieuwsbericht van het ANP uitgezonden dat de dichter J. van Hest de poëziewedstrijd had gewonnen. 

    ‘In de jury zaten toen Hubert Van Herreweghen en Jos De Haes. Van Herreweghen is voor kenners wel een naam, maar hij is nooit zo doorgebroken in Nederland. Na die prijs raakte ik in contact met Ad den Besten, die had in 1949 de Windroos reeks voor poëzie opgericht. De vijftigers, Simon Vinkenoog, Hans Andreus, Remco Campert verschenen in die serie. Het was een heel belangrijke reeks voor jonge dichters, en daar mocht ik toen in publiceren. 

    Achteraf denk ik dat ik toen te vroeg gedebuteerd ben. Ik was ook veel te verlegen om door te gaan, gedichten te sturen naar literaire tijdschriften. Ik weet nog dat Kees Fens mijn debuut besprak, samen met andere debuten. Hij had twee regeltjes voor mijn bundel over. Hij vond het wel aardig, maar echt niet bijzonder. Hij vond het geloof ik meer een snoepwinkeltje, zoiets. Ja, dat greep mij wel aan toen.’

     

    Dacht je er wel over om dichter te worden?

    ‘Op een bepaalde manier wel ja, maar lange tijd had ik er ook groot ontzag voor. Nu pas, nu ik weer publiceer in tijdschrift Dichter, en ook alleen maar als mensen ernaar vragen, zeg ik dat ik dichter ben. Dat heeft heel lang bij mij geduurd. Ik vond dat wat ik deed een beetje uitproberen was en de naam dichter niet verdiende.’ 

    Er was enige aarzeling om een tweede bundel te publiceren. Vogelverschrikkers van Kimolos verscheen in 1982, veertien jaar na zijn debuut.

    ‘Die tweede bundel heeft heel lang op zich laten wachten omdat ik het niet wist. Het wonderlijke is dat ik in mijn leven heel veel mensen heb gestimuleerd, en dat doe ik nog steeds. Onder andere via het Open Podium. Ik zit in de redactie van Open reeks en ben redacteur van een aantal dichters, maar ik ben nooit iemand tegengekomen die mij stimuleert. Er waren wel mensen die zeiden, “Wanneer komt er weer eens een bundel.” Maar ja, dat waren mensen die te dicht bij me stonden. Dus ik ben een beetje terughoudend over eigen werk. Ik relativeer het ook wel door te denken, “ach, het stelt allemaal niet zoveel voor, dus waarom zou je.” Van anderen vind ik wel dat het wat voorstelt, en ook dat het altijd beter kan. Er zijn gradaties in de dichtkunst, er zijn er die goed zijn, en er zijn er die beter zijn.’

     

    Vind je dat iedereen poëzie kan maken?

    ‘In gesprekken met deelnemers aan het Open Podium, vraag ik altijd waarom ze willen schrijven. Ik ben benieuwd naar het ploeteren, de smoezen en uitvluchten die ze gebruikt hebben, uitstelgedrag. Daar kan ik op een waarderende manier enorm naar luisteren. De deelnemers aan het Open Podium zijn een mengeling van bekende dichters en mensen die hun eerste gedichten hebben geschreven en dat komen voordragen. Niet alles is goed, maar ik ben niet van het afkatten, door afkatten is niemand groot geworden. In kunstopleidingen is het een adagio om leerlingen eerst af te breken en dan weer op te bouwen. Ik ben niet van die richting. Maar dat wil niet zeggen dat ik alles goed vind. Het is niet gauw goed, het kan altijd beter.’

     

    Hoe werkt dat voor jezelf, dat altijd beter moeten?

    ‘Omdat ik hoge eisen stel aan mijn eigen werk, werkt dat niet, omdat ik te kritisch ben. Daarom is het zo fijn dat ik in Dichter publiceer, dat is een podium waar ik me thuis voel. Hoewel het onderscheid tussen kinder- en volwassen poëzie wel moeilijk is. Het is vaak heel artificieel, een kunstmatige scheidslijn, over bepaalde dingen die bij het volwassen leven horen, schrijf je niet voor kinderen. En kinderen zien allerlei lagen in een gedicht niet, dat begrijp ik wel, maar daarom moeten ze er wel inzitten, ook in kinderpoëzie. Er mag ook iets onbereikbaars in doorklinken. Daar zijn kinderen heel gevoelig voor. Tegen de kinderen in poëzieles zeg ik vaak, “Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt.” Dat zijn vaak hele goede dingen, het is nooit alleen maar eenduidig.’

     

    Wat betekent poëzie voor jou, ben je er elke dag mee bezig?

    ‘Ik geloof in de werking van poëzie. Ik lees iedere dag poëzie, het hoort bij mij. En ik geloof in de verbeeldingskracht van taal. In taal kun je zeggen waar het om gaat, of althans, kun je dat het dichtst benaderen. Het is ook wel dubbel, ik geloof in de poëzie van deze wereld, maar ook in die van de wereld die daar achter zit. De dichter Van Collem, hij is nu niet meer bekend, schreef, ‘Oneindig is de taal van het heelal / voorbijgaand zijn de woorden van de mensen.’ Dan denk ik, dat is het. Die tegenstelling in zo’n tweeregelig gedicht vind ik heel treffend.’

     

    Is poëzie ook iets wezenlijks?

    ‘Nu kan ik aankomen met dingen als, het houdt je overeind, geeft je nieuwe hoop, een medicijn tegen de slechtheid in de wereld, enzovoort. Maar dat zijn frases, dat is het niet. 

    Ik begeleid al jaren een poëzie leesgroep. We lezen de nieuwste bundels van bekend of onbekend talent. Niets ten nadele van Nijhoff, Achterberg en de vijftigers, maar die lezen wij niet in deze leesgroep. Dat doe ik omdat veel mensen wel de oude dichters kunnen lezen, maar de nieuwe niet, omdat ze die te moeilijk vinden. Vooraf lees ik de bundel en haal er gedichten uit die in mijn ogen belangrijk zijn voor de bundel. Vaak is dat het eerste en het laatste. Dat is de compositie van een bundel die, net als een muziekstuk, “Bam”, ergens mee begint, en eindigt met een catharsis. Zo kunnen bundels ook in elkaar zitten. Ik lees zo’n gedicht dan hardop. Daarna mag iedereen iets over het gedicht zeggen, alles mag. Ook dingen als, het gedicht heeft geen titel, of, het rijmt nergens alleen de laatste twee regels, of, dat woord ken ik niet. Zo maken we een soort plattegrond van het gedicht. Vaak nodig ik ook de dichter zelf uit. Die mag erbij komen zitten en niets zeggen, gewoon kijken wat er met zijn gedicht gebeurt.’

     

    Dat komt heel dicht bij de dichter zelf, wordt het dan niet te persoonlijk?

    ‘De dichters vinden het zelf heel bijzonder om erbij te mogen zijn. Een schrijver maakt zelden mee hoe een gedicht landt  in een lezershoofd. Meestal willen lezers weten wat de dichter erbij gedacht heeft. Maar het gaat niet om wat de dichter ermee bedoeld heeft, maar om de interpretatie van de lezer. Er is niks ergers dan een dichter die zijn gedicht gaat uitleggen. Een dichter hoort een gedicht te schrijven, niet een uitleg te geven. Ik hou ook niet van critici die zo goed weten wat er fout of goed is aan een gedicht. Vroeger werd op de middelbare school gevraagd, “Wat bedoelt de dichter met…?” Waarschijnlijk bedoelde de dichter niks, en wat hij bedoelde heeft hij opgeschreven. Poëzie betekent: vrijheid voor de lezer om eigen keuzes te maken, vrijheid om geraakt te worden.’

     

    Denk je op dit moment nog wel eens aan een bundel samenstellen?

    ‘Er wordt me wel gezegd, “Je moet eens gaan verzamelen wat je hebt.” Soms denk ik, ze hebben gelijk, maar soms denk ik, nee hè. Ik heb wel werk voor meerdere bundels liggen, maar ik ben een enorme twijfelaar over mijn eigen werk. Ik ben nu gevraagd door uitgeverij Ploegsma om vier jeugdgedichten te schrijven voor een verzamelboek. Daar ben ik dan wel trots op, dat ik daarin kom. Maar ik ben ook heel trots op de dichters die in Dichter publiceren. Er is weinig podium voor jeugddichters, dit tijdschrift biedt dat gelukkig.’ 

    Van het tijdschrift Dichter verschijnen vier themanummer per jaar. Voor elke editite leveren zo’n vijfendertig dichters één of meerdere gedichten. Bekende dichters waaronder Erik van Os, Marieke Lucas Rijneveld, Ingmar Heytze, Remco Ekkers, of minder bekende als Jesse Laport, Monica Boschman, Katelijne Brouwer, Floor Tinga leveren geregeld een bijdrage. Zoals alle publicaties van Plint, is het tijdschrift een samengaan van beeldende kunst en poëzie. Uit het themanummer De liefde, prachtig geïllustreerd door Milja Praagman, komt dit gedicht van Jos van Hest, de dichter.

    ‘Liefje,

    Het spijt me het spijt me van vanmiddag
    ik had blij en gelukkig moeten zijn met jou
    in de zon op een bank maar ik was diep
    ongelukkig omdat ik wou dat je anders
    was het spijt me dat ik niet begreep wat
    je bedoelde en dat ik dat nu pas zie nu
    het te laat is en jij er niet meer bent ook
    dat spijt me verdrietig want ik dacht eerst
    dat het jouw schuld was ook al heb ik het
    ernaar gemaakt omdat ik dacht dat je
    eromheen draaide en niet eerlijk was
    en nu direct om de hoek zag ik je fiets
    en ik was zo vreemd blij maar je bent er
    niet omdat ik het ernaar gemaakt heb
    en nu het te laat is denk ik ook niet dat ik
    je ooit nog zie omdat ik zo erg was en
    toch is er een hoopje en dat hoopje

    schrijft je nu’

     

     


     

     

     

     

     

     


     

    Foto: Jan ter Heide

     

     

  • Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt

    Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt

    Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen, een gevangeniskolonie in Drenthe. Ze heeft samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig veel gereisd. De sporen daarvan zijn in haar romans en non-fictie boeken terug te vinden. Sinds haar debuutroman Sevillana (1990) bouwde  ze aan een divers oeuvre, schreef columns en reisverslagen voor de Volkskrant en publiceert regelmatig essays en opiniestukken in de NRC. Twee van haar boeken, de roman Bokkezang (1994), en het non-fictieboek Tribune van de armen (2017), werden respectievelijk in het Russisch – en Spaans vertaald. Ze reisde twintig jaar lang jaarlijks naar Roemenië, leefde waar de Roma’s leefden en schreef daar twee reisboeken over, De stilte voor het vuur (1992) en Sla een spijker in mijn hart (2006). 

    Eerst dit: Midden jaren tachtig ontmoette ik in Deventer een jong stel dat met paard en wagen door Europa reisde. Ze stopten op de kade langs de IJssel op het moment dat ik met mijn kinderen wilde oversteken. De kinderen waren verrukt van de wagen, van het paard. Zij vertelde dat ze onderweg stukjes schreef voor een blad. Zij trokken verder, wij staken de weg over. Later vermoedde ik bij elk boek dat van Mariët Meester verscheen, dat zij het was geweest die we daar ontmoet hadden. In de mailwisseling voor een interviewafspraak werd mijn vermoeden bevestigd. 

    Voor Literair Nederland spreek ik haar op een middag in december. Ze ontvangt me op hun driehoog gelegen etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. De ruimtes zijn rustig en minimalistisch ingericht. Boven de schouw in de achterkamer herken ik de foto van de schrijfster met een (dode) zwaan die ze met beide handen bij de hals vasthoudt ter hoogte van haar borstbeen. Het zwanelijf sierlijk naar beneden hangend, haar hoofd met opgebonden haren afgewend. Het beeld stond ooit op de cover van haar roman De overstroming uit 2003. We nemen plaats in de woonkamer, er is thee, brokken chocola op een schoteltje. 


    Waarom reisden jullie toen met paard en wagen, waar kwam het idee vandaan? 

    ‘Ik zat begin jaren tachtig op de Academie voor Beeldende Kunsten Minerva en het vijfde jaar was een stagejaar, dat mocht je naar eigen idee invullen. We bedachten toen om zelf een woonwagen te bouwen en op reis te gaan. Onderweg zou ik dan werk voor de academie maken.’
    Ze laat foto’s zien van de wagen waar ze met haar vriend (nu man) op de bok zit. Ik herken het beeld, de wagen. Ik laat weten dat ik het toen een idyllisch geheel vond. ‘Maar het was ook afzien’, zegt ze. ‘Er was geen verwarming en ruzies waren onvermijdelijk. We leefden heel dicht op elkaar, dat was best heftig. Op een binnenwand van de wagen hebben we op een gegeven moment onze relatie geschilderd, veel boze, woeste koppen.’ 


    Schreef je toen ook al?

    ‘Tijdens die reis waren op een gegeven moment mijn boeken op en ben ik zelf gaan schrijven. Een van die verhalen stuurde ik naar een tijdschrift en dat werd meteen geplaatst. Ik kreeg er honderd gulden voor, dat stimuleerde me wel om door te schrijven.’ 


    Schrijven is dus uit nood ontstaan?

    ‘Oh nee, vanaf het moment dat ik op de lagere school leerde schrijven, wilde ik dat al. Maar als kind was ik verlegen, durfde niet te zeggen dat ik schrijver wilde worden. Wist ook niet wat je daarvoor zou moeten studeren. Toen ben ben naar de kunstacademie gegaan, dat heeft me wel geholpen. Daar leerde ik een bepaalde manier van kijken.’ 

    Uit de aantekeningen die ze tijdens haar reis halverwege de jaren tachtig maakte, ontstond een boek, Een spoor van paardenmest. De onlangs overleden Maarten van Dullemen wilde het publiceren. ‘Hij was de broer van Inez van Dullemen dus ik dacht, dat zit wel goed. Het waren dagboeknotities, maar hij deed geen redactie, publiceerde het zoals ik het had ingeleverd. Daardoor is het wel heel authentiek, maar ik vind het niet goed genoeg.’


    Je derde boek was de androgyne roman Bokkezang.

    ‘Het was heel intens dit boek te schrijven, het kwam uit het diepst van mijn ziel. Het gaat over het non-binaire, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, en de manier van samenleven met dieren. Een roman waarin vrijheid, behoud van waardigheid, wellust en androgynie een rol speelden. Ik heb het ingeleverd bij Tilly Hermans die toen bij Meulenhoff redacteur was. Nadat ze het gelezen had zei ze, “Dit is beter dan het meeste dat ik binnen krijg.” Later hoorde ik dat ze met het manuscript juichend door de uitgeverij had gelopen, “Dit gaan we groot maken.” Maar de pers begreep er niets van, ze vonden het een raar boek. Het was er de tijd niet voor, terwijl ik toen dacht, “Dit is het beste dat ik in me heb.” De recensies die er kwamen, waren wel positief. Later is het bij De Slegte beland en zelfs daar (lachend) liep het niet.’ 

    ‘Maar’ zegt ze, ‘het is goed gekomen. Tien jaar later werd het ontdekt door een Russische hoogleraar die het vertaalde en werd het in Rusland uitgegeven. Er kwam een presentatie in St. Petersburg en het boek liep daar heel goed.’

    Daarna verscheen De eerste zonde, een ‘coming of age’ roman over een pubermeisje dat opgroeit in de gevangeniskolonie Veenhuizen. Ze helpt een gevangene die ontsnapt is zich te verbergen, brengt hem eten en kleren, wordt verliefd op hem.

    ‘Dat was toch wel een reactie op hoe Bokkezang ontvangen werd. Dat het niet begrepen werd, daar was ik wel van geschrokken. Daardoor ging ik een lichter boek schrijven. Maar het past ook wel bij me, dat ik steeds iets anders schrijf. Mijn toenmalige uitgever Maarten Asscher zei eens tegen me, “Jij doet bij elk boek iets anders, je zoekt steeds weer nieuwe dingen uit. Dat kan voor de lezer wel eens lastig zijn.” Maar dit is mijn manier van schrijven, ik kan niet anders. Ik ben een kunstenaar, het interesseert me niet om steeds hetzelfde de toen.’


    Wat schrijf je het liefst, fictie of non-fictie?

    ‘Fictie schrijven is wel moeilijker, maar ik doe het liever. Het is voor mij echt kunst. Maar als ik alleen fictie zou schrijven, dan zou ik teveel opgesloten zitten. Voor non-fictie ga ik op onderzoek uit, naar Amerika bijvoorbeeld, zoals ik voor het boek De Mythische oom heb gedaan, of naar Spanje, voor De tribune van de armen.’ 


    In een documentaire over de gevangeniskolonie zei je dat je daar heel gelukkig was. Dat had te maken met de ‘lammeren en de leeuwen’ die daar bij elkaar woonden. Wat bedoelde je daarmee?

    ‘Er waren daar geen contrasten, je zag die gevangenen elke dag, het hoorde erbij. Je zag dat het gewone mensen waren, je leefde in een soort symbiose met elkaar. Die eenheid vind ik heel bijzonder. In het echte leven heb ik daar wel moeite mee, dat er geen eenheid is. Daar vormde je met elkaar een gemeenschap. Ik ben altijd nog teleurgesteld hoe mensen polariseren, ook nu in deze corona tijd. Dat vind ik verschrikkelijk, dan denk ik, “leef je eens een beetje in de ander in.”’

    Begin 2020 verscheen haar achtste roman, Pingping, waarin de protagonist van de een op de andere dag breekt met haar oude leven en op zoek gaat naar een eenvoudiger leven. Een mooie gebonden uitgave met leeslint, op de titelpagina een met de hand ingekleurd vogeltje, gedrukt in een eenmalige oplage van duizend stuks. Samen met haar man, richtte ze voor deze uitgave uitgeverij Caprae op. Voor een schrijver die doorgaans haar boeken publiceert bij bekende uitgevershuizen als Meulenhoff, Balans en De Arbeiderspers, een opmerkelijke zet.  


    Waarom wilde je dit boek zelf uitgeven?

    ‘Dat was puur vanwege het onderwerp. Het boek gaat over iemand die wil uitzoeken of je minder geld kunt uitgeven en toch ‘rijker’ kunt leven. Zij maakt zich zorgen over ons leefklimaat en wil echt stappen nemen om het klimaat zo min mogelijk te belasten. Ik wilde kijken of ik dat ook in de manier van publiceren kon doorvoeren door de oplage beperkt te houden. Zoiets kon alleen rendabel zijn met een eigen uitgeverij. Het was misschien wel wat naïef, want iemand van Boekblad riep, “Hoe kun je dat nou doen, je zit bij De Arbeiderspers?!” Daar had ik niet aan gedacht, dat mensen zouden denken dat De Arbeiderspers me niet meer wilde. Maar het was een bewuste keuze. Gelukkig werd het een succes. En het was heerlijk alles eens zelf te kunnen bepalen, het omslag, lettertype. Jaap en ik hebben die kennis in huis, voor ons was het een kunstproject.’


    Wat is een van de belangrijkste dingen geweest in je schrijversleven?

    ‘Ah, dat was toch wel mijn deelname aan een zesweekse reis door Europa, de Literatuurexpres. Dat was in 2000, een literaire reis van Lissabon, via Scandinavië naar Rusland en terug via Berlijn. Dichter Serge van Duinhoven en ik waren uitgenodigd namens Nederland. Het was een project van voormalige Oost-Duitsers, Literatur Werkstatt. Ze hadden meer dan honderd schrijvers uit heel Europa bij elkaar gebracht en een speciale trein gereserveerd. 

    Per land werd er een fragment uit de roman die je vooraf had ingestuurd, voor je vertaald. Ik had Bokkezang gekozen. We traden eerst op in Lissabon. Arie Pos, Portugees vertaler, had vooraf een fragment daaruit vertaald. We gingen onder andere naar Madrid, de Baltische staten en St. Petersburg. Het was razend interessant maar zes weken was ook wel lang. Voor het cultuurkatern van de Volkskrant heb ik tijdens die reis een zestal columns geschreven. Ik kreeg een mobieltje van de krant, een van de eerste mobieltjes. Dan stuurde ik via mijn laptop en die mobiel, mijn stukjes door. Ik heb aan die reis goede herinneringen en vele schrijversvrienden uit allerlei landen overgehouden.’


    Binnenkort verschijnt er een autobiografisch boek van je. Wat was de aanleiding om die te schrijven?

    ‘Het was in 1994 dat ik al besefte dat ik wel wat bijzonders heb beleefd tijdens mijn jeugd in die gevangeniskolonie, en dat ik dat maar eens moest opschrijven. Ik ben toen gaan zitten en heb alles genoteerd wat in me opkwam uit die tijd. Veel later sprak ik er met Marcel Möring over, hij zei, “Je niet kunt doodgaan zonder het verhaal, zoals het was, een keer verteld te hebben.” Alles wat ik in 1994 heb genoteerd, heb ik nu als basis voor dit boek, Koloniekind kunnen gebruiken. Herinneringen vervormen door de jaren heen, en ik was blij dat ik dit materiaal van zesentwintig jaar geleden had.’


    Hoe was het om daarover te schrijven?

    ‘Het mooie is dat door dit boek alles bij elkaar komt. Je oeuvre wordt als het ware helemaal rond. Elk boek van mij is anders, al zit er wel een bepaalde lijn in. Met dit boek ga ik terug naar de basis. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik bijvoorbeeld hoe ik als vijfjarige over een lange rechte laan fiets. In de epiloog merk ik op dat er in al mijn boeken wordt gefietst, dat ook dit boek begint en eindigt met fietsen.’ 

    ‘Het was een besloten gemeenschap, het hele dorp was afgesloten met driehonderdvijftig bordjes ‘Verboden toegang’. De meeste mannen daar liepen in een zwart uniform. Er waren bewakers met een karabijn schuin op de rug. Als wij visite kregen werd dat van tevoren aangevraagd. Je kon niet zomaar bezoek ontvangen. 

    Het waren allemaal brave ambtenaren die daar werkten. Voor mij waren die gevangenen razend interessant. Al schrijvend aan Koloniekind, heb ik ontdekt dat zij mijn rolmodellen waren. Ik begin nu te zien, door dit laatste boek, waar mijn thematiek vandaan komt.’


    Je vader woont nog in Veenhuizen, hij is drieënnegentig. Heb je met hem over dit boek gesproken?

    ‘Nou, (lachend) hij wil hier niet zoveel over weten. Ik heb hem wel veel gevraagd over hoe het vroeger was, zonder te vertellen dat het voor een boek was. Later heb ik hem verteld  dat er een boek komt over die tijd. Dat hij er ook in voorkomt en op het omslag staat. Hij vond het goed. “Ik zie het wel,” was zijn reactie. Hij weet dat ik respectvol te werk ga. Mijn redacteur noemde het een liefdevol boek, dat was wel een opluchting.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Koloniekind, Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen van Mariët Meester verschijnt in april bij uitgeverij De Arbeiderspers.


    Kijk voor haar gehele oeuvre op Mariët Meester.nl.

    Foto auteur: Jaap de Ruig

     

  • Er is niet een waarheid in dit verhaal

    Er is niet een waarheid in dit verhaal

    Veertien jaar geleden verscheen van de Duitse schrijfster Julia Franck de bestseller Der Mittagsfrau (De middagvrouw). Het boek werd vertaald in zevenendertig landen en won de Deutscher Buchpreis. In 2011 verscheen Rücken an Rücken (Rug aan rug), over een familie in Oost-Duitsland in de jaren vijftig en zestig, vanuit het perspectief van een broer en zus, kinderen nog. Toen bleef het tien jaar stil, tot onlangs Werelden uit elkaar in vertaling van Els Snick verscheen. De schrijfster die de gedachte over zichzelf te schrijven walgelijk vond, schreef een autobiografische roman over opgroeien in een disfunctionerend gezin in het Duitsland van de jaren zeventig en tachtig.

    Julia Franck (1970) wordt geboren in Oost-Berlijn, op achtjarige leeftijd verhuist ze met haar moeder en drie zussen (waarvan een haar tweelingzus) naar West-Berlijn, waar ze eerst negen maanden in een vluchtelingenkamp worden opgevangen. Haar moeder schrijft vanuit het kamp alle vrijescholen in Duitsland aan voor een plek voor haar drie oudste dochters. Ze worden aangenomen op een Steinerschool in Sleeswijk-Holstein en de moeder krijgt in die omgeving een leegstaande boerderij toegewezen. Ze leven van een uitkering. Moeder, een getroebleerde actrice, ligt veel in bed of verzorgt met ongewone genegenheid de geiten, kippen en varkens die ze bij het huis houden. ‘s Morgens staan de oudste kinderen alleen op, zorgen voor het kleine zusje en lopen vijf kilometer naar school. ’s Avonds koken ze hun eigen avondeten met wat er voorhanden is. Er is veel ruzie in huis, niemand wordt terecht gewezen, huilen is uit den boze.

    In haar twee voorgaande romans De middagvrouw en Rug aan rug onderzoekt Julia Franck respectievelijk de familieverbanden van haar vader en van haar moeder. Het zijn fictieve verhalen gebaseerd op biografische gegevens van haar ouders. In Werelden uit elkaar onderzoekt ze de wereld waarin zij zelf opgroeide. Een autobiografische roman waarin veel sporen uit de twee genoemde romans bij elkaar komen. Er lijken dingen in elkaar te schuiven, een geheel te vormen. Naast een boek over de schrijfster zelf, is het ook een verhaal over de manier waarop we iets opbouwen uit onze herinneringen en hoe we die herinneringen bevragen.

    Julia Franck was in oktober in Nederland voor haar boekpresentatie van Werelden uit elkaar. We ontmoetten elkaar in een bovenzaal op de eerste verdieping van het Goethe Instituut in Amsterdam. 


    Wat heeft u in de tien jaar tussen u laatste boek en Werelden uit elkaar gedaan?

    ‘Het is niet dat ik heb stilgezeten. Toen ik tweeënhalf jaar geleden aan Werelden uit elkaar begon had ik drie romans onder handen die ik vervolgens niet afmaakte. Het waren fictieve romans met compleet verschillende onderwerpen. In een van die romans probeerde ik te schrijven over de natuur zonder er een individu, een mens in voor te laten komen. Dat was moeilijk en ik realiseerde me dat ik geen boeken kan schrijven zonder personen erin. Op dit moment in ieder geval niet. Maar ik weet niet precies wat er gebeurde toen ik begon te schrijven over dit zeer persoonlijke onderwerp, over ‘Auseinander’ (uit elkaar). Ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat ik misschien in staat was te schrijven over de meest intieme, meest persoonlijke ervaringen uit mijn leven. Naar mijn idee was het nodig dat ik ouder werd, om met meer ervaring en meer afstand er tegen bestand te zijn deze ervaringen tot onderdeel van een boek te maken. Ook om deze ervaringen uit het verleden, een ander leven van ‘Behind the Wall’  aan te kunnen. Elk schrijven is een beslissing te schrijven vanuit een bepaald perspectief.’


    Vanuit welk perspectief heeft u dit boek geschreven?

    ‘Het is een boek geworden over hoe we onze herinneringen bevragen. Hoe respecteren we onze herinneringen maar ook dat wat je vergeten bent. Te schrijven over mijn jeugd is tevens een poging aan een mozaïek te bouwen waarin de herinneringen aan de verhalen die ons verteld zijn door familie of vrienden ook worden opgenomen. Te reflecteren op die verhalen, maar ook brieven van vrienden uit die tijd, mijn eigen dagboeken en die van mijn vader waren belangrijk om mijn herinneringen weer te geven. Mijn interesse lag in het schrijven met al die verschillende materialen.’

    Werelden uit elkaar is een mooi gecomponeerd boek geworden over opgroeien in een vrouwenfamilie, vaders en grootvaders ontbreken. Kinderen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn de jaren zeventig en tachtig, de jaren van de seksuele revolutie, leve de vrijheid. Franck schrijft, ‘In mijn herinnering is er geen enkele gebeurtenis waarbij Anna (de moeder, Iv/dG) pedagogisch, streng of boos optrad. Het woord grens had voor haar alleen te maken met de scheiding van de twee Duitse staten.’ Dat haar grootmoeder Inge, een vrouw met een sterk karakter, niet meer leefde, maakte het voor Franck eenvoudiger over haar eigen leven te schrijven, maar ook, benadrukt ze, ‘Ik moest ouder worden, ook om met mijn eigen dagboeken te kunnen omgaan. Ik schreef die dagboeken toen en kan het nu pas lezen.’


    U begon op u twaalfde met dagboekschrijven en werd een nogal obsessief dagboekschrijfster.

    ‘Het was voor mij de enige betrouwbare relatie die ik in mijn jeugd ontwikkelde, mijn dagboek was alles voor me. Als ik schreef, kwam er altijd een volgende zin, en nog een. Dat gaf me zekerheid. Ik dacht er niet aan te schrijven over dingen die zo duidelijk voor me waren. Ook niet dat ik wat ik schreef later zou gebruiken. Ik schreef omdat het een uitweg was uit het leven waarin ik zat. Achteraf is het altijd een streven te schrijven over dingen die diffuus zijn, die niet zo gemakkelijk te begrijpen of te verklaren zijn. Ik wilde ook die beelden die toegedekt waren laten zien, zonder verdere uitleg. Herinneren heeft de intentie iets te verklaren, iets uit te leggen, te interpreteren. Te doen alsof er een regel, een structuur voor is om te vertellen hoe ons leven was. Het is veel interessanter die kleine tussenruimtes te vinden, het onbeschrevene te vinden.’ 


    In hoeverre was het anders om dit boek te schrijven vergeleken met uw vorige boeken?

    ‘Ik was gewend aan de opbouw van een roman, waarin ook biografische details zaten, maar waarin de karakters onder mijn regieaanwijzingen werden gecomponeerd. Met dit boek wist ik vanaf het begin dat ik op vele manieren  over mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven. Er is niet één manier om het verhaal van mijn leven te vertellen, er is niet één waarheid in dit verhaal.’


    U bent in Oost-Duitsland geboren, op achtjarige leeftijd verhuisde u tegen u zin naar West-Berlijn.

    ‘Ik was daar opgegroeid, al onze familie en vrienden waren daar. Een typisch verlangen van een kind is te blijven waar ze is, als het niet al te slecht is. Omdat er geen visionair ideaal is van een ander leven, van een andere wereld aan de andere kant van de muur. Later, in mijn tienerjaren, toen ik wel een visionair beeld begon te ontwikkelen, kreeg ik langzaamaan een idee over een leven buiten mijn moeders huis. Er ontstond in mij het sterke gevoel dat ik niet hoorde in het leven waarin ik zat. Ik was ervan overtuigd dat ik daar weg moest.’


    Als dertienjarige ging u bij vrienden van uw moeder in Berlijn wonen. Hoe was het om uw tweelingzusje te moeten achterlaten?

    ‘Ik voelde me schuldig dat ik alleen aan mezelf dacht. Maar ik wilde me niet verantwoordelijk voor haar voelen. Ze was altijd achter me, liet me nooit met rust. We waren niet gelijkwaardig, ik moest haar beschermen. Daarvoor voelde ik me niet sterk genoeg, het was een rol die ik niet aan kon. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn moeder en mijn jongste zusje. Maar ik kon dat niet meer. Ik ontwikkelde dwanghandelingen, kreeg wratten aan mijn handen en angst voor alles. Ik vroeg me af waar het met mij naartoe moest, ik wilde verdwijnen.’


    Hoe was uw relatie met u moeder?

    ‘Mijn moeder en mijn grootmoeder, waren geen zorgende vrouwen. Om daarop te reflecteren, zoals ik in mijn boek doe, moest ik ook ouder worden. Niet per se vijftig, maar toch… Toen ik drieëntwintig was, ontwikkelde er zich wel een bijzondere relatie met mijn grootmoeder. Ik begon haar vragen te stellen, hoe het was toen ze jong was en de oorlog uitbrak. Hoe het was om uit Duitsland weg te moeten, door haar Joodse moeder naar Italië gestuurd te worden. Daar ontmoette ze een jonge kunstschilder met wie ze niet mocht trouwen vanwege de raciale wetten van de nazi’s. Mijn grootmoeder had nooit nagedacht over haar Joods zijn, ze was een bourgeois, een geassimileerde Joodse vrouw. Pas door de nazipolitiek kwam het besef bij haar dat ze er niet bij hoorde. Om diezelfde reden werd ze niet toegelaten tot de kunstacademie. 

    Enerzijds kon mijn grootmoeder er heel open over spreken, maar er was ook een diep verborgen pijn in haar over het verlies van haar verloofde, over de vraag waarom hij in maart 1945 op die trein is gegaan. Het was bijna het einde van de oorlog en hij kwam door een ongelukkig ongeval om het leven. Dat maakte haar tot een ongehuwde weduwe, maar ze had geen rechten, er bleef haar niets over van hun relatie.’

    Het lijkt of de geschiedenis zich in de vrouwelijke lijn herhaalt. Francks grootmoeder verloor op jonge leeftijd haar geliefde door een ongeluk, haar moeder verloor haar geliefde broer op jonge leeftijd door zelfmoord, en Franck zelf verloor op jonge leeftijd haar geliefde, Stephan. Ze woonden samen toen hij door een vrachtwagen werd overreden. In het boek beschrijft ze het overweldigende gevoel niets meer te hebben, niets waardoor gezegd kan worden, ‘hij was van mij’. 


    Was de ontmoeting met Stephan het begin van geluk dat een tragedie werd?

    ‘Toen ik Stephan ontmoette, was er een geweldig gevoel van geluk. Hij was heel zeker over zijn liefde voor mij, dat was zo nieuw voor mij. In die tijd had ik ook een relatie met een ouder iemand, een filmmaker. Ik voelde geen noodzaak te moeten kiezen. Maar ik voelde ook een grote onzekerheid. Ik vond het moeilijk me over te geven aan zijn liefde, ik had nooit ervaren hoe er van je gehouden kon worden. Ja, het was tragisch dat hij verongelukte. Maar ik moet nu denken aan de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Aan haar essay Trauer ist das Glück, geliebt zu haben, dat onlangs verschenen is. Over de dood van haar vader tijdens de pandemie, en dat rouwen ook betekent dat er is liefgehad. En dat blijft.’


    U beschrijft een voorval dat speelde tijdens uw tienerjaren, u werd bestolen door twee klasgenoten.

    ‘Het voorval zelf was ik vergeten. Tot ik het in mijn dagboek las. Op die manier zijn mijn dagboeken mij ook van dienst geweest. Ik was ontsteld te lezen hoe ik reageerde. Ik paste op een huis van iemand, er was geld aanwezig om eten voor de kat te kopen. Er kwamen twee klasgenoten op bezoek en na hun vertrek was het geld verdwenen. Ik voelde me gekwetst, maar ook schaamde ik me voor hen, dat ze dit gedaan hadden. Ik voelde geen woede dat ze me bedrogen hadden. Ik kon niet boos worden. Toen ik het teruglas was het interessant voor me te zien hoe verlegen, hoe onzeker ik was. Ik verzon zelfs verhalen hoe het geld weggeraakt zou kunnen zijn om hen te ontlasten. Het bewerkstelligde een integriteit tussen het meisje dat ik was en de vrouw die ik nu ben.’

     

    In de proloog van Werelden uit elkaar schrijft Julia Franck: ‘Hoe nieuwsgierig we ook naar elkaar zijn en hoe graag we elkaar ook willen ontmoeten, het is juist het andere en de zienswijze van de ander die ons fascineren, de ander van wie we willen houden of die we ook willen minachten. Het is precies datgene waarin onze individualiteit tot uiting komt. De vreemdelinge ben ik zelf.’ Een fascinerende passage die door het hele boek blijft meeklinken.

     

     

     

    Foto: ©Matthias Bothor


     

     

     

     

     

     

     

    Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 blz. / Uitgeverij Wereldbibliotheek

     

  • In memoriam Inez van Dullemen (1925-2021)

    Terwijl ik donderdagmiddag mijn handen vol had aan het behang afkrabben en schilderen van een huis, keek ik tijdens de koffie op social media om te weten of de wereld nog was zoals ik hem graag heb. Er verscheen een foto van Inez van Dullemen met haar immer heldere blik, haar naam en daarachter twee jaartallen tussen haakjes. Een schok, bij elk overlijden verandert de wereld een beetje. Ik dacht, terwijl ik verder krabde aan behangresten, ‘Alle mensen zijn sterfelijk’, schrijvers niet uitgezonderd. Waarmee ik mijn geloof dat al wie ik liefheb en bewonder daar niet toe behoren, onderuit haalde. Inez van Dullemen werd als schrijfster bewonderd om haar stille aanwezigheid, haar boeken en verhalen stonden voorop, zelf was ze weinig in beeld. In 1949 debuteerde ze met Ontmoeting met de andere. Ze publiceerde in bijna zeventig jaar zo’n dertig verhalenbundels, reisboeken, toneelstukken en romans. In haar begintijd was ze vooral een romanticus, en haar boeken werden nogal eens te liefelijk bevonden. Zelf zei ze daarover ‘Ik was een bellettriste, een kind van Van Schendel en Couperus.’ Dat veranderde toen ze halverwege de jaren zestig met haar man twee jaar door Amerika reisde.

    Van daaruit schreef ze reisverslagen voor de Volkskrant die later gebundeld werden in Op zoek naar de Olifant en Logeren op de vulkaan. Terug uit Amerika worden haar verhalen persoonlijker, spelen beslissende momenten uit haar eigen leven er een rol in. In ‘De verrader’, opgenomen in de bundel Een kamer op de Himalaya,  is het de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog. Een twaalfjarig meisje ontleent aan de oorlog iets avontuurlijks. Op de tweede dag van de oorlog, wanneer Duitse soldaten door de straten marcheren, gaat ze langs bij een schoolvriendinnetje waar ze nog nooit thuis kwam, er was iets raadselachtigs aan het gezin.

    Haar broer had geopperd dat het landverraders zijn. Ze wil het weten, daarom gaat ze er heen. Maar het zijn vriendelijke mensen, geen verraders. Op het punt van weggaan, het gezin gaat eten, gluurt ze nog even door de kier van de woonkamerdeur en ziet dat de vader zijn hoofd met een zwart doekje bedekt. ‘Het was of er nu toch een vonnis was uitgesproken, hij had zich het hoofd met zwart gedekt. Het verraad maakte plaats voor een ander soort getekend-zijn. “ik wist het niet,” fluisterde ik, “ik wist het niet, ik dacht…” Ik kan niet uitspreken wat ik gedacht had. Wij, joden, had hij gezegd. Een heel volk. En het flitste door me heen: de politie in onze straat, de joodse familie die de gordijnen had gesloten en zich in bed gelegd om niet meer wakker te worden… Het kind dat touwtje had gesprongen. In Polen, zei mijn broer, vermoorden ze alle joden. (…) nu was het hier ook Polen, ikzelf had de voetstappen gehoord door de straten, duizenden, en je wist niet welke gezichten erbij hoorden…’ Die broer was overigens fout in de oorlog, daarover heeft ze later geschreven in Heldendroom.

    Van Dullemen schreef om zelf steeds weer anders, opnieuw naar de dingen te leren kijken. ‘Als je ergens vreemd komt, heb je de neiging om zo botweg te oordelen, vanuit je eigen wereld, je eigen denkpatroon.’ In 1976 brak ze door naar een groter publiek met de novelle, Vroeger is dood, over haar dementerende ouders. De novelle werd bekroond met de Jan Campertprijs. En in 1987 werd het boek verfilmd en won twee gouden kalveren, waarvan een voor Jasperina de Jong in de rol van de dochter. In 1989 ontving ze de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre.

    Haar laatste roman, het autobiografische Een schip vol meloenen, verscheen in 2017. In een interview in de Volkskrant liet ze weten zelf ook verbaasd te zijn, dat ze jaren nadat ze dacht haar laatste boek te hebben geschreven, er toch nog een boek kwam. ‘Wat is er in uw boeken echt gebeurd, is mij vaak gevraagd. Mijn antwoord is eenvoudig: ik weet het zelf niet. Veel van wat ik werkelijk heb beleefd, heeft zich in mijn verbeelding getransformeerd tot fictie, maar is daarom nog niet minder waar.’ 

    Een schrijfster waarvan de geschiedenissen die ze deelde, de verhalen die ze vertelde, met je meegingen. Hier en daar wat aan je leven veranderde, iets toevoegden. In een hoekje van mijn geest is de schrijfster Inez van Dullemen altijd aanwezig geweest. Nu er niets meer van haar te verwachten is, blijft ze daar en in haar boeken voortbestaan.

     

    Bron: Bzzlletin. Jaargang 10 (1981-1982) op DBNL (digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

    © foto: Keke Keukelaar

     

  • In memoriam Anton Valens (1964-2021)

     

    Schrijver en kunstenaar Anton Valens (1964, Paterswolde) is op 57-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. In 2016 werd bij Valens kanker geconstateerd. In oktober 2019 verscheen zijn laatste boek Chalet 152, volgens de Volkskrant een van de beste boeken in 2019 verschenen, en werd verder ook ontvangen als een onverwacht levendige roman. Ondanks zijn kleine oeuvre stond Valens bekend als groot en uniek talent.

    Schilder en schrijver

    Anton Valens volgde de opleiding schilderen aan de Rietveld Academie en de Rijksacademie. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de thuiszorg. Daarvan maakte hij aantekeningen die aan de basis lagen van zijn debuut Meester in de hygiëne, negen portretten van oude mensen waar Bonne als thuishulp over de vloer komt. Het boek verscheen in 2004 bij uitgeverij Augustus. In 2005 won hij daarvoor de Geertjan Lubberhuizenprijs en in 2006 de Lucy B. & C.W. van der Hoogtprijs. Dagblad Trouw riep het uit tot een van de beste debuten van dat seizoen. Anton Valens was ook docent aan de Rietveld Academie en exposeerde met eigen werk op verschillende locaties. In 2008 verschenen de verhalenbundel Dweiloorlog en Ik wilde naar de rand van Bejing. Een reisverhaal.

    In 2009 verscheen de novelle Vis, over een steuntrekkende kunstenaar die een week meevaart op een boomkotter naar de Duitse Bocht. Arjen Fortuin, toen nog literair criticus van het NRC, schaarde het bij de dertien onvergetelijke boeken uit zijn vijftienjarige praktijk als recensent.

    Bescheiden persoonlijkheid

    Ik herinner me Anton Valens uit interviews en publieke opstelling als een integer en bescheiden persoon. In een interview uit 2012 met Sara Berkeljon, noemde hij Het boek Ont dat in 2012 verscheen, ‘een vrij vreemd geheel’. De roman gaat over een groep mannen met postvrees. Er is een zelfhulpgroep ‘Man&Post’ waar ze elkaar helpen met het openen van enveloppen en rekeningen onder het mom ‘gedeelde post is halve post’. Hij was verbaasd dat het boek door de pers enthousiast ontvangen werd en grappig gevonden werd. Uit datzelfde interview: ‘Ik dacht dat voor Het boek Ont misschien hooguit dertig lezers te vinden waren.’ De roman haalde de longlist van de Libris Literatuur Prijs en werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2013, Beste Groninger Boek 2012 en de Halewijn Literatuurprijs 2012. Geen van die prijzen won hij, maar dat vond hij niet erg, de nominaties waren hem al genoeg. Zijn roman Het compostcirculatieplan uit 2016 werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs 2016.

     

    Foto: Annaleen Louwes

     

  • Het effect van het toekennen van de Nobelprijs voor de Literatuur

    Het effect van het toekennen van de Nobelprijs voor de Literatuur

    Het toekennen van de Nobelprijs voor de Literatuur is een tombola met steeds weer een verrassende uitkomst. Zelf houd je een eigen lijstje bij van schrijvers die het nu ‘echt wel verdiend’ hebben. Nu Philip Roth van het lijstje gevallen is, blijven over Cees Nooteboom, Marilynne Robinson, Antonio Lobo Antunes, Hillary Mantel, maar daar wordt geen rekening mee gehouden. Dat is maar goed ook, niet enkel het lauweren van schrijvers die wereldwijde bekendheid genieten is belangrijk, maar juist die schrijvers waarvan het merendeel van ons nog nooit gehoord had, moeten gezien worden. Het is nodig dat het meerstemmig koor aan schrijvers die een belangrijke weergave van menselijk handelen in hun boeken tonen, gehoord wordt.

    Bij het nieuws dat de Brits-Tanzaniaanse schrijver Abdulrazak Gurnah (Zanzibar, 1948), de Nobelprijs kreeg toegekend, zal menigeen naar de boekenkast gelopen zijn om te kijken of er bij de ‘G’ misschien, wie weet, een boek van deze schrijver stond. Veel kans daarop was er niet. In 1989 verscheen zijn debuut Herinneringen aan mijn zwarte rotjeugd (Memory of Departure) bij de inmiddels opgeheven uitgeverij Arachne. In 1994 verscheen van Gurnah bij uitgeverij Van Gennep de roman Paradijs (Paradise), en dat was het. Hans Bouman recenseerde in 1994 Paradijs voor de Volkskrant, de recensie werd op de dag van de bekendmaking opnieuw geplaatst.

    Abdulrazak Gurnah vluchtte in 1967 naar Groot-Brittannië waar hij het bracht tot hoogleraar Engelse en postkoloniale literatuur aan de universiteit van Kent. Sinds eind jaren tachtig schreef hij meer dan een dozijn romans, verhalen- en essaybundels. In zijn boeken onderzoekt hij, zoals hij zelf zei een ‘paradigma van menselijke relaties’. Zijn roman Desertion (2005) wordt als zijn meest succesvolle boek gezien waarin hij zich ondermeer afvraagt hoe het komt dat vrouwen de meest onderdrukte personen in de wereld zijn, dat de kansen voor hen om zich maatschappelijk te kunnen ontplooien, nog altijd lager liggen dan bij mannen. In deze roman komt ook het ontbreken van de juiste communicatie aan de orde. Hij schetst de relatie tussen een Arabisch sprekende moslima en een Engelsman. Doordat zij elkaars taal niet te spreken, krijgen ze geen toegang tot een gedeelde persoonlijke belevingswereld. En wat daar de gevolgen van zijn.

    Dit las ik in een mooi stuk over de winnaar Abdulrazak Gurnah door Geertjan De Vught in De Volkskrant.  Als je dat artikel gelezen hebt, wil je alles over deze schrijver lezen. Noem dit het effect van de Nobelprijs voor de literatuur. Zijn boeken zijn nergens te vinden. Hoewel Jeroen Vullings online een boek van Gurnah vond, voor 500 euro kon hij het bestellen, zo vertelde hij afgelopen zaterdag in het radioprogramma Nieuwsweekend.

    De Zweedse Academie kende de prijs aan Gurnah toe ‘voor zijn compromisloosheid en compassie bij het doorgronden van de effecten van het kolonialisme en het lot van de vluchteling in de kloof tussen culturen en continenten’.

    De laatste roman van Gurnah, Afterlives verscheen in 2020. Voor zover bekend zijn uitgevers aan het bieden om zijn werk te laten vertalen en uit te geven. We kunnen haast niet wachten wie deze tombola wint.