• In memoriam Paul Beers 1935-2024

     

    Op 25 januari werd bekend dat schrijver en vertaler Paul Beers is overleden, hij werd achtentachtig jaar. Beers vertaalde meer dan veertig literaire werken, zowel uit het Duits als het Frans,  waaronder Jean-Paul Sartre, Marguerite Yourcenar, Marian Pankowski en Thomas, Golo en Erika Mann. Ook vertaalde hij literatuur voor de Volkskrant en Vrij Nederland en was mederedacteur bij de publicatie van het complete werk van Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.

    Het was de Duitse literatuur van waaruit hij uiteindelijk het meest vertaalde en hij stond bekend als oeuvre-vertaler van Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz en Robert Menasse. Drie auteurs die hem met hun werk overrompelden en waar hij zich als literair vertaler voor hun hele oeuvre mee verbond. Hij noemde ze ‘mijn grote drie’. 


    Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen en filosofie werd zijn literaire vertalersloopbaan in 1964 aangewakkerd door de vertaling van
    Mythe van Sisyphus van Camus door C.N. Lijsen. Hij vond deze vertaling ‘volkomen ongrijpbaar’ en na een vergelijking met de Franse tekst, bleek deze wel degelijk ondermaats te zijn. Hij schreef er een uitgebreid en kritisch stuk over dat werd gepubliceerd in literair tijdschrift Podium.
    In 1965 ontdekte hij het werk van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. Gombrowitcz’ stijl, ‘zijn luciditeit en moed tot waarheid’ had hem zo gegrepen dat hij vanaf dat moment kost wat kost zijn vertaler wilde worden. Beers was de Poolse taal niet machtig, daarom zocht hij de schrijver op en kreeg toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen. Elk jaar, van 1967 tot 1972 verscheen er een Gombrowicz-vertaling. In 1967 bezocht hij Gombrowicz in Vence, Zuid-Frankrijk voor een interview voor Vrij Nederland. Dit interview bood hij in 2016 – nadat bij uitgeverij IJzer een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen was in herziene vertaling door hem zelf – integraal aan.


    In zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel
    Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen bij uitgeverij Koppernik, schreef hij dat in 1983 de redactie van literair tijdschrift De Revisor hem vroeg drie teksten van haar te vertalen. ‘Deze drie zo verschillende teksten spraken me dermate aan dat ik volledig voor deze schrijfster gewonnen werd. Hier was elke zin raak, gedragen door grote zeggingskracht met een heel eigen toon.’ Waarna hij zich grondig in haar werk verdiepte.

    In 1995 kreeg hij toevallig Selige Zeiten van Robert Menasse in handen, en ook hier overrompelde het werk hem zodanig dat hij dit wilde vertalen. Vanaf die tijd vertaalde hij ook van Menasse al zijn werk. 


    Beers zette zich ook in voor de positie van de literair vertaler. Zo hechtte hij grote waarde aan de naamsvermelding van vertalers. Het was hem een doorn in het oog dat op paginagrote advertenties in de opinieweekbladen de naam van de vertaler niet werd vermeld. Om uitgevers de waarde van de vertaler te doen inzien was zijn devies:
    ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’  

    In een gesprek met Huub Beurskens ter gelegenheid van zijn bekroning met de Letterenfonds Vertaalprijs in 2014, zei hij: ‘Terugkijkend heb ik geweldig geluk gehad dat ik het oeuvre van “mijn” grote drie heb kunnen vertalen.’



    Foto: rechtenvrij via uitgeverij Koppernik verkregen.

  • Schrijven is iets in de wereld zetten

    Schrijven is iets in de wereld zetten

     



    Met een beurs van het Letterenfonds werkte Julien Ignacio aan een sci fi-roman, toen zich ineens een heel ander boek aandiende. Een boek dat werd aangezwengeld door woede, maar met empathie werd geschreven.


    Julien Ignacio (1969) studeerde Literatuurwetenschappen. Hij publiceerde theaterteksten – waaronder Hotel Atlantis, waarvoor hij in 2008 de El Hizjra Literatuurprijs ontving – en was redacteur van literair tijdschrift Tirade. Zijn romandebuut Kus (2018) werd genomineerd voor De Bronzen Uil, en samen met Raoul de Jong en Michiel van Kempen maakte hij de bloemlezing Caraïbische literatuur, Dat wij samen zongen (2022).

    Vorig jaar verscheen zijn roman in zes verhalen, Goudjakhals bij Van Oorschot. Een indrukwekkende en persoonlijke roman waaruit vele stemmen klinken, alsof je – zoals de schrijver zelf zegt – aan de knop van een radio draait en steeds weer een andere stem, een ander geluid te horen krijgt. Voor dit interview spraken we elkaar in de tweede week van december in Grand Café 1e klas, Amsterdam Centraal.

    Met bewondering voor de verschillende stijlvormen waarin de migrantenverhalen in Goudjakhals verteld worden – de ongedocumenteerde migrant; de vluchteling in asielhechtenis; de zwarte jonge vrouw uit de zeventiende eeuw; de dissocierende migrant; een brief aan Gerard Reve; de grootmoeder op Aruba –  komen tijdens het lezen de woorden ontheemding en ontmenselijking naar boven. ‘Het heeft heel erg met identiteit te maken’, zegt Ignacio. ‘Als vluchteling je identiteit is, kan het gevoel ontstaan dat je een onmenselijk bestaan leidt.’


    Is dat wat je wilde laten zien, het onmenselijke bestaan? 

    ‘Ik wilde juist hun persoonlijke, menselijke kant laten zien. In het verhaal ‘Radio Gaga’, bij Ma Mercedes die een rumshop runt, wilde ik laten zien dat zij, ondanks dat haar leven in dienst staat van anderen en ondanks haar oudere leeftijd, ook een vrije en sensuele kant heeft.’

    Aan het werk van de Portugese kunstenares Paula Rego ontleende Ignacio het beeld dat hij van Ma Mercedes beschrijft bij het graf van haar man. Zich onbespied wanend zit ze wijdbeens op een klapstoeltje, schort haar rok op en laat de passaatwind de rimpels op haar dijen strelen. Wie de schilderijen van Rego kent, ziet het beeld voor zich.


    Het verhaal over Ma Mercedes is het meest autobiografische. Maar ook ‘Nader tot jou’, de brief aan Reve is een sterk autobiografisch document.

    ‘Ma Mercedes gaat over mijn oma. Een aantal jaren terug heb ik een half jaar bij haar op Aruba gewoond. Ik wilde haar beter leren kennen. Mijn vader is als oudste van zestien kinderen naar Nederland gekomen met een studiebeurs van de Arubaanse regering. Hij ontmoette hier mijn moeder en is gebleven. Zijn moeder heeft hem eigenlijk nooit vergeven dat hij 7000 km verderop een gezin stichtte. Dat is mijn persoonlijke familieverhaal, dat zit er ook wel in. Ik weet dat mijn vader, elke keer als hij met zijn moeder belde, voelde dat zij hem daarom veroordeelde. Ze vroeg altijd: “Wanneer kom je terug?”’


    Bij de publicatie van
    Goudjakhals liet Ignacio in een bericht op Facebook weten dat hij drie jaar aan het boek had gewerkt. Dat hij eerst aan een ander boek werkte. Toen kwam de dood van de Afro-Amerikaanse George Floyd in Minneapolis, omgekomen door politiegeweld, in het nieuws. Alsof er een nieuw bewustzijn ontstond, over zijn eigen achtergrond, het slavernijverleden.
    ‘Ik had een plan voor een sci fi- ingediend bij het Letterenfonds en dat was goedgekeurd. Daar was ik mee aan het schrijven toen Floyd werd vermoord. Toen kwam er voor mij opeens een heleboel bij elkaar.’

    Juist toen was hij ook Nader tot U van Reve aan het herlezen. De uitspraak van Reve dat zwarten ‘erfelijk minder begaafd’ zijn dan blanken, schoot hem opeens in het verkeerde keelgat.
    ‘Wat er met Floyd gebeurde raakte mij zo diep, dat wat ik in die brief aan Reve schreef, (waarin het briefschrijvende personage zich met glasscherven verwondt), ook echt gebeurd is.’
    Hij benadrukt dat veel van wat Reve geschreven heeft, ironisch bedoeld is, dat hij als een soort ‘relnicht’ kon losgaan.
    ‘Daar kon ik me altijd wel wat bij voorstellen, maar op dat moment dacht ik: “Wacht eens even. Dit kan niet.” Ik wilde hem daarop aanspreken, maar hoe. Toen ben ik die brief gaan schrijven waarin ik mijn woede een plek heb gegeven.’ 

    Als docent Nederlands als Tweede Taal werkt Ignacio bijna twintig jaar met expats, vluchtelingen en ongedocumenteerde mensen. Dat begon ooit met een berichtje in de krant dat er in Osdorp vluchtelingen zonder papieren werden opgevangen. Zijn reactie daarop was een grote pan soep te maken en daarmee naar Osdorp te gaan.
    ‘Het houdt me al langer bezig hoe het is om buiten de marges van deze maatschappij te leven. Dat je niet meer bestaat voor instanties.’

    In het openingsverhaal ‘GPS’, zoekt een AI (artificial intelligence) contact met een Iraanse vluchteling op een Grieks eiland. In die vluchteling wordt al gauw de Koerdische schrijver Behrouz Boochani herkend. Op een mobieltje schreef hij over de wantoestanden op het eiland Manu, en stuurde dat de wereld in.
    ‘Nog voor zijn boek (Alleen de bergen zijn mijn vrienden Iv/dG) verscheen, volgde ik hem op social media waar hij berichten plaatste over zijn verblijf op het eiland.’
    Zijn verhaal inspireerde om een satelliet-AI als personage te gebruiken. Een stuk techniek met menselijke trekken. Het oordeelt over wat het ziet, zoals de aangespoelde peuter in korte blauwe broek en rood truitje, op een strand in Europa. Ook dit beeld zal de lezer herkennen. De satelliet kan dit beeld niet verwerken, zijn binaire codering raakte erdoor ontregeld. 


    Het zijn indringende verhalen, soms is het hartverscheurend te lezen wat deze personages, ontleend aan de werkelijkheid, meemaken. Hoe was dit voor jou tijdens het schrijven?

    ‘Als ik schrijf neem ik afstand, het is belangrijk om mijn emoties er niet in te leggen. Ik ga graag naar de Meesterpianistenserie in het Concertgebouw. Er zijn pianisten die bij vervoerende stukken hun emoties laten zien door wild achter hun instrument te bewegen. Ik houd van pianisten zoals Krystian Zimerman die uiterlijk rustig blijven, maar de emoties in hun spel stoppen. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat deze mensen meemaken. Ik heb daar wel last van, maar niet als ik schrijf.’ 


    Je oordeelt niet in je verhalen, niet over Reve, niet over de bewakers op het asieleiland die een vluchteling onbarmhartig straffen.

    ‘Ik vind niet dat Gerard Reve om zijn teksten afgebrand zou moeten worden. Of dat de bewakers in dat kamp als klootzakken moeten worden neergezet. Ieder heeft zijn rol.’


    In een van de verhalen gijzelt een Palestijnse taxichauffeur een telg uit een machtige politieke familie. Hij vergrendelt de portieren, rijdt met hem rond en vertelt over de situatie van de Palestijnen. Het gaat hem om een handtekening waarmee zijn jongere broer in Nederland zou kunnen studeren.

    ‘Die taxichauffeur staat met zijn rug tegen de muur. Dat maakt deze man gevaarlijk, maar hij is ook heel liefdevol, hij doet het voor een ander. Dat vond ik wel belangrijk om te laten zien, dat gelaagde karakter.’


    Je beoefent verschillende stijlvormen, je hebt er ook een podcast in verwerkt. Waar kwam dat idee vandaan?

    ‘Een paar jaar geleden reed ik met vrienden naar Frankrijk waar zij een B&B hebben. De reis duurde zeven uur en al die tijd luisterden we naar de podcast, ‘S-town’, zes afleveringen lang hebben we doodstil naar die podcast geluisterd. Ongelofelijk goed verteld, echt een literaire podcast, en ik dacht, dit ga ik doen. Een verhaal in podcastvorm.’

    Het verhaal ‘Het silvere koord’ speelt in de zeventiende eeuw en gaat over een jonge, zwarte prostituee, Zwarte Sjaan. Een geweldig mooi karakter, kind van een Hollandse kapitein en een tot slaafgemaakte vrouw. Wanneer Peter de Grote Amsterdam bezoekt, worden er ter vertier twee mensen uit de rosse buurt verhangen. Zwarte Sjaan is een van hen. Vanaf het moment dat ze aan de galg op het galgenveld aan de overkant van het IJ hangt, vertelt ze over haar leven, in plat Amsterdams.

    Heeft Zwarte Sjaan echt bestaan?

    ‘Ha,ha’, lacht Ignacio, ‘Dat is helemaal mijn meissie. Dat Peter de Grote in die tijd in Amsterdam was en dat van die galgenvelden klopt allemaal, maar het verhaal van deze zwarte vrouw in Amsterdam heb ik verzonnen. Met de geschiedenis van Zwarte Sjaan wilde ik laten zien dat Amsterdam altijd al een migrantenstad was. De stad is groot geworden door migranten, ook uit Europa. Ik was me er wel van bewust, dat als ik het in plat Amsterdams schrijf, er het risico bestond dat het moeilijker te lezen zou zijn. Maar dat durfde ik wel aan. En als ik ergens humor in heb gestopt is het wel in dit verhaal.’


    Hoe kwam je bij het beeld van de goudjakhals?

    ‘Goudjakhals is de geuzennaam voor migranten die niet meer kunnen leven op de plek waar ze vandaan komen. Op internet kwam ik een bericht tegen dat goudjakhalzen verdreven van hun leefgebied, op zoek zijn gegaan naar nieuw leefgebied. Daardoor komen ze nu ook in Nederland voor. Net zoals de mens op zoek gaat naar een plek waar hij kan leven. Dat beeld van die goudjakhals was belangrijk om te gebruiken.’


    Dit boek ontstond door de moord op George Floyd. Waarom is hij niet in het boek terechtgekomen?

     ‘Als het erin was gekomen, dan misschien in die brief aan Reve. Maar ik vond het op dat moment zoiets groots, dat paste niet in dit boek. Misschien dat het ooit nog eens in een ander boek zou kunnen. Het was toch Reve die zei: “De realiteit is geen excuus?” En daar ben ik het mee eens.’

    Met het laatste verhaal, over Ma Mercedes, een prachtige vrouw die bewondering oproept, kantelt er iets waardoor het hele boek iets caleidoscopisch krijgt. Alsof we alle hoeken van het migrantenleven hebben gezien. Opvallend is dat ze altijd een klein transistorradiootje bij zich heeft, haar lijntje met de wereld.

    ‘Ja, dat is mooi. Dat je door aan de knop van een radio te draaien steeds weer een andere stem hoort, dat beeld had ik wel bij het schrijven. Dit boek is woord voor woord, verhaal voor verhaal ontstaan. De volgorde van de verhalen kwam pas later, we hebben er veel mee geschoven. Mijn redacteur, Menno Hartman, geeft les aan studenten Nederlands aan de UVA, onderdeel redactie. Hij heeft ze erbij betrokken door dit boek als een soort casus te gebruiken. Twintig studenten hebben tips gegeven voor de volgorde van de verhalen, uiteindelijk is het dit geworden.’ 


    Wat heeft dit boek je gebracht?

    ‘Ik ben politiek bewuster geworden dan ik al was voor ik aan dit boek begon. Deze tijd vraagt om politiek bewustzijn.’

     

     

    Foto: Hanh Nguyen


     

     

     

     

     

     

     

     

    Goudjakhals, Songs of freedom / Julien Ignacio / 288 blz. / Van Oorschot

     

     

  • Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

    Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

     

    Fien Veldman (1990) studeerde literatuurwetenschappen en schreef meerdere essays over het thema klassenongelijkheid. In 2021 won ze de Joost Zwagerman Essayprijs met ‘Not really making it’. Een essay over een zedenzaak in een achterstandswijk in Leeuwarden waar zij zelf opgroeide. Deze zomer verscheen van haar het essay, ‘In onze maatschappij word je nooit een kwartje – hooguit een dubbeltje op een andere plek’ in het NRC.

    Als kind las Veldman van alles door elkaar. Vanaf haar twintigste, toen ze Literatuurwetenschappen ging studeren, kwamen de klassiekers aan de beurt. Aan het eind van haar studie begon ze te schrijven voor verhalenwedstrijden om wat geld te verdienen. Ze won verschillende prijzen en ontdekte dat schrijven ook een loopbaan kon zijn. Daarna won ze twee belangrijke essayprijzen, met een behoorlijke geldprijs waardoor ze tijd kon vrijmaken om te schrijven. 

    ‘Virginia Woolf schreef ‘A room of one’s own’, waarmee ze meer bedoelde dan alleen die kamer voor jezelf. Eigenlijk zei ze, je hebt een kamer én geld voor jezelf nodig. En dat besefte ik wel, dat ik geld nodig heb om te kunnen schrijven. De Elise Mathilde-prijs was een enorme gift [10.000 euro] waardoor ik ruimte zag om me met schrijven bezig te houden.’

    Dit jaar debuteerde Fien Veldman met de roman Xerox als prozaschrijver. Een roman over een jonge vrouw die van onderaf de maatschappelijke ladder beklimt. Komend vanuit een achterstandswijk valt dat nog niet mee. Ze werkt als klantenservicemedewerker bij een kantoor in een niet nader genoemde stad. Het motto in haar werk tot nu toe is dat opgroeien in een achterstandswijk je hele verdere leven op achterstand stelt. Een zwaar thema, maar luchtig en met humor verteld.


    Wat wilde je laten zien?

    ‘Ik wilde het kantoorleven laten zien door de ogen van iemand die zich niet naar de gangbare, gewone wereld kan voegen. Voor iemand die deel uitmaakt van de middenklasse, is het niet denkbaar dat een ander bepaalde omgangsvormen en codes niet begrijpt.’ 

    De naamloze jonge vrouw lijkt op het eerste gezicht het type ‘loser’, maar blijkt een scherp observeerder van het menselijk onvermogen en heeft een nogal kritische, soms ronduit botte mening over haar collega’s, maar sluit zonder bedenkingen vriendschap met een vuilnisman. Wat zij belangrijk vindt, zijn niet de behoeften van haar collega’s die tot de ‘havermelkelite’ gerekend kunnen worden. Ze is niet ambitieus en bekritiseert elke ambitie bij anderen. Haar printer is het enige waarmee ze communiceert. Daar is een heel hoofdstuk aan gewijd, aan de gedachten en meningen van de printer. Over haar baan denkt ze, ‘Wat als ik rijk was geweest? Dan had ik deze baan nooit gehad. Dan was het niet eens in me opgekomen dat dit werk bestond.’ Het besef dat de ene klasse niet voor de andere klasse bestaat hakt er dan wel in. 


    Wat is ze voor iemand?

    ‘Ze komt in een wereld terecht die ze niet begrijpt en die veel weg heeft van leeg consumentisme. Mensen die elkaar vertellen hoe belangrijk ze zijn op de werkvloer, maar inhoudelijk weinig te bieden hebben. Klassenmigratie betekent dat je je bewust bent van alles om je heen: dat je let op alle sociale regels die je niet van huis uit hebt meegekregen. Dat je je in het concertgebouw moet aanpassen aan de cultuur die daar heerst. Daar wordt op een stille manier gesproken, er wordt bepaalde kleding gedragen en het drankje is bij de toegangsprijs inbegrepen terwijl jij je consumptie wilt afrekenen. Kleine details waar je niets van weet. Niemand gaat het je leren, dus je wordt je er hyperbewust van hoe de anderen het doen. Dat geldt ook voor mensen uit een andere cultuur, er is een kloof die ze zelf moeten dichten.’ 

    Ze functioneert niet in haar baan, wordt op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen. Dan gebeurt er iets waardoor het verhaal kantelt. Als ze op kantoor is geweest om haar ontslag te ondertekenen, besluit ze bij het verlaten van het pand haar printer mee te nemen. Ze zoekt hem in een opberghok. Ze sluipt door het gebouw en als ze bij het berghok is aangekomen, denkt ze: ‘Nog twee stappen, dan ben ik de Styx overgestoken.’ 


    Wat gebeurt daar?

    ‘Ze leeft erg in een onder- en bovenwereld, op de grens daarvan. Ze steekt de Styx over om in een ander universum te komen. Na haar ontslag denkt ze: dit is mijn transformatieve moment. Daar zit ook de beweging in dat ze actief moet meedoen en niet alles maar over zich heen moet laten komen.’ 


    In zowel het boek als het essay is er sprake van een verdwenen meisje, van seksueel misbruik. Is het boek ontstaan vanuit het essay ‘Not really making it’?

    ‘Het was eigenlijk andersom. In 2019 begon ik aantekeningen voor het boek te maken en in 2020 begon ik eraan te schrijven. Er zit wel eenzelfde thematiek in: sociale klasse en hoe je omgaat met je sociale achtergrond. Ik wilde het vooral hebben over hoe iemands sociale klasse doorwerkt in haar volwassen leven. 

    Ik wilde me niet verplicht voelen recht te moeten doen aan de waarheid, aan wat er echt gebeurd is in mijn eigen bestaan. Om scherper naar mijn personage te kunnen kijken, moest ik daarvan loskomen. Ik wilde geen autobiografisch verhaal schrijven, maar ik moest wel iets met dat verhaal om het uit mijn systeem te krijgen, dat het uit mijn schrijven zou verdwijnen. Zodat ik daarna helemaal op de fictieve toer kon gaan voor dit boek. Daarom schreef ik eerst het essay.’

    De personages zijn naamloos of worden genoemd naar hun functie, ‘marketing’, ‘sales’, ‘administratie’. Als iemand in het boek haar aanspreekt, staat er: ‘Hé [mijn naam].’ 


    Waarom wilde je het naamloos houden? 

    ‘Ik vond het belangrijk dat ze op een redelijk generieke manier beschreven wordt. Je weet ook niet hoe ze eruitziet, het zou eigenlijk iedereen kunnen zijn. Dat past wel bij de manier waarop zij zichzelf en de wereld ervaart. De wereld is vaag voor haar. Ze kan zich bijvoorbeeld ineens afvragen of het kantoor waar ze werkt wel echt bestaat. Alsof haar leven niet echt is.’ 

    Het boek opent met een citaat van Rilke: ‘Als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten.’ Het lijkt haar personage op het lijf geschreven.


    Kun je zeggen dat zij slachtoffer van haar eigen keuze is?

    ‘Ze staat wel heel ambivalent ten opzichte van de middenklasse omdat ze naar een wereld toe groeit die ze niet begrijpt. Ze is daardoor ook totaal niet ambitieus, waardoor ze geen aansluiting met haar collega’s vindt die wel willen opklimmen in hun werk. 


    Wat was je ingang tot het boek?

    ‘Het begon met de stem van het personage dat in mijn hoofd opkwam, haar innerlijk leven. Dat was de leidraad voor de rest van het verhaal. De manier waarop zij naar de wereld kijkt – ze is best arrogant, denkt alles beter door te hebben dan de rest – is een hele specifieke manier van kijken en daar had ik veel aan. Dat zorgde er ook voor dat het boek een bepaalde stijl heeft gekregen.’

    Op een dag wordt ze door een gemeentewerker met zijn vuilniswagentje aangereden. Het is een man zonder oordeel. Ze worden goede vrienden, hij is voor haar een soort heilige. ‘Ik had altijd al zo’n scène in mijn hoofd van een personage die langs een gracht loopt en wordt aangereden door een achteruitrijdend vuilniswagentje. Dat zag ik altijd al voor me – dat is een sleutelscène in iets wat ik ooit ga maken.’

    Er lopen verschillende verhaallijnen door het boek. De vriendschap met haar vriendin van vroeger, de buurt waar ze uit voortkomt, een printer als personage, een kwijtgeraakt pakketje, de vuilnisman. 


    Ontstonden die verhaallijnen tijdens het schrijven?

    ‘Gaandeweg ontdekte ik haar probleem door hoe ze tegen de printer praatte, dat was een teken dat ze sociaal niet meekomt. Dan wordt ze gediagnosticeerd met een burn-out en moet ze vrij nemen van haar baas. Ik volgde haar in hoe ze dacht en wat ze deed en daaruit volgden de scènes. Zoals de therapiesessies bij de bedrijfscoach die haar nogal voor de hand liggend advies geeft, maar haar niet echt helpt.’ 


    Is dat de huidige bedrijfsmentaliteit, een coach inhuren?

    ‘Startups met jonge mensen, millennialkantoren, hebben richting nodig en daar huren ze mensen voor in. Sommigen doen echt wel nuttig werk, maar vaak is het gewoon gebakken lucht, zijn het ervaringsdeskundigen die zelf weleens een burn-out hebben gehad. En dat er bij problemen altijd iemand moet worden ingehuurd om het geheel te begeleiden, is eigenlijk een trieste zaak, dat ze het niet intern kunnen oplossen.’


    Welke schrijvers hebben je geïnspireerd?

    ‘Tijdens het schrijven heb ik veel gelezen. Alle Faxen boeken van Mizee, om de manier waarop ze naar haar omgeving kijkt. Ook Het bureau van Voskuil heeft me geholpen bij het schrijven. En in de periode dat ik aantekeningen maakte voor het boek, las ik onder meer Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk, met een geweldig personage dat zich heel anders tot de planten en dieren verhoudt dan de rest van de wereld.’ 


    Kreeg je uit je vroegere buurt reacties op je essay?

    ‘Er zijn vrienden uit die tijd die ik nog steeds zie. Ik heb het aan iedereen voorgelegd die erin voorkwamen en die ik nog kende, ze vonden het allemaal acceptabel dat ik ze erin schreef. Maar niet iedereen uit de buurt was er blij mee, sommige mensen zien het als een beledigend stuk. Het is natuurlijk ook geen rooskleurig beeld van de buurt, maar wel een realistisch beeld. Anderen vonden het juist heel goed dat ik zoiets aankaartte. Uiteindelijk is het in het belang van de kinderen die in zulke buurten opgroeien, je wilt ze net zoveel kansen geven als de kinderen die in Amsterdam-Zuid opgroeien.’ 

    ‘Ik had het nodig om een zo waar mogelijk verhaal te vertellen, terwijl veel mensen het fijner zouden vinden als ik dit verhaal in een positiever narratief zou gieten, dat ik mensen zou beschrijven als mensen met weinig kansen maar dat ze wél heel lief zijn voor hun kinderen, of de moeder van die en die was verslaafd aan alcohol, maar ze was wél heel leuk. Daar houd ik niet van, ik wil het zo eerlijk mogelijk vertellen.’

    ‘Mijn moeder heeft mijn boek twee keer gelezen. De eerste keer vond ze het grappig, maar bij de tweede lezing vond ze het eigenlijk een heel treurig verhaal.’

     

     

    Foto: Laila Cohen


     

     

     

     

     

     

     

    Xerox / Fien Veldman / 224 blz. / Atlas Contact

     

     

  • Oogst week 24 – 2023

    Vlindertje van methusalem. Essays over natuur en landschap.

    In deze rubriek worden ook boeken getipt die al wat langer uit zijn. Zoals Het vlindertje van Methusalem van filosoof en natuurhistoricus Johan van de Gronden dat vorig jaar verschenen is. Het is een prachtige verzameling essays waarin Van de Gronden de weg van zijn speurtochten en onderzoek beschrijft terwijl hij door Midden-Amerika reist en de trek van de bedreigde monarchvlinders zijn aandacht trekt. Deze vlindersoort volbrengt reis van duizenden kilometers en meerdere generaties door rond Allerzielen in Mexico aan te komen. In Zuid-Afrika zoekt Van de Gronden naar de resten van een verdwenen taal en in het Franse Ermenonville overdenkt hij de invloedrijke nalatenschap van de Zwitserse natuurfilosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778).

    Van de Gronden in de inleiding: ‘De essays in dit boek zijn geleidelijk aan tot stand gekomen, terloops ontsnapt aan de waan van alledag. Ze kennen alle een, om eens een medische term te gebruiken, grote latentietijd. Natuurlijk zijn er momenten geweest waarop ik me heb afgevraagd of ik dit ene lucifershoutje nou echt moest afsteken terwijl om ons heen het vuur al hoog oplaaide. Ach, als het vonkje van de verwondering overspringt op een enkeling die even de stilte van het boek verkiest boven het geraas van de wereld, dan is het goed.’

    En dat is waarom wij lezen, dat er een vonkje mag overspringen.

     

    Vlindertje van methusalem. Essays over natuur en landschap.
    Auteur: Johan van de Gronden
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

    Het bouwen van een zenuwstelsel

    In Het Bouwen van een zenuwstelsel een memoirschrijft Margo Jefferson (1947) over de kunstenaars en musici die haar hebben gevormd en waarom die zo belangrijk voor haar waren. Jefferson is sinds de jaren zeventig een van Amerika’s meest gerenommeerde essayisten en critici. In 2015 werd ze vooral bekend door de publicatie van Negroland, haar eerste boek over zichzelf.

    Jefferson groeide op in een witte welgestelde wijk die haar levenshouding bepaalde. In Het bouwen van een zenuwstelsel breekt Jefferson zichzelf eerst af, en bouwt zichzelf vervolgens weer op door haar gelauwerde kritieken te vervlechten met de woorden van overleden familieleden. Ze beschrijft sleutelmomenten uit haar leven, vermengd met gedramatiseerde berichten van mensen die haar vergezelden.  Zo ontstond een remix van haarzelf en herontdekt Jefferson haar identiteit en de vorm van deze memoir.

    In een interview in de Volkskrant zei Jefferson: ‘Wij waren ons er zeer van bewust dat de witte buitenwereld ons scherp in de gaten hield. Het cliché wilde dat zwarte vrouwen uitgesproken sensueel waren en daarnaast geschikt waren voor zwaar werk. Dat wij intellectueel of kunstzinnig zouden kunnen zijn, was totaal ondenkbaar.’

    Het bouwen van een zenuwstelsel
    Auteur: Margo Jefferson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2022)

    Cannery Row is de straat waar deze roman zich afspeelt en die door Steinbeck wordt beschreven als: ‘een stinkboel, een geknars, een soort licht, een klank, een manier van leven, een nostalgie, een droom. Op Cannery Row ligt alles op een kluitje of verspreid, een en al blik en ijzer en roest en versplinterd hout, brokkelige bestrating en percelen onkruid en schroothopen, keten van golfplaat waar sardines worden ingeblikt, kroegen, restaurants, bordelen, stampvolle kruidenierswinkeltjes, laboratoria en logementen.’

    Cannery Row speelt zich af gedurende de Grote Depressie en beschrijft de belevenissen van een aantal zonderlinge types, zoals de Chinese kruidenier Li Chong, de zeebioloog Doc, de bewoners van het bordeel van Dora en vooral van Mack en zijn jongens, een groep van vier die leeft aan de rand van de maatschappij, zijn eigen wetten en regels stelt en er een bijzondere levenswijze op na houdt.

    Uit Cannery Row: ‘De winkel van Li Tjong mocht dan geen toonbeeld van netheid zijn, het assortiment was een mirakel. Het was er klein en stampvol maar in die ene ruimte kon je alles vinden wat je nodig had of wat er van je gading was: kleren, zowel vers als ingeblikt voedsel, sterkedrank, tabak, visgerei, machineonderdelen, boten, touw, petten, varkenskarbonades. Je kon bij Li Tjong terecht voor pantoffels, een zijden kimono, een miniflesje whisky en een sigaar.’

     

    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen

    Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen

     

    Van Minke Douwesz verscheen onlangs de roman Het laatste voorjaar. Liefhebbers van haar vorige boeken, Strikt (2003) en Weg (2009), samen goed voor zo’n vijftienhonderd pagina’s, waren er al haast van overtuigd dat er geen boek meer van haar hand zou verschijnen. Helemaal nadat een hardnekkig rondgaand bericht via google meldde dat Douwesz  in 2010 aan de gevolgen van een ongeluk was overleden. Dat kwam doordat de toenmalige redactie van Tirade het themanummer ‘In memoriam’ maakte. Daarvoor waren schrijvers, waaronder Minke Douwesz, gevraagd hun eigen in memoriam te schrijven. Maar hier is dan, na veertien jaar, Douwesz’ derde boek Het laatste voorjaar.

     

    In 2014 begon Douwesz, pseudoniem van Greet Kuipers (1962) al aan het boek, maar het schrijven stokte omdat ze zich in die jaren beroepsmatig bezighield met onderzoek naar gehechtheid bij eetstoornissen, waarop zij in 2018 promoveerde. In 2019, toen ze zich niet meer met de vele veranderingen binnen haar werk bij de GGZ kon verbinden, verruilde ze haar baan voor een eigen praktijk en had ze redenen en tijd om dit boek te schrijven. Minke Douwesz is een schrijver die alleen schrijft als ze iets te vertellen heeft. 

    De drieënvijftigjarige docent Duits en zelfverklaard eco-communist Ese Jelles, is rechtlijnig in haar antwoord op de klimaatcrisis en vindt dat, ‘Vlees en reizen op rantsoen moeten, online winkelen verboden wordt en er vaste prijzen voor voedsel gelden. Boeren produceren niet meer dan nodig is, overtollige weidegrond kan het best onder water worden gezet.’ Meningen waar je geen vrienden mee maakt. Het was ook niet de bedoeling van Douwesz een vriendelijk boek te schrijven. Alles moest nu maar eens gezegd worden.


    Een doorzetter als protagonist 

    Douwesz’ alter ego, Ese krijgt te maken met een onderwijsconsultant die het onderwijs wil verbeteren. Dat stuit haar tegen de borst. ‘Waarom moest alles toch altijd beter, kon er niets hetzelfde blijven?’ Ze neemt van de een op de andere dag ontslag. Nog geen week later op een maandagmorgen eind februari, steekt Ese de grens met Duitsland over op weg naar Oekraïne, waar ze het huis van Anton Tsjechov in Jalta wil bezoeken. Vanaf de eerste zinnen is duidelijk dat de lezer te maken krijgt met een doorzetter. 

    ‘Alles was grijs en er viel een venijnig koude motregen. Even vroeg ze zich af waar ze mee bezig was. Hoe miezerig ook, de regen zou haar schoenen en broek in de loop van de dag doorweekt hebben. Misschien werd ze wel ziek. In dat geval was er natuurlijk geen sprake van dat ze de trein nam, terug naar huis.’ Ondanks Ese’s opstelling, haar tirades en stellige meningen, is Het laatste voorjaar een empatisch boek geworden.

    Tijdens het fietsen door Duitsland en Polen komen de herinneringen aanvliegen. Herinneringen aan haar partner Martie, die enkele jaren terug is overleden. Er komen herinneringen aan haar studententijd naar boven, hoe ze Martie leerde kennen, aan eerdere reizen. De tocht in Jalta wordt levendig beschreven, alsof Douwesz uit eigen ervaring put. Het klopt dat ze het huis van Tolstoj of Tsjechov had willen bezoeken. Maar het was er nooit van gekomen. Wel heeft ze Het brilletje van Tsjechov gelezen, waarin Michel Krielaars het huis op Jalta uitvoerig beschrijft.


    De troost van Tsjechovs verhalen

    Als Ese uiteindelijk haar doel bereikt heeft en het huis van Tsjechov binnengaat, stort ze in. Ze wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Het heeft er veel van weg dat Het laatste voorjaar een treurige afloop kent. En was daar al niet een verwijzing naar, verder terug in het boek? Daar waar Ese en haar zus Dora een gesprek voeren over Jezus, de tempel en het kruis, het conflict van alle tijden? Ese zegt, ‘Word je kwaad en flikker je al die woekeraars de tempel uit, of moet je aanvaarden dat je in je eentje de wereld niet kan veranderen. Verdwijn je van het toneel.’ 

    ‘Een onderlaag in het verhaal is dat Dora en Ese niet geleerd hebben als vrouw van zich af te bijten. Ze hebben, met een vrij passieve moeder, niet geleerd voor zichzelf op te komen. Dora is gelovig, zij heeft zich daar misschien bij neergelegd. Maar Ese is heel erg boos. Om in deze wereld te overleven moet je niet lijdzaam afwachten zoals Jezus. Ik ben ook erg van mening dat opvoeden tot gezonde weerbaarheid van groot belang is.’  

    In een van de scènes lift Ese vanuit Polen met een vrouwelijke vrachtwagenchauffeur mee. Deze gooit bij de grensovergang tussen Oekraïne en de bezette Krim haar vrouwelijkheid in de strijd om de grensbewakers te behagen. Ese kunnen ze niet plaatsen, ze ziet er androgyn uit. Tot er een bh uit haar tas valt, dan beginnen de bewakers met haar te dollen. Ze grijpen haar in haar kruis om te voelen of ze man of vrouw is, een ander neemt haar verhalenbundel van Tsjechov in beslag. Het verlies van die verhalenbundel lijkt Ese meer aan te grijpen dan de brute aanranding. ‘Een schaap dat geschoren wordt, moet stil zitten, is het spreekwoord. Ese heeft het gevoel dat ze er goed vanaf is gekomen. Maar om een boek van een schrijver, een man die wel oké is, kwijt te raken, dat vindt ze vreselijk. Om de troost van Tsjechovs verhalen te moeten missen.’

    Voor Douwesz is Tsjechovs leven en werk een bron van inspiratie. ‘Hij is een dokter, en is ooit naar het werkkamp Sachalin in Siberië gegaan om de vreselijke omstandigheden van de gevangenen te bestuderen. Hij schreef daarover in De reis naar Sachalin. Tsjechov had, net als ik, kennelijk moeite om werk en liefde met elkaar te combineren. Daar identificeer ik me wel mee. En zijn interesse in de binnenwereld van vrouwen is echt ongekend voor die tijd. Zijn verhaal, ‘De naamdag’, is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die zich verschrikkelijk ergert aan het gedrag van haar man. Toen ik dat las, dacht ik, dit is gewoon Virginia Woolf.’


    Schrijven uit noodzaak

    Net zoals haar eerste boek Strikt werd geschreven vanuit de behoefte een leemte te vullen met het schrijven van een lesbische liefdesroman, werd ook dit boek geschreven uit noodzaak.Het ging me om de stem van een vrouw van middelbare leeftijd die er ogenschijnlijk niet zoveel toe doet, te laten klinken. Vroeger was dat anders. Met uitgebreide families waarin iedereen zijn rol had. Oma’s zijn nog steeds belangrijk, maar ik ben geen oma. Ik wilde een stem geven aan een werkende vrouw die geen relatie heeft met een man, geen kinderen heeft en begaan is met een groter geheel. De meeste aandacht in onze cultuur gaat uit naar vechten en seks. En niet naar zorgzaamheid of solidariteit, wat heel veel mensen wel belangrijk vinden, maar dat is kennelijk niet zo opwindend.’

    Toen het boek klaar was, vroeg Douwesz zich af of het boek wel goed zou vallen, omdat het een behoorlijk serieuze roman is over een bezorgde, lesbische vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik wilde de oprecht bezorgde toon niet ondermijnen door grappen of verzachtende excuses. Overigens moet ik zelf juist wel weer lachen om de consequente sombere blik van Ese, ik zie er de humor ook wel van in.’

    Douwesz heeft zich voor het schrijven van dit boek door Andreas Burnier laten inspireren. Hoe zij ongezouten, maar op humoristische wijze het patriarchaat aan de orde stelde. ‘Ik heb het allemaal ook wel wat aangezet, de woede van Ese, de ontwikkelingen in het onderwijs. Maar als ik dan in een recensie lees, ‘het is een karikatuur van het onderwijs’, denk ik, “ammehoela”. Je gaat toch geen boek schrijven over hoe het er echt in het onderwijs aan toe gaat? Het is een belachelijke eis aan een schrijver om de werkelijkheid getrouw weer te geven. Dat zou vreselijk saai worden.’ 


    Over het verlies van Martie

    ‘Ik zie natuurlijk als psychiater dat er stapelingen zijn van stressfactoren die mensen bijna doen breken, en dan is het al heel wat als je kunt bereiken dat ze er de moed inhouden. De illusie dat alles oplosbaar en maakbaar is, vind ik zelf vrij destructief. Accepteren dat sommige dingen lopen zoals ze lopen, en daar dan toch weer mee verder kunnen, dat is eigenlijk al goed. Ese vindt ook dat leerlingen die niet goed kunnen leren, maar wel goed met hun handen zijn zeer waardevol. Waarom moet iedereen hoge cijfers halen? Daar baalt ze erg van.’ 

    Op tweederde van de roman wordt onthuld wat er met Martie, Ese’s geliefde is gebeurd. Die passages over de dood van Martie stonden eerst meer voor in het boek. ‘Maar dat kwam bij mijn redacteur en een vriendin die meelas, toch wel hard binnen. Daarom is het naar achteren geschoven, waardoor het meer perspectief kreeg. Op het moment dat Ese gaat fietsen, is haar geliefde al enkele jaren dood. Ze heeft haar draai in het leven wel weer gevonden, maar omdat ze voor het eerst alleen door Europa fietst, en ze zich met de herinnering aan Martie verbindt, komt er een stuk onverwerkte rouw naar boven.’

    Het emotioneert Douwesz hoorbaar hierover te praten. ‘Als schrijver heb je ook niet alles in de hand, want hoewel ik zelf het decor heb gemaakt, heeft het me ook getroffen dat dit gevoel van rouw zo sterk naar boven is gekomen. Dat was kennelijk een verhaal dat ik ook nog in me had zitten.’ 


    Koppigheid een vorm van verzet

    Ese is aangerand, met haar fiets in een metersdiepe kuil gevallen, beroofd en in elkaar geslagen, en toch gaat ze door naar het huis van Tsjechov. Haar volharding is verbijsterend. Koppigheid is een verkapte vorm van woede, een vorm van verzet. Als je gelooft in andersoortige energie zoals de boeddhisten. Dat op bepaalde plekken waar mensen geleefd hebben, er nog iets van hun energie aanwezig is. Dan zou je kunnen zeggen dat Ese, omdat ze de moed heeft verloren, zich met die energie van Tsjechov wilde verbinden.’  

    Of het dan echt Ese’s laatste voorjaar is? ‘De titel van het boek is het antwoord op deze vraag. Er zijn lezers die denken dat ze even flauwgevallen is, dat ze weer wakker wordt. Mijn bedoeling was toch wel dat ze de klap op haar ribben niet zou overleven.’ 

    De laatste passage van het boek waarin het niet goed gaat met Ese, las ik verschillende keren. Alsof ik, als lezer, haar wakker zou kunnen lezen. Maar Ese komt, hoewel nog niet dood verklaard, niet meer tot leven. Verdwijnt ze werkelijk van het toneel.

    ‘Een weerloos persoon als Ese, heeft in dit ego gedreven bestaan weinig kans van slagen. Daar ben ik wel pessimistisch over. Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen; waar zijn we mee bezig. Ik merk dat het door veel mensen met instemming wordt gelezen. Dat doet me wel veel genoegen.’

     

     

    Foto: Annaleen Louwes


     

     

     

     

     

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwes/ 333 blz.
    Uitgeverij Van Oorschot

     

  • Schrijven vanuit het oog van de storm

    Schrijven vanuit het oog van de storm

     


    Deborah Levy begon in 1981 als toneelschijver, in 1985 debuteerde ze met de verhalenbundel Ophelis and the Great Idea, gevolgd door haar eerste roman Beautiful Mutants in 1987. Daarna verschenen er nog zeven romans, twee verhalenbundels en een dichtbundel. De romans Swimming Home (2011) , Hot Milk (2016) en The man Who Saw Everything (2019) werden genomineerd voor the Man Booker Prize, en verschenen in Nederland als Terug naar huis (2013), bij Signatuur, Warme melk (2017) en De man die alles zag (2019), bij De Geus.

    Tussendoor schreef ze aan haar, ‘Living’ autobiografie waarvan het eerste deel, Things I Don’t Want to Know in 2013 werd gepubliceerd. In 2020 verscheen Dingen die ik niet wil weten, in vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt bij uitgeverij De Geus. Het tweede deel, The Cost of Living (2018), vertaald als De prijs van het bestaan verscheen eveneens in 2020 in Nederland. Het laatste deel, Real Estate verscheen in 2021, tegelijkertijd met de vertaling, Onroerend goed bij De Geus. De boeken zijn, net als de originele uitgave, ook in Nederland in drie primaire kleuren blauw, geel en rood uitgegeven. 

    Deborah Levy (1959) werd geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. Haar vader was een anti apartheid aanhanger en werd van 1964 tot 1968 gevangen gezet. Nadat haar vader vrijkwam, kreeg hij huisarrest opgelegd. Ze was negen jaar oud toen haar ouders besloten naar Londen te verhuizen waar ze in exil leefden.

     In het weekend van 25 februari is Levy voor een kort bezoek in Rotterdam. Op uitnodiging van Guiding Voices is ze die avond te gast in het Bibliotheektheater waar Ernest van der Kwast haar zal interviewen. Ze overnacht in het Marriott Hotel en zal de volgende ochtend weer vertrekken naar haar schrijversappartement in Parijs. ‘Het is een drukke tijd. Mijn nieuwe roman August Blue verschijnt in mei in Engeland, en een verhalenbundel verschijnt er in Frankrijk. Ik moet dus morgen weer terug in Parijs zijn.’ Als we elkaar die middag spreken in de lounge van het Marriott Hotel, komt ze net terug van een fietstocht met Ernest van der Kwast naar de rivier de Maas en een broodje bal in een café aldaar. Het is haar eerste keer in Rotterdam, en de stad bevalt haar.  

    We spreken over de gedachten van de vrouw die volgens Levy nog te weinig uitgesproken worden. Over het waarom van een ‘levende’ autobiografie. Hoe schrijven haar als kind hielp zich te uiten, dat daar misschien wel haar schrijverschap begonnen is. Welke plaats de vrouw in de literaire wereld inneemt en reizen als voorwaarde om te schrijven.  

    Als vijfjarig kind, nadat haar vader door de politie uit huis was opgehaald, werd Deborah Levy steeds stiller. ‘Het was heel vreemd. Ik was niet echt een stil kind, ik ging alleen steeds zachter praten. Zachter en zachter, tot ze me niet meer konden horen.’ In het eerste deel van de trilogie, Dingen die ik niet wil weten, schrijft ze daarover. Later, op school was er een lerares die haar aanmoedigde om haar gedachten dan maar op te schrijven. ‘Ik schreef in korte zinnen en ontdekte dat mijn gedachten erg luid waren. Schrijven hielp me om te zeggen wat ik dacht, wat er allemaal in mijn hoofd zat.’


    U heeft een ‘levende autobiografie’ geschreven. Wat bedoelt u met ‘levende’?

    ‘Het was een uitdaging om een autobiografie te schrijven in de tegenwoordige tijd. Gewoonlijk wordt deze aan het eind van een leven geschreven, waarin er achterom gekeken wordt. Ik vroeg me af hoe het zou zijn er een te schrijven terwijl je er nog midden in zit, in de storm van het leven. Schrijven vanuit het oog van die storm. Ik was niet geïnteresseerd in een chronologisch verloop van een leven. Ik wilde een autobiografie waarin de verteller zich dingen herinnert terwijl zij bezig is met leven en deze met elkaar verweven. Om deze levende autobiografie te schrijven moest ik wel ergens doorheen. Ik moest er wel in geloven dat mijn gedachten en herinneringen interessant genoeg zijn om over te schrijven.’

    ‘Het is vrij radicaal om te schrijven over hoe de verteller, die veel op mij lijkt, zich voelt en denkt, over hoe zij het leven ervaart. Het was een nieuw project. Ik moest een stem vinden voor dit vrouwelijke personage die niet te direct maar ook niet te formeel mocht zijn. Een denkende stem die haar emoties de wereld instuurt.’


    Was dit idee er al voor u aan het eerste deel ging schrijven?

    ‘Het eerste deel schreef ik in een reactie op George Orwells’ essay Why I Write. Ik gebruikte de vier punten die hij in zijn essay gebruikte: Politieke doeleinden; Historische drijfveren; Puur egoïsme en Esthetisch enthousiasme. Als eerste zin schreef ik ‘Politieke doeleinden’ op mijn scherm. En ik dacht: het is erg persoonlijk, is dat oké? En ik vond van wel. De stem die ik voor deze drie boeken vond was van groot belang voor mij en ik moest er in geloven dat het op de een of andere manier ook interessant zou zijn voor anderen. Ik moest gaan schrijven om dat uit te vinden.’


    De eerste zin in het eerste boek luidt, ‘Dat voorjaar, toen het leven me zwaar viel en ik in oorlog was met mijn lot en gewoon niet zag welke kant ik op moest, leek ik nog het meest te huilen op roltrappen in treinstations.’ Wat gebeurt daar? 

    ‘Ik zocht naar een structuur om herinneringen een plaats te kunnen geven. De verteller ontdekt dat, wanneer ze op de roltrap omhoog gaat, ze moet huilen. Ze weet niet waarom ze huilt. Later ontdekt ze dat het verleden met haar meereist op de roltrap, haar kindertijd in Zuid-Afrika. Het gaat over dingen die we niet willen weten, maar die we toch wel weten. Ze zijn weggedrukt en komen op onverwachte momenten naar boven; daar zijn ze, klaar om ons iets te vertellen.’

    In het gele boek schrijft Levy, ‘Het grote avontuur van het schrijvende leven is dat je door alle dimensies van de tijd heen een eindeloos aantal ideeën kunt uitwerken.’ Haar levende autobiografie begint in de tegenwoordige tijd waarin Levy gefragmenteerde tijdsbeelden uit het verleden aan toevoegt. Zoals de waarschuwingsborden uit haar kindertijd in Zuid-Afrika, om zwarte mensen de toegang tot de openbare ruimte te verbieden.


    U herinnert zich die waarschuwingsborden uit uw kindertijd? 

    Op dat moment was ik in Brazilië. En daar was opeens het kind van zes jaar dat de verteller was, en net heeft leren lezen. Ze leest alles wat ze ziet. Als ze naar het strand van Durban gaan leest ze: “Dit strand is uitsluitend toegankelijk voor leden van het blanke ras”. Ik wist het niet, maar die waarschuwingen zijn me dus bijgebleven, de wreedheid van die woorden. Op die manier stop je een paar echt slechte dingen in de taal die voor de hele mensheid bedoeld is.’

    Vandaaruit gaat de verteller terug naar Zuid-Afrika. Het verhaal wordt vanuit het kind gepresenteerd , dat eerst naar de nonnenschool in Durban gaat, en later naar Engeland.


    Op u negende vluchtte uw familie naar Engeland. Hoe was dat?

    ‘Het was nogal een overgang. Opeens waren de ochtenden donker en koud en werd er erg veel thee gedronkem. In Zuid-Afrika leerde mijn moeder mij zwemmen in de Indische Oceaan. In Engeland kregen we schoolzwemmen in van die oude Victoriaanse gebouwen. Het was er ijzig koud, met kille stenen vloeren. De Engelsen zwommen met hun hoofd ver boven het water uit. Ik maakte daar grappen over. Dat als het zwembad vol thee zou zijn, elke zwemmer zijn hoofd er wel in zou onderdompelen.’


    In een interview citeerde u de dichter Allen Ginsberg. ‘Notice what you notice’. Wat betekent dit voor u?

    ‘Ik vind het een hele slimme zin. Er is nogal een behoorlijke druk op ons om niet te noteren wat we zien. Het moet mooier of anders gemaakt. Ik vind dat je jezelf de vrijheid moet geven om dat wat je ziet, te noteren. Dat is de taak taak van de schrijver.’


    U noemde de jaren waarin u uw twee dochters opvoedde, de meest vormende jaren voor uw schrijversschap. Hoe dat zo?

    ‘Het was niet zo dat ik in die tijd alleen maar thuis aan het koken en opruimen was. Ik gaf les op de kunstacademie en deed journalistiek werk. Maar ik kon niet schrijven aan een roman in die tijd. Wel schreef ik korte verhalen maar een roman lukte me niet. Toen begon ik ‘s nacht te schrijven aan Swimming Home. Als iedereen in bed lag, schreef ik tot vier uur in de ochtend. Ik deed er twee jaar over. Nog steeds als ik op een literair festival moet voorlezen uit dit boek, voel ik op bepaalde bladzijden de nachtelijke stilte, het alleen zijn met mezelf en het schrijven aan dit boek. Het heeft me geleerd om door te schrijven, al was het in de nachtelijke uren.’


    In uw boeken vraagt u zich af wie bepaalt hoe vrouwen moeten leven. Wie bepaalt dit?

    ‘Vanuit de samenleving  is er een bepaald beeld van hoe de vrouw zich zou moeten gedragen, hoe we eruit moeten zien, wat we mogen zeggen. In die zin is er zeker al veel veranderd, maar we zijn er nog lang niet. Vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde waardering voor hun werk als mannen. Het beeld van hoe een vrouw zich zou moeten gedragen zit nog sterk verankerd in de samenleving, en dat wilde ik onderzoeken. Tegelijkertijd heb ik groot respect voor vrouwen die overal een ‘thuis’ kunnen creëren. De vrouw is de architect van de huiselijke ruimte. Dat vind ik groots, dat een vrouw dit doet voor anderen, ook al zijn het haar kinderen en haar man. Dat interesseert mij, hoe de vrouw denkt en hoe zij zich in de wereld begeeft.’


    U werd op een literair feestje eens onbeschoft bejegend door een bekend schrijver. Hij ondermijnde uw schrijversschap. U schrijft: ‘De waarheid was dat hij alle vrouwelijke schrijvers beschouwde als pachters van zijn land.’ Is dit nog steeds zo?

    ‘Ook hier is er wel wat veranderd. Er publiceren nu zoveel vrouwen. Toen ik op mijn vijftiende dacht dat ik misschien wel schrijver wilde worden, had ik geen voorbeeld. In ons huis stond een rij boeken met schrijversinterviews met de namen op het omslag. Daar stond geen vrouw bij. Dat was de boodschap aan mij, geen vrouwen in de literatuur. Gekleurde mensen zullen dezelfde ervaring hebben gehad, mensen van kleur stonden er ook niet bij.’


    U reist veel, is dat voor u belangrijk om te kunnen schrijven? 

    ‘Het een kan niet zonder het ander voor mij. Ik kan niet vanuit een plek werken, om te kunnen schrijven moet ik de wereld in. Deze levende autobiografie is daarvan het resultaat. Ik draag mijn vertalers, die mijn boeken aan de wereld bezorgen, dan ook een warm hart toe.’

     

     


     

     

     

     

     

     

    Levende autobiografie door Deborah Levy:
    Dingen die ik niet wil weten 
    De prijs van het bestaan
    Onroerend goed
    Verschenen bij uitgeverij De Geus

     

  • Verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven

    Verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven

     

    De in Buenos Aires geboren schrijver Hernan Diaz (1973) groeide op in Zweden en woont al geruime tijd in de Verenigde Staten waar hij werkt aan de Universiteit van Columbia. Op zijn twaalfde ontdekte hij de Argentijnse schrijver Julio Cortázar. ‘Ik vond het zo geweldig wat hij schreef, dat ik dacht: dat wil ik ook. Nadat ik zijn verhalen las, wilde ik jazz luisteren, roken.’ Later werd hij een groot liefhebber van de Amerikaanse literatuur uit de negentiende eeuw. In 2017 verscheen zijn debuut In de verte, een historische roman over een jongen, gevlucht uit Zweden en op zoek naar zijn broer ten tijde van de ‘goldrush’ in Amerika. 

    Zijn tweede boek, Vermogen, is eveneens een historische roman, geschreven door vier verschillende (fictieve) auteurs en speelt in de ‘roaring twenties’ van de vorige eeuw. Het eerste deel is de roman ‘Effecten’, zogenaamd geschreven door Harold Vanner. Het is gebaseerd op het leven van de legendarische Wall Street magnaat Benjamin Rask en zijn vrouw Helen Brevoort. Het tweede deel is het onaffe manuscript ‘Mijn leven’ van Andrew Bevel, die in ‘Effecten’ model stond voor Benjamin Rask. Bevel schrijft een autobiografie waarin hij zichzelf nogal op de borst klopt. Het derde deel, van deze vierdelige roman is ‘Een gedenkschrift, herinnerd’ van Ida Partenza, dochter van Italiaanse immigranten en secretaresse van Andrew Bevel. Daar begint de roman te kantelen; het blijkt dat Partenza de memoires van Andrew Bevel schreef. De roman die vooral over mannen ging, wordt vanaf hier een boek over vrouwen. Het laatste deel ‘Opties’, bevat dagboekaantekeningen van Mildred, de vrouw van Bevel, die in zijn gedicteerde autobiografie nauwelijks voorkomt. Wie dit boek tot de laatste bladzijde leest, blijft in verbijstering achter, niets blijkt wat het leek te zijn. Dat Diaz in Amerika wordt gezien als een van de origineelste en ambitieuze schrijvers van zijn tijd, is dan ook niet moeilijk te geloven.

    Op uitnodiging van het literair festival Crossing Border, was Diaz in november vorig jaar enkele dagen in Nederland. In de Cobra Lounge van het Ambassade hotel in Amsterdam vertelt Diaz, met een twinkeling in zijn ogen, hoe deze roman over de financiële wereld in Amerika zijn vorm vond. Hoe hij als schrijver in de voetsporen treedt van de traditionele roman, maar er tegelijkertijd een loopje mee neemt, er steekjes uit lostrekt, andere patronen maakt. 

    Nog voor we hebben plaatsgenomen, noemt Diaz de naam van Nabokov, daarbij kijkend naar de systeemkaarten met aantekeningen die ik uit mijn tas haalde. Diaz heeft een voorliefde voor ‘index cards’. En of ik weet dat Nabokov hele romans op deze ‘index cards’ schreef? Bij toeval weet ik dat, een jaar geleden vond ik in de opruiming het postuum uitgegeven Het origineel van Laura van Nabokov. Met op elke pagina een foto van de originele systeemkaarten waarop Nabokovs handgeschreven versie van het verhaal staat, daaronder de gedrukte tekst.


    Over moneymakers

    Vermogen gaat over geldstromen en over mannen die van geld altijd meer geld weten te maken. Tijdens de voorbereidingen voor zijn roman vond Diaz weinig boeken over moneymakers. ‘Dat is opmerkelijk want geld is waar het in de Amerikaanse samenleving om draait.’ En in wat hij daarover las, kwamen geen vrouwen voor. ‘In het begin zag ik een lineaire roman voor me, maar toen ik ontdekte dat vrouwen geen stem hadden in het narratief rondom kapitaal, bedacht ik hoe het zou zijn als de autobiografie van Bevel, geschreven bleek door een vrouw. Het zou oneerlijk zijn als we niets te weten zouden komen over hun rol in het leven van rijke en machtige mannen. In de literatuur hebben deze vrouwen geen substantie, ze zeggen niets, ze doen niets. Het laatste deel van het boek heb ik gebruikt om Mildred neer te zetten als een belangrijke vrouw met originele ideeën.’


    Authentieke vrouwenstemmen 

    De vrouwelijke vertellers, zoals Ida en Mildred klinken zeer authentiek, zeer vrouwelijk. Diaz las hiervoor alle dagboeken en manuscripten van vrouwelijke schrijvers die hij kon vinden. ‘Omdat ik als man een vrouwenstem wilde laten klinken, voelde het als een plicht dit goed te doen. Als hun stemmen niet vrouwelijk hadden geklonken, zoals jij zegt, dan zou het hele boek niet gewerkt hebben.’

    Diaz speelt met de lezer die de te verwachte loop van het verhaal steeds moet bijstellen. Bevel zegt aan het begin van zijn memoires: ‘Ik ben geen historicus, en het was niet mijn bedoeling om een geleerd overzicht te bieden van de ontwikkeling van de financiële sector van Amerika.’ Waarmee Diaz de lezer attendeert op wat het boek niet is. ‘Ik kom uit een humane wereld. Ik studeerde literatuur en wist niets van de financiële wereld. Ik realiseerde me dat het ook niet de bedoeling is dat wij, gewone mensen, begrijpen hoe de financiële wereld in elkaar zit. Het is zo complex. Daardoor kunnen deze mannen verkeerde dingen doen zonder zich zorgen te hoeven maken over wat er gezegd wordt.’


    Maakbaarheid van de wereld

    Van alle memoires die Diaz gelezen heeft, is hij overtuigd dat er in een paar de waarheid geweld wordt aangedaan. ‘Ik ben er vrij zeker van dat deze mannen publieke aangelegenheden hebben verbogen naar een versie die hen beter past. Niet allemaal, maar van een paar van hen ben ik zeker dat ze dat gedaan hebben. Het is interessant hoe iemand met macht de realiteit naar zijn hand kan zetten. Dat is ook de kern van het boek. Hoe het mogelijk is om waarheid zo te verbuigen en daarmee fictie te creëren die een stempel drukt op de werkelijkheid zelf.’

    Het verbuigen van de werkelijkheid gaat in het boek behoorlijk ver. De roman ‘Effecten’, waarover Bevel niet te spreken was, werden door hem allemaal opgekocht en vernietigd. Ook liet hij alle exemplaren uit de bibliotheken verwijderen. ‘De initialen van Howard Vanner zijn enkel te vinden in het dagboek van Mildred. Ik weet niet hoe dit vertaald is in de Nederlandse versie, maar er is een zin die Vanner gebruikt in de roman, die ook in het dagboek staat. Die zin heeft hij gestolen uit een brief van Mildred aan hem.’

    Als Ida tijdens het dicteren Bevel op een leugen betrapt en die wil corrigeren, zegt Bevel dat het zijn taak is altijd gelijk te hebben, altijd. ‘Hij zegt dat hij alles in het werk zal stellen om de fouten die hij maakt te verdoezelen. Dat hij het er zo uit zal laten zien dat het geen fout was. Maar verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven. Ze verdienen het naar waarheid verteld te worden want ze vormen de manier hoe we de realiteit accepteren.’


    Arbeidersklasse en middenklasse

    De financiële wereld was een echte mannenwereld, voor vrouwen was er geen plaats, er werd in die tijd sowieso niet gedacht dat vrouwen zakelijk konden zijn. ‘Het was voor het eerst dat vrouwen van die wereld deel uit gingen maken als secretaresses, wat een heel nieuwe functie was. Daarvoor waren er geen secretaressen in die zin van het woord. Interessant daarbij is, dat secretaresses een soort geheimhouder van hun baas werden. Dat vond ik fascinerend. Deze vrouwen kwamen uit de arbeidersklasse, werden opgeleid tot typiste en stenograaf en werden tegelijk de geheimhouders van hun welgestelde bazen.’ 

    Ida, die met haar vader in een klein appartement woont, is een verbindende factor tussen de arbeidersklasse en de middenklasse. ‘Wat deze twee werelden met elkaar gemeen hebben is het machismo want ook de arbeidersklasse onderdrukte hun vrouwen en dat trok mijn aandacht. Ik laat Ida vertrekken uit het huis van haar vader, dat was heel ongewoon in die tijd. Ze huurt een kamertje voor zichzelf, gaat schrijven.’ Zonder dat het benoemd wordt, komt hier A Room of One’s Own van Virginia Woolf bovendrijven. In het vierde deel leest Mildred Flush, van Woolf. Er komen meer vrouwelijke schrijvers in de roman voor, al zijn er enkele fictief. ‘De meeste schrijvers waarnaar ik verwijs, hebben echt bestaan, sommige heb ik verzonnen. Zo schreef ik zelf de gedichten die in het boek staan en verzon de auteursnamen.’


    De mannelijke weergave van intellect bij vrouwen

    In ‘Effecten’ is Helen Brevoort, een intelligente vrouw die zich, onder toezicht van haar man, bezighoudt met liefdadigheidswerk voor de literatuur en muziek. Zij zakt uiteindelijk weg in een stille vorm van gekte. Een klassieke weg voor vrouwen wiens talenten in die tijd miskent werden. Het was normaal dat vrouwen hysterisch werden. ‘Er werd niet gekeken naar de talenten van vrouwen, naar de waarde daarvan. Als Mildred in een andere tijd was geboren, was ze kunstenaar geworden. In haar tijd was het niet de bedoeling dat vrouwen iets werden, zeker geen kunstenaar. Het leven als bohemien werd bij vrouwen afgekeurd als iets minderwaardigs. Ik vond het schokkend in Edith Wharton’s memoires te lezen dat het haar als meisje verboden werd te schrijven, het werd haar niet toegestaan. Maar het is niet zo dat alle slimme vrouwen gek worden. Het is de mannelijke weergave van intellect bij vrouwen waardoor ze als gek gezien worden.’

    Toen het boek in Engeland werd uitgegeven, ontving Diaz een brief van zijn Engelse uitgever en allerlei mensen daaromheen die het boek hadden gelezen. Iedereen schreef wat ze van het boek vonden. ‘Er was een vrouw die toen ze las dat Helen werd opgesloten in een kliniek en daar sterft, zo kwaad werd dat ze het boek in een hoek wilde gooien. Ze was kwaad op mij omdat ik dat had laten gebeuren. Dus eerlijk gezegd, ben ik altijd een beetje bang als vrouwelijke lezers bij die passage van het boek komen.’

    Min of meer vermoordt hij haar

    Het is inderdaad schrikken dat Helen op deze wijze eindigt. Mildred, die model stond voor Helen wordt niet gek, maar wordt met kanker opgenomen in een kliniek in Zwitserland. Hier zegt Diaz, met die twinkeling in zijn ogen: Het is goed te onderschrijven dat ze niet gek is, het is een verhaal. Het is de mannelijke romanschrijver Vanner, die dit verzonnen heeft in zijn roman over Bevel.’ Daarmee negerend dat het hele boek ontsproten is aan de fantasie van Diaz zelf. 

    In ‘Effecten’ financiert Rask het onderzoek naar elektroshocks dat in die tijd in de kinderschoenen staat. Er wordt mee geëxperimenteerd op zijn vrouw Helen, waardoor ze sterft. In het laatste deel wordt Mildred met kanker opgenomen. Bevel trekt zijn aandelen terug uit een farmaceutisch bedrijf dat de medicijnen voor zijn vrouw produceert. Daardoor ontbeert Mildred de juiste behandeling en overlijdt ze. Bevel is daar schuldig aan. ‘Ja, knikt Diaz stellig, ‘Min of meer vermoordt hij haar.’

    Diaz speelt met de verwachtingen van de lezer, hij tornt aan aannames waarmee we allemaal behept zijn. Wie dit boek leest, kan rekenen op een geweldige leeservaring. ‘Ik heb wel geprobeerd de lezer steeds een hint te geven. Ik wilde niet dat het aan het eind tot een grote ontknoping zou komen.’ Waarvan gezegd kan worden dat Diaz in die opzet meer dan geslaagd is.

     

     

    Foto: Pascal Perich


     

     

     

     

     

     

     

    Vermogen / Hernan Diaz / vertaling Harm Damsma en Niek Miedema / 436 p. / Uitgeverij Atlas Contact

     

  • In memoriam Hannemieke Stamperius, alias Hannes Meinkema 1944 – 2022

    Zonder dat er veel ruchtbaarheid aan werd gegeven is Hannemieke Stamperius, vooral bekend onder haar pseudoniem Hannes Meinkema, op 22 november in haar slaap overleden in haar woning te Amsterdam. Ze werd 79 jaar.

    In de zeventiger jaren was dat wel anders. Stamperius debuteerde in 1974 met De maaneter, een roman over de ondergang van een vrouw die zich bovenmatig betrokken voelt bij alles wat er om haar heen gebeurt. Ze koos ervoor te publiceren onder de mannennaam Hannes Meinkema om zogezegd de te verwachten achterstand die vrouwelijke schrijvers in die tijd hadden, hiermee te slechten. Onder dit pseudoniem  verschenen acht verhalenbundels, elf romans en een gedichtenbundel. Met En dan is er koffie (1976)door sommige critici als ’triviaal’ gekarakteriseerd, verwierf ze grote bekendheid onder jonge vrouwen die zich in haar boeken (soms op hilarische wijze) herkenden.

    In 1977 promoveerde Stamperius cum laude met het proefschrift Marsmans Verzen. Toetsing van een ergocentrisch interpretatiemodel aan de Universiteit in Utrecht. In 1978 richtte zij samen met Ethel Portnoy het op vrouwen gerichte tijdschrijft Chrysalis op, waarin publicaties van vrouwen voorrang hadden en dat een korte duur van bestaan had. In 1980 verscheen haar eerste poeziebundel, Het persoonlijke is poëzie. Ook publiceerde ze artikelen en verhalen in onder andere Opzij. In 1989 ontving ze de Annie Romeinprijs voor haar hele oeuvre.

    Stamperius publiceerde meer dan dertig boeken. Onder haar eigen naam schreef ze kinderboeken, over literatuurtheorie, religie, adoptie en was samensteller van prozabundels van vrouwelijke schrijvers. Later schreef ze onder het pseudoniem Justa Abbing nog een viertal detectives.

    Een leven in autarkie

    Stamperius schreef in haar romans en verhalen over de worsteling van de vrouw zichzelf te mogen zijn. Haar vrouwen zijn slachtoffer van de heersende moraal in de jaren zestig en zeventig, en van een meisjesopvoeding die zich richtte op dienstbaarheid. Haar vrouwelijke personages onttrekken zich daaraan en willen macht over hun eigen leven. Stamperius wilde ‘autarkie’ voor de vrouw, zoals in haar laatst verschenen roman De heiligwording van Berthe Ploos (2007). Waarin Berthe als reactie op haar onvervulde verlangens naar liefde, veiligheid en erkenning, kiest voor een leven in het ‘kale land van de autarkie’. In deze roman is een kaasschaaf burgerlijk. En burgerlijkheid was de vijand van de vrouw. 

    In 1987 adopteerde Stamperius een Braziliaans meisje. Als alleenstaand ouder begon ze in 1995 – omdat adoptie in Nederland niet mogelijk was voor alleenstaanden – een proefproces om haar dochter, die ze vernoemde naar Vita Sackville West, legaal te kunnen adopteren. Sindsdien is adoptie voor alleenstaanden mogelijk volgens de Nederlandse wet. Over de adoptieproblematiek schreef ze Moeders kindje. Het moederschap inspireerde haar om het uitzinnige geluk alsook de alledaagse frustraties in haar boeken te verwerken. Stamperius verdiepte zich de laatste jaren steeds meer in religie, getuige ook haar laatste hierboven genoemde roman. In 2011 verschijnt nog het non-fictie boek God en de verlichting, over religiefilosofie.

    Sinds 1997 leed Stamperius aan een botziekte die een voortdurende pijn veroorzaakte. Ze schreef nog steeds maar er was geen uitgever die in haar werk geïnteresseerd was. Te hopen is dat haar boeken een nieuw leven beschoren krijgen, een schrijfster van haar kaliber verdient het niet in de vergetelheid te verdwijnen.

     

     

    Foto: achterflap Meinkema’s laatste roman 

  • Schrijven is een manier van denken, een manier van leven

    Schrijven is een manier van denken, een manier van leven

     

    De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’. Het boek won vier prijzen. Zijn tweede boek, Ogni promess, verscheen in Nederland als De belofte. In 2014 verscheen een bundel ultra korte verhalen in de trant van Italo Svevo, Het leven is niet alfabetisch. Beide boeken vielen in de prijzen. Zijn roman Un bene al mondo (2016) Het hoogste goed (deze romans werden vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) werd onlangs verfilmd. Vanaf 2017 publiceerde Bajani verschillende poëziebundels, ook schrijft hij essays voor de krant La Repubblica.

    Het boek van de huizen is een fascinerende vertelling over de ontwikkeling van een kind tot jongeman, student, echtgenoot, schrijver en de verschillende huizen waar het personage Ik, heeft gewoond. Het is geen chronologisch vertelling, de schrijver springt door de tijd. Er zijn plattegronden van de verschillende huizen in afgedrukt en zonder een toekomstroman te willen zijn, is er een hoofdstuk gesitueerd in 2048, waarmee het idee een traditionele roman in handen te hebben, geheel verworpen wordt. 

    Sinds enkele jaren woont Andrea Bajani in Houston, Amerika waar hij Creative Writing geeft aan de universiteit. Een groot deel van Het boek van de huizen schreef Bajani in Rome, de uiteindelijke vorm van het boek kwam in Houston tot stand. Rond de verschijning van de Nederlandse vertaling verbleef Bajani enkele dagen in Amsterdam. Voor het interview ontmoetten we elkaar in de Cobra Lounge van het Ambassade Hotel aan de Herengracht.


    Wat betekent een huis voor u?

    ‘In Italië is ieder huis een herinnering die behouden blijft voor de familie. Daar is het normaal dat mensen in oude, beschadigde huizen wonen. In Texas, waar ik op dit moment woon, kopen ze alleen het stuk land, vernietigen het huis dat erop staat en bouwen iets nieuws omdat het voordeliger is. Dat is in Italië ondenkbaar.

    Ik ben een nomade, maar in mijn manier van rondtrekken zit altijd de behoefte het perfecte huis te vinden. Als ik het zou vinden betekent dat het einde van mijn zoektocht. Ik pleit er dan ook voor dat geluk een streven blijft, niet een bestemming die je bereiken moet. Mijn culturele achtergrond zegt me dat een huis een plaats voor altijd betekent, meer algemeen denk ik dat een huis een goed narratief is voor een betekenisvol leven. Huizen zijn een soort van fictie. Als schrijver is dat interessant voor mij.’

    Naast dat het een boek over huizen is, gaat het ook, in haast onopvallende noteringen ook over klassenverschillen, zoals, ‘Bij de uitgang van de supermarkt valt het muntje dat ze als wisselgeld bij het bonnetje hebben gekregen vaak in de hand van de derde wereld die tegen de muur zit.’  


    Wat wilt u hiermee aantonen?

    ‘Tegenwoordig hebben we enkel een middenklasse, met daarbinnen de hogere- en lagere middenklasse. De arbeidersklasse wordt niet meer genoemd, alsof men zich daarvoor schaamt. Iedereen kan nu bereiken wat hij wil. En als je dan zelf iets bereikt hebt, wil je wel een aalmoes aan daklozen geven. Ik wil laten zien hoe we onszelf voor de gek houden, zo snel vergeten waar we vandaan komen.’ 

    Het boek van de huizen is fragmentarisch en zonder uitgesproken emoties geschreven. Toch spreekt er een verlangen van Ik naar geborgenheid, naar liefde uit. Er is sprake van geweld en verwaarlozing in de jeugd van Ik, iets dat gaandeweg duidelijk wordt.


    Waar vond dit boek zijn oorsprong?

    ‘In 2015 werkte ik voor een fellowship op de Amerikaanse Academie in Rome. Een paar blokken van de de academie was het huis waar  ik ben geboren. In het boek is dat het ‘Huis onder de Grond’. Toen ik drie was verhuisden mijn ouders met mij en mijn zus naar een ander huis. Mijn oma bleef daar achter. Tot 2001 kwamen we met kerst en pasen nog bij haar op bezoek. Daarna ben ik er niet meer geweest. Het was beangstigend dat dit  huis zo dicht bij de academie lag, beangstigend omdat mijn familieverhaal een verhaal vol pijn is.
    Eerst observeerde ik het huis een paar dagen van een afstand. Toen heb ik aangebeld. Het was een klein huis, ik heb op het buitenplaatsje gestaan waar ik als kind speelde. Toen ik daarna terugliep naar de academie, had ik de structuur van dit boek en de eerste zin: “Ik gaat wandelen.” Ik had de visie van het hoofdkarakter en alle huizen waar Ik gewoond heeft voor ogen. Ik wist dat dit een puzzel van huizen zou worden. Terug in mijn appartement ging ik strijken, dat is voor mij de enige manier om me te kunnen focussen op een idee. En ik wist, dit boek moet ik schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan.’


    Waarom moest het hoofdpersonage ‘Ik’ genoemd worden?

    ‘Die eerste zin “Ik gaat wandelen.”, had een bedoeling. Die zin kwam niet voor niets bij me op. Ik vertrouw de woorden die in me opkomen, en ik weet dat ik ze moet volgen. Het hele punt van schrijven is dat je begint te schrijven en gaandeweg pas ontdekt wat de bedoeling is. Toen ik bij mijn geboortehuis aanbelde, wilde ik op dat moment terug naar het kind dat ik toen was. Toen ik binnenkwam wist ik dat dat niet kon. Hoe moet ik het zeggen, ik was toen een kind, nu ben ik een ander persoon.
    Daarom geloof ik niet in memoires. Alles wat je hebt gedaan in je leven, wordt in een memoir verklaard. Het boek van de huizen is voor mij precies het tegenovergestelde. Wat ik met dit boek wilde, was ervoor te zorgen dat elke ik die ik geweest ben, de driejarige, de zestien- en vierentwintigjarige gerespecteerd werden om wie ze toen waren, hun handelen wilde ik niet verklaren.’


    Zijn huizen herinnering bewaarders? 

    ‘De enige manier om te herinneren is het verleden te bezoeken. In de huizen van vroeger vind je jezelf uit het verleden weer terug. In een andere gedaante, maar jij was het wel. Herinneringen zijn een verzameling momenten in de tegenwoordige tijd. 


    De hoofdstukken ‘Huis van de Dode Dichter’ en ‘Huis van Gevangene’, gaan over schrijver en filmmaker Pier Paolo Pasolini die in 1975 werd vermoord en de ontvoering en moord op politicus Aldo Moro in 1978. Waarom noemt u ze niet bij hun naam?

    ‘Ik besloot hun namen niet te noemen, te weten wie het zijn is een extra laag aanbrengen die ik niet wilde. Je hoeft ook niet per se te weten dat Ik, Bajani is.  Ik ben geboren in augustus 1975, de Ik uit het boek is wat later geboren.
    Bij  Aldo Moro was ik drie jaar, de tv beelden waren gewelddadig. In het huis waar ik als driejarige woonde stond de tv altijd aan. Ik herinner me de beelden niet, maar ze zijn toch ergens opgeborgen in mijn geheugen. Een belangrijk gereedschap voor een schrijver is zijn geheugen. Tijdens het schrijven kwamen deze twee personen naar boven. Ik had niet gepland over hen te schrijven. Het kwam mee met de beschrijving van het huis waar ik geboren ben.
    Het schrijven aan dit boek was het willen vinden van een huis waar geen pijn bestaat, een huis waar liefde kan bestaan. Daar slaagt de Ik niet in. Uiteindelijk voelt de Ik zich thuis als hij schrijft op zijn laptop. Woorden geven hem het gevoel van veiligheid. Hij voelt het belang van woorden, hoe ze gebruikt worden.’ 

    De eenzaamheid van Ik doet denken aan het jongetje in Bajani’s boek Het hoogste goed, dat geen ander gezelschap heeft dan zijn verdriet. Als een trouwe hond blijft het bij hem, ligt aan zijn voeten als hij aan tafel zit.


    Gaat het in beide boeken over dezelfde jongen, over hetzelfde verdriet?

    ‘Zonder het te willen hebben over een trilogie is Het hoogste goed het eerste deel. Dit boek is het tweede deel en in mijn computer zit het derde boek, net zo’n kleine roman als de eerste. Alle drie zijn ze compleet verschillend maar komen uit dezelfde bron. In het Het hoogste goed gaat het over verdriet. Daarin werd de pijn uitgewerkt, ik huilde elke regel die ik schreef. Dit boek, het tweede, kon ik met meer afstand schrijven en gaat over vergiffenis. Het derde boek, dat ik schreef tussen 2020 – 2022, is confronterender.’ 


    Er is een zus die Ik probeert  te bereiken, maar het zijn vruchteloze pogingen. Het maakt verdrietig over deze pogingen te lezen. Wat is er met de zus?

    ‘Je bent de eerste die me hier naar vraagt. Soms blijven mensen achter, komen ze niet mee in het leven dat je gekozen hebt. Ik verstoot zijn ouders, hij ziet ze nooit meer, wat begrijpelijk is. Maar hij laat ook zijn zus achter. Zij is eigenlijk het echte slachtoffer, de geofferde. Zij kon haar ouders niet verlaten, Ik liet haar daar achter. Meer dan alle andere dingen in het boek laat dit de eenzaamheid van Ik zien. Zijn zus was de enige die hij kon vertrouwen, waarmee hij zich wilde verbinden, en dat is niet gelukt.’ 


    Voorin het boek is een citaat van Milan Kundera opgenomen. Wat betekent deze schrijver voor u?

    ‘Ik ben schatplichtig aan Milan Kundera. Hij is de schrijver die me initieerde tot een vorm van fragmentarisch schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik zo kon schrijven. Kundera stopt politiek, engelen (er komen twee engelen in Bajani’s boek voor I v/d G) en seks in zijn boeken. Zo te schrijven als hij schreef, was een manier om hem te eren, mijn dankbaarheid aan hem te tonen.
    Ik was zeventien toen ik hem voor het eerst las. Zijn boeken waren metafysisch, in eerst instantie begreep ik niet alles. Ik kon hem in zijn schrijven niet opvolgen. Ik vind ook dat je als beginnend schrijver eerst op de traditionele manier moet leren schrijven. Pas na vijftien jaar werd Kundera’s manier van schrijven een keerpunt in mijn leven. Je moet eerst sterk in schrijven worden om een puzzel te kunnen schrijven. Kundera is nu vergeten. Toen hij in het Frans ging schrijven, verloor hij iets.’


    Heeft u er wel eens over gedacht uw boeken in het Engels te schrijven?

    ‘Ik geef les in het Engels, mijn leven is in het Engels, tachtig procent van de boeken die ik lees zijn in het Engels. Deze taal heeft een grote invloed  op mijn Italiaans. Taal is ook een houding, door het Engels ben ik veel directer geworden. Maar ik zou niet in het Engels kunnen schrijven. Ik ben verweven met mijn taal, mijn herinneringen zijn in het Italiaans. Ik zou iets verliezen als ik in het Engels zou schrijven.’ 


    Wordt met het verschijnen van het derde boek dat nu nog in uw computer zit, een periode afgesloten?

    ‘Elk boek dat ik schrijf voelt als het laatste, maar het is belachelijk als schrijver te denken dat je je laatste boek hebt geschreven. Met Het boek van de huizen dacht ik alles gezegd te hebben. Maar schrijven is een manier van denken, een manier van leven. Een schrijver zoekt naar de zin van het leven en als je die gevonden denkt te hebben, dan is dat je laatste boek. Maar gelukkig komt er steeds opnieuw iets dat onderzocht moet worden, en dat wordt dan weer een idee voor een boek dat geschreven moet worden.’

     

     

    Foto: Emiliano Ponzi


     

     

     

     

     

     

     

    Het boek van de huizen / Andrea Bajani / vertaald door Manon Smits / Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Annie Ernaux en de Nobelprijs voor de Literatuur 2022

     

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Het geluid dat donderdag na de bekendmaking klonk was er een van verbazing door degenen die haar werk niet kenden, van oprechte blijdschap onder degenen die Ernaux om haar stijl al jarenlang prezen.

    De Nobelprijs voor Literatuur wordt jaarlijks toegekend aan een auteur die – in de woorden van Alfred Nobel (1833-1896)- ‘het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend’ heeft geschreven. Dat Annie Ernaux – geboren Annie Duchesne (1940) Yvetot, Normandië – met De jaren een zeer opmerkelijk boek – jawel, een meesterwerk – heeft geschreven, bestaat geen twijfel. Idealisme zit in het pogen de geleefde dagen en jaren in kaart te brengen, waarbij zelfinzicht het onderzoeksgegeven is. Onderzoeken hoe en waarom het was zoals het was, daar schrijft zij over.
    De Zweedse Academie bekroont de Franse schrijfster, ‘voor de moed en klinische scherpte waarmee ze de wortels, vervreemdingen en collectieve beperkingen van het persoonlijke geheugen blootlegt’.


    Een goudmijn

    ‘Echte gedachten’, schrijft Ernaux in De jaren, wanneer ze de periode beschrijft dat ze een kind, man en appartement heeft, ‘vallen haar in wanneer ze alleen is of uit wandelen gaat met het kind.’ Echte gedachten, vervolgt Ernaux, ‘zijn voor haar geen bespiegelingen over hoe mensen praten of zich kleden, over de hoogte van stoepranden voor een kinderwagen, over de protesten tegen het stuk Les Paravents van Jean Genet of tegen de oorlog in Vietnam, maar vragen over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan.’ Echte gedachten, ‘hebben te maken met het ontrafelen van voorbijgaande, onmogelijk aan anderen mee te delen indrukken, met alles wat, als ze de tijd had om te schrijven – maar ze heeft niet eens tijd meer om te lezen – de stof van haar boek zou vormen.’ Wanneer je Ernaux leest kun je het gevoel krijgen op een goudmijn te zijn gestuit. Als je kijkt hoe ze schrijft, denk je aan ansichtkaarten, prentenbriefkaarten. 

    Overigens, toen op 6 oktober in het nieuws van 14.00 uur op de radio de naam klonk van de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, dacht ik even dat het de schrijfster was waarvan ik hoopte dat zij het zou worden, ook een Annie met dezelfde klank in haar achternaam. Annie Proulx, die van Zeeberichten, Accordeonmisdaden en Ansichten. De vreugde werd er niet minder om toen het Ernaux bleek te zijn. 


    Illegale abortus

    Annie Arnaux debuteerde op vierendertigjarige leeftijd met Les armoires vides bij Uitgeverij Gallimard. In 1990 verscheen het in vertaling van Marijke Jansen als Lege kasten bij De Arbeiderspers. Het gaat over een meisje dat vanuit de minder bedeelde sociale klasse in dat van de intellectuelen, de gegoede burgerij terechtkomt. De verscheurdheid die ze daarbij ervaart is schokkend. Ernaux schrijft daarin ook over een illegale abortus die zijzelf als begin twintiger in de jaren zestig onderging. In de novelle Het voorval (L’événement, 2000) is deze ervaring onderwerp van het boek geworden en verscheen in 2004 in een vertaling van Irene Beckers. Dit jaar verscheen er een derde, gewijzigde druk nadat in 2021 de verfilming van het boek, L’événement door Audrey Diwan in premiére ging en winnaar werd van de Gouden Leeuw tijdens het filmfestival in Venetie. 

    Dat De jaren pas in 2020 in Nederland verscheen, kwam door de afwachtende houding van de uitgever. Pas toen Les Années (2008) internationaal doorbrak, de Duitse vertaling uit 2017 in korte tijd zeven drukken kreeg en de Engelse vertaling in 2019 op de shortlist van Man Booker International Prize terechtkwam, gaf de Nederlandse uitgever groen licht. Op Vertaalverhaal schreef Rokus Hofstede, die drie boeken van Ernaux vertaalde, in 2021: ‘Geluk is als je van je uitgever te horen krijgt: Oké, we doen het!’, nadat je geruime tijd ‘Nee, we doen het niet…’ te horen hebt gekregen. Je kon vurig betogen dat Les Années in Frankrijk de status van een hedendaagse klassieker had, je kon aanvoeren dat het Annie Ernaux’ magnum opus was, een samenvatting van haar hele oeuvre, geschreven met het rijpe meesterschap van een auteur die twintig titels achter zich had liggen – dat soort argumenten legden toch niet zoveel gewicht in de schaal als de matige verkoopcijfers van haar laatste boek, Mémoire de fille (2016), [vertaald als Meisjesherinneringen, door Rokus Hofstede in 2017]. Pas toen het oorspronkelijk in 2008 verschenen Les Années internationaal doorbrak – de Duitse vertaling uit 2017 kreeg in korte tijd zeven drukken, de Engelse vertaling belandde in 2019 op de shortlist van de Man Booker International Prize – ging de Nederlandse uitgever overstag.’ Inmiddels verschenen van de De jaren in Nederland twintig herdrukken.


    Geen jubelende stijl

    Ernaux’ boeken kenmerken zich door de neutrale toon, een taal zonder versierselen. In interviews liet Ernaux meermaals weten: ‘De betovering van metaforen, het jubelen van de stijl zal voor mij nooit weggelegd zijn.’ Wat je leest is wat je krijgt, en alles wat daarachter voor belangrijks zit, komt vanzelf naar voren. Schaamte is ook zo’n ding, het kan je ten onder doen gaan als je er niets mee doet, je als een ster doen rijzen als je vandaaruit schrijft. Schrijver Didier Éribon, die zich ook uit zijn sociale klasse ontworsteld heeft, is schatplichtig aan Ernaux. Daarop volgend is Édouard Louis schatplichtig aan Éribon, waarmee indirect ook aan Annie Ernaux. 

    In La Place, het boek over haar vader wilde ze schrijven hoe hij ‘echt was’. Over zijn eerste kind, het zusje dat drie jaar voor Ernaux geboren werd, schrijft ze in La place, in 1985 vertaald als De plek door Edo Borger: ‘Ze kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school – een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.’


    Wachten op het sterven

    In De jaren schrijft ze over die tijd: ‘In alle families waren er kinderen gestorven. Aan plotse, ongeneeslijke kwalen, diarree, krampen, difterie. Het spoor van hun korte verblijf op aarde was een graf in de vorm van een wiegje met ijzeren spijlen en het opschrift “een engel in de hemel”, foto’s die werden getoond waarbij heimelijk een traan werd weggepinkt, gesprekken die zachtjes, haast sereen werden gevoerd, tot schrik van de kinderen, die meenden dat zij nog aan de beurt zouden komen.’ 

    Ernaux  schreef zo’n twintig boeken, allen autobiografisch van aard. Al deze boeken tezamen geven een integraal portret van een vrouwenleven in het Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog. De Zweedse Academie schreef dat Ernaux in ‘de bevrijdende kracht’ van het schrijven gelooft. ‘Haar werk is compromisloos en geschreven in duidelijke taal.’
    Elf van haar boeken zijn door zeven verschillende vertalers vertaald en in Nederland verschenen bij De Arbeiderspers. Op stapel staat de verschijning van Een jongeman, vertaald door Rokus Hofstede, dat gaat over Ernaux’ verhouding met een dertig jaar jongere man.


    Annie Ernaux is de zeventiende vrouwelijke auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel valt. De eerste Nobelprijs voor de Literatuur werd in 1901 uitgereikt aan de Franse dichter Sully Prudhomme (1839-1907). Andere gelauwerden waren onder meer Selma Lagerlöf  in 1909, Pearl S. Buck (1938), Herta Müller (2009), Isaac Bashevis Singer (1978), Toni Morrison (1993), Patrick Modiano (2014) en Olga Tokarczuk (2018).

     

     

  • De manier om je te verbinden met de geschiedenis

    De manier om je te verbinden met de geschiedenis

     


    Schrijfster en documentairemaakster Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) debuteerde in 2005 met de roman De Parbo Blues, gebaseerd op haar vader die in de jaren zestig, ruim voor de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland emigreerde. Hij trouwde met een Nederlandse vrouw, die later haar moeder werd. Sinds 1997 woont ze in Suriname en werkt als cultureel attaché voor de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Naast romans, theater en non-fictiewerken, schrijft zij artikelen, columns en recenseerde voor De Ware Tijd Literair.


    Nadat ze haar eerste artikelen en verhalen had geschreven kreeg ze op haar vijfentwintigste de mogelijkheid een reisgids over Suriname te schrijven.
    Het Reishandboek Suriname verscheen in 1997 bij uitgeverij Elmar en beleefde sindsdien vele herziene herdrukken. Na haar debuutroman schreef Leuwsha nog twee romans en twee non-fictieboeken. Dit voorjaar verscheen De wilde vaart, over een tijd van plannen maken, financiële tegenslagen, over de doorwerking van het koloniale verleden in het dagelijks leven van Surinamers en de weg terug naar jezelf.


    Van haar eerste roman,
    De Parbo Blues, verscheen onlangs een vierde druk. Ook Fansi’s stilte over haar Surinaamse grootmoeder, beleefde vier drukken. Momenteel werkt Leuwsha als regisseur en scenarioschrijver aan een documentaire gebaseerd op dit boek. Met haar man, reisgids en kunstenaar Sirano Zalman werd ze net voor de pandemie de wereld stil legde, eigenaar van plantage Frederiksdorp in het Commewijne district in Suriname. Het beheer van deze plantage gaf indirect aanleiding tot het schrijven van De wilde vaart.


    Voor de presentatie van haar laatste boek
    was Tessa Leuwsha in Nederland en spraken wij elkaar bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde. Onder meer over een onafhankelijk Suriname dat zijn kracht nog niet heeft gevonden, over bijgeloof, de boeken die ze schreef, de veerkracht van de mens en dekolonisatie.


    Schrijven vanuit Suriname

    Het was net na de binnenlandse oorlog dat Leuwsha in 1996 voor het eerst naar Suriname ging. Omdat het niet veilig was alleen te reizen, sloot ze zich aan bij een reisgroepje. Daarvoor had ze in Nederland een reportage gezien over Suriname waarin een Surinaamse bootsman, die als gids in deze reportage voorkwam, haar sympathie had. Dezelfde gids, Sirano Zalman was ook reisleider van het gezelschap waar zij zich bij had aangesloten. Tijdens die reis was er een klik tussen hen beiden. Terug in Nederland gingen er brieven over en weer en een half jaar later reisde ze voorgoed naar Suriname. ‘Die reisgids heb ik in Nederland afgemaakt, maar verder is ieder boek van mij vanuit Suriname ontstaan.’

    Eenmaal in Suriname werd ze geconfronteerd met een stuk geschiedenis waar ze niets van afwist. ‘De meeste van mijn tantes en ooms woonden allemaal in Nederland, maar hadden het nooit over Suriname. Het onderwerp slavernij was non-existent. Pas toen ik er woonde, begon ik mij dingen te herinneren van mijn Surinaamse grootmoeder uit de tijd dat ze bij ons in Amsterdam logeerde. En ik vroeg me af: “Wie was zij eigenlijk?” Ik wist niks van het land van mijn voorouders.’


    Het verhaal van de grootmoeder

    In de jaren zeventig, als Leuwsha een tiener is, komt de moeder van haar vader over uit Suriname om in Nederland aan haar ogen geholpen te worden. Het is een echte Surinaamse tropenvrouw, met een angisa, een doek, om haar hoofd, streng sprekend.
    ‘Ik had op die leeftijd wel wat vrienden die in het Surinaamse circuit zaten, maar ik was nooit in Suriname geweest. En daar kwam opeens een oma binnenlopen die de hele tropen met zich meebracht. Dat was toen vooral ongemakkelijk en raar, alles veranderde in huis. Mijn vader reageerde op een manier op zijn moeder die ik niet van hem kende. Toen ik later  in Suriname woonde, kwam die herinnering daaraan weer terug. Ik had haar weggezet als een merkwaardige oma die later bij een van haar andere kinderen in Nederland ging wonen tot ze in een bejaardentehuis terecht kwam.’

    Voor Leuwsha betekende haar oma haar enige directe band met Suriname. Ze werd nieuwsgierig naar haar leven en begon alles te lezen over de geschiedenis van Suriname. ‘Er ging een wereld voor me open. Als kind had ik me wel eens afgevraagd waarom Surinamers er allemaal zo verschillend uitzagen, alleen al de verschillende tinten aan huidskleur. Suriname is geschapen door meerdere etnische bevolkingsgroepen.’


    Schrijven vanuit Suriname

    In het begin schreef Leuwsha columns voor de weekkrant van Suriname (ook in de grote steden in Nederland te verkrijgen), onder de titel ‘Groetjes uit Suriname’, en artikelen voor tijdschrift  De Ware Tijd. Dan overlijdt haar vader vrij onverwachts.
    ‘Ik besefte dat met hem ook het verhaal van Surinamers die als economische vluchtelingen in de jaren zestig naar Nederland kwamen, wat ook een deel van mijn voorgeschiedenis is, zou verdwijnen. Toen ben ik De Parbo Blues gaan schrijven. Ik had al een klein kind en ik herinner me dat ik hem toen in de box heb gezet en begon te typen op een oude computer, zo’n grote kast. Ik was eigenlijk aldoor moe, door het werk dat ik deed en de zorg voor die kleine. Toen moest ik aan mijn oma denken, zij had negen kinderen en ik dacht, ‘Kom op zeg!’ En de eerste zin die ik typte was, ‘Oma is altijd moe.’ Die is er later wel uitgegaan, maar zo begon ik.Toen ik op driekwart was, dacht ik, “Wat wil ik hier eigenlijk mee?” Toen ontmoette ik de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre, die stuurde een deel van mijn verhaal naar haar literair agent, Alice Toledo. Daarna werd ik uitgenodigd om over het manuscript te komen praten. Tilly Hermans, van uitgeverij Augustus wilde het uitgeven. In tweeëneenhalf jaar had ik een boek gepubliceerd. Fantastisch was dat.’

    In haar boeken speelt de geschiedenis van Suriname, de huidige stand van zaken in het land en familiebanden, een grote rol. Om de koloniale geschiedenis van Suriname in beeld te brengen maakt zij gebruik van haar eigen persoonlijke geschiedenis.
    ‘De combinatie fictie – non fictie vind ik een spannende combinatie, maar ook vrij logisch want in Suriname is er veel orale geschiedenis die wordt doorverteld. Of het verhaal geheel waar is of niet, is dan niet interessant meer. Het feit dat het van generatie op generatie is doorverteld, dat maakt dat het waar is. Ik vind geschiedenis pas interessant wanneer die persoonlijk is, dan komt het binnen. Het gebeurt nu wel meer dat geschiedenis vanuit personen verteld wordt, kijk maar naar musea. Het is de manier om je werkelijk te verbinden met de geschiedenis.’ 


    Op zoek naar de veerkracht van Suriname

    Vanaf het begin dat Leuwsha en haar man plantage Frederiksdorp willen uitbaten, worden ze gehinderd door pech. Een vriend (een van hun belangrijkste mede-aandeelhouders) overleed, de dochter van een werknemer werd ernstig ziek, het regenseizoen begon veel eerder en daar kwam ook nog de lockdown vanwege corona bij. Alsof de duvel ermee speelde.
    ‘Ik ben behoorlijk bijgelovig en was erg onder de indruk toen mijn oma, toen ze bij ons in Nederland was, ons huis zegende. Tegen Sirano had ik al gezegd dat we nooit een moment hebben genomen om stil te staan bij wat er hier allemaal gebeurd is. Het is binnen de Surinaamse cultuur gewoon dat je een pand of plek eerst inwijdt. Maar wij zijn eigenlijk gelijk begonnen met plannen maken en inrichten. Als ik er al aan dacht, dacht ik ook: “Ja maar, hoe doe je dat dan?” Moet het met een pater, een priester, dominee, Imam, Hindoestaan? 

    Ja, en toen werd ik op een nacht wakker en had over mijn oma gedroomd. Opeens dacht ik, wij moeten nu, op dit moment gaan inwijden. We hebben met een kalebas water uit de rivier geschept en zijn langs al die oude gebouwen uit de 18e eeuw gegaan en de gebouwen ingezegend en prevelden er in het Sranantongo teksten bij. Het voelde als een enorme bevrijding, dat stilstaan bij alles. Ondanks wat daar allemaal gebeurd is, is het ook een heel aangename plek. Dat was juist het verwarrende.’

    In De wilde vaart schrijft Leuwsha dat ze van het woord ‘slaaf’ onpasselijk wordt, maar ook het woord ‘tot slaafgemaakten’ niet correct vindt. ‘Slaafgemaakten is technisch een on-woord. Ik heb wel begrip voor wat ermee beoogd wordt te zeggen, dat je niet als zodanig geboren bent. Maar ook dat het niet je enige aspect van je identiteit is. Misschien kon je ook mooi zingen, of goed jagen, dansen. Dat ene woordje ‘slaaf’ beperkt je gelijk in je persoonlijkheid tot iemand die alleen maar opdrachten van anderen uitvoert, onder dwang. Maar ik vind wel dat ‘slaaf’ heel goed weergeeft wat er gebeurd is, je bent de slaaf van iemand. Tot slaafgemaakten klinkt daarvoor weer te afstandelijk. Als we tijdens een tocht op een plantage komen en we zien daar een suikerpers, dan denk je niet, “Oh, tot ‘slaafgemaakten’ hebben deze pers bediend.” Hier in de brandende zon was het gewoon slavenarbeid.’


    Op zoek naar de veerkracht

    Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen en de rekeningen zich opstapelden, was het erop of eronder. ‘We konden bij de pakken neer gaan zitten of iets gaan ondernemen. Dat deden we door per boot de rivieren af te gaan en langs plantages te gaan. Ook voor onszelf, we wilden weer in verbinding komen met de natuur, mensen opzoeken om te weten hoe ze overeind zijn gebleven, waaruit hun veerkracht bestaat. ‘Op zoek naar de veerkracht van Suriname’ is ook de ondertitel van het boek geworden. Die veerkracht zit voor Leuwsha  in de creativiteit van de Surinamers, hun humor en hun grote zelfrelativeringsvermogen.
    ‘Waar het koloniale debat in Nederland hevige vormen aanneemt, is die in Suriname relatief klein. De mensen gaan door, en doorgaan vereist zoveel creativiteit dat er geen tijd is voor debat. Er moet vis gevangen worden, letterlijk en figuurlijk. Een intellectueel debat is ook een luxe, je moet er de tijd voor hebben. Onderwerpen als onderwijs, gezondheid heeft hier meer prioriteit dan het verleden te analyseren.’  

    In De wilde vaart schrijft ze, ‘Nederland mocht gedurende zijn overheersing een explosie van geweld hebben veroorzaakt, na de onafhankelijkheid van Suriname was een implosie gevolgd: een vernietiging van binnenuit. En net zoals het volk ooit met rood-wit-blauwe vlaggetjes leden van het Huis van oranje had onthaald, was het daarna van zijn gijzelnemer Desi Bouterse gaan houden. Surinamers leken massaal aan het Stockholmsyndroom te lijden: ze voelden sympathie voor hun geweldenaar (…).


    Jong en onervaren land

    Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd verklaard, financierde Nederland dat met een afkoopsom, de zogenoemde verdragsmiddelen. De steun vanuit Nederland was dus zeer beperkt.
    ‘Het is een land met een turbulente geschiedenis, deels ook zelf veroorzaakt, in die zin dat het niet gelukt is kort na die tijd op eigen benen een hechte democratie te vormen. De ene helft van de bevolking wilde niet onafhankelijk worden, de andere helft wel. Het is er toen gewoon doorgedrukt in het parlement, met rampzalige gevolgen. Zo’n jong land kan zich niet bedruipen, er is geen infrastructuur en daarbij het feit dat het een volledig leeg geplukt land was. Zo’n dekolonisatie zou veel geleidelijker moeten gaan. Daar zou je tientallen jaren voor uit moeten trekken om af te bouwen en over te dragen. Het is een verplichting om na ruim driehonderd jaar kolonisatie een land te helpen opzetten.’

    Aandacht voor de trauma’s en de gevolgen van de dekolonisatie, is pas heel recent. “De Volkskrant heeft een serie van mensen die over die gevolgen praten, daar heb ik ook aan bijgedragen.’

    Vijfentwintig jaar woont Leuwsha nu in Suriname, ze is er groot gegroeid, haar kinderen zijn er geboren. Of je je er dan thuis voelt. ‘Ik was in Nederland niet een van de groep, en dat ben ik in Suriname ook niet. Ik ben een schrijver, ik observeer.’

     

    Foto: Sirano Zalman


     

     

     

     

     

    De wilde vaart / Tessa Leuwsha / 224 blz. / Uitgeverij Atlas Contact