• Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Ondanks de zweem van een pleonasme heeft uitgeverij Koppernik als titel van de dunne essaybundel over de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926 – 1973) voor Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen gekozen. De combinatie van die woorden vat de schrijfster goed samen.

    Ingeborg Bachmann schreef romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Zij geldt volgens de uitgever als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. In het Duitstalig gebied was zij bij leven een literaire ster, misschien vergelijkbaar met Connie Palmen tegenwoordig bij ons. Ze verkeerde in de hoogste culturele kringen, won vele literaire prijzen en had relaties met meerdere beroemde mannen. Toch was ze ook getormenteerd, verslavingsgevoelig en regelmatig ernstig terneergeslagen. Ze leed niet alleen in de liefde, maar ook en vooral vanwege de oorlog, de Holocaust en de gedeelde dadersschuld die daarmee samenhing.

    Haar werk was lang niet of nauwelijks in het Nederlands te lezen. Daar is nu verandering gekomen. In de vertaling van Paul Beers (1935 – 2024) verscheen eind 2023 de onvoltooide trilogie Doodsoorzaken (Todesarten) bij Koppernik. Twee jaar eerder publiceerde dezelfde uitgeverij haar verzamelde korte verhalen, eveneens door Beers vertaald. Eind jaren tachtig vertaalde Beers ook haar gedichten, waarmee Bachmann in de jaren vijftig doorbrak, maar die zijn zelfs niet of nauwelijks nog antiquarisch te vinden.

    Essays
    Vrijwel tegelijk met Doodsoorzaken bracht Koppernik de bundel Nerveuze gejaagdheid uit waarin essays van Paul Beers tezamen met die van de Vlaamse germaniste Ingeborg Dusar een introductie op haar werk bieden. Als je beide essayisten leest, kan je niet aan de gedachte ontkomen dat het werk van Bachmann daadwerkelijk zo’n introductie nodig heeft. Beers en Dusar zijn bewonderaars. Het zijn exegeten. Ze weten alles van haar motieven, thema’s en personages en kunnen die bovendien feilloos plaatsen in de ontwikkeling van haar tragische, korte leven. Niettemin blijft Bachmanns werk een hermetische indruk wekken. Je moet zin hebben om je tanden erin te zetten, maar dan opent zich volgens Beers en Dusar een prachtig universum met een uniek vrouwelijk vertrekpunt van een schrijfster die zich staande wist te houden in een patriarchale literair-culturele wereld, maar niet zonder diepe deuken op te lopen.

    Beers’ vertrekpunt is dat van de bezorger van haar literaire nalatenschap. Dusar promoveerde op het late proza van Bachmann aan de KU-Leuven. Het moet heerlijk zijn voor een schrijver als mensen zo hun best hebben gedaan om al jouw zorgvuldig aangebrachte verdichtingen te ontrafelen en daar ook nog vlot en leesbaar over kunnen vertellen. De bundel bevat zelfs een briefwisseling tussen Beers en Dusar waarin ze elkaar liefdevol vertellen wat ze in het werk van IB (zo noemen ze haar onderling) hebben aangetroffen en hoe ze (vooral Beers) worstelen met de vertaling van sommige moeilijk te interpreteren passages. De vroege dood van de schrijfster, op 47-jarige leeftijd, wordt betreurd – ze stierf aan de gevolgen van een ernstige brand. Niet letterlijk uitgesproken door beide bewonderaars blijft ook in het nawoord van Bachmanns jongere broer de gedachte hangen dat ze deels schuldig was aan die tragische dood.

     

     

  • In memoriam Paul Beers 1935-2024

     

    Op 25 januari werd bekend dat schrijver en vertaler Paul Beers is overleden, hij werd achtentachtig jaar. Beers vertaalde meer dan veertig literaire werken, zowel uit het Duits als het Frans,  waaronder Jean-Paul Sartre, Marguerite Yourcenar, Marian Pankowski en Thomas, Golo en Erika Mann. Ook vertaalde hij literatuur voor de Volkskrant en Vrij Nederland en was mederedacteur bij de publicatie van het complete werk van Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.

    Het was de Duitse literatuur van waaruit hij uiteindelijk het meest vertaalde en hij stond bekend als oeuvre-vertaler van Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz en Robert Menasse. Drie auteurs die hem met hun werk overrompelden en waar hij zich als literair vertaler voor hun hele oeuvre mee verbond. Hij noemde ze ‘mijn grote drie’. 


    Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen en filosofie werd zijn literaire vertalersloopbaan in 1964 aangewakkerd door de vertaling van
    Mythe van Sisyphus van Camus door C.N. Lijsen. Hij vond deze vertaling ‘volkomen ongrijpbaar’ en na een vergelijking met de Franse tekst, bleek deze wel degelijk ondermaats te zijn. Hij schreef er een uitgebreid en kritisch stuk over dat werd gepubliceerd in literair tijdschrift Podium.
    In 1965 ontdekte hij het werk van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. Gombrowitcz’ stijl, ‘zijn luciditeit en moed tot waarheid’ had hem zo gegrepen dat hij vanaf dat moment kost wat kost zijn vertaler wilde worden. Beers was de Poolse taal niet machtig, daarom zocht hij de schrijver op en kreeg toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen. Elk jaar, van 1967 tot 1972 verscheen er een Gombrowicz-vertaling. In 1967 bezocht hij Gombrowicz in Vence, Zuid-Frankrijk voor een interview voor Vrij Nederland. Dit interview bood hij in 2016 – nadat bij uitgeverij IJzer een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen was in herziene vertaling door hem zelf – integraal aan.


    In zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel
    Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen bij uitgeverij Koppernik, schreef hij dat in 1983 de redactie van literair tijdschrift De Revisor hem vroeg drie teksten van haar te vertalen. ‘Deze drie zo verschillende teksten spraken me dermate aan dat ik volledig voor deze schrijfster gewonnen werd. Hier was elke zin raak, gedragen door grote zeggingskracht met een heel eigen toon.’ Waarna hij zich grondig in haar werk verdiepte.

    In 1995 kreeg hij toevallig Selige Zeiten van Robert Menasse in handen, en ook hier overrompelde het werk hem zodanig dat hij dit wilde vertalen. Vanaf die tijd vertaalde hij ook van Menasse al zijn werk. 


    Beers zette zich ook in voor de positie van de literair vertaler. Zo hechtte hij grote waarde aan de naamsvermelding van vertalers. Het was hem een doorn in het oog dat op paginagrote advertenties in de opinieweekbladen de naam van de vertaler niet werd vermeld. Om uitgevers de waarde van de vertaler te doen inzien was zijn devies:
    ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’  

    In een gesprek met Huub Beurskens ter gelegenheid van zijn bekroning met de Letterenfonds Vertaalprijs in 2014, zei hij: ‘Terugkijkend heb ik geweldig geluk gehad dat ik het oeuvre van “mijn” grote drie heb kunnen vertalen.’



    Foto: rechtenvrij via uitgeverij Koppernik verkregen.

  • Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    In 1989 schreef J.F. Vogelaar in een lang essay in De Gids: ‘Voor sommige boeken is het dodelijk wanneer met het signaleren van de auteur volstaan wordt, menig auteur leert men immers pas na meerdere boeken echt kennen. Dat geldt zeker ook voor Ingeborg Bachmann die, achteraf gezien, met haar gedichten, verhalen, hoorspelen, essays en romans aan één groot werk bezig is geweest’.
    Vorig jaar gaf Uitgeverij Koppernik Verzamelde verhalen van deze Ingeborg Bachmann (1926-1973) uit. Ze zijn vertaald door Paul Beers, die alles wat van Bachmann in Nederland te verkrijgen is op zijn naam heeft staan. In de inleiding van deze bundeling van alle verhalen bekent hij nog maar eens hoe zeer hij al sinds 1983 gefascineerd is door de Oostenrijkse auteur. Met Verzamelde verhalen krijgt de lezer een inzicht in de ontwikkeling van de ideeën van Bachmann gedurende haar werkzame leven. Het oudste verhaal dateert uit 1945, het laatste uit 1972.

    In deze uitgave zijn vierentwintig verhalen ondergebracht in vier delen. De cyclus van zeven verhalen waarin Bachmanns denken het meest geprononceerd is is vervat in het tweede deel, Het dertigste jaar. Opnieuw Vogelaar in De Gids: ‘De zeven verhalen drukken in allerlei variaties het verlangen naar én de onmogelijkheid van een niet door de taal ingevulde en ingedeelde wereld uit, wat een verzet inhoudt tegen de taal waarmee mensen tot eigenschappen, tot hanteerbare en manipuleerbare hoedanigheden worden gereduceerd (…) “Geen nieuwe wereld zonder nieuwe taal”’.

    Vrijheid verwerpen

    Het eerste van deze bedoelde zeven verhalen (Jeugd in een Oostenrijkse stad) vertelt hoe de herinnering aan de kindertijd in het stadje K. (Klagenfurt, waar Bachmann werd geboren) wordt bepaald door de oorlog. De jeugdjaren worden niet zozeer feitelijk beschreven maar meer als het effect dat ze hadden op de kinderziel. Als een madeleine van Proust zet het zonlicht op een boom in de stad de herinneringen in gang. De kinderen hebben als ze jong zijn hun fantasieën, maar verliezen die al snel op school. Ze ‘leggen oude woorden af en leren nieuwe aan’. In de bioscoop mogen ze de film Romanze in Moll niet zien: ‘De jeugd werd niet toegelaten, maar daarna [het is 1943] wel bij het grote sterven en moorden een paar dagen later en alle dagen erna’.
    Niet alle zeven verhalen uit dit deel zijn zo duidelijk als dit eerste. Het titelverhaal van deze cyclus is veel hermetischer. Daarin volgen we de beschouwingen van een naamloze man gedurende het jaar dat hij dertig wordt. Hij ontdekt als hij op een morgen wakker wordt ‘het vermogen zich te herinneren’ en gaat na wat er van hem geworden is. In dit verhaal zet hij twee levensopvattingen tegenover elkaar die ook nog eens in een metafoor van een reis naar Rome worden verbeeld. Hier duikt de figuur van de opportunist Moll op, die de lezer nog vaker zal tegenkomen. De tekst vraagt om geconcentreerd lezen en herlezen door de wisselingen van perspectief en stijl (verhalend, dan weer zinnen zonder hoofdletters en interpunctie, dan weer dagboekfragmenten). De conclusies zijn somber: ‘Ik hou van de vrijheid, die ik ook duizendmaal moet verraden. Deze onwaardige wereld is het resultaat van een ononderbroken verwerpen van de vrijheid’.

    Grimmig

    De hierop volgende verhalen in dit tweede deel maken het gemakkelijker je in concrete situaties te verplaatsen, al dwingt Bachmann je wel tot zorgvuldige lezing om echt contact te krijgen met de personages. De magie van haar taal maakt dat je die bereidheid opbrengt. De toon intussen blijft even grimmig. In Alles bijvoorbeeld lezen we zo over het schuldgevoel van de vader van Fipps die de ontwikkeling van zijn kind ziet verlopen langs de wegen van de taal waartegen hij hem juist had willen beschermen en in Onder moordenaars en gekken is het een groep nazi’s die kort na de oorlog in een kroeg herinneringen ophaalt en wordt geprovoceerd door een dertigjarige man die zich geroepen voelt te moorden, maar dat nog nooit deed. De ontmoeting kent een gruwelijke afloop. Ook in dit verhaal weer de scherpzinnige dialogen die in het hoofd van de lezer naijlen, zoals: ‘Ik denk dat we allemaal met elkaar moeten leven en niet met elkaar kunnen leven. In elk hoofd zit een wereld en een pretentie die elke andere wereld, elke andere pretentie uitsluit. Maar we hebben elkaar allemaal nodig, wil er ooit iets goed en gaaf worden’.

    Eerbetoon

    In bijna alle verhalen, ook die in de andere drie delen van de Verzamelde verhalen, treffen we personages die in een diepe crisis verkeren. Toch zijn er ook opvallende verschillen. In het derde deel, Simultaan, dat vijf verhalen bevat, zijn – na de mannen uit Het dertigste jaar – de prominente personages juist vrouwen. Maar vooral is hierin de toon wat luchtiger en af en toe humoristisch. De vrouwen die we tegenkomen zijn soms lastig te typeren. Aan dit deel is een zeer verhelderend essay toegevoegd van de Vlaamse Ingeborg Dusar; zij schreef in 1993 haar proefschrift over dit deel. In haar bijdrage noemt zij Simultaan een eerbetoon aan de vrouwen. Maar ook de mannen zijn in Simultaan niet meer de sadisten uit de vroegere verhalen ‘maar eerder zwakke figuren die even hulpeloos tegenover het leven staan als de vrouwen die op hun beurt geen willoze slachtoffers maar veelal overlevers zijn’.
    Dusar haalt tevens een uitspraak aan van Bachmann dat Simultaan overwegend gaat over het ‘kleine’ ongeluk dat exemplarisch is voor het ‘grote’ ongeluk van een tijdperk. Lezing van de verhalen uit de andere delen maakt echter duidelijk dat die karakteristiek opgaat voor bijna alles in deze Verzamelde verhalen, zij het wat minder in die uit het eerste deel, Het veer.

    De delen 2, 3 en 4 van deze uitgave verschenen in Nederland al eens eerder in afzonderlijke bundels. Het deel Het veer is voor Nederland nieuw. Daarin staan de vroegste verhalen van Bachmann die door hun beknoptheid en hun soms sprookjesachtige sfeer weer heel andere aspecten laten zien.
    Zo biedt Verzamelde Verhalen een compleet palet van de literaire gedaante van Ingeborg Bachmann tijdens haar hele leven: ze zijn zowel dramatisch als humoristisch, zowel ernstig-filosofisch als luchtig, zowel afstandelijk als empathisch. Ook in die zin kunnen we Vogelaar bijvallen dat Bachmann met alles wat ze schreef ‘aan één groot werk bezig is geweest’.

  • Oogst week 50 – 2021

    Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu

    De Britse classica en hoogleraar Mary Beard schrijft over de oudheid, geldt als de bekendste classicus ter wereld en heeft al vele boeken gepubliceerd. Ze treedt regelmatig op in de media en maakt daarmee de oudheid bekend bij een breed publiek. Nu is er haar boek Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu. Het is een verrassend verhaal over tweeduizend jaar kunst- en cultuurgeschiedenis dat laat zien hoe macht eruitziet, wie er in de kunst worden herdacht en waarom.

    Volgens Beard hebben Romeinse heersers als de meedogenloze Julius Ceasar en de driftige Domitianus tweeduizend jaar model gestaan voor de beeldvorming van de machtigen en de rijken.

    In hoofdstuk 2 vertelt Beard dat in 2007 een ploeg Franse archeologen uit de Rhônebedding een marmeren buste opdregde waarvan ze aannamen dat het Caesar was. ‘Sindsdien is de kop onderwerp geweest van tientallen krantenartikelen en minstens twee tv-documentaires,’ schrijft Beard. ‘Over het belang van de vondst en over de vraag of het beeld inderdaad is wat wordt beweerd zijn archeologen en historici het nog steeds niet eens. De sceptici wijzen erop dat de kop uit de Rhône er toch echt heel anders uitziet dan de Caesar op de munten uit zijn tijd […] De voorstanders van de theorie leggen juist de nadruk op bepaalde overeenkomsten tussen de kop en kenmerkende trekken op de muntportretten…’.

    Twaalf keizers - De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Atheneum

    De lunchroom

    In De lunchroom van Hans Muiderman probeert een man aan een tafeltje in een lunchroom een memorie te schrijven over zijn grootvader. Nadat hij jeugdherinneringen heeft laten passeren dwaalt hij in gedachten rond in zijn grootvaders lege huis en constateert dat de herinneringen onvolledig en vervormd zijn. Wat hij niet meer weet verzint hij erbij.

    Hans Muiderman is sinds 2010 full time schrijver. Begonnen als docent film aan de Theaterschool in Utrecht met lessen scenarioschrijven en filmanalyse schreef en redigeerde hij publicaties over media, kunst en cultuuronderwijs. Eerder publiceerde hij gedichten, schreef liedteksten, regisseerde cabaret en stond zelf op het podium. Hij is medeoprichter van Elders Literair, een platform voor literatuur, beeldende kunst, fotografie, film en architectuur. En hij is columnist bij Literair Nederland.

    Muiderman schrijft romans, korte verhalen en reisverhalen waarin herinneringen het steeds terugkerende thema vormen. Zijn hoofdpersonen hebben vaak een leegte in zich die zij proberen op te vullen met herinneringen, niet zelden aangevuld met fantasie. Want volgens Muiderman zijn herinneringen vals en vervormd en altijd een constructie van de verbeelding.

    De lunchroom
    Auteur: Hans Muiderman
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Verzamelde verhalen

    De Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926-1973) was een van de belangrijkste Duitstalige schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Ze studeerde filosofie, debuteerde met gedichten en schreef ook verhalen. Van de romantrilogie Doodsoorzaken voltooide ze alleen het eerste deel, Malina. Voor ze de andere delen kon afmaken overleed ze ten gevolge van een brand in haar appartement. Er zijn alleen fragmenten van deel III gepubliceerd.

    Uitgeverij Koppernik brengt de Verzamelde verhalen uit, met daarin dag- en weekbladpublicaties en ongepubliceerde verhalen die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Het boek bevat eveneens Bachmanns eerste verhalenbundel Het dertigste jaar waarin de nadruk op het intellect ligt. Ook de bundel Simultaan is opgenomen, waarin een aantal personages uit de romancyclus Doodsoorzaken voorkomt. In deze verhalen is er een grotere rol weggelegd voor liefde en gevoel.

    In Bachmanns werk gaat het vaak over destructieve krachten, en vrouwen komen er bij haar doorgaans slecht af. Niet zelden gaan ze ten onder in fysiek of emotioneel geweld. Bachmanns literatuur is droefgeestig. De dood ziet zij als ‘het enige toevluchtsoord voor de ontzettende krenking die het leven is.’ Deze scherpzinnige schrijfster paart diepe psychologische inzichten aan onverschrokken taalgebruik dat haar een eigenzinnige stem geeft.

    Verzamelde verhalen
    Auteur: Ingeborg Bachmann
    Uitgeverij: Koppernik
  • Verdieping op het werk van Ingeborg Bachmann

    Verdieping op het werk van Ingeborg Bachmann

    Het boek Kriegstagebuch met dagboekfragmenten van – en brieven aan – de Oostenrijkse Ingeborg Bachmann (1926-1973) verscheen in 2010 in Duitsland. Nu is er een Nederlandse vertaling. Machteld Bokhove heeft niet alleen uitstekend vertaalwerk verricht maar levert tevens een interessant commentaar op het nawoord van de oorspronkelijke Duitse samensteller van het boek,  Hans Höller. Oorlogsdagboek – met brieven van Jack Hamesh laat zien hoe de werkelijkheid en Bachmanns persoonlijke ervaringen invloed hebben uitgeoefend op haar literatuur en poëzie. Ook voor lezers die het werk van Bachmann niet kennen, is dit een interessant boek dat niet alleen diepere betekenis geeft aan haar werk, maar ook een inkijk in het leven van een Oostenrijkse tiener die opgroeit onder het naziregime. 

    Rebellie

    In de dagboekfragmenten beschrijft Ingeborg haar leven in de laatste periode van de oorlog, waarbij ze door laat schemeren dat ze op haar eigen manier rebelleert tegen het naziregime dat haar dwingt zich aan te sluiten bij een zogenaamde ‘Kweekschool’ en waarbij ze van de leiding (die ze spottend ‘heren opvoeders’ noemt) loopgraven moet graven. Ondanks dat er nog bommen vallen beschrijft ze hoe ze buiten op een stoeltje in de zon Das Stundenbuch van Rilke leest. Het volgende moment bevinden we ons kort na de oorlog, wanneer Ingeborg kennis maakt met Jack Hamesh als ze haar persoonsbewijs moet opvragen bij de Field Security Section. Er ontstaat een relatie tussen hen.

    Hamesh is van Joodse afkomst en ook hier geeft Ingeborg blijk van een rebellerende houding naar haar omgeving. Ze zegt tegen haar moeder ‘dat ik tien keer door Vellach en door Hermagor met hem op en neer ga lopen, en als iedereen dan op zijn kop gaat staan, dan juist’. De verliefdheid tussen de twee maakt duidelijk indruk op zowel Ingeborg als Jack. Ingeborg beschrijft het als de mooiste zomer van haar leven en ook Jack spreekt in zijn latere brieven zijn verlangen uit om weer bij haar te zijn. Na zijn vertrek naar Palestina stuurt hij haar nog lang brieven waarin hij haar zijn liefde verklaart en de wens uitspreekt om bij haar en haar familie te zijn.

    Leven en werk

    Tijdens haar studie focuste Bachmann zich vooral op filosofie en psychologie en promoveerde uiteindelijk met een proefschrift over Martin Heidegger. Haar carrière als dichter en schrijfster kwam van de grond toen zij haar eigen poëzie voordroeg op een bijeenkomst van Gruppe 47, een collectief van schrijvers en dichters ter bevordering van de naoorlogse Duitstalige literatuur. Het is dan ook niet vreemd dat Bachmann uiteindelijk een van de meest invloedrijke schrijfsters uit de naoorlogse periode werd.
    Haar werk bestond voornamelijk uit poëzie en korte verhalen waarvan haar poëziebundel
    Die gestundete Zeit bekend werd om de grimmige en pessimistische passages.

    Bachmann schreef daarnaast één roman: Malina. Haar werk onderzoekt voor een groot deel de machtsverhouding tussen mannen en vrouwen, hoe mannen hun invloed op vrouwen uitoefenen en de vrouwelijke identiteitsproblematiek die hierdoor ontstaat. Ook in Oorlogsdagboek komt dit thema naar voren en zien we de aanzet voor een scène die later in Malina menig lezer zal beklemmen. In dit dagboek noemt Bachmann namelijk kort haar vader, die nazi-officier was, aan het front had gevochten en na de bevrijding in een gevangenkamp verbleef. Over deze scène, en de rol die haar vader uiteindelijk in Malina krijgt toebedeeld, spreekt samensteller Hans Höller in zijn nawoord positief.

    Het nawoord van Hans Höller

    Hans Höller plaatst de dagboekfragmenten en brieven van Hamesh in het perspectief van Bachmanns latere werk, waarbij hij ook de over haar leven bekende feiten betrekt. Hij legt continu verbanden tussen het dagboek en het werk en voorziet daardoor zowel de dagboekfragmenten als het overige werk van meer context. De nabespreking had wellicht beter als voorbespreking kunnen dienen, gezien deze als het ware de inleiding is op de korte en schaarse dagboekfragmenten. Want uiteindelijk beslaan deze dagboekfragmenten slechts een fractie van het boek. Het grootste deel bestaat uit de brieven van Jack Hamesh en de gedetailleerde bespreking van Höller. Daardoor is dit boek meer een eenzijdige briefroman dan een echt dagboek. 

    De publicatie van Kriegstagebuch had een positief bijeffect. De identiteit van Jack is altijd onbekend gebleven, totdat de uitgave van de dagboekfragmenten daar verandering in bracht. Een enthousiaste medewerkster van de Oostenrijkse nationale bibliotheek is naar aanleiding van het boek een persoonlijke zoektocht begonnen en heeft Hamesh’ gaan en staan weten te reconstrueren, ondanks zijn veelvuldig veranderen van naam, tot aan zijn nog levende zonen. Deze zijn inmiddels in contact gebracht met de jongere broer van Bachmann waardoor zij een kant van hun vader leerden kennen die tot dan toe onbekend was. 

    Toevoeging van Machteld Bokhove

    Hoewel Höller duidelijk blij is met de gelegenheid de intertekstualiteit tussen de dagboekfragmenten, de brieven en het werk van Bachmann te onderzoeken, voegt Machteld Bokhove er een kritische noot aan toe. Zij bespreekt onder andere de slachtofferrol die Bachmann in haar werk aanneemt en die volgens Bokhove niet zomaar bejubeld en voor waar aangenomen kan worden. Tenslotte wordt de oorsprong van Bachmanns lijden gekoppeld aan een periode waarin veel mensen erger en meer geleden hebben dan Bachmann zelf.
    Bokhove schrijft: ‘Al in 2000 schreef de Duitse essayiste Sabina Kienlechner […] dat als Bachmann haar persoonlijke leed koppelt aan “de grote gaskamer” dit een belediging is van de echte slachtoffers en een misplaatste “legitimatie van haar traumatische gevoelswereld”.’
    Bokhove besluit haar kanttekeningen met de opmerking dat Bachmann evenwel vervlochten blijft met de Tweede Wereldoorlog. Dat dit statement beaamd kan worden blijkt uit de vele aanknopingspunten die Höller heeft weten te vinden tussen de dagboekfragmenten en het latere werk van Bachmann.

     

     

  • Een dramatische liefde, briefwisseling Ingeborg Bachmann en Paul Celan

    Recensie door Rein Swart

    Volgens de vertaler Paul Beers is de briefwisseling in deze Nederlandse editie heel wat toegankelijker dan de oorspronkelijke Duitse waarin als het ware elke komma achterin het boek wordt toegelicht. In deze zeer verzorgde uitgave staat het commentaar, dat wil zeggen de uitleg van namen en begrippen die in de genummerde brieven gebruikt worden, meteen na de brieven, zodat je niet steeds achterin hoeft te bladeren.

    Paul Celan – oorspronkelijke familienaam Antschel – is een kind van joodse ouders die in het concentratiekamp zijn omgekomen, Ingeborg Bachmann is de dochter van een Nazi-partijlid. Als deze dichtende dertigers elkaar in 1948 voor het eerst ontmoeten is het liefde op het eerste gezicht. Bachmann heeft in haar jeugd al afstand genomen van de overtuiging van haar vader, schrijft over man-vrouw relaties en zoekt in haar gedichten en later in haar prozawerk naar een eigen identiteit.
    Tijdens hun correspondentie die tot in de jaren zestig duurde, hadden de twee andere intieme relaties – Ingeborg was bevriend met Max Frisch, Celan getrouwd met Gisèle Lestrange -, die een ongestoorde verhouding tussen de vroegere verliefden in de weg stonden.

    De briefwisseling begint met inleidende notities vanuit Parijs en Wenen. Al gauw blijkt Bachmann boos over de vaderlijke raadgevingen van de zes jaar oudere Celan, die haar het liefst naar Parijs ziet komen. Als Ingeborg niet toegeeft aan zijn wens, wil hij de ring terug die hij haar gegeven heeft. Het incident is symptomatisch voor de verhouding tussen de twee, die elkaar niet nader konden komen door het trauma van de tweede wereldoorlog. Bachmann, die het heel druk heeft met literaire producties en vaak overwerkt is, is veel meer betrokken bij Celan dan omgekeerd. De getraumatiseerde Celan is snel gekwetst als hij zich onheus bejegend voelt en beschuldigd wordt van plagiaat.
    Helaas zijn veel brieven verloren gegaan en bestaat een fors gedeelte uit een zakelijke uitwisseling over betalingen en lezingen en kattenbelletjes zoals opdrachten aan elkaar. Af en toe vallen er grote gaten in de tijd, die tijdens het lezen niet zo opvallen. Het zou handig geweest zijn als er een jaartal bovenaan de bladzijde stond. Een reflectie op hun ontmoetingen ontbreekt, waardoor er een indirect licht op de relatie schijnt.

    De briefwisseling wordt gecomplementeerd met die tussen Celan en Max Frisch en vervolgens die tussen Ingeborg en Gisèle, de vrouw van Celan. Uit de aantekeningen van Gisèle begreep ik dat zij Ingeborg niet graag mocht, maar daarvan is niets te merken in hun correspondentie. Wellicht was er na de dood van Celan sprake van een toenadering tussen de twee vrouwen.
    Tenslotte hebben de bezorgers nog een onderscheid gemaakt in de periodes van de briefwisseling en een poëtisch nawoord geschreven, maar die konden niet verhinderen dat ik deze openbaringen over een onmogelijke vriendschap in een wat krap jasje vond zitten. Duidelijk een boek voor liefhebbers.