• Kauwde, slikte door

    Kauwde, slikte door

    Een goed boek houdt je na lezing nog bezig. Eind zomer las ik een boek waarin de ik-verteller briefjes met contactgegevens opeet, als werkte hij voor de geheime dienst. ‘In een reflex stopte ik de prop in mijn mond, kauwde, proefde inkt en de goedkope zompige structuur van kladpapier.’ Het boek speelt in de maand augustus van 1988. In die maand komt alles in het leven van Erik Poelman bij elkaar. De oudere neef Kaj, die zijn vrouw verliet voor een man, ziek werd, stierf aan aids, voorheen al doodgezwegen door zijn familie. Een christelijke vriend uit zijn schooltijd wordt vermoord. Met zijn vriend Maurits, een Couperus adept, bezoekt hij in de weekenden homobars in Amsterdam. Tegen elkaar zeggen ze hetero’s te zijn die spelen dat ze homo zijn. Wordt het niet eens tijd er voor uit te komen dat hij echt op mannen valt? Maar hoe doe je dat. Die zomer gaan Maurits en Erik naar Den Haag, nemen een hotel, er broeit iets, maar ze zijn hetero, toch? Na een uitgaansavond, belanden ze bij elkaar in bed, vrijen. Waarna de draad van hun vriendschap dunner wordt.

    Daarbij is Erik bang om ziek te worden, met iets besmet te raken. ‘Dat iets was elke avond en nacht in Amsterdam aanwezig. het wandelde mee, in de Reguliersdwarsstraat, bij het DOK aan het Singel, vergezelde me naar de andere cafés en disco’s in het centrum waar mannen kwamen, en waar wij dus ook kwamen. Het kon me elk moment aanraken.’
    In een poging zijn leven richting te geven, besluit hij naar Maastricht af te reizen. Hij heeft een briefje waarop telefoonnummers van mannen die reageerden op de contactadvertentie die zijn vriend Maurits voor de lol in de krant plaatste. Erik hield de telefoonnummers van het stapeltje ‘Nee’ voor zichzelf.

    Had hij niet samen met zijn moeder televisie zitten kijken naar een uitzending van Sonja Barend, waar een man was uitgenodigd die zei dat het voor homo’s gewoon was om seks te hebben met honderden mannen? ‘(…) soms wel een paar kerels op een avond. Een schok ging door de zaal bereikte de huiskamer,’ Dat zijn moeder snuivend zei, ‘Wat smerig, Niet gek dat je dan ziek wordt en doodgaat.’ Durf dan nog maar eens te vertellen dat jij op mannen valt.

    Als Maastricht mislukt, bezoekt hij de dichter Hans Warren in Zeeland. Warren woont samen met een jongeman. Door zijn dagboeken die in de jaren tachtig verschenen, is hij iemand om naar uit te reiken, bij te willen horen. Als Erik bij het huis van de dichter komt aanfietsen, rijdt deze net in een volvo met zijn jonge vriend aan het stuur het pad af.
    Dat je de wereld in wilt, dat je steeds als het erop aankomt, niet durft, of miskleunt. Iemand opbellen, een afspraak maken bij een van de mannen van het papiertje, het komt er niet van. Daarvoor is zijn dialogue intérieur eenvoudigweg te sterk, praat hij zichzelf alles uit het hoofd, gaat onverrichter zake naar huis. Zijn moeder die zegt, Hé, ben je weer thuis?

    Als hij van de man die met zijn neef Kaj is geweest, zijn visitekaartje krijgt, scheurt hij het later in drie stukken, steekt ze in zijn mond, ‘kauwde, slikte door’. No way, dat hij hem eens gaat opzoeken. De briefjes die hij in zijn mond vermaalt, alsof hij er de werkelijkheid mee wil uitwissen. Ingegeven door de berichtgevingen uit die tijd, was het gewoon geen goed idee om homo te zijn. Ook het kaartje van een bejaard artsenechtpaar dat hem in de trein naar Goes conversietherapie aanraadt, verdwijnt meteen in zijn mond. ‘kauwde, slikte door’.

    ‘Ik vind dat ik niet uit de kast hoef te komen, dat ik moet zeggen ‘ik bén homo’, want dat ben ik niet, ik bén Wobie, en Wobie valt misschien op mannen.’ schrijft Splinter Chabot in Confettiregen. Als dit boek in de jaren tachtig was verschenen, had het de verteller uit Augustus zeker aangezet zichzelf te omarmen. Augustus is een indringend auto-fictie boek, over een jeugd in de jaren tachtig. Hoe er in die tijd volstrekt afkeurend over afwijkende geaardheid werd gedacht, hoe vernietigend dat was. Goed geschreven, een doordenker, een aanrader.

     

     

    Augustus / Eric de Rooij / blz. 224 / Uitgeverij kleine Uil (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Disclaimer

    Disclaimer

    Ik ging met de trein (Blauwnet) van Zutphen naar Lochem. De reis verliep voortreffelijk. De trein tufte als liep hij op stoom (al was ook het zoeven van elektrisch aangedreven motoren waar te nemen) door een landschap van populieren, ruige velden, struikgewas, eindeloosheid. Alsof de rand van de wereld (mocht de wereld een rand hebben) bereikt was, de tijd vertraagde. Ik nam een verhalenbundel van Amy Bloom uit mijn tas. Voorin een disclaimer: ‘Waar de God van liefde is is een bundel verzonnen verhalen.’ Het zegt iets als een auteur wil voorkomen dat iemand denkt dat er dingen aan de werkelijkheid ontleend zijn. Niet zelden is dat dan ook zo. Op een af andere manier zag ik, sinds ik haar laatste boek In liefde, een memoir over leven en verlies, had gelezen, in al haar verhalenbundels de grote liefde van haar leven voorbijkomen. Ik houd van Blooms verhalen. Haar openingszinnen, ‘Ik was altijd van plan geweest mijn vader te vermoorden.’, of ‘Iedere dood is gewelddadig.’, maken dat je wilt weten wat er gebeurt is om deze eerste zinnen te rechtvaardigen.

    De openingszin uit de verhalenbundel uit mijn tas, ‘Om twee uur in de ochtend kun je niemand iets kwalijk nemen.’, loopt vooruit op het feit dat William en Clare elkaar beginnen te zoenen terwijl hun partners boven slapen. Vier verhalen in deze bundel gaan over de (overspelige) liefde tussen Clare en William, beiden vijftigers. In het vierde verhaal zijn ze getrouwd. ‘Het had William en Clare vijf jaar gekost om een einde aan hun huwelijken te maken.’

    De man van Amy Bloom overleed in 2020 in een kliniek in Zwitserland. In In liefde, schrijft ze over de zelfverkozen dood van de man die ze in haar verhalen al langer liefhad dan de werkelijkheid haar gegeven was. Ze schrijft ook over de tijd dat ze minnaars van elkaar werden. ‘Brian en ik werden verliefd op elkaar zoals dat wel vaker voorkomt bij sommige mensen van middelbare leeftijd in kleine stadjes, die vastzitten in een ongelukkige relatie…’ Amy Bloom en Brian Ameche waren Clare en William. 

    Ze zijn dertien jaar bij elkaar als Brian wordt gediagnosticeerd met Alzheimer. Hij zegt, ‘Omdat jij van mij houdt, ga jij mij helpen.’ Hij wil in het harnas sterven. Door zijn mentale conditie komt hij niet in aanmerking voor euthanasie. Zij zoekt wereldwijd naar een legitieme manier om te sterven. Als die uiteindelijk in Zwitserland doorgang vindt, zijn ze dolgelukkig om het feit dat hij ergens legitiem zal kunnen sterven. ‘We hebben gehoord wat we moesten horen en aanvankelijk omhelst Brian me stevig, omdat we hebben bereikt wat we wilden bereiken en we dat samen hebben gedaan, en hij is gek op teamwork. Maar dan verandert het licht en het neemt af; ik ben in de wereld zonder hem; hij ziet duidelijk de wereld verdergaan zonder hem,  met mij alleen in de keuken en hij niet naast me. …’

    In al haar boeken die ik nu doorblader, is een ongelukkig huwelijk, overspelige liefde, een sterke vrouw (ja, dat vooral, een sterke vrouw die hoe het lot zich ook wendt of keert, er een verhaal van maakt, een boek over schrijft). Haar laatste boek, “In Liefde” is een intens en zuiver relaas over de dood van haar man die als minnaar in haar verhalen leeft.’ Alles wat een schrijver beleeft komt in een verhaal terecht. Dit is geen disclaimer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Golfjes

    Golfjes

    Ik verbleef een aantal dagen in een huisje in Amsterdam Noord. Ik paste er op Mio, de kat, hoewel hij best goed voor zichzelf kan zorgen. Ik hoefde alleen maar de tinnetjes voer te openen, zijn bakje te vullen, zo nu en dan een praatje, een aai. Mio is mijn missie, mijzelf uitvinden het doel. Woensdagmiddag  halfvijf stak ik met de pont het IJ over. Ik dacht aan Mercy uit de roman  Franse vlecht van Anne Tyler. Toen de kinderen de deur uit waren ging ze in haar atelier wonen zonder de indruk te wekken dat ze haar man verliet. Ik stelde me voor hoe ik een bestaan elders zou opbouwen, al wil ik mijn man niet verlaten. Mercy bracht elke dag wat spullen van haar huis naar het Atelier. ‘Op dinsdag bracht ze een badhanddoek, een washandje, een stel lakens en een wollen deken mee.’ Tyler schrijft vaker over vrouwen die zich losmaken van familie, er opeens de brui aangeven zoals Delia in Tijd van leven, man en kinderen achterlaat en zich een heel nieuw leven aanmeetOf Rebecca, die zich een vreemde voelt in haar eigen leven in Toen we volwassen waren. Dat begint met ‘Er was eens een vrouw en die ontdekte dat ze in de verkeerde was veranderd.’

    Vrijdagochtend ging ik naar het Waterlooplein. Liep er niet overheen uit vrees mijn broer tegen te komen in de mensen die hem kenden. Ik ging naar het Joods Historisch museum. Beluisterde interviews van bewoners die vertelden over armoede, oorlog, razzia’s, over toen het Waterlooplein nog ‘Het plein’ heette. De interviews die op het Waterlooplein waren opgenomen hadden mijn speciale aandacht. Ik had het eerst niet zo door, maar ik zocht achter de ruggen van de geïnterviewden naar een glimp van mijn broer. Het had gekund dat hij daar toen was. Er waren beelden van de broodjeszaak van Sal Meijer aan de Scheldestraat. Het was er een gezellige bedoening. De tafeltjes allemaal bezet. Je zag een vrouw achter een snijmachine flinters van een homp vlees afsnijden. De gasten zaten achter bordjes vol met vlees belegde broodjes. Ze sneden er met mes en vork stukken af, staken het in hun mond. Als de camera op hen gericht was, lachten ze. Ze zaten er een beetje gebogen bij, toegewijd aan de maaltijd. Ik kreeg ontzettend trek in zo’n broodje, al had ik meer dan veertig jaar geen vlees gegeten, was er de herinnering van vlees tussen een zacht kadetje in mijn mond. Ik zocht naar de Scheldestraat, wilde weten of die broodjeszaak nog bestond. Ik wilde het bestaan van alles zien.

    De dag daarop ging ik weer naar het Waterlooplein, kwam mijn broer tegen in de gedaante van de marktkoopman die ook op zijn begrafenis was. Terwijl ik mijn fiets wegzette, zag ik dat de man naar me keek, weer wegkeek. Keek en weer wegkeek. Ik stapte niet op hem af, vroeg niet naar verhalen over mijn broer, maar dook in een boekendoos een kraam verderop. Ik vond Het mooiste van alle dingen van Kees Verheul waar ik allang naar op zoek was, het moest zo zijn.

    De Franse vlecht gaat over een gezin zonder samenhang. Een kreeg er altijd het kleinste stukje taart, naar een werd nooit geluisterd, een hing er altijd de paljas uit. De zoon zegt: ‘We houden van elkaar, maar mogen elkaar niet.’ Ann Tyler maakt hier de vergelijking met een Franse vlecht. ‘Het begint met twee strengen die je vanaf de slapen heel strak invlecht en naarmate je lager gaat, komen er meer strengen bij en wordt het uiteindelijk een dikke vlecht. (…) En als je de vlecht losmaakt, zitten er golfjes in het haar (…). Zo zitten families ook in elkaar. Je denkt dat je er van verlost bent, maar je kunt je nooit helemaal losmaken; de golfjes zitten er voor altijd in gefixeerd.’ Familie krijg je er nooit meer uit.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

  • Het bestaan een flatbread

    Het bestaan een flatbread

    Er stond dit weekend een interview met schrijver en journalist Geae Schoeters in de Volkskrant over de literaire canon. Ze zei veel dingen die ik onderstreepte, omcirkelde. Dit bijvoorbeeld, ‘de mechanismen die achter de voorkeur voor mannelijke auteurs schuilgaan.’ En dat vrouwen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, de grootste groep lezers zijn. ‘Als je de wereld nooit door de ogen van vrouwen ziet, ontbreekt een belangrijk perspectief.’ Dat het niet een kwestie van kwaliteit is dat enkel mannelijke auteurs gekozen worden als er lijstjes moeten worden opgesteld, maar dat dat het gevolg is van een mechanisme. En wist u dat werkbeurzen voor mannen hoger zijn dan voor vrouwen? Dat er in deze eeuw (2007) nog werd gezegd dat vrouwelijke auteurs het ‘alleen over onbetekenende wissewasjes en relatieproblemen hebben’. Het is duidelijk dat er iets moet gebeuren om vrouwelijke auteurs op gelijkwaardige voet mee te laten klinken in de canon van de literatuur. Hier aangekomen, keek ik op. Hoeveel vrouwelijke schrijvers staan er eigenlijk in mijn boekenkast?

    In den beginne was er het lezen. Of het door een man of vrouw was geschreven maakte niet uit, toch? Of regeert daar het mechanisme. Ik las alles van Brouwers, Philip Roth, Van der Heijden, omdat ik ze goed vond, hun wereld wilde doorgronden. Of was het omdat ze prominent aanwezig waren in de literaire katernen van opiniebladen en kranten? Ik las ook alles van Natalia Ginzburg, Connie Palmen, Colette, Josepha Mendels, Frida Vogels, later Marja Pruis, Miek Zwamborn, omdat ik ze goed vind, een klankbord zijn. Dat de dingen van twee kanten bekeken pas tot leven komen. Zoals Gummbah gisteren een lesbisch stel op leeftijd futloos afbeeldde met de tekst: ‘Zonder een man in hun leven om alles uit te leggen, bleef het bestaan voor de lesbische Fleur en Anita één groot raadsel.’ Kunnen we twee dikbuikige intellectuele mannen (niet per se homo) neerzetten met de tekst, ‘Zonder boeken van vrouwen deed het bestaan voor Anton en Henk zich voor als een flatbread.’

    Ik nam een A-viertje en noteerde: Pearl Abraham, Karin Amatmoekrim, Christine Angot, Margaret Atwood, Arita Baaijens, Leonieke Baerwaldt, Maria Barnas, De Beauvoir, Hanna Bervoets, Julia Blackburn, Gerda Blees, Amy Bloom, Bianca Boer, Beitske Bouman, Madeleine Bourdouxhe, Désanne van Brederode, Maeve Brennan, Christine Bringreve, Edna O’Brien, Emily Bronte, Carry van Brugge, Andreas Burnier (luister naar de Fixdit podcast), A.S. Byatt, Dulce Maria Cardoso, Emma Cline, Justine le Clercq, Maryse Condé … Het houdt niet op.
    … Colette (zicht op de wereld door een venster), Costello, De Coster, Cusk, Daanje, Davis, Didion, Dillard, Ditlevsen, Van Doornik (kijk uit naar haar tweede boek), Douwesz (snak naar een nieuw boek van haar), Van Dullemen, Duras (de onschuld), Buchi Emecheta, Anna Enquist, Anne Enright, Yolanda Entius (haar eerste boeken vond ik geweldig), Annie Ernaux, Janet Frame, Jenny Erpenbeck, Maggie O’Farrel, Deborah Feldman, Mira Feticu (de vertwijfeling in haar boeken), Max Februari (toen hij nog ‘Marjolein’ heette).

    Ik nam een nieuw blaadje, en nog een, noteerde tweehonderdachtenvijftig namen van schrijfsters, ik was ronduit verbaasd. Alsof er goud in mijn kast stond en ik wist het niet. Je moet jezelf en anderen erop wijzen om iets zichtbaar te krijgen, altijd, hoe dan ook. Dit omcirkelde ik nog: ‘Lees vrouwen, leg ze op een mooie plek (…). Noem hun namen en blijf ze noemen.’ Dat ga ik de komende weken in deze columns doen, een werk laten klinken van elke vrouw in mijn boekenkast.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Geen bereik

    Geen bereik

    Het is een uitdaging te gaan schrijven zonder wifi te gebruiken. Dat je telkens ergens op klikt alsof je elk moment de jackpot kunt winnen, is nergens goed voor. Of anders de was ophangen, afhalen, opvouwen, er is altijd iets dat niet genegeerd kan worden. Toen bood een vriendin die onbedoeld alleen in een geweldig huis woont, me een schrijfkamer aan. Ik bracht er een pak foliovellen, archief kaartjes, een rol volschreven pakpapier en een stapel belangrijke boeken heen. Nu zit ik in een ruime werkkamer op de eerste verdieping met uitzicht op de kerktoren. Ik kijk om me heen, mijn hoofd een serene ruimte als bij mediteren, maar dan zonder te mediteren. Er is hier geen bereik. Het lijkt opeens noodzakelijk mijn dagen zo door te brengen: vroeg opstaan, klein ontbijten, spullen pakken, schoenen aan (altijd schoenen aan als je gaat schrijven zei iemand), twee kilometer fietsen naar het dorp. De trap naar boven, deur openen, thermoskan thee, pot noten uitpakken, raam openen, stoel pakken, aanschuiven, schrijven.

    Voor het raam hangen lichtblauwe gordijnen van doorzichtig geweven linnen. De zon schijnt van 9.00 tot 13.00 uur naar binnen, mits het niet bewolkt is. Er is een zwart gelakte tafel, een stoel, een bank van witte kussens en dikke bamboestokken. Op die bank lees ik fragmenten uit boeken die me in beweging brengen. In het land van moeders van Rachel Cusk lees ik over haar worsteling met het moederschap. Haar eerstgeborene die constant huilt, pas stopt als zij het de borst geeft. Ze wordt er gek van. Ik weet het nog, wanhopige eenzaamheid hoorde bij moederschap. Om haar te verlossen gaat haar man het kind de fles geven. ‘Stiekem ga ik naar een winkel en koop flesjes, sterilisatietabletten en blikken melkpoeder. Thuis stal ik ze uit als iemand die een bom in elkaar gaat zetten.’ Als haar man de speen voor het mondje van de baby houdt, sabbelt de baby eraan. Tot ze door heeft dat er iets veranderd is, kijkt plots haar moeder aan.

    ‘Haar blik is vragend en gekwetst. Ze ziet dat ik aan het hoofd van deze misdaad sta. Ze begint te huilen. Ik wil het onmiddellijk herroepen, verzoenen; mijn hand gaat automatisch naar de knoopjes van mijn blouse. Ik krijg de opdracht naar boven te gaan en ik ga. In tranen ga ik op het bed zitten, met pijn in mijn maag. Een paar minuten later sluip ik weer naar beneden en gluur om de hoek. Ze zitten in een plas lamplicht. De kamer is warm en stil.  De baby zuigt aan de fles. Ik ren weer naar boven alsof ik getuige ben geweest van ontrouw.’ Elke verandering is een daad van ontrouw.

    In deze kamer ontstaan veel gedachten. Ik denk ‘appels’ die niemand eet, aan bomen blijven hangen. Annie Ernaux schrijft in De jaren dat taal in haar milieu (wie gebruikt dat woord nu nog) lijfelijk was, ‘verbonden met oorvijgen, met de appels die de hele winter door werden gekookt, met het klateren van pis in de emmer en met het snurken van de ouders’. Het klateren in een emmer, appels die de hele winter door gekookt werden, ik kan het niet wegklikken. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Feelgood

    Feelgood

    Ik ging voor een weekend naar Den Haag. Het was een uitdaging. Uitvallende intercity’s, gemiste aansluitingen, volle treinen. Meerdere keren klonk er, ‘personeels tekort’. Gevolgd door ‘raadpleeg de app’, ofwel, zoek het maar uit. Treinreizen van A naar B is de weg van de meeste weerstand geworden. Maar ik kon ertegen, had een goed boek bij me.  Zo’n nietkunnenstoppenmetlezen boek. Ik moest zelfs uitkijken de treinen die wel reden niet te missen, zo’n boek dus. Ik las het op perrons, treinen en in de wachtkamer van het Westeinde ziekenhuis. Door een ongelukkig manoeuvre van voeten, verkeerd ingeschatte afstanden en hoogte van een zitzak die voor de bank bij mijn dochter thuis lag, viel ik voorover en ving mijzelf op met mijn linkerpink. Op zich een niet geringe prestatie. Zo zit ik nu met een gespalkte pink te typen.

    Het woord ‘ontmanteling’ speelt door mijn hoofd. Dat denk ik vaker, dat alles uit elkaar valt. Dat de ontmanteling die leidt tot het einde van de wereld al gaande is. Op die bank bij mijn dochter keken wij met zijn allen Independent Day, met een beamer op de muur geprojecteerd. Het was me wat, het verschroeien van de aarde begon met het vernietigen van de grote steden.
    Waarom verhuizen we van de stad naar buiten? Waarom worden schrijvers als Thoreau, Raynor Winn of Annie Dillon zo graag gelezen?  Waarom, vraagt Rivka in het boek zich af, moet ‘iedereen tegenwoordig zo nodig de Mount Everest op’, om eenmaal op die top, ‘met z’n honderden naar eenzaamheid te snakken in peperdure donsjassen.’ Op de radio zegt iemand: ‘We verliezen het contact met de natuur.’   

    De trek van de grote stad naar de provincie is gaande. In Buitenleven verhuizen Esse en Rivka na een relatie van meer dan vier jaar, vanuit het westen naar een ‘karakteristiek’ woonhuis bij een fictief dorp in noord-Groningen. Esse heeft een baan gevonden als trainer basketbal van een meisjesteam, Rivka maakt van het schuurtje haar schrijfhuis. Rivka, die opgroeide in een grote stad, zal over haar leven in afzondering schrijven. Een krant en een literair tijdschrift beloofde ze alvast een artikel. En er moet een derde boek komen. Maar het schrijven lukt niet. Het schrijfhuis is te stil, of nee, er lopen luid pratende wandelaars voorbij. Wat moeten die hier? Zoals Lousje Voskuil, wandelend langs een druk bezochte route, eens wanhopig geroepen schijnt te hebben of al die anderen niet gewoon thuis konden blijven. Natuur is geen groepsvermaak.

    Als Rivka in haar schrijfhuis zit, kijkt ze op en ziet een man in een oranje windjack. ‘Hij droeg een rood petje, had een stoppelbaard en hij keek recht haar schuur in.’ Het Pieterpad bleek vlak langs hun tuin te lopen. ‘Het was overdreven, dat wist ze zelf ook wel, maar Rivka kookte. Ze graaide haar laptop en aantekeningen bij elkaar. Binnen vanuit de keuken, gluurde ze de tuin in om nog meer felgekleurd tuig te betrappen, maar het bleef groen.’
    Terwijl ik las, dacht ik, als de treinen niet meer rijden, als de wereld vergaat heb ik een goed boek nodig, dan overleef ik het wel. Wat natuurlijk onzin is, maar zo verborgen voelde ik me in de tijdelijke samenleving waar Rivka en Esse een jaar deel van uitmaakten. Dankzij het drama dat zich er afspeelt, (wie houdt niet van drama) is dit een springlevende roman.

     

     

    Buitenleven / Nina Polak / 237 blz. / uitgeverij Prometheus


     

    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Verborgen talenten

    Verborgen talenten

    Ik heb wat met gootstenen. Zoals de een met een handgebaar de kruimels van een tafelblad veegt, boen ik een gootsteen. Specifieker. Als ik bij een van de kinderen op bezoek ben, poets ik de gootsteen in hun keuken, ook als deze bij een gedeelde keuken hoorde zoals in studentenhuizen het geval is. Liefst ongezien, want hoe neem je een compliment over een glimmende gootsteen in ontvangst. Soms tijdens een goed gesprek in de keuken. ‘Zal ik even de gootsteen doen?’ Het boenen van de gootsteen is als het begin van je eigen nieuwe dag creëren. En ondertussen, met elke gootsteen, grote porseleinen dubbelbaks, ronde roestvrijstalen die ik poets, weet ik dat ik er goed in ben. 

    In de rubriek 21 vragen aan… in De Groene van deze week, over haar debuutroman Weerlicht, antwoordt Jante Wortel op de vraag of ze nog verborgen talenten heeft, dat ze heel goed is in spulletjes recht leggen en ordenen. ‘Schoonmaken eigenlijk, maar is dat een talent?’ 

    In Mijn broer van Karin Smirnoff is de protagonist Jana ook een talentvol poetser. ‘Er wordt gezegd dat iedereen ergens goed in is. Ik genoot ervan om de geaderde zeepvloer tevoorschijn te zien komen en de lijmverf van de lambrisering weer te zien glanzen.’ Daarmee zou ze de angst van haar tweelingbroer evenals die van haarzelf wegpoetsen. ‘Het was als tetris spelen. De stukjes vielen op hun plek en hielden pogingen om aan iets anders te denken op afstand.’ Het op afstand houden van dingen is soms nodig om vooruit te kunnen. Jana is een zintuiglijk verteller. ‘Hij stonk naar verdriet en zweet.’

    Als Jana en haar broer veertien zijn, komt de vader, die hen jarenlang wekelijks mishandelde en haar misbruikte, aan zijn einde. Ik wilde erachter schrijven, ‘door hun toedoen’, maar het is zijn eigen schuld dat hij eindigt zoals hij eindigt. Op een ochtend gooit de vader na een gevecht met zijn zoon deze uit pure kwaaiigheid in een mestkuil en vergrijpt zich daarna aan zijn dochter. Dan staat plotseling de zoon met een opgeheven schep achter hen, hij doorklieft het vaderhoofd. Jana’s reactie, ‘Het was alsof we in oorlog waren geweest en plotseling beseften dat we  het hadden overleefd. (…) Ik trok de melkjas om me heen en leunde naar broer toe hij legde een arm om mijn schouders en rook naar stront. Dat was voor heel lange tijd de laatste dag dat we elkaar zagen.’  

    Twintig jaar later bezoekt Jana haar geboortedorp Smalånger waar haar broer op de familieboerderij woont. ‘Ik ging naar mijn broer.’, begint het boek. Dat de vader dood is en de moeder in een verzorgingshuis zit, weten we dan nog niet. Ook dat de moeder, toen al dat erge haar kinderen overkwam, tegen hen zei dat ze moesten zwijgen, weten we niet.  ‘Ik wilde niet zwijgen. ‘Ik wilde dat iedereen het zou weten.’ Smirnoff gebruikt geen interpuncties of hoofdletters dan enkel om een zin te beginnen en een punt om die te eindigen. Het is een wonderlijk boek, treurig en tegelijk zo mooi. Het is zo’n boek waarbij je denkt aan de vertaler. Ik weet niets van vertalen, maar het moet een flink werk zijn geweest om deze roman te vertalen, het leest als een kunstwerk.

    Mijn broer is een boek over verminkte levens, over drankzucht en de zintuiglijke liefde tussen Jana en een man die ze als een primaat omschrijft. Een Neanderthaler die ‘mij met zijn eigenaardige kafkaogen aankijkt’. Ik zocht naar een beeltenis van Kafka om een idee te krijgen. Mijn broer is het eerste deel van een trilogie, met een omslagbeeld van August Strindberg, die ‘De zoon van een dienstbode’ was. Smirnoff wordt in Scandinavië geroemd als ‘grootste literair sensatie sinds Karl Ove Knausgård’. Er wordt met smart naar het tweede deel uitgezien.

     

    Mijn broer / Karin Smirnoff / vertaling Bart Kraamer / uitgeverij Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Waar woorden blijven

    Waar woorden blijven

    Zolang ik op slippers blijf lopen en mijn door de zomer gebruinde voeten kan zien, is de zomer nog niet voorbij. Oh ja, en als ik in de vroege ochtend de buurvrouw vanuit haar achtertuin hoor telefoneren, in het Pools. Waarbij ik me verbeeld dat het Portugees is. Dat ik weer in Portugal ben waar de Oekraïense kokkin, (Marina, tenger als een ballerina, wat ze ook was, in Portugal werd ze pas kokkin) in de keuken pasteitjes bakt. Marina (ik haal haar uit de omhaakte vorm naar open zinnen), sprak Portugees in verbaasd klinkende en korte zinnen. Ik leerde van haar wat Oekraïense gerechten te maken. Deruni (aardappelpannenkoekjes) en borsjtsj, in ruil gaf ik haar de Portugese woorden die ik kende: ‘manteiga’ voor boter, ‘azeite’ voor olijfolie, ‘cebolas’ voor uien, ‘sopa de couve’ voor koolsoep, ‘panelas’ voor pannen, ‘forno’ voor gasfornuis, ‘cheira bem’ voor wat ruikt het lekker. 

    Portugese woorden leerde ik uit de vertaalde boeken die wekelijks bij de zaterdageditie van de krant Publico te verkrijgen waren. Bloed van anderen van Simone de Beauvoir werd O sangue dos outros. Ik las ze naast elkaar:
    ‘Hij opende de deur en alle ogen werden op hem gericht:
    ‘Quando abriu a porta, todos os olhos se voltaram para ele:
    “Wat willen jullie van me?” vroeg hij.
    “Que me querem?” perguntou.
    Laurent zat schrijlings op een stoel voor de haard.
    Laurent estava escarranchado numa cadeira diante do fogo.
    “Ik moet weten of de beslissing vóór morgenochtend genomen wordt of niet,” zei Laurent.
    “Preciso de saber se está ou não decidido para amanhã de manhã”, disse Laurent.’

    ‘Amanhã de manhã’ zei ik in situaties waar ik niet goed uit kwam. Het kwam eruit als een belofte, als iets dat nog niet helemaal zichtbaar was maar dat wel zou worden. Inmiddels heb ik koude voeten, sokken mag ik pas aan als dit stukje klaar is. Naast me ligt de nieuwe Terras, met Portugeestalig proza en poëzie van dertig schrijvers, uitgezocht en vertaald door elf vertalers. Hoe gebruiken we woorden, waar blijven ze als we ze niet meer uitspreken, ‘wat worden we als we alleen  nog kunnen zeggen wat we ons kunnen veroorloven?’ De kernvraag in de dystopische roman Echologie (2018) van de Portugese schrijfster Joana Bértholo. Anne Lopes Michielsen vertaalde er enkele fragmenten uit. Zoals deze, in ‘de mond als portaal’ vraagt een kind aan haar moeder:
    ‘Mamaaaaa?’ (denk aan het langgerekte ‘Mae’ van Portugese kinderen)
    ‘Ben je al wakker?’
    ‘Denk je dat we dichter bij elkaar zouden zijn als er geen “ik” en “jij” zouden zijn?’
    Of:
    ‘Mamaaaaa?’
    ‘Ja, Candela.’
    ‘Waarom is het verleden onvoltooid?’

    Met deze editie van Terras had ik in Portugal willen zitten, waar woorden nieuwe betekenissen kregen. En nee, het verleden is nooit voltooid. Nu eerst sokken aan, en hopen dat dit boek van Joana Bértholo inmiddels vertaald bij de boekhandel ligt. Haar aansprekende taal moet ik lezen. Lees overigens eerst deze Terras, getiteld ‘Lusofonie’, klinkt als een muziekstuk, een compositie van prachtige verhalen in fijnzinnige vertalingen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Zinnen die passen

    Zinnen die passen

    Deze zomer was ik omringd door boeken van vrouwen. Hoe prettig is het om zinnen te lezen die zo vertrouwd overkomen dat je ermee wegloopt. Zoals Annie Dillard in haar essay, ‘Totale zonsverduistering’ na een verpletterende zonsverduistering (1979) in hartje Washington, tussen opmerkingen van toeschouwers door, ‘Zag je hoe…? Zag je dat…?’ een jonge student hoort zeggen, ‘Zagen jullie ook de witte ring? het was net een Life Saver, zo’n pepermuntje in de vorm van een reddingsboei.’ ‘Verdomd’, denkt Dillard, ‘Die jongen sloeg de spijker op zijn kop. Zelf had ik zo’n woord op dat moment niet paraat.’
    De paraatheid van woorden op het juiste moment is zo’n ding waar het bij mij aan schort, daarom lees ik, geloof ik.

    Vivian Gornick schrijft in Verstrengeld, het boek over haar wandelingen door New York met haar moeder, over haar pogingen tot iets te komen. ‘Ik ging aan mijn bureau zitten en deed mijn best om na te denken.’ Het leek of ze dit voor mij had opgeschreven. Jarenlang deed Gornick haar best om na te denken. ‘Net zoals mijn moeder zei dat ze haar best deed om te leven. Zij vond dat ze een medaille verdiende omdat ze ‘s morgens haar benen over de bedrand zwiepte en ik vond dat ik er een verdiende door alleen al aan mijn bureau te zitten, geloof ik.’ Dat het afwassen, uit het raam kijken, het nog eens koffie zetten terwijl je schrijft, zin heeft, in feite een medaille verdient, dat past me wel.
    Ik hou van Gornick en haar moeizame relatie met haar moeder. Ze zien elkaar het liefst lopend. ‘Ik ben nu vijfenveertig en mijn moeder is zevenenzeventig. (…) Zonder moeite doorkruist ze met mij het eiland Manhattan. De liefde voor elkaar spat er niet vanaf op onze wandelingen, we gaan vaak tegen elkaar tekeer, maar wandelen zullen we.’  

    In Onroerend goed schrijft Deborah Levy over een dossier waarin ze de dingen die bij haar lijken te horen, (of waar zij bij wil horen), dingen die je ‘moet hebben’ opslaat. Zo creëert ze haar toekomstige leven, het is een dromendossier. In het dossier zit een huis in Griekenland met een granaatappelboom in de tuin. Later voegt ze daar een herenhuis in Parijs aantoe. Daarin wil ze een ingebouwde haard in de vorm van struisvogelei die ze in Santa Fé Nieuw-Mexico in een hotel had gezien. Gemaakt van adobe (hier raadpleegde ik internet om te weten dat adobe niet alleen een hulpprogramma voor mijn computer is, maar in zijn oudste betekenis leemsteen is). Levy raakte verknocht aan ‘dit brandende ei’, ze moest het hebben, daar is zo’n dossier dan handig voor.

    De dingen vormgeven met wat je ziet en hoort. De deze week overleden Jean-Luc Godard had een voorliefde voor raadselachtige, abstracte zinnen. Wat ik niet wist is dat hij die zinnen ‘plukte uit films, proza, poëzie en filosofische verhandelingen’. Soms citeerde hij zonder het te beseffen, zo eigen werden die zinnen hem. In een interview zei Godard eens, ‘Zo’n zin moet iets met mij te maken hebben, maar ik weet niet precies wát. Het is als een kleur maar dan met woorden.’ Ja, daar herken ik mij in, gekleurde woorden, woorden die passen als een jurk van goede snit. 

     

    Bron: Volkskrant, Postuum Jean-Luc Godard (1930-2022) door Kevin Toma.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Vlaamse boekenkast

    Vlaamse boekenkast

    De tomatenplanten voor het raam aan de tuinkant worden ondersteund door een stok en rechtgetrokken door een touw, bovenaan een lat omhoogehouden. Zo blijven ze fier rechtop. Ik wil ook een stok om rechtop te kunnen blijven. Na een weekend Antwerpen, het reizen in overvolle treinen, trilt het hart, spreek ik met raspende stem. Daartegenover klinkt het zachte Vlaams nog in me door, de ongewone zinsopbouw, gebruik van werkwoordsvormen. Terwijl ik bedachtzaam de trap opga, (onregelmatig bonkt het hart), denk ik, ‘niet panikeren!, niet panikeren!’ Een gevleugelde uitspraak van een van onze lieve vriendinnen waar we dit weekend logeerden, is ‘Nu. nie. panikeren hé!!!’ Uitgesproken op bezwerende toon tegen haar vrouw, of haar kinderen. Waarbij ze beide handen tot schouderhoogte opgetrokken, bezwerend naar beneden brengt. Meestal wordt er dan eerst nog wat gepanikeerd, waarna alles rustig wordt. Wij genieten daarvan, de passie die daarin zit. Maar vooruit, eerst ga ik de werkkamer dweilen. Er komt een nieuwe tafel, een statafel, door Mijn lief gezaagd en getimmerd, om het verderfelijke zitten, (het nieuwe roken, is het niet?) te vermijden. 

    Het was nieuws deze week, dat omwonenden die blootgesteld zijn aan het ultrafijnstof veroorzaakt door de bedrijvigheid op Schiphol, een vergrote kans op hart- en vaatziekten hebben, dood door hartfibrilleren werd met name genoemd. Ik dacht, ultrafijnstof is in alle steden, we hebben ermee te doen. Laat me denken aan toen ik door Antwerpen fietste, ik me opeens afvroeg of de inhoud van een Belgische boekenkast veel verschilt van een Nederlandse. En ja, natuurlijk doet ie dat, in het huis van onze vriendinnen stonden hoofdzakelijk Vlaamse auteurs: Dimitri Verhulst, Annelies Verbeke, Saskia De Coster, Hugo Claus, Peter Verhelst, Lieve Joris, Lize Spit (zonder een spoor van Van Essen), Louis Paul Boon. Voor het slapen nam ik Voor het vergeten van Verhelst uit de kast, over het sterven van zijn moeder aan een hartaneurysma. Wat een teder boek, een moeder te willen behouden door over haar te schrijven.

    Fragmenten die tot de verbeelding spreken. Verhelst beschrijft hoe de vader thee zet in de keuken, een broodje erbij, dit mee naar boven neemt. Onderwijl loopt zijn vrouw, de moeder van Verhelst, van de badkamer naar de slaapkamer. Traag is haar gang, ze beroert met haar hand de witte blouse die over de balustrade gedrapeerd ligt. Of, zo wil de schrijver het, dat zij haar witte blouse, waarin ze de avond tevoren gekleed ging voor een feestje, licht beroert, een zwevend afscheid. Ze zegt dat ze nog ‘even’ gaat liggen (dat ‘even’ is funest). Op dat punt, (wetende dat zij sterven zal aan een bloedend hart) wil ik roepen, ‘ga niet liggen, blijf wakker, maak de symptomen zichtbaar’. Maar ach, wat weet ik ervan, enkel dat ik niet ga liggen als mijn hart tekeer gaat. Vermoedend dat de dingen die de dood tot gevolg hebben dan zijn beloop zullen krijgen. De vader belt hem op, ‘Ik denk dat ma aan het doodgaan is’. Mijn hart klopt, niet panikeren, wring de dweil uit, schuif de hoge tafel naar binnen. Schrijf op een archiefkaartje, vergeet Verhelst niet, schaf dat boek aan. Denk aan scheurende aderen, dat dat zomaar kan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ziet graag andermans boekenkast.

  • Gelukkigheid

    Gelukkigheid

    Opeens valt het op (voor wie omhoog durft te kijken) dat de vliegtuigstrepen tegen het azuurblauw toenemen. Er blijkt geen andere remedie tegen te bestaan dan een lockdown. Maar goed, als het geluk per easy jetplane te bereiken is, ja, wie wil dat niet. Te gaan waar een ieder gaat, bereikbaar voor ieders budget. In onze uniciteit willen we allen dezelfde doelen bereiken, toch? Vliegen naar een land waar altijd de zon schijnt, waar we nooit geweest zijn, of al zo vaak, of omdat het nu eenmaal kan. Gedreven door een soort in het vooruitzicht gesteld geluk, ergens, ver weg. De biografie Hemelse mevrouw Frederike (prachtige titel), van Maaike Meijer, over kunstenaar en dichter F. Harmsen van Beek (1927-2009), lees ik met groot genoegen. Harmsen van Beek liet zich niet lauweren, schreef brieven in de vorm van een vlinder, gepriegel in leesbaar handschrift. Creëerde taferelen in een halve notendop, maakte van heel haar huis een kunstwerk. Geluk, daar deed ze niet aan. Ze had vele liefhebbers, geliefden, vrienden, maar geluk? Nee, dat zocht zij niet, en zo ze het vond, stootte ze het van zich af. Toen ze in mei 1994 was uitgenodigd voor ‘picknicken op de dijk’ met vrienden, schreef ze:

     ‘Waarom ik niet etc.’

    Goedzo: niet mee picknicken maar de hond
    wel, ja, gelukzalig de hond. ‘en wat
    doe jij dan, tijdens het niet picknicken’
    ‘Nou, een hoop in te halen enzo en vooral
    niet picknicken-‘
    ‘Waarom eigenlijk niet?’

    Ik kan niet meer tegen gelukkigheid en
    nog minder tegen het op je netvlies (die
    zon) ingebrande tableau van hoe het
    eigenlijk, van huis uit zelfs, hoorde:
    gewoon met hond en al gelukkig
    op weilanden. Zijn.

    En terwijl jullie Bo en Lifa in het gras
    zitten, ben ik bezig, in beeldschoonloze
    duisternis en stof een vlinder te ver
    worden. en later, als ik
    mijn vleugels heb opgeblazen,
    vlieg ik weg over alle weilanden
    waar lievelingen en hun
    honden picknicken.

    Denk dan: zie je nou wel!

    Dit gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in deze biografie. Harmsen van Beek is een tot de verbeelding sprekende persoonlijkheid, mijn verbeelding zeker. Haar gedichten maakten toendertijd grote indruk, maar zij wilde haar gedichten niet geïnterpreteerd krijgen. Ze heeft het opgeschreven zoals het gebeurde, niets verzonnen of verwrongen.  Kees Fens, die haar eerst niet zo kon plaatsen, is helemaal om na een tv uitzending van Hans Gomperts in gesprek met haar in 1981. Daarin heeft ze het over haar inzet voor het vergankelijke: ‘Scheppen is zinvoller dan het geschapene. In een bevroren ruit met eindeloos geduld en heel veel inspanning een heel fijne tekening maken […] je uiterste best doen en toch weten: als direct de zon  komt, is bijna meteen alles weer weg.’ Het is van een verterende simpelheid der dingen, zonder winstbejag of doel, altijd gaande blijven. Geluk veroorzaakt een genadeloze passiviteit, maakt handen tot nutteloze wapperaars. 

    Haar eerste liefde, Jan Hooglandt, schreef achter op een foto van haar, ‘she was too young to throw herself under the wheels of happiness’. Wat van een geweldig inzicht getuigt. Mooi is dat je er ook te oud voor kunt zijn om je onder de wielen van het geluk te gooien. Kijk naar geluk als naar een vlieger tegen het azuurblauw, blijf op de grond.

     

     

    Hemelse mevrouw Frederike / Biografie van F. Harmsen van Beek (1927-2009) / Maaike Meijer / De Bezige Bij


    Inge Meijer is een pseudoniem met een boekenkast.

  • Dat meemaken

    Dat meemaken

    We waren jarig geweest, kregen van vrienden een kookboek, het Bouwkunde kookboek. Die avond verdween ik in het boek dat veel meer dan een kookboek, een herinneringsboek van veertig jaar Theater Bouwkunde was, een deel van mijn eigen herinneringen lagen er in besloten. In de jaren tachtig woonden we in de Deventer binnenstad, gewoon om de hoek van de Bouwkunde. ’s Avonds, als de kinderen in bed lagen, kon je er zo naar toe. Wat ga jij vanavond doen? Ik denk even naar de Bouwkunde. Daar was altijd wel iemand om plannen mee te maken, een groepje te vormen, bij uit te hangen. Maandelijks een literair café, waar Tessa de Loo over haar debuut Meisjes van de suikerwerkfabriek kwam praten. Willem Brakman, vertelde over zijn wandelingen, (daar denk ik nog wel eens aan), Hans Warren kwam er nadat zijn eerste dagboeken verschenen waren. Josepha Mendels was er in het jaar dat ze de Anna Bijns Prijs kreeg (ook daar denk ik nog wel een aan). A.F.Th. van der Heijden werd er geïnterviewd over de Tandeloze tijd. Ondertussen draaiden de katten om me heen, klagelijk mauwend, wacht even, zei ik.

    Toen we verhuisden kwamen we nog wel eens terug voor het Tuinfeest. In elke stadstuin rondom Bouwkunde een dichterspodium, muziek, driegangen maaltijd. Ik lees hoe het Tuinfeest ontstond, (durf en enthousiasme), over de dichters die er kwamen, sommigen jaarlijks terugkeerden. Hoe ontstellend veel dichters die tussen 1999 en 2019 optraden en er nu niet meer zijn. Waarmee dit gelijk een herdenkingsboek is. Lees de namen, Jean-Paul Franssen, Rogi Wieg, Erik Menkveld,  Menno Wigman, Gerrit Komrij, F. Starik, Ilse Starkenburg, Joost Zwagerman, Driek van Wissen, H.H. Ter Balkt, Jules Deelder, Wim Brands Tjebbe Hettinga, Simon Vinkenoog, Hans Verhagen. Bekijk de foto’s, zoek naar bekende gezichten, zie een geweldige culturele ontwikkeling. Dit boek markeert een afscheid, sinds 2020 is theater Bouwkunde opgegaan in theater Mimik aan de IJssel. ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.’

    Verschillende schrijvers en theatermensen die in Bouwkunde hebben opgetreden, schreven een herinnering voor dit boek. Huub van der Lubbe die in 2004 zijn debuut maakte op het Tuinfeest, zoekt naar het mooiste dat hem daar is overkomen. Was dat het moment toen hij het podium betrad, Jan Wolkers hem toeriep: ‘Zorg dat je profiel scherp afsteekt tegen het avondlicht’? Of het borrelen na afloop in de Bouwkunde,‘wat zich toen allemaal afspeelde, dat meemaken’. Daar schreef hij een gedicht over, stuurde het naar Heleen Boom en Pieter van de Pavoordt, geestelijk vader en moeder van de Bouwkunde. Het gedicht werd ingelijst. Hoe mooi was dat? Later wordt het gedicht uit de lijst ontvreemd. ‘Geweldig’, denkt hij, zegt: ‘Wie doet zoiets nou?’ ‘Nou’, zegt Heleen, ‘Gerrit en Charles waren hier gisteravond eten.’ Dat, schrijft Van der Lubbe, dat ‘was het allermooiste.’

    Het gedicht ‘De komeet die Komrij heet’, vertelt hoe Komrij, als iedereen al met wijn aan tafel zit, bij binnenkomt over de drempel struikelt. (…) ‘Toen plotsklaps iets de deur kwam door gestoven / Te snel om te bevatten wat het was // Een dolle stier? Misschien een bliksemschicht / Of een locomotief? Een triatleet? / Een kruisraket? Ach nee, het was een dichter / Twas een komeet die doorgaans Komrij heet’.

    Komrij struikelde voorover, ‘katapulteerde’ zichzelf, (…) ‘Ai, ongelukkige!’ slaakten er stemmen / Ik greep nog naar de pandjes van zijn jas / Maar onze dichter viel niet af te remmen (…) / Het waren zonnebloemen in een emmer / Op een manshoge sokkel neergezet / Die Gerrits noodgang goddank konden stremmen / En Neerlands poëzie hebben gered (…).’ Later, ‘Wat pips aan tafel, heel de zaak kletsnat’, zei Komrij ‘Zag je dat? Het is een kwestie van jezelf lanceren!’  Dit boek is een geweldige lofzang op cultuur, een schat aan herinneringen, verhalen, een kleine culturele geschiedenis.

    Nu eerst de katten eten geven, dan stort ik me op het bereiden van ‘Witte asperges met salade van oesterzwam, radijs en lamsoren, schubben van meiknol en een gepocheerd hoeve-eitje’. Al weet ik niet of ik dat hoeve-eitje in huis heb.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest tot het gaatje.