• Verslavend

    Verslavend

    In de nacht klonk door het open raam de roep van een uil, twee uilen. Of was er een mens in nood? Je dacht aan de buurvrouw twee huizen verderop. Aan hoe je haar moest redden, of je degene die naast je sliep daarbij moest betrekken. Toen verdween het menselijke uit het roepen in de nacht, was er de zekerheid van een uil. Het was prachtig, je ging er eens goed voor liggen, zei, ‘Hoorde je dat?’, maar degene naast je hoorde niets. Later zocht je het op, uilen gaan in december al een nestgebied uitzoeken. Het mannetje begint luid te roepen als hij een plek vindt waar muizen zijn. Achter in de tuin bij de composthoop leven genoeg muizen om een uilenfamilie te onderhouden. Een uil is net zo slim als een boer die op het land dat hem moet voeden gaat wonen. Het tot zijn territorium maakt met hekken en tractor geraas, zo roept de uil luid zijn onzichtbare omheining in het rond.

    ‘Het gezang buiten wordt luider en lijkt nu als een lasso om ons heen te slaan. Ik kan het niet laten de tent een stukje open te ritsen. De stem blijft zingen en sterft dan weg. Even later zwelt het lied weer aan, op een andere plek, meer vanuit de kant waar de aalscholvers nestelen.’ Dit schrijft Miek Zwamborn in Onderling, Langs de kustlijn van Mull. Ze viert Kerst met haar vriend R. op een afgelegen strand. Vanuit Knockvologan, waar ze sinds 2016 woont, zijn ze in twee uur naar het strand gelopen. Ze bouwden een tent, maken vuur om hun ‘driegangenmenu’ op te warmen. Tegen de ochtend worden ze wakker van gezang, denken aan ‘fairies’, aan bos-, moeras- of zeegeesten. Ze ritsen voorzichtig de tent open, het gezang verplaatst zich. Er is het schijnsel van een lamp, dan een visser die zijn fuiken binnenhaalt, en de stem van een radiopresentator die iedereen een zalig kerstfeest wenst. ‘R. en ik laten ons schaterlachend terug op de mat vallen.’

    Hier is het bijna Kerstmis. Er moet van alles gedaan. Je maakt lijstjes, schuift met de tijd, kijkt naar de stapel boeken op de grond. Voor elk gelezen boek, kocht je drie nieuwe. Je reisde in een week twee keer naar Amsterdam, bezocht de boekhandel op het Spui, kocht daar Onderling van Miek Zwamborn. Nu ben je steeds op weg naar de bank, om dat ene boek te pakken. Een neerslag van hoe Zwamborn zich tot het eilandleven verhoudt, het eiland tot haar. ‘Het veen eigende zich een onderbeen toe (stelde zich tevreden met een kaplaars), een rotsspleet deed me bijna voorgoed verdwijnen en in een van de beken loste ik nagenoeg op.’

    Dit boek is reden genoeg om uit de dag te stappen. Je bekijkt foto’s, tekeningen, leest een gedicht, de brieven die Zwamborn schreef aan kunstenaars en dichters die zij bewondert. Ze schreef aan Rosa Luxemburg, geïnspireerd door een brief in het brievenboek van Luxemburg, geschreven in 1917 vanuit de gevangenis waar ze toen verbleef. Zwamborn schrijft:
    ‘Lieve Rosa, / Wat klink je uitgelaten. Zijn er veel dagen als die je beschreef? Na het lezen van je brief heb ik Wagners Die Meistersinger von Nünberg afgespeeld en ik begrijp nu hoe het lied je naar de zomer voerde.’ Om Rosa dan te vertellen over de stand van zaken op het eiland, de windhozen, boompjes die geplant zijn. Hoe schrijvers over eeuwen heen een inspiratiebron zijn, zo inspireert dit boek uit te kijken naar een eiland.

    Je kijkt naar de afbeelding van een ‘urinewiel’. ‘Ooit getekend door een dynastie van artsen op het eiland die hun eigen onderzoek vastlegden. ‘Aan de hand van kleur, geur en smaak van urine dacht men de kwaal van de desbetreffende patiënt te kunnen vaststellen.’  Zwamborn vond het in een vademecum. Ze dacht terug aan het moment dat haar inwijding in de eilandcultuur moet zijn geweest.

     

    Dat was in de eerste maanden van haar verblijf op Mull, ze was uitgenodigd door een van de dichters van The Ross of Mull Poets. De dichter, een man van in de tachtig, liet haar die middag zijn werk zien, ‘(…) in houten panelen gekerfde gezichten en op doeken geborduurde verzen waaromheen hij uit stof geknipte en geschilderde dieren gerangschikt had.’ Bij het afscheid stak de dichter haar een twee liter melkpak gevuld met een gelige vloeistof, of ze die wilde afgeven bij zijn vriendin. ‘Sue (…) nam snel het vocht in ontvangst terwijl ze wel drie keer een excuus mompelde.’ Toen begreep Zwamborn wat de inhoud van het melkpak was: ‘vloeibaar goud waarmee je reusachtige frambozen kunt opkweken en nog veel meer.’

    Tijdens het lezen werd je een gevoel van perfectie, van in het moment zijn, gewaar. Je kijkt de tuin in, denkt, je zou het hier moeten toepassen. De toewijding, de waarnemingen, het lezen van het landschap. Je voelt een mengeling van jaloezie, een soort heimwee naar iets dat je gekend hebt maar vergeten moet zijn. Dit boek is de weerslag van een nimmer aflatend verkennen van een leefomgeving. Het onderzoekende, het creëren, het commitment, het maakt je op een prettige manier sprakeloos. Wat een prachtig, verslavend boek.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Zulke verhalen

    Zulke verhalen

    G.A. van Oorschot vroeg eens aan J.J. Voskuil wat deze vond van zijn verhaal ‘Een tragisch geval’, gepubliceerd in Tirade. Het nieuwe Dagboeken deel van Voskuil opent op ‘vrijdag 1 october,’ 1965 met onder andere een brief aan Van Oorschot waarin hij schrijft het een verhaal van niks te vinden. En: ‘Ik vind dat zulke verhalen niet geschreven zouden moeten worden. (…) Dat stuk over die buren en muziekleraar heeft geen functie. Je zou dat moeten schrappen. Maar dan nog. Ik begrijp niet wat je bezielt als je zo iets opschrijft.’ Hij vindt dat Van Oorschot zijn personages emoties toeschrijft die niet kunnen, omdat ‘jij niet [kunt] weten wat er in die mensen omgaat’. Hij denkt dat Van Oorschot wel de ‘pest in’ zal hebben over zijn kritiek. ‘Je schrijft je vrienden liever dat je enthousiast bent, omdat vrienden nu eenmaal aardige mensen zijn, ook als ze de krankzinnigste dingen in hun hoofd halen.’ Hij besluit met: ‘Houd het daar dan maar op, vriend.’ 

    Er is een verhaal van  Frida Vogels uit 1967 dat onlangs voor het eerst in druk verscheen. Een verhaal dat in de zomer van 1965 zijn oorsprong vond, toen Vogels met haar man in een klein gehucht, Venola, dat op vijfentwintig kilometer van Bologna ligt, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een boerderij waar een paardenstal was omgebouwd tot zitkamer, ‘geriefelijk ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het verhaal van Vincenzo gaat over hun buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘Niet lang voor hij ziek werd en stierf zag ik hem in de schuur naast zijn huis bezig een grote boomstronk doormidden te hakken. Hij sloeg op die stronk met alle kracht die hij bezat, maar slaagde er niet in hem te splijten, en ik schaamde me hem zo bezig te zien en liep weg.’  Dit zou Voskuil ‘mieters’ hebben gevonden. Vogels en Voskuil spraken in termen van ‘mieters’ of ‘schofterig’ met elkaar. 

    De brief aan Van Oorschot zoals hierboven weergegeven, heeft Voskuil niet verstuurd. Het verhaal van Vincenzo werd niet gepubliceerd. Tot deze herfst, toen verscheen het bij Hof van Jan een collectief van margedrukkers. Het boekje telt zeseneenhalve pagina tekst, met de kenmerkende illustraties van Paul van der Steen. Vincenzo was stationschef in Marzabotto en woonde met zijn gezin op de bovenverdieping van het station. Op een dag vond hij een broodmager zwerfhondje. Het was een lief hondje, maar had een vreemde gewoonte: ‘het deed niets liever dan over de treinrails lopen’. Vincenzo kreeg daar de zenuwen van. Hij wilde het de hond in een keer afleren. ‘Hij pakte het hondje beet, bond het op een biels tussen de rails stevig vast en waarschuwde de machinist van de eerstvolgende trein. Bij aankomst in Marzabotto reed die trein over het hondje heen. Toen de trein weer weg was, maakte Vincenzo zijn hondje los. Het rende hevig jankend weg en waagde zich nooit meer in de buurt van de rails.’ Vogels schrijft zonder een oordeel te geven (dat zijn de beste schrijvers). De opbrengst van deze uitgave, 17 euro, komt geheel ten goede –zo belooft het drukkerscollectief – aan de vierennegentigjarige schrijfster. En dat is mooi.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

     

  • Plaatsbepaling van verdriet

    Plaatsbepaling van verdriet

    Sinds de avond van de verkiezingsuitslagen gonst het in mijn hoofd. Hoe het kan dat een man die in de twintig jaar dat hij zijn extreem rechtse politieke ideeën te pas en te onpas uitkraamde, premier van Nederland wordt. De man die er altijd op uit was de poten onder andermans/-vrouws stoel uit te zagen, zou milder zijn geworden. Iedereen lijkt vergeten hoe hij gewoon is de ander te kwetsen. In mijn hoofd klonk het doorlopend: ‘Oh, no, Not me’. Uit The Man who Sold the World van David Bowie, gezongen door Lulu. Dat kwam door de kleine roman Tenminste voor een bepaalde tijd, die ik in de week voorafgaand aan de verkiezingen las. De vertelling bracht iets teweeg in mijn hoofd. Ik dacht aan de jongen die op zaterdag in een boekhandel werkt. Waar hij schrijvers als Knut Hamsun, Christopher Isherwood, Dostojevski ontdekt. De jongen die op latere leeftijd terugkijkt op een periode in zijn leven die hem gevormd heeft, daar een boek over schrijft dat speelt in het jaar 1974, als hij vijftien wordt. 

    In dat jaar vraagt zijn vriend Nico hem mee naar zijn opa en oma in Klarenbeek. Ze lopen er op een zondagmiddag vanuit Zutphen naartoe. Ik denk aan die wandeling van tweeëneenhalf uur. Ze gaan Frida bezoeken, de zeventienjarige zus van Nico, bij haar grootouders ondergebracht omdat ze zwanger is, vader onbekend. De baby zal vernoemd worden naar de zangeres van The man who sold the world, waar Frida een plaat van had. Op zeker moment gaat de jongen de songtekst analyseren, op zoek naar een aanwijzing, naar de vader van het kind.

    Tussen de gebeurtenissen door, het lijden aan een onuitgesproken verdriet, de verstilling in het gezin van de jongen, is er een plek in de stad die ‘de plaatsbepaling van verdriet’ genoemd wordt. Het is de afstand tussen de plaatsen waar hij zich in dat jaar ophield. ‘De afstand tussen de boekhandel (…), waar ik mijn zaterdagen doorbracht, en Hotel Spaan, waar ik mijn zondagen sleet, was nog geen tweehonderd meter. Precies halverwege stond mijn school en was het fatale kruispunt van het ongeluk. Nog steeds, ook na al die jaren die er sindsdien zijn verstreken, kan ik dit punt niet passeren zonder aan mijn zus te denken.’ Dit beschrijft de verteller als hij na bijna vijftig jaar weer in het stadje rondloopt, waar zijn zus op veertienjarige leeftijd onder de achterwielen van een vrachtwagen vermorzelt werd.

    De impact van de overleden zus zit in de herinnering aan een magere jonge man in het stadspark met een hondje twee jaar na het ongeluk. Daarin herkende de jongen de agent die na het ongeluk de schooltas van zijn zus, ‘die door de klap was weggeslingerd’, kwam brengen. Die ‘klap’ en dat ‘wegslingeren’ hakken erin.

    In de boekhandel noteert de jongen uit een boek van de vrijwel onbekende schrijver Jean de Tinan een regel die deels de titel van het boek is geworden. ‘Alles is onsterfelijk – tenminste voor een bepaalde tijd.’ Een boek vol ideeën en vragen over vrijheid, en de jongen vraagt zich later af: ‘Was ik vrij of gevangen? Was de bewondering die ik, (…) voor Frida voelde, niet juist gebaseerd op het besef dat zíj vrij was en ikzelf niet?’ 

    Dan is er een wending in het verhaal die je niet zag aankomen. Want, is de verteller de vader van het kind van de tienermoeder? Het loopt af met een sisser, maar hee, als je dan opnieuw de openingsscène van het boek leest, bekruipt je het gevoel dat het een vooropgezet plan van Nico en zijn ouders is geweest om de verteller te betrekken in het familiegeheim van de zwangere zus. Maar dan verdwijnt de familie van Frida en Nico. Had ik het al gehad over andere verdwijningen die een rol spelen in het boek? Over een man die boeken, verhalen verzameld over verdwenen mensen. Het is een werkelijk knap geconstrueerde roman met verschillende mysteries die niet allemaal ontrafeld worden. Het leven is geen kloppend geheel, dat is mooi. Het heeft er alle schijn van dat – zoals Carmiggelt een meester was in het observeren van de kleine handelingen – Hans Heesen een meester is in het beschrijven van het achterwaarts beleven van gebeurtenissen uit het leven van een vroegere zelf. Het zou zomaar kunnen dat zijn volgende roman over de botte vader uit Tenminste voor een bepaalde tijd zal gaan.

     

     

    Tenminste voor een bepaalde tijd / Hans Heesen / 126 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

  • Niet klagen, niet jammeren

    Niet klagen, niet jammeren

    Om niet te verzinken in het gevoel dat de Nederlandse aarde in tweeën is gespleten. Om niet klagend en jammerend ten onder te gaan, is het goed Annie Ernaux te lezen. De soberheid van haar schrijven, waar zij vandaan komt, stelt mij op achterstand. Troost vinden in het armoedige bestaan van anderen. Niets is ongewoon. ‘Precies twee maanden’ nadat Annie Ernaux een aanstelling als lerares had verworven aan het lyceum in Lyon, overleed haar vader, zevenenzestig jaar. Het was op een zondagmiddag. Van bovenaf de trap zei haar moeder, ‘Het is afgelopen.’ Haar ogen bettend met een servet. ‘De volgende minuten herinner ik me niets meer. Ik zie alleen de ogen van mijn vader nog die naar iets ver achter mij staarden, en zijn tot boven het tandvlees opgetrokken lippen.’

    De dode werd gewassen en geschoren. Het pak dat hij drie jaar daarvoor bij zijn dochters bruiloft had gedragen, kwam nu van pas. ‘Mijn moeder sprak tegen mijn vader alsof hij nog leefde of bezield werd door een speciale vorm van leven, zoals dat van een pasgeborene. Een paar keer noemde ze hem vol genegenheid “mijn arme oudje”.’ De volgende dag begon het lijk te stinken. ‘De zoete en daarna verschrikkelijke geur van bloemen die iemand in een vaas met smerig water heeft laten staan.’ Tussen de zondag van zijn overlijden en de woensdag van zijn begrafenis, kwamen vaste klanten van het café afscheid nemen. Ze leverden commentaar zoals gebruikelijk bij een overledene. ‘laconiek en op zachte toon’ zei men, ‘Hij heeft er voor de donder niet lang over gedaan’ of, ‘Dus de baas is hem gesmeerd!’

    Ook zeiden ze wat het met hen had gedaan toen ze de doodstijding ontvingen. ‘Ik was ervan ondersteboven’, ‘ik wist niet wat me overkwam’. Dingen die gezegd worden in een poging te delen in het verdriet, ‘een vorm van beleefdheid’, noemt Ernaux het. Dat is wat ik na de verkiezingen voelde, niet weten wat me overkwam, verwend als ik was te krijgen wat ik verwachtte. Dat zal nu anders gaan, ik zal er nu zelf voor moeten zorgen dat de vluchteling bij mij terecht kan. Maar goed, op maandag kwam de begrafenisonderneming. De kist paste niet door de opening van de keuken naar de slaapkamer een trapje hoger. Het lijk werd in een plastic zak gewikkeld, voortgesleept over de traptreden naar de kist midden in het café.

    Die avond kwam haar man, ‘bruinverbrand en slecht op zijn gemak, omdat hij geconfronteerd werd met een verdriet waar hij buiten stond.’ Niets zo erg als verdriet waarmee je niets hebt. Ze sliepen in het enige tweepersoonsbed dat er in huis was, het bed waarin haar vader kort tevoren gestorven was. ‘Er zat een kuil in het kussen waarop zijn hoofd sinds zondag had gerust.’

    Dan begint ze aan het verhaal over het leven van haar vader. ‘Het verhaal begint een paar maanden vóór de twintigste eeuw in een dorp in het land van Caux, op vijfentwintig kilometer van de zee.’ De plek was haar vierde novelle. Ze won er de Prix Renaudot mee en brak ermee door in Frankrijk. In deze novelle paste ze voor het eerst ‘emotieloos schrijven’ toe. Wat volgens haar het best paste bij het leven van haar vader. ‘Geen poëzie der herinneringen, geen jubelende hoon. Als vanzelf schrijf ik in een vlakke, banale stijl, diezelfde stijl die ik vroeger gebruikte, wanneer ik aan mijn ouders schreef om hen van de belangrijkste zaken op de hoogte te stellen.’ Ernaux lezen is de werkelijkheid onder ogen zien.

     

     

    De plek / Annie ernaux / vertaler Edu Borger / blz. 99 / uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Laatste bladzijden

    Laatste bladzijden

    Soms wil je de laatste bladzijden van een boek overslaan. Ik had dat bij Moedermelk van de Letse schrijfster Nora Ikstena. Het lag beslist niet aan het boek, een prachtig boek. Het was omdat ik voorvoelde dat  de moeder het einde van het boek niet zou halen. Een afloop waarvan de eerste tekenen al op de derde bladzijde van het boek kenbaar werden gemaakt. ‘In de twintig jaar die ik met mijn moeder heb doorgebracht, heb ik haar nooit kunnen vragen waarom ze mij, een kleine hulpeloze baby, haar melk onthield.’ Dat er een einde aan alles komt, dat niets waarop gehoopt werd vervuld zou worden, gaat het hele boek mee. Uitlopend in een toestand die ik niet wilde weten. Dan ging ik maar thee zetten, was ophangen, post openen, ach, er is zoveel te doen in een huis.

    Door niet verder te lezen, vertraagde ik de levensverloop van moeder en dochter. Verijdelde het sterven van de een, het verdriet van de ander. In Moedermelk is het uit liefde dat de moeder haar dochter als baby de moedermelk ontzegt, haar laat opvoeden door grootouders. Wat ik stilletjes hoopte terwijl ik het gasfornuis schoonmaakte, was dat moeder en dochter op de laatste bladzijden nog een kans zouden krijgen, dat ze een soort ‘Happily ever after’ zouden bereiken.

    Ik had tot half zes de tijd, dan moest ik een trein halen. Naar een leesclub, waar we merendeels onbekend waren met elkaar. Dat is eigenlijk het beste voor een leesclub, dat je elkaar niet kent. Er was een schrijfster, een vriend, een vriendin van een vriendin, een doorlezer (dagen niet van zijn stoel komen en maar lezen), en ik. We zagen elkaar  bij een van de vijf thuis. Er kwam wijn en kaas op tafel. We luisterden naar verhalen uit onze levens, weefden daar onze bevindingen van het boek doorheen. Het bruiste zoals een glas champagne bruisen kan, verfrissend, tongen losmakend. Later kwam er een ovenschotel, salade, dessert op tafel. Tussendoor riep de schrijfster wel drie keer tegen de gastheer, ‘Jij kan ècht lekker koken!’ Waardoor wij wel moesten geloven dat haar man niet zo goed in de keuken was.

    Moedermelk is in het Engels vertaald als Soviet Milk. Wat we – terwijl we van de gevulde courgette aten – zo treffend, zo geweldig-goed-gekozen vonden. Want dat hele boek gaat over niet kunnen leven, niet kunnen ontwikkelen onder verstikkende Sovjetregels. De vriendin van de vriendin begreep eerst niks van het boek en ik begreep dat. Want ik was er ook pas na een tijdje lezen achter dat de dochter en de moeder om en om aan het woord zijn. Ik schreef met potlood een D of een M boven de tekstblokken. De doorlezer had het boek in het Engels op een e-reader in Cornwall gelezen. In de Engelse versie bleek het boek uit twee delen te bestaan. Wat voor verwarring zorgde.

    Toch las ik die laatste bladzijden, wanneer het de moeder is gelukt om te sterven. Het proza werd van registrerend, opeens meer ritmisch. ‘Haar lippen waren droog en gebarsten. Ik depte zachtjes haar borsten. Waaruit ik nooit had gedronken en die ik maar één keer had gezien, die nacht dat we gingen zwemmen in de rivier. (…) Ze waren als in mijn droom – warm en vol moedermelk… Een zee van melk. En ik dronk hem gulzig, ik dronk de melk van de goede, waarheidlievende moeder, en ik dronk de melk van het kwaad, die de slangen voedde, en de melk smaakte niet langer naar kamillethee maar naar iets raadselachtigs, dat mij kracht en macht gaf.’  Ja, een prachtig boek, het kwam goed.

     

     

    Moedermelk / Nora Ikstena / vertaling Brenda Lelie / uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Alles wat ik lees

    Alles wat ik lees

    Ik kon niet slapen. Ik dacht aan A.S. Byatt, waarover Marja Pruis schreef in Oplossingen. Hoe zij ontroerd raakte door iets wat Byatt gezegd had, later weer twijfelde ze of ze het wel goed gehoord had. Ik verwar A.S. Byatt vaak (zo werkt mijn hoofd), met A.N. Ryst, de gelijkende initialen, de ‘y’ in de achternaam. Pruis was in 2016 bij de uitreiking van de Erasmusprijs door koning Willem Alexander aan A.S. Byatt. Ze hoorde haar zeggen, ‘This is the happiest moment of my life.’ Van ontroering sprongen Pruis de tranen in de ogen. Later vroeg ze zich af of dat wat ze hoorde ook gezegd was. Of Byatt niet ‘one of the happiest moments’ had gezegd. Maar dat was niet zo. Daarom moest ik naar beneden. Het leek van belang een boek in handen te hebben van een schrijfster die het gelukkigste moment in haar leven beleefde toen ze de Erasmusprijs ontving. En dat ze daar weer ontroering mee teweeg bracht. Met dat boek zal ik de schakel zijn tussen de ontroering van de een en het gelukkigste moment van de ander.

    Ik pakte Obsessie van Byatt uit de boekenkast. In alles wat ik lees, zoek ik naar iets wat ik zelf ontbeer. Terwijl de katten op de bank tegen elkaar aanschurken, het buiten donker is, wil ik gewoon dat personage in de bibliotheek zijn. De jongeman, Roland, in Obsessie, die zijn dagen doorbrengt in de leeszaal van de Londen Library. ‘Roland had het eenpersoonstafeltje waaraan hij het liefst zat, achter een vierkante pilaar, waar je toch goed zicht had op de klok boven de schoorsteen. Rechts van hem was een hoog en zonnig venster, waardoorheen je de hoge groene bladeren van St James’s Square kon zien.’ Ik verbeeldde mij die figuur te zijn, voelde me getroost.

    Ethel Portnoy schreef in Portret, ‘Pas toen hij dood was, begon ik mijn vader te zoeken.’ Sinds mijn broer er niet meer is, lees ik boeken waarin ik hem hoop tegen te komen. Ik las Harnas van hansaplast van Charlotte Mutsearts, Broer van Esther Gerritsen, Big Brother van Lionel Shriver, Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder.

    Moet een boek wat teweegbrengen om een goed boek te zijn? Ja, dat moet. Er zijn boeken die lezen alsof je een warm mes in een pakje roomboter steekt. Er gebeurt niets, het mes blijft heel, het pakje boter splijt niet doormidden. Daarentegen zijn er boeken die je niet zomaar begrijpt, maar zo geweldig goed in elkaar steken als een design meubel waarvan je de verbindingen niet ziet.

    Nadat ik Deborah Levy’s Living Autobiography had gelezen, dacht ik erover een ‘Birdsongclock’ te kopen. Levy kocht er een nadat ze verlaten was door haar man. In een mail van Koopjedeal (waarom krijg ik mail van Koopjedeal?) werd me onlangs de Birdsongclock met 57% korting aangeboden. Ik was er na aan toe er een te bestellen. Maar bedacht, met een gevoel van opluchting, dat ik er pas een mag kopen als ik verlaten word. Zo zet een boek me tot van alles aan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest terwijl ze leeft.

     

     

     

  • Klont in de tijd

    Klont in de tijd

    Het was zo’n ochtend waarop ik dacht dat alles zomaar ineens afgelopen kon zijn. Dat heb ik wel vaker, dat de wereld zich als een grote open ruimte aan me voordoet. ‘Apocalypse now’. Ik zat in de trein en keek naar de goudkleurige sneakers van een oudere vrouw aan de andere kant van het gangpad. De trein raasde met hoge snelheid voort over de rails, nam schommelend de bochten, ik hing scheef, drukte mijn voeten op de grond. Ik dacht, wat is de betekenis van goudkleurige sneakers als we straks in puin liggen. Het leek opeens niet meer tot de onmogelijkheden te behoren dat alles uit de hand zou lopen. Ik zag het voor me, hoorde treinwielen gillen op de rails, scheurend ijzer, oorverdovende stilte, gestold tot een klont in de tijd. Toen viel de trein weer in een rechte lijn samen met het spoor, kwam ik op tijd voor mijn afspraak.

    Dat wat mogelijk is, ‘is een grens die telkens verschuift, afhankelijk van wat mensen bereid zijn toe te laten.’, schrijft Erri De Luca. In plaats van onder een deken te kruipen, pakte ik een novelle van de Italiaanse schrijver Erri de Luca. Over zijn kinderjaren in het Napels van de jaren zestig. Deze novelle schreef hij in een schrift op zijn knieën, zittend op een harde stoel. Het was in de winter van 1989 toen hij begon met schrijven, overdag werkte hij als bouwvakker. Hij schreef ‘in de overgebleven restjes van de dag’, een lange brief aan zijn moeder, het werd zijn debuut, Niet nu, niet hier.

    ‘Zolang er licht was in zijn ogen, maakte mijn vader foto’s.’, schrijft De Luca. Die foto’s bestrijken de periode van zijn tiende tot zijn negentiende. De Luca herinnert zich niets van die tijd. ‘Fotoalbums en archieven ondersteunen mijn herinneringen niet, ze vervangen ze.‘ Dat is mooi. Dan zoomt hij in op een foto van een straat waarop uithangborden met reclameleuzen, een oude bus bij een halte. Er is een marktstraatje waar mensen uitkomen. ‘Het beeld waar ik naar kijk wordt groter, de schaal wordt kleiner: één op honderd, één op vijftig, één op tien, net zo lang tot de voorbijgangers even groot zijn als ik en ik als zij.’ Hij zoekt op de foto de gezichten van mensen af, herkent een jonge vrouw, zijn moeder. Hij vraagt zich af of zijn moeder zich dit leven na de oorlog zo had voorgesteld. ‘In een smal kamertje waar enkel een streepje zonlicht over de pannen viel, met meubels die een ander had achtergelaten, besefte je op een drukkend warme middag, terwijl de kinderen, nat van het zweet, even sliepen, dat dit nu je leven was geworden, dit en niet meer’. 

    Ik geloof dat ‘dit en niet meer’ van grote betekenis is. Het heeft te maken met gepaste nederigheid, met elkaar de ruimte geven. Dat verdween, volgens De Luca, doordat ‘arme mensen een gevoel van urgentie kregen’. Hoe zijn moeder hem ‘nare dingen’ vertelde. ‘Een aardbeving had de levens van een volk verwoest, ansjovis was duurder geworden, de oude mensen in een eenkamerwoning verderop in de steeg waren door hun huisbaas op straat gezet. (…) Het kwaad deed waar het zin in had en je erop voorbereiden was niet genoeg. Je treurde daar met mij om, om de wereld.’ 

    Deze dagen wordt er geen ge-maar meer getolereerd. Er moet stelling genomen worden, jij of ik, hij of zij. Maar dat wil ik niet (De Luca schrijft dat een ‘maar’ eigenlijk een ‘omdat moet zijn), want elk mensenlevens is het waard om voor te kiezen. Ik hoorde van anderen die tot niets meer in staat waren. Zich afvroegen, ‘Hoe kan dit, wanneer is dit begonnen, wie is begonnen?’ Alsof de betekenis van alle dingen lange tijd onvindbaar was.

    De Luca zoekt aan de hand van een foto, toenadering tot zijn moeder in het verleden. Er is niets te vergeven, toch is deze novelle een groot liefdevol vergeven, doorweven met een gevoel van rechtvaardiging. Ik stel me voor hoe het zou zijn als alles in puin lag, ik dit boekje zou openslaan. Of het zou helpen. Ik dacht het wel.

     


    Niet nu, niet hier / Erri De Luca / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij HetMoet


    Inge Meijer is een pseudoniem en veellezer.

     

     

     

  • Alles onverwachts

    Alles onverwachts

    Het moet niet gekker worden, dacht ik, toen ik me weer in de badkamer terugtrok met een boek van Marja Pruis. Er was behoefte aan orde, aan een kaart waarop de dingen zich overzichtelijk voordoen. Want je doet maar wat, overziet de gevolgen niet en zit dan weer in de badkamer met een boek op schoot. De toestand Israël/Palestina escaleerde op de ochtend van de verjaardag van de tweeling kleindochters. En de kat at niet meer, was snotverkouden. Je dacht, dat kan er nog wel bij, een kat met een snotneus. De dag daarop fiets je naar het filmhuis. Helen Mirren speelt Golda Meir in de film Golda. Over haar rol tijdens de Jom Kipoeroorlog in 1973. Het was exact vijftig jaar later dat Israël opnieuw werd aangevallen. Alsof ze het erom deden, een film tevoorschijn halen om alles nog eens te verfijnen. 

    Mirren was verdwenen in een pak dat haar het postuur van Meir gaf. Alleen haar mond, tot een streep vertrokken, gaf enig houvast. Met olifantsbenen liep ze zwaarmoedig door de gangen van een ondergronds geheel. Ik zág Golda Meir. Ziek als ze was, onophoudelijk rokend, de ene sigaret met de andere aanstekend. Je dacht, hou daar toch eens mee op. Niemand die er iets van zei. Ze moest een land redden. In de film zei Meir tegen haar militaire staf, ‘Ik kruip niet onder de tafel, maar ik hou jullie niet tegen.’ Ze zei, ‘Toen ik als kind in Oekraïne was, sloegen ze voor de lol Joden dood op straat. Ik ben niet [meer] dat meisje dat zich verstopt in de kelder.’ En dat er altijd gevochten zal worden, vanuit onderdrukking, de hang naar overwinning. 

    En dan is er die foto van een oude vrouw in een open truck, meegevoerd door leden van Hamas. Een onvoorstelbaar gewone vrouw. Je ziet in haar je moeder, je grootmoeder, in zekere zin jezelf. Haar hoofd opgeheven (nee, niet fier), haar rechterarm hangt naar beneden, haar andere rustend in de schoot van een roze schort. Er is iets met dat schort. Het zit rommelig. Misschien is het een tafelkleed. Stond ze op het moment dat ze haar oppakten, in de deuropening van haar huis dat kleed uit te kloppen (denk niet aan de gewoonheid van broodkruimels, druivenpitten die eruit gleden). Het kleed in haar handen geklemd toen ze gedwongen werd in de truck plaats te nemen. In haar gezicht zoek je vergeefs naar sporen van paniek, verdriet.

    In de badkamer lees ik hoe Pruis aan Louis Tas vraagt waar hij met zijn patiënten naar op zoek is. ‘Naar de dingen die ze misschien nog teveel wegstopten en waarom.’, zei Tas. Dingen stop je weg omdat je je ervoor schaamt. ‘Schaamte is niet alleen een onderkennen van wat er aan de hand is. Het is als vorm van zelfminachting een soort ziekte. (…) tegen beter weten in, identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens oordeel.’ Opnieuw kijk ik naar de foto met de oude vrouw in die truck, zie de schaamte om de ongepastheid van alles, het uitgeleverd zijn, het niet weten. Vooralsnog was alles onverwachts. 

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Boekenweekgeschenk

    Boekenweekgeschenk

    Het was even schrikken toen bleek dat het boekenweekgeschenk een familie aangelegenheid is geworden. Familie ondernemingen hebben iets precairs, iets beslotens. Een keuze die ook nog eens in superlatieven omschreven werd door directeur CPNB Eveline Aendekerk. Wat moet je met een directeur die ‘ontzettend trots’ is, en het heeft over de ‘grootste’ schrijversfamilie (je wist niet waar je het zoeken moest, de betekenis van dit alles). Ze zei dat ‘de liefde voor lezen en boeken er bij de ‘Chabotten’ vanaf spat. En dat het precies die liefde is die ‘traditiegetrouw’ gevierd wordt tijdens de boekenweek. Ze zei, ‘Het gezin [de Chabotten] bestrijkt meerdere generaties en bestaat uit unieke karakters, waardoor de kijk op de familie een rijk kleurenpalet wordt. De Boekenweek van 2024 wordt daarom ook komend jaar weer een groot feest!” Jaja, het CPNB is me er eentje om Finkers maar eens te persifleren. Eerder wilden ze al van het woord essay af, alsof daarmee de lading van de inhoud zou veranderen. 

    Het CPNB zegt jongeren te kennen die afgeschrikt worden door het woord essay. Het CPNB is daardoor bang dat ze hun doel missen. En dat willen ze niet. Dus door een essay (een persoonlijk, beschouwend literair stuk) geen essay meer te noemen zodat jongeren er niet door worden afgeschrikt, is er de hoop dat ze het essay dat geen essay mag heten, gaan lezen. Maar wacht. Er is niks mis met jongeren die ergens van schrikken. Er mag geschrokken worden, graag zelfs. Niet alles hoeft tot een soort smoothie achtige substantie vermalen te worden.  

    Ilja Leonard Pfeijffer reageerde op de keuze van het CPNB voor de familie Chabot – om het boekenweekgeschenk te schrijven, en het essay te laten plaatsmaken voor een gedicht van de hand van, jawel Bart Chabot – en had het over ‘uitdaging’. Hij begon over zijn schoonmoeder die bij hen kwam eten. Zij spraken over Italiaanse politiek, de verwerpelijkheid van premier Giorgia Meloni, maakten daar veel woorden aan vuil. ‘De vraag die dan altijd vroeg of laat opkomt, meestal vroeg, is wie haar kan uitdagen… Toen verdween de tekst achter een betaalmuur, maar dat ‘uitdagen’ bleef hangen. Wie daagt de lezer uit, zet een begin van iets uit om te volgen, iets te ontdekken. Of, wie kan Eveline Aendekerk uitdagen om…

    Maar als we dan toch de niet lezende jongeren tegemoet willen komen, laten we dan een boek ook geen boek meer noemen, want dat is schrikken. Maar hé, scheer nu niet alle jongeren over een kam. Er zijn er die lezen, in treinen, op bankjes aan de waterkant, in bed (er wordt onvoorstelbaar veel in bed gelezen), aan keukentafels, toiletten, op het strand. We kunnen veel woorden vuilmaken aan de terugloop van lezers, waarvan ook niet duidelijk is of dat echt zo is. Misschien zijn er lezers die zich niet op de daartoe geëigende plaatsen ophouden, zoals daklozen, waarvan het CBS deze week meldde dat er minder daklozen zijn, maar de opvangcentra daarentegen in een reactie zeiden dat ze ‘ram’vol zitten. Soms moet er niet geteld, niets gezegd worden. Laat een essay een essay zijn, geef jongeren de kans iets te ontdekken, ergens naar te reiken en de essayisten van morgen te worden. 

    En waarom een boekenweekgeschenk niet geschreven door Mensje van Keulen, Marja Pruis of Kristien Hemmerechts? Of maak er desnoods weer een schrijfwedstrijd van voor debutanten, zoals Hella Haasse die ooit in 1949 won, debuteerde met het boekenweekgeschenk Oeroeg. Zet dan een lezerspoule van jongeren op die alle inzendingen lezen, een keuze maken. Zijn er in ieder geval weer een paar jongeren voor de literatuur gewonnen.



     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Eeuwige veelbelovendheid

    Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • De gekke man

    De gekke man

    Ik las een kleine roman waarin schrijver Maarten Biesheuvel en zijn vrouw Eva Biesheuvel-Gütlich voorkomen. Beiden zijn inmiddels overleden, maar in deze debuutroman, die speelt in de jaren negentig, maken ze onderdeel uit van de Professorenwijk in Leiden waar de protagonist opgroeit. Biesheuvel was een geliefd schrijver in het Nederlands literaire landschap, omringd door geit, katten en hond. Ik verbeeldde me zijn leven altijd op dat kamertje in dat houten huis (donkergroen met rode kozijnen) genaamd ‘Sunny Home’ in Leiden, waar hij Reis door mijn kamer schreef. Hij vond zelf dat hij helemaal niet kon schrijven. Hij schreef omdat hij niets anders te doen had: ‘Ik ga niet reizen. Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Voor de grap schrijf ik dit verhaal er nog bij, omdat ik niet weet wat ik anders moet doen. (…) Ik zal u mijn kamer beschrijven precies zoals hij is, opdat mensen over duizend jaar weten hoe een kamer anno 1983 in Leiden, Nederland, eruit zag.’ 

    De bewoners van het donkergroene huis spelen een belangrijke rol in het leven van de tienjarige Elias en zijn vijf jaar jonger broertje Johannes met het syndroom van Down. Na de geboorte van Johannes, zegt de vader achteloos tegen Elias, ‘Ma heeft een mongool gebaard.’ Zo’n man is de vader dus. Rookt sjekkies aan de lopende band (als hij ziek wordt, draait Elias die voor hem), wil dat er naar hem geluisterd wordt, ‘Kijk me aan als ik tegen je praat!’ en gaat er geregeld vandoor. ‘De laatste keer dat het pa teveel was geworden, had hij de spiegelkastjes in de slaapkamer van de muur getrokken.’ Daarna vertrok hij naar een klooster in Tegelen waar hij ‘goede wijn, rust en intellectueel gezelschap’ zou vinden. Je denkt, godskolere, wat een zak! Het is dat ik me heb voorgenomen om iemand niet meer zo snel ‘narcist’ te noemen. 

    Elias neemt gaandeweg de zorg van Johannes op zich in de hoop dat zijn ouders er wat gelukkiger op zullen worden. Daarentegen escaleert de relatie tussen zijn ouders. Op school wordt Elias om zijn broertje het mikpunt van plagerijen. Op een dag wordt hij getrapt en geslagen. Hij ontworstelt zich, rent weg en komt hijgend tot stilstand tegen het tuinhek van het donkergroene huis. Een mannenstem zucht, ‘U bevlekt mijn poort, de toegang tot het koninkrijk.’ De man steekt zijn hand uit en stelt zich voor als de enige zoon van God. De kennismaking van Elias met de ‘gekke man’ zoals hij in de wijk wordt genoemd, met Maarten Biesheuvel. Later, als zijn moeder hen vergeet op te halen na school, wordt Johannes boos. Om hem af te leiden, neemt Elias hem mee naar het donkergroene huis, hij laat hem de geit in de tuin zien. Dan komt er een ‘kleine vrouw met warrig bruin haar’ naar buiten. ‘Komen jullie maar even mee.’ zegt ze tegen de jongens. Zijn broertje gaat daar direct op in. ‘Jij en mijn man,’ zei ze vooroverbuigend naar Johannes, ‘jullie zullen elkaar graag mogen. Dát zie ik zo.’

    Een debuut over een disfunctionerend gezin waarin de ouders de verantwoording van hun problemen op de schouders van hun oudste kind leggen. Het is bijzonder te lezen hoe Elias’ geest werkt, hoe de komst van zijn gehandicapte broertje zijn leven beheerst, hoe hij er steeds op uit is om de lieve vrede te bewaren. Och, en dat einde, als er lijkt te gebeuren waar hij van droomde, voor altijd bij mevrouw Eva. Als dat moment daar is, volgt een grote deceptie. Als lezer weet je natuurlijk dat mevrouw Eva haar handen meer dan vol heeft aan haar man. Hoe het met Elias afloopt is ontroerend. Geen gekunsteld einde maar zoals de dingen gaan (er is iets in Elias’ gedragingen, in het beschrijven daarvan, dat het omgekeerde van slachtofferschap laat zien). Een debuut waaraan je afleest dat er voortdurend aan geschaafd en gepolijst is. Een pareltje van gedoseerde vertelkunst.

     

    Beste mevrouw Eva / roman Valentijn de Heer / Uitgeverij Pluim


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Ojee vakantie 

    Ojee vakantie 

    ‘Ik houd niet van vakantie, ik vind het maar een lastig concept.’, liet Mensje van Keulen onlangs in Volkskrant magazine weten. Je bent er ook niet zo goed in, het stopzetten der dingen. De week voor de vakantie is het alsof je na stevig door tuffen, opeens moet remmen, maar niet weet waar de rem zit. Je racet dus lekker door. In gedachten, want je bent een relaxt persoon, rek je de dagen een beetje op en lijkt het of je alles af krijgt. Dan is het opeens de laatste dag voor de vakantie. Piepend (oh nee!) en gierend (loslaten loslaten!) kom je tot stilstand. Losse eindjes vallen in je schoot, boekenstapels kukelen om. Je trekt nog even door, telt je prioriteiten, schuift wat zaken terzijde, zegt een afspraak af, werkt een nachtje door tot alles klaar is. Pas dan mag de tent van zolder, kun je freewheelend de vakantie in.

    Terwijl je mails beantwoordt, even doorklikt op zoek naar een badpak, naarstig naar je bril zoekt (en niet vond), hunker je naar stilte, naar troost. Dus ga je boeken kopen, het bedrag voor een badpak is goed voor twee boeken. Elk boek is een verleiding. Zie je een boek van Maryse Condé dan proef je de sfeer van het tweedelige Segou. Condé kun je niet laten liggen als je Segou hebt gelezen. Antonío Lobo Antunes kun je ook niet laten liggen (kun je überhaupt wel wat laten liggen). Lees hoe Paardenschaduw op zee begint:
    ‘Haar hele leven lang, voor haar ziekte en tijdens haar ziekte, vertelde mijn moeder ons keer op keer
    “Luister”
    dat mijn oma als kind met mijn overgrootmoeder op bezoek ging bij dames die op oude etages in het oude deel van Lissabon woonden, in eeuwige schemering gehulde kamers en gangen waar het zilverwerk en porselein haar volgden en mijn oma, tien of elf toen, dacht :wat moet het hier somber zijn om drie uur ’s middags.”‘  Zo schrijft Lobo Antunes
     zonder punten of hoofdletters.

    Je kocht het manifest Geef nooit op van Bernadine Evaristo omdat je al zo lang iets van haar wilde lezen. Levensmuren van Nina Burton vond je in Utrecht, valt voor de mooie uitgave, begint te lezen om niet meer te stoppen. Hoe kun je zo over insecten schrijven als Burton doet? Je gaat anders denken over muggen, mieren, hommels, eekhoorns, het is geweldig. Je vergeet alles, er ontstaat een verstilde sfeer. Als er nu een mug dichtbij zoemt, sla je hem niet weg, denkt aan de ontelbare (miljoenen?) slagen die de vleugeltjes maken, hoor de indringend hoge zoemtoon. Als laatste was je bij antiquariaat Aleph in Utrecht. Daar was Joan Didion, Paul Léautaud. Je kreeg Voetsporen van Richard Holmes van degene waarmee je enthousiast over het opzetten van een podcast had gesproken. In Een tafel bij het raam van Mirthe van Doornik was je al begonnen, net als in de biografie van Andreas Burnier. Er ligt een wereld aan verhalen voor je. ‘Lezen is niet beschikbaar zijn, is je terugtrekken’, schrijft Alan Bennett in de zeer vermakelijke novelle De ongewone lezer. Ach, laat die vakantie nu maar beginnen, stapel het eendje maar vol en hup, naar de Ardennen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem (en tot 4 september met vakantie).