• Tot de kern

    Tot de kern

    Ik stuitte op een interview met Paul Auster (1949-2024) waarin hij zegt dat de essentie van een schrijver is ’to make a maximum effort all the time’. Dat een kunstenaar nooit achterover kan leunen, ‘you can’t be a writer, or a painter, or a musician unless you make maximum effect.’ Je elke dag op te sluiten in je kamer om tot een werk te komen. Auster zegt, ‘Which is a very strange way to live, alone in a room every day, putting words on pieces of paper.’ Dat hij na een hele dag in zijn werkkamer te hebben gezeten er uiteindelijk een zin op papier komt die kan blijven staan. Dat het verfrommelen van beschreven vellen papier ook schrijven is.

    Toen Frida Vogels acht jaar was sprong ze van de duikplank in het diepe. Ze beschrijft de aanloop naar die sprong in een kleine scène in haar laatste boek, In den vreemde. In die scène is de essentie, de eigenheid van een persoon te lezen die tekenend is voor haar verdere leven. Ze schrijft ‘er gebeurde op een dag iets dat ik me nu nog herinner’. Ze was alleen naar het zwembad gegaan, lag bij het ondiepe bad vanwaar ze een groep jongens en meisjes op de hoge duikplank zag staan. ‘Wat deden ze daar dan?’, vroeg ze zich af. Ze sprong op en liep naar de hoge duikplank en klom naar boven. ‘Ik liep tussen de luidruchtige jongens door, die bij het zien van mij stilvielen van verbazing, bereikte het einde van de duikplank en sprong eraf.’ Dat je van een eenmaal ingeslagen weg niet omkeert.

    Als ze vanuit de diepte weer boven komt, werkt ze zich ‘Hijgend en puffend, mezelf zo goed mogelijk helpend met mijn armen en benen’, naar de rand van het zwembad en klampt zich vast aan de ijzeren railing, ‘duwde me toen op aan de tegels, stapte uit en keerde terug naar mijn plek op het zand. Ik wist nog steeds niet hoe ik zwemmen moest.’ Dat zij het zich herinnert als iets dat ‘gebeurde’, alsof het haar overkwam, er omstandigheden waren die ertoe bijdroegen dat ze zo onbevangen van die duikplank sprong.

    Schrijvers als Paul Auster en Frida Vogels hebben mijn grote bewondering. Dat het allemaal in hun werkkamer gebeurde, al dat schrijven, de boeken die daaruit voortkwamen. 

    Ik blijf bij de kamer van Vogels. Waar zij zit als Ennio thuiskomt met Tagliavini, kenner van orgels en klavecimbels. Hij roept, ‘“Frida!” en ik antwoordde “Ja’, maar zonder van mijn plaats te komen. Natuurlijk had ik Tagliavini moeten gaan begroeten. Daar heb ik nu de pest over in.’ Dat onbeweeglijke, dat starre, die werkkamer als bastion.
    Ennio maakte van het bouwen van een virginaal, klavecimbel en als laatste een orgel zijn levensinvulling. Zoals Frida haar boek De harde kern voor Ennio schreef, en hij voor haar die instrumenten. ‘Zonder mij zou hij nooit dat klavecimbel hebben gebouwd (…) en ik zou Kanker en De naakte waarheid niet hebben geschreven’. Ze schrijft, ‘het klavecimbel is wat er goed tussen ons is.’

    Iemand zei me eens, ‘Wat een leuke man heb jij! Weet je dat wel?’ Natuurlijk wist ik dat, hij was immers mijn man. Maar om eerlijk te zijn, er werd op dat moment iets in werking gezet. Want sindsdien overkomt het me dat als de man slapend naast me ligt, koffiedrinkend aan de keukentafel zit, of op de trap zijn wandelschoenen aantrekt, ik denk, ‘Ja, wat een leuke man.’ Dat de dingen me gezegd moeten worden, pas dan zie ik het ook. 

    Als Han (Voskuil) tegen haar zegt ‘Wat Ennio doet, is goed. Als je jullie samen ziet kun je dat volledig accepteren.’ Ontroert haar dat.
    Op
     2 maart 2017 zit Frida aan Ennio’s sterfbed. ‘Ik streelde hem zachtjes over zijn wangen. Hij scheen dat prettig te vinden. Misschien. Ik dacht het wel en ik vond het ook prettig om het te doen, maar ik wist het niet zeker.’ Hoe dat mij ontroert.

    ‘The essence of being an artist is to confront the things you are trying to do, to tackle it head on, and if it is good, it will have its own beauty – an unpredictable beauty.’, zei Auster in dat interview.

    Dat de gedachte aan de rollen papier die ik vol schreef, me soms aanvliegt. Dat daar iets mee moet. En dat ik denk met deze persoonlijke verhalen, brieven en bekentenissen tot de kern van Frida Vogels gekomen te zijn. Haar werk geeft dat uitzonderlijke gevoel getuige te zijn van een zelfontleding die je nergens anders tegenkomt. Dat ze schrijft om te weten wie je bent. Het is van een grootse veelheid, al die duizenden bladzijden van Frida Vogels, maar mag het nog een ietsje meer zijn?

     

     

    In den vreemde, Kronieken / Frida Vogels / 538 blz. / Van Oorschot (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

  • Kwetsbaarheid van een bril

    Kwetsbaarheid van een bril

    Dat ik steeds vroeger opsta om migraine voor te zijn, vraagt om actie. Dus weeg ik vroeg in de ochtend 500 gr. meel af. Doe het in een kom met zout, 95 gr zuurdesem, meng het met 330 ml handwarm water (alsof je niets anders doet dan dingen bakken). Onderwijl focus op de bril van je broer, waar die gebleven is. Ik maakte me van veel een voorstelling. Hoe hij door rood fietste, een motor hem schepte, hij door de lucht vloog. Vanuit de lucht neerkwam op het asfalt, de doffe klap die dat gemaakt moet hebben. Dat is er als je aan het ongeluk denkt. En dan nu die bril. Was deze misschien verbrijzeld in de goot van de Haarlemmer Houttuinen terechtgekomen. Daar, door niemand opgemerkt, was blijven liggen, later door een gemeentewagen weggeveegd. Of zat het verkreukeld achter zijn oor, door een ambulancebroeder er voorzichtig achter weggehaakt, in een zakje gedaan. Ik heb er nooit aan gedacht, wel hoe kwetsbaar iemand is die door rood rijdt. En dat ik nog nooit zo dicht bij hem kwam nu ik aan die bril op zijn gezicht denk.

    Dat ik er nu (geschokt) aan denkt, komt door de Finse schrijfster Pirkko Saisio. Het eerste deel van haar trilogie gaat over haar kinderjaren in Helsinki. Herinneringen komen bij haar boven terwijl ze haar vader, die op sterven ligt, in het ziekenhuis bezoekt. Na zijn overlijden, krijgt zij een plastic tasje mee waarin zijn ondergebit, bril en ring zitten. Ze vraagt zich af wat er ‘met de tanden en brillen van dode mensen wordt gedaan.’ Daar schrok ik van. Dat ik, die dacht nu alles te weten over hem, niet wist waar zijn bril gebleven was.

    Halverwege Bewogen selfies, (een overweldigend boek, zoveel meer dan een autobiografie, een zelfonderzoek) ga ik terug naar het begin. De draad opnieuw volgend tot waar ik die kwijtraakte (bij ’10 Tips For Strong Dick Pic Etiquette On Snapshot’). De betekenis van de opsomming die ik volgde, ontglipte me. Dus kom ik opnieuw bij het essay ‘Mijn Kevin, Ons Parijs’, over de Amerikaanse dichter Kevin Killian. De schrijver ontmoette hem een paar keer, mailde met hem tot deze in 2019 overleed. Hoe Alkema zich al schrijvende zich zijn vriendschap toe eigende, dat dat is wat rouwenden doen.

    ‘En inmiddels realiseer ik me ook dat het niet per se Kevin is die het object van mijn rouw vormt, omdat het niet zozeer gaat om wie je verloren hebt, […] maar wat je aan diegene verloren hebt.’, schrijft Alkema. Ik denk aan mijn broer in Amsterdam, ijzerboer op het Waterlooplein. Ik maakte er een romance van. Terwijl ik eigenlijk zoek naar wat ik aan hem verloren heb.
    ‘En alle dingen die er op de wereld bestaan wachten erop dat ik ze gebruik om er boeken mee te verzinnen.’, schrijft Pirkko Saisio. Hoe een vergeten bril en wat je verliest als er iemand sterft een nieuwe ingang tot het verhaal bieden. 



    Het kleinste gemene veelvoud / Pirkko Saisio / vertaling Annemarie Raas / 237 blz. / De Geus
    Bewogen selfies / Obe Alkema / 243 blz. / Het Balanseer


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

  • Waagstuk met impact

    Waagstuk met impact

    Het was bijna kerst. Ik dacht aan boodschappenlijstjes, badkamer poetsen, bedden opmaken, verzamelen van ingrediënten. Terwijl ik bloem en suiker afweeg, appels klaar leg, rozijnen in gembersap te weken zet voor mince pies, (vrij naar een recept van de moeder van Jeanette Winterson), zie ik voor me hoe een moeder haar handen om het gezicht van haar kind legt. Met beide duimen veegt ze het kwijl uit haar mondhoeken. Het kind lacht, een grimas waarin enkel de moeder een lach herkent. Een beeld ontstaan uit tekstfragmenten uit Dagen als vreemde symptomen. Over een vrouw die bevalt van een meisje. 

    Wanneer het kind op de borst van de moeder, Sisyphus ligt, bekijkt ze ‘het hoofdje met geronnen bloed en beseft dat dit kind ‘alleen bestaat omdat zij bestaat’ en ‘niks belangrijker zal zijn’ dan de zorg om dit kind. De eerste pagina’s van Dagen als, zijn (ik zei het al) fragmentarisch en begint met ‘Sisyphus vindt een overkoepelende stem’. Waarin ze kiest voor ‘allegorie’ en een ‘caleidoscopische benadering’ van het verhaal dat verteld gaat worden. En ook, ‘Uit elk fragment poetst ze zichzelf tevoorschijn’. Betekenisvolle regels, aanwijzingen voor wie het ziet. 

    Toen de kerstdagen voorbij waren, de mince pies verorberd, bedden afgehaald, was het huis stiller dan ooit. Dat er altijd een missen ontstaat na wat geweest is. 

    ‘Alle vrouwen zijn TOPoverlevers’, plaatste Astrid H. Roemer op social media. Ik denk aan Over de gekte van een vrouw. Een indrukwekkend boek over vrouw zijn in de jaren zeventig. Met een citaat van Albert Helman. ‘Maar de grootste Liefde blijft onbegrepen en niemand heeft ooit durven zeggen, dat daar een stuk van de hemel begon: het eenzaamste stuk…’. Dat liefde nooit gaat over samenzijn. Dagen als, gaat over vrouw, moeder zijn van een meervoudig gehandicapt kind in deze tijd. Dat de mannen uit beide romans Louis heten is een overeenkomst, evenals de beschreven lustgevoelens bij de vrouw, en de man die denkt dat het hem toekomt. Hoe in de  literatuur het ene boek het andere vindt. Hoe geschiedenis zich in vele vormen herhaalt. 

    Als de relatie met haar man kapot is, kan Sisyphus eindelijk met haar dochter op vakantie naar een Grieks eiland. Want kou verslechtert haar toestand. ‘Niet zelden overnachten ze in het ziekenhuis. Haar dochter worstelt tussen de lakens met een of andere infectie. Zuurstofmeter, vochtinfuus, sondevoeding. Sisyphus zit naast het bed, wacht op een nieuw jaargetijde.’ 

    De mythische Sisyphus tartte de goden, moest voor straf met een rotsblok op zijn schouders een berg beklimmen. Eenmaal boven gekomen rolde het rotsblok weer naar beneden, hij opnieuw… Zoals een moeder elke dag opnieuw haar kind liefheeft, verschoont, kleedt, voedt, leert lopen. ‘En dan ziet ze het: de kans dat haar dochter de paar vaardigheden die ze met zoveel moeite heeft weten te ontwikkelen ook weer zal verliezen.’ Waarna hoop verandert in een ‘leeggelopen ballon die richtingloos door de kamer stuitert’. Hoe hoop steeds van richting verandert. Van, ‘Hoop is nu alleen nog maar gewenning.’, en ‘Hoop is een reflex.’, tot ‘Hoop is een roestvrijstalen geluid’. Van die lege rolstoel dus. Het werkt intens.

    Elke dag met die lege rolstoel naar het dagcentrum om haar dochtertje, die daar niet meer is, op te halen. Ze ontmoet een vrouw die haar helpt zich te herinneren wat er gebeurd is. ‘Alles bestaat nog. Ook als het allang verloren is.’ Ook dit werkt intens. 

    En kijk, daar staat het dan toch. ‘Je vindt het fijn als ik je gezicht in mijn handen neem, als ik met mijn vingers de lijnen van je schedel volg, met mijn duimen je wenkbrauwen streel. Je hoofd klapt naar achteren. Je malende kaken ontspannen even.’ Het beeld in mijn hoofd was er een van liefde. Er is ontroering, bewondering ook om de vorm, de kracht van taal en elke witregel die geldt. Een geweldig waagstuk met een geweldige impact. Lees het!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

     

     

     

     

  • Schitterende gedichten in het donker

    Schitterende gedichten in het donker

    Op Instagram ging een filmpje rond van conducteur Robbert die positieve boodschappen verkondigt op het traject Amsterdam Utrecht. ‘Beste reizigers, een leven zonder liefde is als een landschap zonder zon. Daarom is het van belang van uzelf te houden. Ik wens u een geweldige dag.’ Het was zo’n dag dat ik overwoog een reis naar Amsterdam, en vandaar naar, nou ja, Utrecht te ondernemen. Zover was het met mij. Ik zocht compassie, gevleugelde woorden. Ik zocht naar poëzie. Maar ik moest de andere kant op, met de intercity richting Zwolle.

    Onderweg naar het station fietste een oudere, stevige vrouw met een hand aan haar capuchon tegen het afwaaien me tegemoet. Het was de vrouw met het gesloten gezicht die ik wel vaker door onze straat zag gaan. Terwijl ze worstelde tegen de wind, ik met wind in de rug over het trottoir ging, haar stevige benen de trappers verwoed neerdrukten, riep ze plots,‘Kut! Wat een rotweer’. Als van iemand in wier leven alles tegenzit, en dan ook nog dit stormachtige weer. Toen zag ze mij. Hoe haar gezicht zich weer sloot, zoals ik haar kende. 

    Er zijn van die dagen dat er met grote overgave wordt toegegeven aan ons eigen ongelukkig zijn. Dagen dat er een groot verlangen is naar schoonheid, naar relativering, naar in godsnaam, poëzie. Mocht alles zich vertalen naar poëzie om de draaglijkheid der dingen. Dichtregels op muren geschreven, in treincoupes, op winkeldeuren en melkpakken. Regels die de aandacht vragen, iets te vertellen hebben, zich in je hoofd nestelen als een jong vogeltje, dat op een dag uitvliegt. En wat Babs Gons over die overgave aan de ongelukkigheid dicht.

    ‘soms wil je gewoon je hoofd op de aarde leggen
     je vuist naar de hemel heffen
     de tranen laten komen en zeggen
     het is zeker omdat zwart, wit, vrouw
     dik, dun, te groot, te klein
     te lief, onaardig
     omdat ik leleijk, eerlijk
     direct, poëtisch, welbespraakt
     te zichtbaar, onzichtbaar
     kwetsbaar
     onbegrepen, geprezen
     arm, trots en confronterend ben?
     daarom zeker?’

    Op het beeldscherm in de intercity’s van de NS verschijnt sinds maanden een intrigerende boodschap. ‘Mensen die hun afval weggooien maken meer leuke dingen mee.’, (zonder komma). Een regel als een niet te kraken noot, hoe vaak ik het ook in me liet rond liet gaan, er kwam niets uit dat me een ‘aha’ gevoel gaf. Duidelijk is dat de NS wil dat afval in de daarvoor bestemde bakken terechtkomt. Maar van ‘ maakt meer leuke dingen mee’ kon ik niets maken. Ik dacht, zet er een dichter op. Wat is er mis met echte poëzie. Zoals deze regels van Willem Hussem, en dan op een scherm.

    ‘jij rijdt op een bruin paard
     ik op een wit
     eender is ons verlangen’ 

    Geef de leesmoedigen een tekst waaruit zich een betekenis vormt die het leven begrijpelijk maakt. Woorden die iets teweegbrengen, het schone verspreiden, de liefde. Ach, en wie om liefde en verlangen geeft, heeft aan de beginregels van ‘Honderd visjes’ van Floor Tinga genoeg om bij weg te mijmeren.

    ‘Het was vrijdag vijf over vijf.
    Ik zag hem op het schoolplein staan.
    Hij zwaaide en zei mijn naam.’

    Of deze van Bertus Aafjes.

    ‘soms keer ik plotseling om en kijk ik schichtig
    of iemand weet dat ik zo van je hou.’

    Allemaal te vinden in de Poëziekalender. Naast de vitamine pillen om de winter door te komen, ter versterking van de geest elke dag een gedicht (vooruit, voor het weekend een), om ontmoediging in moedigheid om te zetten. Het hele jaar door. Liever de liefde is de titel van deze prachtige poëzie scheurkalender. En wie heeft er niet liever de liefde?

     

    Poeziekalender 2025, Liever de liefde / samenstelling Mia Goes en Jos van Hest / beeld Willem Popelier / Plint


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.


  • Zender en ontvanger

    Zender en ontvanger

    Ik las ‘To be an artist, you need to exist in a world of silence’, van Louise Bourgeois. En dacht, ‘enkel in stilte kan ik bestaan’, jawel. Dat je deuren en ramen wilt sluiten voor elke indringer in welke vorm dan ook. Gister nog riep je dat je terugverlangt naar de huistelefoon, dat je weer brieven wilt schrijven in plaats van appjes lezen en beantwoorden (of niet). Denk een envelop op de deurmat, in handschrift (waaraan je de afzender al herkent) geadresseerd. Eerst maak je koffie, dan open je de brief. De stilte die daarbij hoort. En dat je een paar dagen later, als de inhoud van de brief in zijn geheel, (fietsend naar de super, ui snijdend, zien van een film, nachtje slapen), aan je ontsloten is, pak je pen en papier. Schrijf je terug.

    Dat ik het liefst in bed schrijf, weet enkel degene die (het is nog vroeg) net uit bed is gestapt. Het moment waarop er geen input is en de verbeelding zijn werk kan doen. Laptop op schoot, notities ernaast, wifi uit.

    Jan Hanlo had geen tafel. Dat weet ik uit een brief die hij schreef aan zijn uitgever Geert van Oorschot waarin het gaat over wespen en plastic lappen die moeilijk schoon te maken zijn. ‘Men zou ze plat op een grote tafel moeten leggen en afsponsen. Maar ik heb geen tafel….’. Ik zie Hanlo op de rand van zijn bed, (geen tafel, dan ook geen stoel) met pen en papier zijn notities maken.

    Wie schrijft is de zender, wie leest de ontvanger in wiens verbeelding een verhaal ontstaat. Beelden gevormd door dingen die je weet of denkt te weten.

    Ik las een boek waarin je kunt wonen, er is een huis, een kust, een groep vrienden. Daarin verandert het beeld van de persoon op het moment dat je de beschrijving leest. ‘Ze droeg een schort zonder bovenstuk. Aan het einde van de avond zat er niet één spatje op haar blouse, wat ik mateloos in haar bewonderde.’ Eerst zie ik een schort met band langs de nek, dan een schort tot haar middel. Wat haar een ander, completer persoon maakt dan ik me eerst verbeeldde. Beelden waarmee de schrijver speelt. En dat het er zo geschreven staat zoals het moet zijn.

    Ik zou het een gelaagd boek noemen als ik niet zo’n hekel aan de uitdrukking had. Een schrijversboek is het. Er worden aanzetten gegeven tot het schrijven van twee romans. Over onderwerpen waarover al door verteller Anna, een schrijfdocent die op zoek is naar de juiste weergave, werd geschreven. Ze wil recht doen aan het onderwerp, waar meerdere boeken voor nodig zijn. Steeds zoekend naar de juiste woorden, een constructie waarbinnen het zijn vorm vindt. Er zijn twee verhaallijnen. Het eerste speelt zich af in 2018, de tweede begint in 1996. Anna is beginnend schrijfdocent. Ze geeft een master schrijven aan vier twintigers, net als zij zelf. Ze worden vrienden, maar niet voor het leven, zoals je graag zou willen. Anna vindt een vriendin in de Amerikaanse Emily (die je weer doet denken aan Emily Dickinson, de schrijfster die geen vrienden had, haar omgeving was haar genoeg). Zo ook deze Emily, die relaties laat lopen, Anna teleurgesteld achterlatend. 

    Ik lees de notities die ik, op alweer zo’n vroege ochtend, maakte over het boek.
    ‘Om 5.45 uur wakker. G. ook. Ik ga thee zetten, hij maakt koffie. Om 6.30 uur zitten we rechtop in bed, thee en koffie bij de hand. We lezen. Hij in ‘Moeder doen van F. Starik, ik in Tot het glinstert van Kathy Mathys. Een geweldig goed schrijfster. Haar boek houdt me vast. Zie er een structuur in die ik zou willen gebruiken. Ook daarvoor lees ik. Om structuren te ontdekken.’
    Het is een groots verhaal dat hier verteld wordt. Een verhaal om in weg te kruipen, in mee te bewegen.

     

    Tot het glinstert / Kathy Mathys / 327 blz. / Ambo Anthos


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Alles gebeurt tegelijkertijd

    Alles gebeurt tegelijkertijd

    Nu de wereld in een herhaling van zetten vervalt, er minder dan niets geleerd lijkt van het verleden, weet je niet waar te kijken. Zelfgenoegzame leiders die online hun gelijk halen, wil je de weg versperren. Spreeuwen vliegen schetterend op uit de meidoornhaag. Dat alles tegelijkertijd gebeurt. Terwijl de deurbel gaat, worden op de radio uitspraken van politici herhaald, overhandigt de postbode je een stapel platte dozen, stapt de buurman in zijn auto, verdwijnt de buurkat met gestrekte staart door een gat in de heg, zeg je lachend dankuwel. Denk, spreeuwen, deurbel, radio, meidoorn, politici, kat. Denk buurman, postbode, auto, heg. Denk klein en kijk naar een beeldessay van Mexicaanse kunstenaressen, samengesteld door Fernanda Ramos Mena getiteld, ‘Echo’s van een tijd / Die ontwricht / Aan het ontwrichten is / werd ontwricht’. Zie in de ontwrichting een mogelijkheid. Een reeks afbeeldingen met tekstregels, zie het als een poëtische oefening.

    Je loopt door het huis, een collega appt je dat de voorgenomen btw-verhoging op cultuur niet doorgaat. Je voelt je als een kind met huisarrest dat weer mag buitenspelen. Kijkt naar de opgekrulde kat op de bank, de toegeknepen ogen. Luistert naar de stem van Jimena Casas, ‘no estamos solos, estamos aquí’, op de website van Terras. En leest over een piramide die uit het wegdek steekt, hoe geschiedenis door de aardkorst heen puilt. 

    ‘Telkens als ik terug ben in Mexico’, schrijft Chloe Aridjis (vertaling Caroline Meijer), ‘valt me weer op hoeveel elementen uit het dagelijkse leven je kunt omschrijven als barok: onze zonsondergangen, onze keuken,onze vervuiling, onze corruptie.’ 

    Buiten reinigt een buurman met een hogedrukspuit zijn kant van de schutting.

    Lees Maricela Guerrero (vertaling Lisa Thunnissen), ‘Soms lijkt het knullig en klein om te zoeken naar een taal in bekende termen. / Het geeft moed om problemen te formuleren in inheemse en onbekende talen.’ Getiteld ‘De droom van elke cel’ in de betekenis van een ‘lege ruimte: als een blad dat kan worden beschreven.’

    Er is behoefte aan een verhaal, aan bladzijden omslaan, verder gaan.

    Over  die piramide in Mexico-stad. Het gebeurde in 1978, toen elektriciens een stuk weg openbraken om bedrading weg te werken, ‘stuitten ze op een loodzware, stenen schijf waarop Coyolxauhqui stond afgebeeld. Ze hadden de godin van de Maan gevonden, een belangrijke godin uit de Mexica-cultuur, die wij kennen van de Azteken.’, schrijft gastredacteur Bernke Klein Zandvoort (die sinds zeven jaar deels in Mexico woont), in haar inleiding. En hoe in Mexico verleden, heden en toekomst door elkaar lopen.

    Zoveel meer dat je lezen wilt. ‘Gradaties van bijziendheid’ van Andrea Chapela (vertaling Lies Doms):
    ’49. Wetende dat ik binnenkort op reis ga, pak ik het schrijven weer op. Ik lees Glass (Object Lessons) van John Garrison en bewonder zijn poging om glas te plaatsen binnen de kunst van het verleden en de verbeelding van de toekomst. (…)
    50. Mijn eerste dagen in Madrid gaan voorbij in een waas van de ergste jetlag van mijn leven. Het kost me een week om mijn aankomst te verwerken, mijn koffer uit te pakken en mijn nieuwe kamer op orde te brengen.’

    De hogedrukspuit van de buurman werkt de schutting met geweld tegen de grond (niet echt, maar het zou kunnen). De kat drukt zichzelf in het groene kussen van de bank. Je kunt niet alles lezen, maar dan toch van Gloria Gervitz (vertaling Bart Vonck) nog dit:

    ‘En mijn grootmoeder speelde altijd dezelfde sonate
    Een meisje eet een waterijsje op de zonovergoten straathoek
    Een man wacht op een vrachtwagen en leest de krant
    Het licht breekt
    En het wasgoed hangt in de zon. Ondoorgrondelijk is grootmoeders sonate
    Jij zie dat het zomer was. O, muziek’.

    Het leven in fragmenten. Maar denk niet dat citaten genoeg zijn om het geheel te bevatten. Het is een vleugje van iets goeds, iets dat gelezen moet worden. Werk van zesentwintig Mexicaanse of in Mexico wonende vrouwelijke auteurs (waaronder . Of, zoals Bernke Klein Zandvoort haar inleiding beëindigt: ‘(…) je mee te laten voeren door de scherpe, tedere, kolkende, rauwe en rouwende, zichzelf bekijkende taal – in de hoop dat tijdens het lezen elk woord bloem mag worden.’ Doe maar, kijk maar, lees maar. Verlaat Nederland voor even en zie de dingen in perspectief.

     

    Terras #26 Magia/No Magia



    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.



     

     

  • Wat je niet weet

    Wat je niet weet

    De angst uit elkaars verhaal te verdwijnen, dat is waarom je keuzes maakt die als compromis dienen. Lang was ik bang uit elkaars verhaal te verdwijnen. Vroeger dus, waarmee ik gelijk maar aangeef dat ik al langer mee ga. Toen ik begin deze eeuw met de man naar Portugal verhuisde, was er een diepere gedachte dat alles daar beter zou gaan. Elkaar beter begrijpen, konden volgen enzo. Idee van liefde (alsof er een voorbeeld was waarbinnen wij pasten). In een ander land opnieuw beginnen, is een beetje als naar een eiland gaan. Afhankelijk zijn van de omgeving, dat de ander dingen doet die niet in jullie verhaal passen. Denk roken, dieren eten. Als je dit ontdekt, de ander daarop betrapt, ja dan. Het overkomt de vertelster in Dezelfde maan ook. Al gaat het hier om gebitsreiniging. Dat ze op een ochtend de badkamer binnenkomt waar hij zijn tanden flost, wat ze hem nooit eerder zag doen.

    ‘Ik kijk naar je terwijl je de draad tussen je tanden duwt en weer lostrekt. Het is alsof ik naar een onbekende kijk.’ Dan vraagt ze zich af, als om de boel te vergoelijken, ‘Misschien is het de eerste keer in je leven dat je flosdraad gebruikt. Dat zou iets verklaren. Maar nee, je doet het iedere dag, zeg je.’ En ‘Waarom weet ik daar niks van, van dat flossen, vraag ik.’ Zegt hij, ‘Omdat je ooit gezegd hebt dat het een smerig gezicht is. (…) daarom doe ik het wanneer jij het niet ziet.’ Wat gezien kan worden als een daad van liefde, is waar zij hem stiekem gedrag verwijt. Wat hij gelukkig met humor opvat, maar er is een toon gezet.

    Er zijn dingen die je liever niet weet. Dijkhuis schrijft ze op, ‘…van de meeste dingen die in de toekomst zullen plaatsvinden weten we niet dat ze al begonnen zijn te gebeuren. (…) Je zit er al middenin.’ Een gedachte die iets openbreekt, globalisering ten top. Hier krijg ik de neiging mijn gebied af te bakenen, kop in het zand enzo. Waarover zij weet te vertellen (‘Vertel me eens iets wat ik nog niet weet’) dat struisvogels hun kop niet in het zand steken. Dat ze er gewoon vandoor gaan als er iets aan de hand is. ‘En hard ook: een rennende struisvogel haalt zeventig kilometer per uur.’ Dus, is het bij problemen beter er vandoor te gaan (wil je je eigenheid behouden). Waar dit je ook zal  brengen. Naar een eiland bijvoorbeeld, zoals de schrijfster nadat haar relatie geëindigd is. Omdat ze dacht dat ze iemand was die geen kinderen wilde. ‘Ik had me voorgenomen nooit kinderen te willen. Ik zou schrijver worden. Schrijver en moeder tegelijk zijn, dat ging niet, was mijn overtuiging.’

    Dat je dingen denkt te weten, de ander denkt te kennen, jezelf te kennen. Daarover gaat Dezelfde maan. De onzekerheid als de keuze die je gemaakt hebt, begint te wankelen. Dat toch die andere weg begaan moet worden. ‘…als ik, jaren eerder al, besloten had toch kinderen te willen. Het moederschap. Een gezin. Wat was er dan van ons geworden? Van jou?’ De creatie van een andere verhaallijn. Wat als je het over kon doen, dat vraag ik me wel eens af. Welke keuze je dan zou maken. Zelfs als je iets buitensluit, blijft het bestaan. De mogelijkheid het toe te laten blijft. De eenzaamheid die dat tot gevolg heeft, die Dijkhuis ervaart op het eiland waar ze zich heeft teruggetrokken. Ze citeert Carl Jung (zo’n boek is het, auteurs en wetenschappers krijgen een plek in haar verhaal).

    Maar luister, dit dus: ‘…eenzaamheid wordt niet veroorzaakt door de afwezigheid van anderen, maar doordat je de dingen die echt belangrijk voor je zijn verzwijgt omdat ze ontoelaatbaar voor een ander zouden zijn.’ Hoe we onszelf niet laten kennen, en dat er nog zoveel is om te vertellen wat je nog niet weet. En weet, dit is een prachtig boek!

     

     

    Dezelfde maan / Dorien Dijkhuis / 123 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Wim Brands tegenkomen

    Wim Brands tegenkomen

    Twaalf jaar geleden verhuisde je naar het dorp waar Wim Brands opgroeide. Dat hij opgroeide bij het bos van Voorstonden waar jij wandelde. Je hem daar opeens kunt zien lopen, als jongen. Je denkt zelfs de plek te weten waar hij een hut maakte om te schuilen. Er was altijd de behoefte aan een schuilplaats. Dat huize ‘Oldenhof’ aan de Buurtweg waaraan je gewoon voorbijfietste, het huis was waar hij zijn eerste gedichten schreef. Dat het nu, opnieuw geverfd, tuinmeubels op het erf nog de verlatenheid toont van zijn gedichten uit die tijd.

    Het is de weemoedigheid van de herfst. De aarde lijkt constant in tranen, heeft daar alle redenen toe. Ze druppen langs blad en stam. De grond bezaaid met bladeren van plataan en kastanje, als vochtige zakdoekjes neergelaten. Je liep op weg naar het dorp over de begraafplaats. Bij de achteruitgang kwam je Wim Brands tegen in een gedicht op een kleine vierkante steen. Het gaat over de grootvader op een bank tegen de muur van het huis, die altijd dezelfde kant opkeek, steeds een ander uitzicht had. Het was de gedenksteen van zijn vader. Je dacht dat hij het zelf daar had achtergelaten. Later meende je dat het een dorpsbewoner moet zijn geweest, dit gedicht overtypte, er een hoesje bij zocht en het daar achterliet voor de vader, de zoon.

    Zijn vader werkte in de papierfabriek in een dorp verderop, was ‘fabrieksarbeider’. Hoe Wim zich afkeerde van de man die steeds stuiptrekkend onderuitging. Soms denk je hem te zien, die zwijgende jongen op een fiets. Of denk je te weten in welke sloot zijn vader van zijn fiets donderde door een epileptische aanval. Je ziet de jongen die Brands toen was naast die sloot stilhouden, omkeren, wegfietsten. Hoe de herinnering daaraan hem met schaamte vervulde. Veel later schreef hij erover in een brief aan zichzelf. 

    ‘Beste Wim,
    Het is vandaag Hemelvaartsdag en ik moet opeens denken aan die Hemelvaart – lang voordat hij zelfmoord pleegde – waarop jij met je vader een fietstocht maakte. Jullie hadden een moeizame relatie, om het vriendelijk uit te drukken. De meeste dagen zeiden jullie niets tegen elkaar. Soms een grauw en een snauw, zoals je moeder het uitdrukte. (…) Je moeder riep voortdurend dat ze nooit had moeten trouwen met die man. (…) Tijdens die Hemelvaart fietste hij opeens in een sloot. Je reed achter hem, dus je had niet gezien welk grimassen zijn hersens op zijn gezicht toverden, anders had je wel geweten hoe laat het was. Je kon zijn gezicht lezen zoals je grootvader zijn tuin. Het was een moddersloot. Ondiep gelukkig, zodat hij niet kopje-onder ging. (…) Je zag dat hij niet kon verdrinken, je wist dat hij weer bij zou komen… en je besloot weg te fietsen. Je hebt daar nooit met iemand over gepraat. (…)’

    In die brief aan zichzelf heeft hij het ook over zijn dwangneuroses, hoe hij daaraan ontsnapte door te lezen, te schrijven en programma’s te maken. ‘- je was eigenlijk altijd aan het werk sinds je aan die slootkant snel weer op je fiets stapte.’ Hoe hij ontsnapte, maar toch niet helemaal. Brands lezen is vervoerd worden naar een bepaald evenwicht. Wat achteraf bezien het wankel evenwicht verbloemde.

    En soms kom ik hem nog tegen op Tiradeblog, zoals hier in: ‘Terugkomen’.

    ‘Terugkomen is niet hetzelfde als blijven.
     Staat op een muur onder de brug over de Singel, vlakbij het Amsterdamse centraal station,
    het is geschreven door Belle van Zuylen.
    Hoe vaak heb ik daar niet gefietst?
    Hoe kan het dat ik vanochtend voor het eerst die regel las?
    Ik weet wel dat ik hem graag zelf had geschreven. Een regel
    die somber kan stemmen maar ook vrolijk, het hangt er maar
    vanaf welke kant je op rijdt.’

    Dat alles dus afhangt van welke kant je op gaat.

     

    Wim Brands (1952-2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Vrouw met woordhonger

    Vrouw met woordhonger

    Je moest ergens heen, er was een afspraak , dan toch treuzel je. Hoezo? De man wachtte al in de auto. Je was uitgehongerd (ontbijt was erbij ingeschoten). Maar je hebt het over woordhonger, dat bestaat, net als huidhonger. Je was dus begonnen aan De Parelduiker, die je stukje bij beetje verorberde en de man wachtte. Je begon aan ‘Een schielijke oplichter? – Over de betekenis van Bertus Swaanswijks oorlogsbrieven, (de latere Lucebert) door Graa Boomsma. Lucebert die eens zulke mooie brieven wisselde met Frieda Koch, de vrouw van Bert Schierbeek. Maar in zijn jonge jaren geloofde (en liet dat weten in zijn brieven) in de Duitse bezetters. Boomsma vraagt zich af of het bijvoorbeeld werkelijk zo was dat de latere kunstenaar en dichter in de zomer van 1942 met vrienden een bijeenkomst van het Nationaalsocialistisch Studentenfront bezocht. En waarom schreef hij in een bief aan een vriendin zo neerbuigend over Joden, omdat de vriendin pro Duits was?  Er is sprake van ‘knielzuchtige momenten’, als zijnde onderdanig, met alle winden meewaaiend. Er is sprake van een labiel karakter. Boomsma onderzoekt de omgeving waarin Swaanswijk opgroeide, de vrienden, alles wat invloed heeft op een labiele jongeman. Hoe de beweegredenen van een 16/17-jarige jongeman te begrijpen? Lees het, en je ontdekt dat het niet zo eenduidig is, of toch weer wel.

    Toen moest je echt gaan, de man in de auto enzo. Snel bladerde je nog door, naar de rubriek ‘In gesprek met de vorigen’ waarin jonge schrijvers vertellen over welke schrijvers hen zijn voorgegaan, wie zij bewonderden, door wie zij het lezen lief kregen. Je leest als een hongerige veelvraat. Weten hoe schrijvers aan het schrijven raakten, wie ze op een spoor zette. Deze keer is het Luuk Imhann (Thomas Heerma van Voss, Julie Ignacio – hè, het is toch Julien? – Alma Mathijssen en Merijn de Boer gingen hem voor in deze rubriek) die over zijn voorgangers schrijft. ‘De wereld was al oud toen ik geboren werd, in de herfst van 1986, in het bed van mijn ouders in een klein dorp in het Westland. Ik wist natuurlijk niet hoe oud de wereld was en ik ontdekte alles voor het eerst.’, begint Imhann.

    En daar ga je, het tijdschrift mee de auto in. Er is haast (kans op te laat komen door vrouw met onbedwingbare woordhonger). Maar dat interesseert je niet. Imhanns leren aan literatuur wel. Hoe Vestdijk, Haasse, de grote drie, De avonden van Reve hem niet konden bekoren (gewoon toegeven), en dan eindelijk via Campert en Slauerhoff het te pakken krijgt. ‘Campert was mijn startschot.’ En later Slauerhoff, die hem verder hielp de vaderlandse literatuur te ontdekken. Hoe hij zich een weg zocht door de Nederlandse literatuur, die lijn van voorgaande schrijvers  ontdekte. Hij schrijft, ‘Zie je, je kunt schrijvers in twee categorieën opdelen: zij die zich bewust zijn van de schrijvers die hen voorgingen of zij die denken uniek te zijn, alsof de (literaire) geschiedenis begon met hun geboorte. En daar maakt hij een prachtige vergelijking met de zalm, die al millennia met duizenden de rivier opzwemmen. ‘Ze volgen hun blinde intuïtie om terecht te komen op een plek waar hun ouders al waren. Een reis naar de plek waar ze vandaan kwamen.’

    En lees dan ook ‘Stichter Luc Coorevits blikt terug op veertig jaar literair ondernemen’, een interview met Coorevits door Martine Cuyt. Samen met zijn vrouw Marianne Janssen stichtte Coorevits in 1984 ‘Behoud de Begeerte’, kunstencentrum voor literatuur. Vraag: ‘Waar en wanneer viel u voor literatuur op het podium?”
    Antwoord: ‘De coup de foudre was in 1983, Nacht van de Poëzie, Utrecht. Hugo Claus las zijn “Jan de Lichte” zo majestueus en bezwerend dat ik voorgoed in de ban kwam van schrijvers die uit eigen werk lezen.’ Prachtige verhalen uit veertig jaar aan schrijvers een podium bieden.
    Neem het in memoriam ‘Nergens bang voor geweest’ aan Lisette Lewin (1939-2024) door Vic van de Reijt nog even mee. Hoe Lewin ooit bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar kwam. Over haar oeuvre en haar overlijden in het Sarphatihuis, waar ze op een ‘verborgen’ kamertje lag, ‘met de stukgelezen exemplaren van Tsjechov en Carmiggelt naast haar bed’.
    En er is meer. De Parelduiker heeft altijd meer te bieden dan je denkt aan te kunnen. Voor een woordhongerige zijn dat beslist geen parels  voor de zwijnen. Lees De Parelduiker!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Het moment van afdrukken

    Het moment van afdrukken

    Je had keelpijn en geen stem, cancelde alle afspraken en bleef thuis. Sjaal om je hals en vrij om op te gaan in het vuistdikke fotoboek, Maria Austria – Fotobiografie. Je bekeek elke foto, verdween in al die levens, de verhalen van die levens. Een foto uit 1947, je denk de situatie te herkennen, in de houding van de jonge vrouw op de voorgrond. In de afwezigheid van aandacht voor de drie kinderen die opzij van haar staan. Ze is gefocust op iets in haar handen. Je denkt ‘smartphone’, maar dat kan niet. De foto werd in september 1947 gemaakt in Het Apeldoornse Bos, waar in dat jaar vijfhonderd Roemeense kinderen verbleven in afwachting van hun vertrek naar Israel.

    De kinderen kijken alsof ze hen heeft buitengesloten. Je begrijpt dat je je soms moet afsluiten voor de gretigheid van kinderen. Je ziet afwezigheid. Vergelijkbaar met jonge moeders achter kinderwagens, mobiel in hun ene, met de andere hand de wagen duwend. Bij de vrouw op de foto is het of haar duimen een touchscreen aanraken, ze een bericht verzend. Je kijkt nog eens, ziet dan de bol wol onder haar linkerarm, een breinaald in haar hand, een stukje van een gebreide lap daaronder.

    Wie de foto’s van Austria ziet, begrijpt meteen waarom biograaf  Martien Frijns gefascineerd raakte door haar werk. Met haar foto’s legde ze belangrijke momenten in de geschiedenis vast. Een tijd waarin circussen nog rondtrokken, de watersnoodramp in Zeeland. Foto’s van het Nationaal ballet, Rudi Dantzig, een jonge Hans van Manen, van acteurs, schrijvers (prachtige foto van Leo Vroman met dochter Peggy uit 1969). En daarnaast de armoede in de jaren na de oorlog, beelden van het achterhuis met de vader van Anne Frank, Otto Frank. Het beeld dat je dacht te hebben van een situatie uit de geschiedenis, wordt met haar foto’s waarachtiger. 

    Meer dan achthonderd pagina’s aan foto’s, genomen over de jaren 1929 tot 1975. Ze geven je het gevoel dat er iets verloren is gegaan, de coherentie van het leven in die foto’s die is verdwenen. Het stemt weemoedig. Dat je enkel terugkijkend de geschiedenis kunt  begrijpen, dat besef als je naar Austria’s foto’s kijkt. De Nederlandse fotograaf Vincent Mentzel was bij Austria in de leer. Hij maakte bij haar veel uren in de doka, ‘waar ik leerde wat een goede druk nu eigenlijk was.’ En hoeveel papier daarbij verloren ging, ‘Verdomd veel.’ Dat zegt wat over het werk, waaraan geschaafd, gepolijst werd. En dan de vele portretten die ze maakte. Van James Baldwin, Maria Calles, Reinbert de Leeuw, Ramses Shaffy,  Chr. J. van Geel, Hans Dagelet. Een fotoreportage van Josephine Baker met haar twaalf pleegkinderen.

    Tussen al die foto’s dit portret van een jongen, vermoedelijk tien jaar. Het is de zoon van een vriendin van Austria, genomen in 1947 op de luchthaven waar hij met zijn moeder op hun vlucht naar Amerika wachtte. De jongen straalt een vermoeide gelatenheid uit, tegen droefheid aan. De schouders afhangend, armen zwaar naar beneden. Berusting en een niet weten wat komen gaat tekenen het moment. Je vraagt je af wat er van de jongen in Amerika geworden is. Zal hij zich het wachten, dat moment van de foto, zich Maria Austria nog herinneren.

    Wie was Maria Austria? Dat is een vraag die Frijns zich in de biografie stelt. Ze moet wel een hartelijke en toegenegen vrouw zijn geweest gezien de vele portretten die ze als een open boek met haar Rolleiflex vastlegde. Je vormt je een beeld van haar door haar foto’s. Altijd onderweg voor een opdracht, gegrepen door het moment waarop ze afklikte. Austria stierf onverwachts in 1975  door uitputting na een griep. Haar nicht Helly Oestreicher, die met haar twee zusjes voorkomt in 3lingnieuws, waarin haar vader Felix Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochtertjes van 1937 tot 1943 vastlegde, zegt over Austria’s werk, ‘Haar foto’s zijn geen momentopnames, ze vangen het veelzeggende moment.’ Austria’s beelden treffen je als een ijkpunt in de geschiedenis. Vol en scherp.   

     

     

    Maria Austria – Fotobiografie / Martien Frijns / 818 blz. / Uitgeverij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken.

  • Amalgaam van stemmen

    Amalgaam van stemmen

    Er zat een haas in het midden van het veld waar ik langsfietste. Fier rechtop berekende Haas zijn kansen. Ik fluisterde, ‘Ik zie je Haas’, stapte af en weg was Haas. Dat ik een haas aanspreek als was het een opperwezen dat een hoofdletter verdient, komt door Paul Biegel. Sinds zijn trilogie over Haas, raak ik betoverd als ik er een zie. De machtige kracht van het gestrekte lijf wanneer Haas ervandoor gaat. Telkens als ik er een zie, geloof ik graag dat het de enige echte is. Haas, waar in een verwilderde tuin door pad en goudvis, de gezusters nachtvlinder en het bijenvolk op gewacht werd. Haas als brenger van het goede. Alleen de mieren geloofden daar niet in.

    In De mierenkaravaan van Mariken Heitman komt ook een haas voor. Maar anders dan in die verwilderde tuin bij een verlaten huis, bezoekt deze haas de groentetuin van tuindersvrouw Kiek. Hij vervult haar met ontzag, maar ziet hem liever gaan dan komen. En dan zijn er de mieren. 

    ‘Stel, je ontdekt drie mieren op de muur. Al snel blijken het er dertig te zijn, honderd, een veelvoud, je ziet dat ze allemaal in dezelfde richting lopen maar ook dat is incorrect: sommige lopen heen en andere terug. Dan zie je dat ze nooit botsen, dat het enige contact eruit bestaat dat ze elkaar soms betasten met hun voorste pootjes. Je zet een stap terug en overziet dan pas hun hele route, die over de muur slingert maar gemiddeld genomen als een stijgende lijn een duidelijke richting heeft, je volgt die machtige zijderoute als een drone en al die moeite, denk je, al dat lopen. Zowel oorsprong als doel ligt buiten beeld.’ 

    Je denkt na herlezing (zo’n boek is het, je leest het nog eens), is dit niet de kern van het boek? Je nergens iets van aantrekken, nergens in geloven, zoals mieren dat doen. Geen doel stellen, niet achterom kijken, het nu is wat geldt. Wat voor Kiek – die met zichzelf te stellen heeft sinds uit een scan bleek dat ze MS heeft – betekent dat ze zal zaaien, oogsten, grond bewerken, teeltplannen maken, opnieuw zaaien. De seizoenen stuwen haar voort. In de vier hoofdstukken Herfst, Winter, Lente en Zomer heeft Kiek te maken met krachtverlies in handen, zwabberbenen, en moe, zo moe. Er is een intens proces gaande.

    Bij eerste lezing was het de reikwijdte van liefde die me trof. Waarom verbreekt Kiek haar liefdesrelatie nu ze MS heeft. Is een ziekte het waard de liefde af te wijzen? Ik denk aan de oudste zus van Jan Fontijn waarover hij schreef in Opgebouwd uit hetzelfde. Ze had hartproblemen waardoor ze, zo zei de arts, niet kon werken. En beter was het, zei de arts, met zo’n hart niet te trouwen. Waarmee hij haar de kans op een partner, die na haar dood om haar zou treuren, ontzegde. Dat is wat ook Kiek doet, zei ontzegt zich het medelijden en zorg van haar vriendin. Omdat ze de eenzaamheid beter verdraagt dan de liefde.

    Wat me bezighoudt, is de ik-verteller. Is het Kieks alterego, is het de tuin? Want als aan groenten, aanvliegende ganzen en een composthoop menselijke eigenschappen worden toegekend, waarom zou de tuin dan niet de verteller kunnen zijn. Hoe de ik de staat van een composthoop beschrijft. ‘Wekenlang gebroeid. In zijn hete buik is materie veranderd, hij is geslonken en inmiddels is de koorts gezakt. Na het smeulen volgt lauw wachten, zijn ademhaling oppervlakkig.’ Hoe mooi je dit vindt.

    Of is de ik bedoelt om bij afwezigheid van Kiek hiaten op te vullen. Kijk, in het volgende fragment stelt de ik zich voor als nettenboeter.  ‘Want dat is wat ik doe, ik vertel en boet het net. Vul gaten op en verknoop draden, zodat het een logisch uit het ander, zodat al die draden samen een weefsel vormen, (…) zodat ook de toekomst weer kloppend klinkt en de samenhang is verzekerd.’ Het fascineert me. Lees hoe rabarber groeit, elke lente opnieuw. Kijk dan toch! ‘de wortelstokken duwen hun toverballen boven de grond. Groen met rood dooraderde drakeneieren, bruin geschubd. Als over een paar dagen die leerachtige schaal barst, verschijnen er stijve bladeren op zuurstokstelen.’ Mooier zag ik de groei van rabarber nog niet eerder omschreven. Een betoverende en rijke roman.

     

     

    De mierenkaravaan / Mariken Heitman / Blz. 206 / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken. 

  • Meebewegen

    Meebewegen

    Ik wilde over de liefde schrijven. Maar eerst moest de afwasmachine uitgeruimd. Er is muziek. De radio speelt (ik zocht het op) de derde symfonie van Felix Mendelssohn. De weemoedigheid van strijkinstrumenten in de herfst. Het bladerdek van de plataan lekt druppels op het canvas van de tuinstoelen. Een Vlaamse gaai schettert door de tuin. Ik voel een gretigheid alsof het leven voor de laatste keer ten volle geleefd moet worden. 

    Dan Averij van Robbert Welagen. De jij woont met zijn vriendin, hond en kat in het bos. Vanuit het huis zo een zandpad op, het bos in. Drie jaar geleden werd bij Welagen lymfeklierkanker vastgesteld. Stap voor stap benadert hij de ziekte in zijn lijf. Eerst die verdikking. Daarna de onderzoeken, een verkeerde diagnose, opnieuw onderzoeken, opnieuw een diagnose, de chemokuren. Hoe hij van zichzelf vervreemdt, hoe breekbaar de liefde tussen zijn vriendin en hem wordt.  Zijn vriendin en hij houden van het bos. Hij houdt van haar hoe ze in de kas rommelt met potten en aarde. En, ‘Omdat ze het fijn vindt om ‘s avonds door een donker bos te fietsen.’ 

    Als het vermoeden van iets ernstigs in zijn gedachten woekert, denkt hij aan de dreiging die voelbaar is vanuit het bos als de dagen korter worden. ‘Soms is er iets met deze omgeving aan de hand. Het is alsof er vanuit het donker, staand tussen de bomen, een vreemde naar je kijkt. Een onzichtbare figuur die je in de gaten houdt als je, gevangen in het licht, eten klaarmaakt. Je schuift de gordijnen dicht en dat lucht even op, maar al snel word je je ervan bewust dat het gevaar zich nu achter de gordijnen schuilhoudt.’  

    Ik moet me eigenlijk met een aankomend jubileum bezig houden. De man en ik en ach, wat kennen we elkaar al lang. Wacht, dit gaat niet de goede kant op. Ik wilde over liefde schrijven.
    Averij gaat over vervreemding, van de jij en van zijn geliefde. Hij verliest zichzelf en zij grijpt steeds mis. ‘Godsamme’, roept ze op een dag, ‘Ik ben het gewoon zat dat het de hele tijd over jouw ziekte gaat.’ Hij voelt zich aangevallen. ‘“Dat weet ik ook wel.” In de stilte die volgt hoor je hoe zwak je woorden klinken.’

    Het beweegt door de regels heen, dat wat hij voelt voor zijn vriendin. Dat je liefde niet op krediet kunt nemen. De beschrijvingen over de ziekte, wandelen met de hond, ziekenhuisbezoeken, de dagen na de chemo en hoe zijn vrienden en familie reageren, zijn zodanig gecomponeerd dat het me soms ontroerde. Tot tranen toe. Om het ongeloof dat jou iets ernstigs kan overkomen. ‘Je zegt tegen jezelf: het komt vast goed. Ik leef gezond, ik ben pas veertig’ Of wanneer hij opeens beseft haar te kunnen verliezen, omdat hij ziek is, verzorgd moet worden. Maar ze blijft. Ze beweegt met hem mee, geeft toe aan wat hij nodig heeft. Liefde en ziek zijn, het is een beproeving. Wat een mooi boek, Averij. Over liefde dus.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column over boeken.