• Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Ook als schrijvers zich niet meer onder de levenden bevinden, willen ze op onverwachte momenten nog wel eens opduiken. Hermans, die meer typemachines bezat dan hij boeken heeft geschreven, leeft voort in zijn typemachines die in de stad Gent in België een onderkomen vonden. Om de typemachines te kunnen onderhouden worden ze ter adoptie aangeboden, als waren het verweesde, in de steek gelaten kinderen die gevoed en onderwezen dienen te worden. Door er een te adopteren zou het zomaar kunnen dat je er beter door gaat schrijven, een beetje nihilistischer misschien, maar toch.

    In het weekend van 4 juli werd er een stille tocht gehouden ter nagedachtenis aan omgekomen Arubaan, door politie geweld. In het verslag van de tocht werd uit de mond van ene Mark Marugg opgetekend dat het een waardige optocht zou gaan worden, dat hij geen relschoppers tussen de aanwezigen zag. Toen schreef de verslaggever: ‘Marugg, achterneef van schrijver Tip, zou later gelijk krijgen.’

    Tip Marugg (1923-2006) is een schrijver van tenminste drie boeken. Hij leefde op de Caribische eilanden waar ook Mitch Henriquez vandaan kwam. De schrijver is al jaren dood. Mitch Henriquez pas enkele weken. Tip had geen weet van Mitch, toch kreeg hij een rol toebedeeld in de stille tocht ter nagedachtenis aan hem. Tip Marugg, die bij leven nog nooit in Nederland was geweest, was daar opeens aanwezig. Marugg was een kluizenaar die niets van roem wilde weten. Maar hij drong zich overduidelijk opeens aan de verslaggever op en hij moest hem er wel als oudoom en schrijver bijhalen tijdens die stille tocht. Het leek alsof het hele gebeuren, die stille tocht, door het noemen van zijn naam een bovenwindse waarde kreeg. Het lostrok van het alledaagse. Ook de woorden Justice For Mitch die in witte letters op zwarte T-shirts gedrukt stonden, kregen meer inhoud. Wat natuurlijk onzin is, maar toch: literatuur verbinden aan een dramatisch gegeven maakt het tot, tja toch wel tot literatuur. Mitch zou zo in één van de het leven tartende romans van Tip Marugg kunnen plaats nemen.

    Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en Tip Marugg een alom bekend literair figuur was. Dat het de schrijver was die in 1988 met zijn boek De morgen loeit weer aan, genomineerd werd voor de AKO literatuurprijs. Een schrijver die, toen hij beroemd dreigde te worden, overwoog een bord in zijn tuin te zetten met: ‘Ik ben niet thuis’. Een schrijver die de drank het liefst had en zijn hondje Fonda noemde, naar Jane Fonda.

    Tip Marugg werd als oudoom van Mark Marugg,die meeliep in de stille tocht, meegenomen van station Moerdijk naar het Zuiderpark. Naar de plek waar het allemaal gebeurd was. Maar wie zou hem nu eigenlijk nog kennen, buiten het handjevol insiders van de Caribische literatuur. Wel stoer eigenlijk van die verslaggever. Laat de mensen zich maar afvragen wie Tip is. En wie Mitch is. Beiden met elkaar verbonden door een achterneef van Marugg. Tip en Mitch voor wie de morgen nooit meer aanloeit.

     

     

  • Ongezien

    Er zat een huilende zakenman in de Overground van Liverpool Street Station naar London Fields. Het was maandagmorgen. Eerder die ochtend namen we de dubbeldekker naar St. Pauls Cathedral maar kwamen nooit aan. Er was een ongeluk gebeurd, we kwamen niet verder dan Liverpool Street. Terwijl we stil stonden keek ik vanuit de dubbeldekker van bovenaf naar de Londenaren op straat die zo bezig waren met de dingen die ze doen moesten, dat ze niet merkten hoe druk het was. Voor zover ik kijken kon, zag ik een lange rode sliert van dubbeldekkers door de straat slingeren. Alles stond stil. We stapten uit, de buschauffeur zei: ‘I’m sorry.’ Terwijl we over de brede trottoirs liepen, kruisten strak geklede zakenmannen, die soms een papier of map in de hand hielden maar bijna altijd een beker koffie, telkens ons pad. Het begon te regenen. We namen de Overground terug naar London Fields.

    Toen kwamen we in dezelfde Overground te zitten waarin de huilende zakenman, waarvan ik een paar keer dacht dat het Joris Luyendijk was, maar vond hem daarvoor dan toch weer iets te fors, had plaats genomen. Hij was midden dertig en aan het bellen, zoals je dat van een zakenman verwacht. Ik grabbelde in mijn tas naar een potlood om iets waaraan ik dacht op te schrijven. De trein naderde juist een station, minderde vaart. Ik hoorde hoe de zakenman die steeds voor een moment op Joris Luyendijk leek en dan weer niet, met een prettige stem zei: ‘In about Twenty minutes I’ll be there.’ Toen stopte hij opeens met ademhalen. Ik hoorde het. Zoals het suizen in verwarmingsbuizen, dat je pas hoort als het stilvalt. De zakenman hield de mobiel tegen zijn oor gedrukt als kon hij hem nooit meer daarvan los krijgen, kneedde met ritmisch wrijvende hand de fronzen uit zijn voorhoofd terwijl aan hem een schokkende snik ontsnapte. Zijn gezicht was opgepropt van het huilen dat hij niet wilde laten gaan maar dat toch moest gebeuren. Niemand scheen het te merken, maar ik zag het.

    We bereikten onze bestemming en liepen door het park van London Fields naar Broadway Market. Daar was het rustig. Er zat een vrouw in de etalage van de Syrische bakkerij. Ze zat op de grond aan een laag tafeltje waaronder ze haar benen gestoken had en rolde met een dunne stok geroutineerd het deeg tot een perfect dunne pizza. Onverstoorbare handelingen die door niemand leken te worden opgemerkt. Ze zat er elke dag en bleef geroutineerd het deeg uitrollen waarmee ze een toren van pizza’s bouwde. Ze keek nooit naar buiten. Ze zag niet dat ik naar haar keek. En ik dacht nog aan die huilende zakenman, of er nu iemand bij hem was, die begreep waarom hij huilde.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over dingen en boeken die ze leest.

  • De schrijver

    De schrijver

    Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi. Als er zelfs gevraagd wordt of hij door zal lopen of dat ik liever heb dat hij terugloopt, om  het voorbijgaan aan mijn raam ongedaan te maken, kies ik geroerd voor het laatste. Waarop de wandelaar achterwaarts lopend uit beeld verdwijnt. Dat kan in een verhaal. Daarom hou ik meer van verhalen dan van mensen. Verhalen die ontstaan in de ruimte tussen de dingen in.

    Sinds enkele maanden sta ik op de zogenaamde graslijst voor zkv’s van A.L. Snijders. Zo gauw de schrijver een zkv klaar heeft, krijgen wij, die op de lijst staan, dat als eersten onder ogen. Ik geloof graag dat dat een privilege is. Dit weekend ontving ik een zkv getiteld Valérie. Waarbij ik direct aan Amy Winehouse moest denken. Maar die kwam er niet in voor. Het ging over een jongensachtig meisje dat de schrijver in 2002 bij een paasvuur in de Achterhoek zag. Een kind dat licht en springerig rond het vuur bewoog, er onderwijl takken opgooiend. Maar dat even plotseling stil op haar rug in het gras ging liggen, alsof ze dood was. Hoe een vrouw naast het kind ging liggen en zei: ‘Ik wil dezelfde dingen zien als jij.’ Daar schreef de schrijver toen een zkv over.

    Het is dertien jaar later als de schrijver dit voorjaar een boomchirurg laat komen om een berkenboom in te korten. De boomchirurg zegt, ‘U schreef eens een stukje over mijn dochtertje.’ Dat dochtertje is nu 21 jaar en studeert. Door deze ontmoeting is de schrijver opeens het besef van dertien jaren kwijt. Dat lukt je nooit in het echte leven: jaren laten verdwijnen. Maar wel in een verhaal. Ik vond dat prachtig en liet dit per omgaande de schrijver weten. Geen idee of de schrijver zelf achter de mailing zat maar wilde dat wel geloven. Ik ontving die dag nog een zkv. Hoewel die niets van doen had met het voorgaande, verbeeldde ik me dat deze alleen voor mij was. Omdat ik zijn stukje mooi vond en hij in een goede bui was en omdat het zondag was en de schrijver dacht: ‘Vooruit, het mag wel eens een zkv meer zijn.’

    Zo geloof ik ook dat de foto op de cover van Een handige dromer, de schrijver op jonge leeftijd is. Het voegt voor mij een speelsheid toe aan zijn verhalen. En kijkend naar zijn wenkbrauwen op die foto, weet ik dat het een soort wenkbrauwen zijn die nooit zullen stoppen met groeien.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en leeft.

  • Schaakmat

    Schaakmat

    Het kan wel eens gebeuren dat de communicatie stagneert. Of dat een gesprek zo vastloopt dat, ware het een schaakpartij geweest, het eindigt in een patstelling. Wat wil zeggen dat je pionnen, lopers, paarden, en andere stukken in beweging brengt in de overtuiging je punt te maken, maar dat uiteindelijk niemand wint. En daar zit je dan. Wás het een schaakspel geweest dan zou je zeggen: ‘Kom, laten we nog een spelletje spelen’. Maar het was geen schaakpartij. Het was een conversatie tussen man en vrouw. Op de bank met een wijntje,  kind noch kraai in de buurt. Tijd voor een goed gesprek, dacht de vrouw. Maar voor ze het wist ging het over de twee lampen boven de tafel.

    Van waar ze zaten, hadden ze goed zicht op de lampen. De vrouw zei: ‘die linkse lamp hangt scheef en ik krijg hem niet recht.’ De man die voor de lampen eigenhandig een gat in het plafond had geboord waaraan hij enig ontzag ontleedde omdat het iets was dat de vrouw (goddank) niet kon, zei, als schoof hij een pion één stap voorwaarts: ‘Oh’. Waarop de vrouw haar paard in stelling bracht en erop los galoppeerde door te zeggen dat het een rommelig zooitje was. Dat hij de lamp gewoon aan het snoer had moeten ophangen zodat het loodrecht naar beneden hing. Nu had hij naast het snoer een staaldraad aan de lamp bevestigd en daar de lamp mee aan het plafond gehangen. De staaldraad was loodrecht maar het snoer lubberde er zo’n beetje langsheen. Diagonaal bewoog de loper over het veld en de man zei: ‘Ik vind het mooi zo’. Toen sleepte de vrouw een toren naar voren, recht en hompig: ‘Maar dat kun je niet mooi vinden. Het is lelijk.’ Een pion rustig een stap vooruitplaatsend, zei de man: ‘Vind ik niet.’

    De vrouw fixeerde haar blik op een boek dat voor hen op tafel lag. Op de cover  van In ogenschouw, Essays over kunst, van Julian Barnes zaten eveneens een man en een vrouw op een bank. Verwikkeld in een amoureuze omstrengeling. ‘Kunst is een sensatie’ zegt Barnes. De man op de bank naast de vrouw die in een doodlopende conversatie was verwikkeld, droeg een versleten werkmansjasje, handen als om tubes verf mee uit te knijpen, penselen en spatels te hanteren.

    De vrouw draaide de wijn rond in haar glas, verstevigde haar greep in een aandrang het door de ruimte te laten suizen. Uit de radio klonk De Matheuspassion van Bach, het Judasgezang: Stehet auf, lasset uns gehen; siehe, er ist da, der mich verrät. Op het moment dat Judas, Jezus zou kussen, zou een licht klingelen van brekend glas weerklinken. De vrouw zag hoe de rode wijn langs de muur droop. Toen nam ze een slok en zei: ‘Dit weekend is het Pasen.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting, leest elke dag.

     

  • Leesclub

    Leesclub

    Wellicht omdat ik ben opgegroeid in een soort van groepsgebeuren heb ik een hekel aan clubjes. Nooit een kamer voor mezelf gehad. Als jongste ondergesneeuwd door de expansiedrift van oudere broers en zussen. En wat dat allemaal teweeg bracht. Daar word je beschouwend van. We waren met zeven kinderen en een inwonende grootvader. En dan nog mijn ouders. Genoeg om nooit meer lid van een club te willen worden. Toch beklom ik op een doordeweekse ochtend de trap naar de bovenverdieping van een vrij jonge boekhandel in Arnhem. Tussen de ruim opgezette boekentafels en lange wanden vol boeken zaten zeven vrouwen rond een tafel. Er was een staande kapstok, een bijzettafeltje en thermoskannen met koffie en thee. Nee, geen koekjes.

    We hadden elkaar hiervoor één keer ontmoet. Om de boeken te kiezen en de data te plannen. Toen we uit elkaar gingen waren we een leesclub. Zo gaat dat. Dat was zes weken geleden. Mijn neiging af te zeggen (boek niet uit, geen tijd ) onderdrukte ik. Want ik was contactpersoon. Hoe dat zo gekomen was weet ik niet meer. De helleveeg van A.F.Th. van der Heijden lag in meervoud op tafel. Ik pakte mijn exemplaar erbij. Tussen de bladzijden die ik tijdens het lezen van belang achtte, had ik gekleurde strookjes papier gestoken. Belangrijke dingen vervliegen snel tot onbeduidende dingen zo gauw je ze kenbaar wilt maken. Zo ging het ook deze ochtend.

    We schreven onze namen op dubbelgevouwen A-viertjes en zetten die voor ons neer. Zo wisten we wie we waren. Toen zei iemand, ik keek op het dubbelgevouwen papiertje en zag dat ze Lieke heette. ‘Wat een afschuwelijk boek was het’. Ze kneep daarbij haar ogen dicht en schudde haar bovenlijf alsof ze het koud had. ‘Ik vond het taalgebruik zo grof’, voegde de vrouw die Annet op haar briefje geschreven had, eraan toe. ‘Zo ga je toch niet met elkaar om.’ ‘Vergeet niet dat het in de jaren vijftig/zestig speelde’, zei iemand waarvan ik de naam niet kon lezen. ‘Ja, maar dan hoef je toch niet zo’n grove taal te gebruiken’, zei Lieke weer. Zo ging het een tijdje door. Er was geen enkele compassie met de hoofdpersoon, tante Tiny. Altijd met haar poetsdoek in de weer. Altijd haar gelijk halend bij haar familie die ze de schuld gaf van haar mislukte leven.

    Het was eigenlijk een nogal hilarisch boek. Er sprak veel droefheid der dingen uit. Over gangen van zaken die geen keer nemen. Toen vertelde iemand dat toen ze op achtjarige leeftijd haar drie jaar jongere broertje verloor aan hersenvliesontsteking, haar moeder haar op het hart drukte vooral niets op school te zeggen. ‘Wat afschuwelijk’,  klonk het weer. Het was in dezelfde tijd waarin Tiny uit het boek opgroeide. Ook in Tiny’s leven was een geheim. Iets met misbruik door een huisvriend. Haar ouders hadden haar verboden hier iets over te zeggen. Zwijgen. Dat deden ze in die jaren. En vooral geen vuile was buiten hangen. Altijd bang voor de buren. Ja, toen wisten we het weer. Dat afschuwelijke boek viel toen eigenlijk wel mee. Het was gewoon zoals het was geweest.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en een onophoudelijk lezer.

  • De liefde

    De liefde

    Opeens kon ik het idee dat ik nooit een selfie zou kunnen maken niet verdragen. Het overkwam me toen ik in een hoekje van een koffiebar een stel, dat duidelijk verliefd op elkaar was, de hoofden naar elkaar toe zag buigen en in lichte extase omhoog keken. Ze vormden een prachtige driehoek waarbij de iPhone van het meisje het middelpunt was. Ze lachten naar het toestel. Er werd afgedrukt. Dat moment kwam me opeens voor als het ultieme gebaar van liefde. Zo’n gebaar wenste ik mij ook te maken. Ik samen met Mijn Lief… Maar ik had geen iPhone. Dat besef maakte van mijn verlangen een onvervulbaar verlangen. Waar ik toch ook wel weer van genieten kon, van dat onvervulbare.

    Ik zuchtte, nog steeds door dat onvervulbare, en trok de krant naar me toe. Grunberg schreef in zijn voetnoot: ‘Alles wat echt is blijft verborgen.’ Dat trof me. Het was de eerste voetnoot na het overlijden van zijn moeder. Hij stond het niet toe verdrietig te zijn. Zijn moeder had zichzelf ooit één dag verdriet toegestaan. Dat was nadat ze had gehoord dat haar ouders waren vergast. Toen was het klaar. Terwijl hij naast het lichaam van zijn overleden moeder stond, vormde deze voetnoot zich in zijn hoofd. Zo gaat dat. Het verlies van een dierbare is niet met tranen te duiden. Ook niet met woorden. Door het op te schrijven brengt dat, wat tussen de regels staat soms meer aan het licht dan men vermoeden kan.

    ‘s Middag kwam Zoon met een vermoeide blik uit school. Hij mompelde een begroeting en liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Onderweg daarheen liet hij zijn rugzak, zwaar van boeken op de grond vallen en slaakte een zucht. Ik zat op de bank met een glas wijn en Mijn Lief nadat we wat conflictueuze dagen hadden gehad die op een of ander miraculeuze wijze vanzelf waren opgelost. Dat doen conflicten soms.

    Zoon liet zich naast me op de bank vallen. Zuchtte en streek met een vermoeid gebaar zijn haar naar achteren waarbij hij zijn ogen ten hemel sloeg. ‘Gaat het’, vroeg ik. ‘Mwah’, zei hij waarna hij zijn hoofd liet hangen. ‘Het gaat op het moment niet zo lekker tussen ons.’ ‘Ah’, zei ik. Dan, opkijkend: ‘Hadden jullie dat nu ook toen jullie pas een relatie hadden?’ vroeg hij. ‘Och’, zei Mijn Lief met een relativeringszin die ik niet bij hem vermoedde, ‘de eerste dertig jaar waren niet makkelijk.’ Waarna Zoon in lachen uitbarstte en zei, ‘ Fantastisch, dat geeft moed.’ En ik dacht ‘zo zie je maar’: ‘Alles wat echt is komt bij tijden aan de oppervlakte’. En schonk de wijn nog maar eens bij.

     

  • Recensentenborrel in Amsterdam

    Het was de warmste dag van November sinds 1848, bleek later. Zaterdag 1 november, de stad was vergeven van de toeristen. Op straathoeken en trottoirs, waar maar een tafeltje kan staan of alleen wat stoelen, geniet men, de toerist, van koffie, salades, borrels en elkaar. Het lijkt wel lente, zo bruist de liefde voor alles en iedereen door de straten van Amsterdam. Ik ben op weg naar Antiquariaat Egidius aan de Haarlemmerstraat, voor een recensentenborrel van Literair Nederland.

    Eerst had ik een afspraak met oudste Zoon om de stad te doorkruisen. We liepen onafgebroken en spraken over wat ons zo bezig houdt. Eerst naar –  en toen door Oud-West. Later rustten we uit op een trapje aan de Brouwersgracht. Zoon at een harinkje uit een servetje. Connie Palmen liep voorbij met een boodschappentas. Ze werd in de drukte door niemand herkend, maar Zoon zag haar. Ik had het nakijken, hoe ze richting Prinsengracht ging. Aan haar rug te zien, wist ik dat zij het was. Zoon ging, na een week vakantie in Nederland, weer terug naar Londen.  Hij liep de Brouwersgracht af terwijl ik hem nakeek. Waarna ik de Herenmarkt doorstak naar de Haarlemmerstraat. Daar zat een man op éénhoog in kleermakerszit in een open venster dingen te roepen waar je van opkeek. ‘Hé, schoonheid!’ Of, ‘Dag lieverd.’ Soms alleen maar: ‘Héééé…! Of Buhhh! Ook dan werd er omhoog gekeken. Wanneer je keek, zag je de man zacht heen en weer wiegen. Een wankel evenwicht dat zich steeds ten goede herstelde.

    Bij het Antiquariaat staat een tafel, vlak bij de ingang, waardoor het winkelend publiek misschien denkt dat er een besloten feestje gaande is Maar zo ging dat niet. Er  stonden flessen wijn en bier en allerlei hapjes. Er was muziek en het publiek, de toeristen, voelden zich vrij om binnen te komen. Sommigen dronken een wijntje mee. In Amsterdam kan alles, zullen ze gedacht hebben. De winkel bleef open tot ver na sluitingstijd. En doorbrak daarmee de stilte in de verder gesloten en donker wordende Haarlemmerstraat.

    De recensenten vermaakten zich voortreffelijk. Er werd gedronken, gelachen, recensies doorgesproken. Titels en auteursnamen vlogen over en weer. Er werden boeken genoemd die toch echt gelezen moesten worden (Zonsopgangen boven zee). Er werden tips gegeven voor als je vastloopt met een recensie. Of als je het boek niets vindt. Dat je er boven moet staan als recensent, werd er geleermeesterd. Enkelen hadden elkaar direct herkend als recensent. Een enkeling vergiste zich en sprak een klant aan. Andersom gebeurde dat een klant een recensent aansprak. ‘Hello, I’m from Manhatten. I wonder if you could help me …. Antiquriaat Egidius verkoopt veel (originele) prenten en oude stadsplattegronden. Een mooie collectie. Uit de lange wand met boeken zochten de recensenten drie boeken naar keuze terwijl een violist, een cellist en accordeonist muziek van Astor Piazzolla speelden. De wijn werd nog eens bijgeschonken. Waarna iedereen, voor even gelouterd en bemoedigd, weer op huis aanging.

     

  • Kiespijn

    Kiespijn

    Het was maandagmorgen en de lente maakte veel goed, zo niet alles. Ik was op weg naar de tandarts, gedreven door kiespijn. Aan de overkant van de straat scheen uitbundig de zon, daar liep een man op de stoep die moeizaam vooruit kwam. Hij droeg een grijze wollen trui, een afhangende spijkerbroek. Het schurende geluid van stugge spijkerstof dat over de ruwe stenen sleepte, bezorgde me rillingen. Ik zette mijn fiets tegen de muur, bleef even staan, om de man aan de overkant op de rug gezien, na te kijken. Hoe hij daar voortging, traag, verslagen. Nu wreef hij met beide handen over zijn gelaat. Heftig, alsof er een boze droom verdreven moest worden. De man aan de overkant had vast alles en iedereen die hij liefhad verlaten. Zomaar, omdat hij niet anders kon. Mijn tandarts kende ik nog niet.

    Sinds ik in het dorp dat aan de rand van de Veluwe ligt, woon, had ik hem nog nooit bezocht. In het weekend had ik zijn stem op zijn antwoordapparaat gehoord. Een wat rochelende stem, die klonk alsof hij zijn keel moest schrapen. Hij deed zijn best het niet zover te laten komen. Hij sprak zijn boodschap, met steeds schordere stem, helemaal uit. Ik begreep dat ik niet bij hem terecht kon, of ik moest een noodgeval zijn. Maar dat was ik niet. Ik hield de kans een ‘noodgeval’ te worden op afstand door me terug te trekken in mijn werkkamer. Door in Rug aan rug van Julia Franck te lezen (dat me in een trance-achtige staat bracht), geregeld een paracetamol te slikken, meer glazen wijn dan ik gewoon was te drinken. Ik hield het wel uit. Tot maandagmorgen. Gek genoeg bracht het wrange verhaal over de twee aan zichzelf overgelaten Duitse kinderen in een uiteengeslagen land van kort na de oorlog, me een bepaald soort sereniteit.

    Het schuren van spijkerstof over de ruwe stoeptegels, verergerde de zenuwpijn. Het leven van de kinderen Thomas en Ella, die zonder enige bescherming opgroeiden in het communistische Oost-Berlijn eind jaren vijftig, maakte de pijn draaglijker. Alles kon altijd nog erger. Als een doekje tegen het bloeden, pijn gestelpt met ellende en pijn van anderen. De tandarts ging op blote voeten in klompschoenen. Of waren dit nu crocs? Op zijn neus groeide een plukje haar. Hij had een mooie neus en dat plukje misstond hem niet eens. Terwijl hij schrapend en borend met metalen werktuigen mijn kies bewerkte, dacht ik aan de man in de grijze slobbertrui die in die  stille straat in het zonlicht had gelopen. Zo je al overgevoelig kunt zijn voor elke mate van geluk, dan was deze man het wel. Dat had ik aan zijn smalle rug gezien. Toen werd ik afgeleid door het plukje haar op de neusrug van mijn tandarts. Het leidde me af van de reden waarom ik hier was.

     

  • Troost gezocht

    Troost gezocht

    Ik zat op een rode driezitsbank in een van de gefingeerde woonkamers bij Ikea en dacht aan Leo Vroman. ‘Bij zijn leven kon hij zo over de dood schrijven dat je er bijna zin in kreeg’. Een zin waarmee Rob Schouten de dichter Vroman op treffende wijze memoreerde in een van zijn columns. Een tijd geleden zag ik met Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is maar morgen vast weer wel, naar de documentaire over het leven van het echtpaar Vroman. We keken in gezegende stilte. Alsof we weer kind waren en een sprookje voorgeschoteld kregen waarin dingen gebeuren die je niet voor mogelijk houdt. En na afloop verzuchtten we: ‘Zo oud te worden.’

    Een behoefte sterker dan mezelf had me naar Ikea gedreven. We gingen samen onderweg, ik en Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is, want we belandden in een belachelijke woordenwisseling. Ik visualiseerde me een plaatje uit de catalogus van Ikea. Een bank en plafondhoge boekenkasten met glazen deuren, een keuken met wit porseleinen spoelbakken en glimmende kranen. Ik liet me afzetten op de parkeerplaats en keek niet meer om. Bij de ingang stuitte ik op een bak vol met langwerpige witte plastic dingen met gekartelde ronde openingen; een organizer voor plastic zakken. Dat iemand daarover had nagedacht vond ik opmerkelijk.

    Thijs Wolzak zoekt wekelijks, voor de fotorubriek Binnenkijken in het NRC, naar design uit ‘de woonwinkel die een oplossing weet voor alle woonproblemen’. Er is weleens een lamp, een eettafel of staande afwasborstel op een aanrecht gespot. Op de standaardvraag: ‘Wat van Ikea’, wordt niet zelden ‘Niets’ ingevuld. En dat staat er dan, zo trots als een pauw. De verleiding steeds weerstaan. Waarbij soms, als opnieuw naar het plaatje gekeken wordt, het vermoeden rijst, dat er heimelijk iets weggeborgen is, voordat Wolzak zijn foto kwam nemen.

    Ondertussen zat ik nog steeds op die rode bank en zag aan de andere kant van het gangpad hoe een man de rugleuning van een eettafelstoel stevig vastpakte en eraan begon te duwen en te trekken. Waarna hij erop ging zitten, wiebelde met zijn bovenlijf woest heen en weer. Een vrouw, wat wel zijn vrouw moest zijn, probeerde hem ervan af te houden. Gegeneerd liep ze achter hem aan een volgende eethoek binnen. Ik kan me niet voorstellen dat Vroman en zijn Tineke ooit ruzie hebben gemaakt, of zich voor elkaar geschaamd hebben. Steeds zag je dat lieve tussen hen, dat krachtige zachtmoedige dat nooit wee werd.

    Vorig jaar waren ze, via skype, te zien tijdens de Nacht van de Poëzie. De hoofden naar elkaar toegenegen, dicht op de webcam, terwijl hij haar liet kiezen welk gedicht hij zou voordragen. Over en moordenaar ging het, die het leven niet gekend had, en over een levensvrije toekomst en ‘mijn dood ligt veilig achter mij’. Waarop gevraagd werd ‘hoe het dan met het leven moest’. En Vroman licht schouderophalend  zei: ‘Nou, gewoon. Leven.’ Troost was wat ik nodig had.

     

     

  • De getergde dichter

    De getergde dichter

    Laat ik het hebben over een vergeten stad waar een getergde dichter woont (die liever muzikant was), die op een scooter zijn reisfobie tracht te overwinnen en van dit alles poëzie maakt. En over de groupie in mij die achter de getergde dichter aansurft tijdens zijn tour langs virtuele podia. Geen sex, drugs & rock ‘n’ roll groupie die steevast eindigt in de porno-industrie (volgens wikipedia) maar de eigentijdse. Surfend van blog naar blog waar de bundel Ademhalen onder de maan van hand tot hand ging en nu in enigszins beduimelde staat bij mij op tafel ligt. De sporen van bewondering en teleurstelling zijn gelegd, het oordeel is geveld.

    Als bundel werd het werk van de getergde dichter vergeleken met de uitstraling van een gemeentefolder of juist geprezen om dat ene gedicht dat nu net niet van de getergde dichter zelf was. Een ander prees zijn bundel als perfect waarna het verwijt (waarom niet eerder zo gedicht, was de getergde dichter soms te lui, te ongeduldig geweest?) direct toesloeg. En ach, de getergde dichter werd steeds getergder en zoals het een goed dichter betaamt schreeuwde hij met opeengeperste lippen: ‘Jullie begrijpen er helemaal niets van, laat me met rust’. Maar toen hij zijn lippen van elkaar deed en zijn mond opende kwam daar het verraderlijk vage: ‘Waarschijnlijk zit er wel wat in je kritiek’.

    Als groupie ter plaatse had ik hem een flinke borrel geschonken en hem het zelfvertrouwen van een klassiek dichter laten ervaren. Wat dit dan ook mag inhouden, zeker is dat aan ondermijnende kritiek, hoe licht ook, niet werd toegeven. De dichter hoeft niemand te vriend te houden. Een getergde dichter moet een beetje sarren en stoken. Dat is goed voor het vuur.

    De getergde dichter schreef een bundel vereenzamende en tevreden makende poëzie. Tevredenheid en eenzaamheid  gaan hand in hand, een fijn koppel. In eenzaamheid kan de groupie in mij een volstrekt tevreden staat van zijn bereiken. Daar komt geen drugs & rock ‘n’ roll aan te pas. Poëzie waarover een dergelijk fijn sluier van vervreemding ligt dat eenzaamheid zich des te sterker laat gelden, is mij genoeg. Dat is  niet dramatisch. De poëzie van de getergde dichter is aan de werkelijkheid ontleend en daar bevindt zich geen drama in. Zijn werkelijkheid gaat zo diep als hij nodig heeft om te (over)leven. Elke bundel steeds moeilijker te doorgronden. Waar vanuit een haast meditatief schrijven de schrijnende zaken des levens belicht worden; waar doen we het  voor en wat is het doel van dit al.

    Dan wordt het tergender. De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel
    beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte, ‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’ De groentewinkel gebruikt als wisselkantoor en de bundel van de getergde dichter als doorgeefluik van een andere dichter.

    Tragisch het lot van de getergde dichter in zijn vergeten stad die verlangd naar (…) roken op bankjes met lotgenoten, roken / wat ik maar tussen vloeipapier kan krijgen, roken / tot elke gedachte is verdampt (…) Je bent zo moe. De wereld is groot / en vol geheimen. Het nest is het beste./ Pas op want ik blijf.’
    Waarmee de reisfobie gesublimeerd wordt en ik, als groupie hem vanachter mijn tafel op de voet zal volgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.