• Wat ik niet weet

    Wat ik niet weet

    Met schrijvers is het net als met kinderen in een groot gezin. Niet iedereen krijgt de aandacht die het verdient. Een gedachte die ontstond toen ik lezend in Deus Ex Machina met de neus op het feit werd gedrukt dat ik nooit iets van Iris Murdoch heb gelezen. Tussen de vele boeken ontsnapten die van haar telkens aan mijn aandacht. Ik zag heus weleens vanuit mijn ooghoeken een boek van Murdoch voorbij komen, maar dan drong een ander kind, (ik bedoel schrijver) zich naar voren, ging er met mijn aandacht vandoor.

    Dit weekend was ik in Utrecht bij Boekfest in Tivoli. Ik bezocht het programma ‘Op Schouders van Reuzen.’ Schrijvers vertelden over de schrijvers op wiens schouders zij stonden. Namen als Jeroen Brouwers, Simenon en Albert Camus vielen. De dag ervoor was er een Lezersmars, tegen het verwijderen van bepaalde literatuur van scholen en uit bibliotheken. Ik dacht aan schrijvers zoals Murdoch, die niet vergeten mogen worden. Er is iets te herstellen, iets om in te halen.

    Begin dit jaar gaf uitgeverij Cosimo Murdochs roman Het Italiaanse meisje opnieuw uit. Het verscheen gelijktijdig met deze editie van Deus Ex Machina, gewijd aan leven en werk van schrijver en filosoof Iris Murdoch (1919-1999). Er is veel dat ik niet wist, en hoe heerlijk dat is. Zo schreef Murdoch als fan van Jean-Paul Sartre het eerste Engelstalige boek over zijn filosofie en zijn romans. Naast haar filosofische werk, schreef  ze zesentwintig romans. Haar schrijversleven als romancier, filosoof, brievenschrijver en dichter wordt in essays en brieven vanuit het nu gericht aan de schrijver, voor het voetlicht gebracht.

    Zoals Lotte Spreeuwenberg (publieksfilosoof) die zich in een brief tot Murdoch richt. Een dode schrijver kun jr naar je hand zetten, gedachten toebedelen waarvan je nooit zult weten of ze hen ook echt pasten. Vooreerst lees ik met enige scepsis de aanhef van de brief, ‘Dag Iris, Ik schrijf je – mag ik je zeggen?- vanuit een wereld die jou vreemd zou voorkomen.’

    Maar dan, verderop in de brief word ik – misschien kwam het door Kristina Train die op dat moment op melancholieke tonen ‘Saterdays are the Greatest’ de kamer inzingt, (‘When you wake with someone / And you read the morning papers / In a little patch of sun’) – weemoedig van de woorden die volgen. Maken het schrijven aan Iris Murdoch opeens liefdevol. Spreeuwenberg schrijft Murdoch over huidige genderstudies. ‘Ik stel me zo voor dat dat jou bekend voorkomt: het verwijt niet vrouwelijk genoeg te zijn. Met jouw uiterlijke expressie, directheid en vrije liefdesleven. (…) Jij schrijft niet hoe ras, klasse of gender invloed hebben op de liefdevolle aandacht die jij zo belangrijk vindt. Er zit een gat in je morele filosofie als het op sociale en politieke zaken aankomt. Maar ergens, diep in de basis, zit het er toch. Onomstotelijk, zo lees ik je werk tenminste. Of ligt dat aan mij?’ Zo mooi dit is.

    Murdoch benadrukte, ‘Liefde is het gewaar worden van individuen. Liefde is het extreem moeilijke besef dat iets anders dan jezelf echt is. Liefde, en dus ook kunst en moraal, is het ontdekken van de realiteit.’ Een credo van alle tijden en doet een appél op barmhartigheid. Dat liefde het ‘extreem moeilijke besef’ is ‘dat iets anders dan jezelf echt is’.
    Dat zegt wat. Evenals deze ode aan Iris Murdoch door jonge schrijvers  bezongen in dit literaire tijdschrift.

    De laatste pagina’s zijn gereserveerd voor nieuw (mooi en indringend) werk van Mirthe Wouters, Anne Louïse van den Dool, Eelco Couvreur, Vincent Meenen, Louky van Eijkelenburg en Tessa Guijt. Alles zeer aansprekend, lezingswaardig. Dat een literair tijdschrift er is om belangrijke schrijvers te behoeden voor vergankelijkheid. Dat ik nu Iris Murdoch wil lezen, te beginnen met The Bell, Het Italiaanse meisje en tipte een onze poëziecolumniste me, ‘lees vooral ook The Unicorn’. Dat er schrijvers zullen zijn (of komen) die op de schouders van Iris Murdoch staan.

     

     

    Deus Ex Machina nr. 192 / juli 2025 / € 12,50


    Inge Meijer schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

  • Verstandsverbijstering

    Verstandsverbijstering

    Dat ik pas de volgende ochtend weet dat ik geen pure chocola had moeten eten toen ik achteroverleunend op de bank naar een serie keek die nogal teleurstelde. Er was thee met een tahin blondie, waar dus chocola in zat. Gehakte dadels en cashewnoten had ook gekund. Altijd als migraine me  overvalt, denk ik aan wat ik gegeten, gedaan of nagelaten heb waardoor het beest gewekt werd. Gisteren viel de dag uit mijn handen door nieuwsberichten over de NAVO-top (zet die radio dan toch uit!). Weemakende berichten op X van Rutte ter verwelkoming aan Trump deden me de das om. Dat je op zo’n moment iemand wil pootje haken. Languit wil zien gaan. Ga dan hoeveelheden afwegen, de tahin, suiker, meel, hak een brok chocola in stukken. Bak er wat van.

    Zie hoe weinig consistent ik ben, neem me wel meer dingen voor die ik subiet vergeet. Laatst, ik zat hoog in mijn sociale vaardigheden, nodigde ik een goede bekende die ik lang niet gesproken had, uit eens langs te komen. Ik had gerept van ‘iets lekkers te maken’. Toen weken later de kennis op de afgesproken dag en tijd aanbelde, tegen etenstijd geen aanstalten maakte te vertrekken, drong dat ‘iets lekkers te maken’ zich plots aan me op. Wat is dat toch. Misschien moet ik briefjes ophangen zoals Susan Sontag een briefje met NEE naast haar telefoon legde. Of het beantwoorden van vragen over mijn beschikbaarheid aan anderen overlaten. Dat ik alleen maar nee hoef te schudden.

    In 2019 emigreerde schrijfster Lia Tilon naar Spanje. Ze schreef er een aantal blogs over voor Tirade.nu. Ik zoek ze soms op als ik zoek naar evenwicht, schoonheid. Haar blogs scheppen een ruimte waarin ik verdwijn. Ze bevraagt zichzelf over heimwee, wat dat is. Ik denk aan de jaren dat er dagen van heimwee waren toen ik in het buitenland woonde. Dagen die me nu voorkomen als belangrijk, intens. Dat ik iets mis nu de diepte van heimwee afwezig  is. Dat eigen maken van een nieuwe omgeving. En hoe mooi zij dat beschrijft, daar ben ik dan even, op een prettige manier, jaloers op.

    ‘Aankomen in het huis van een vreemde vertoont nogal wat overeenkomsten met halverwege in een film vallen; om het verhaal te kunnen volgen moeten eerst de koffers worden geopend, de spullen worden uitgepakt. Door te kiezen voor de dezelfde bedkant als thuis, je horloge net als thuis onder het nachtlampje te leggen en je ondergoed naast de T-shirts in de kast, probeer je je vertrouwd te maken met onbekende kamers, je drukt op de lichtknoppen om te zien welke lampen er gaan branden en kijkt in de keuken of de glazen schoon zijn. Pas daarna, als je een beetje een idee hebt van het hoe en het wat, ben je in staat om onderuit te zakken en je schoenen uit te schoppen.’, schreef Lia Tilon in een van haar blogs.

    Dat ik wel weer eens op reis zou willen, halverwege in een film zou willen stappen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

  • Bekloppen van muren

    Bekloppen van muren

    Ik wenste me ineens een ruim zittende trui, afgetrapte schoenen. Ik had genoeg van haar dat goed zit, gestifte lippen, juiste schoenen. Met woorden tracht ik de lijnen van mijn ongenoegen af te bakenen. Ik rammel maar wat met letters als was het een pokerspel. Geen woord valt samen met een ander woord. Annie Dillard heeft het over een hamer. ‘Je lijn van woorden is een hamer. Je beklopt de muren van je huis. Je tikt tegen de muren, lichtjes, her en der. Na jaren aandachtig tikken weet je op welk geluid je moet letten.’ Ik stel me zo voor dat ik al kloppend de holle frasen op het spoor kom, de doffe klanken.

    Ik doe het mezelf aan. Met elk nieuw boek begeef ik me op onbekend terrein, raak door zinnen verbijsterd. Het boek Wolf gaat over de vermissing van een broertje, een nakomertje. Na vijf maanden vermist te zijn geweest wordt hij dood gevonden in de bossen van Lapland met een Moleskine notitieboekje om zijn lijf gebonden. Hoe hij daar gekomen is, waarom hij daar was, waarom zijn familie niets wist van zijn wens te willen verdwijnen, daar zoekt de schrijfster Lara Taveirne naar.

    Dat Moleskine boekje werd door de Zweedse politie, toen hij gevonden werd, in beslag genomen. De familie wachtte er met smart op. De hoop er een boodschap in te vinden die een aanwijzing over het ‘waarom’ zou kunnen geven, was als de beruchte strohalm. Als dan een Zweedse mail binnenkomt, wordt die hoopvol geopend. Gaande de vertaling van de mail begrijpen ze dat het dagboek nog niet vrijgegeven kan worden. ‘De vertaling voelde als het uitpakken van een fout gekozen cadeau.’ Hoe teleurstelling voelbaar wordt. Als later een kopie van het dagboek wordt bezorgd, belt haar moeder, na het gelezen te hebben, haar op. ‘Die broer van je, hij had schrijver moeten worden.’ Dat is ook wat ik dacht toen ik de in het boek opgenomen dagboekfragmenten hem las: dit is waarachtig een schrijver.’

    ‘(Al sinds mijn vertrek zit ik met een knagende hersenbreker in mijn kop. Die gast die Brommer op zee schreef, hoe heette die? Arie, denk ik. Maar ik weet het niet zeker. Als ik de voornaam kan achterhalen dan komt de rest vanzelf. Ik zou het graag aan iemand willen vragen, zoals aan de vrouw die schuin tegenover me zit en eruitziet als iemand die barst van de variaweetjes, maar ik durf niemand aan te kijken, laat staan tegen iemand te praten. Merde! Hoe heet die kerel toch? Het lijkt absurd dat ik me daar in het aangezicht van de dood nog druk om maak, maar intussen geloof ik echt dat ik pas vredig kan sterven als ik het weer weet. Maak je kenbaar, meneer Brommer op zee! Fluister uw naam.)’

    Dat ik hem wil influisteren: J.M.A. Biesheuvel… Maarten Biesheuvel.

    En dan. Beroemde schrijvers zijn waardeloos als ze het met echte woorden moeten doen. Ik hoorde van een schrijver die buiten zijn literaire werk nog geen boodschappenbriefje kon schrijven (Hemingway?), van een schrijver die verschillende versies nodig had om een helder te-laat-op-school-kom-briefje voor zijn kind te schrijven.

    Bij Taveirne is er een verweg familielid, een beroemd en gelauwerd schrijver die hen steun betuigt. ‘Een paar dagen nadat je was gevonden – we zaten verschanst in het ouderlijk huis – viel er een brief van de beroemde schrijver in de bus. Mijn moeder riep ons allen bij elkaar. Er lag verwachting in haar ogen. Verwachting die op ons oversloeg. In die envelop, dat geloofden we, zaten de woorden die de pijn het zwijgen zouden opleggen.’ Maar er was geen brief, maar een kaart waarop stond, ‘Hier zijn geen woorden voor’. Haar moeder staart naar de kaart, draait hem om en om, kijkt in de envelop, (alsof daar de woorden ingevallen zijn). Taveirne op dat moment: ‘Als de beroemde schrijver geen woorden voor ons had, dan waren we officieel reddeloos verloren.’

    Dit boek heeft me te pakken. Herinneringen aan een verdwenen broer, de liefde, de wanhoop en het waarom van dit boek. ‘Ik heb het nodig om het onder woorden te brengen, omdat ik het anders niet kan geloven.’ Tot haar broertje schrijft ze, ‘Ik hoop dat jij het niet erg vindt dat ik jou hertekend heb. Herschreven. (…) Alles om je te beschermen tegen het echte verdwijnen.’
    Taveirne heeft met zoekende en liefdevol kloppende hamer de woorden gevonden (‘je lichaam in een verhaal gewikkeld’) waarmee ze een jongen tot leven bracht. Een broertje, een nakomertje, een zoon die het in zich had schrijver te worden. En dan nog, dat verlangen naar een afgedragen trui.

     

     

    Wolf / Lara Taveirne / Prometheus (2024) / 236 blz.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • (N)iemand zijn

    (N)iemand zijn

    Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar  Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’

    Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.

    Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.

    Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.

    In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’

    Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.

    ‘Reiziger, je sporen
    zijn de weg die je aflegt,
    en zij alleen.
    Reiziger, er is geen weg,
    de weg ontstaat in het gaan.
    Gaandeweg ontstaat de weg,
    en als je omkijkt zie je het spoor dat
    je nooit meer betreden zult.’

    In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.

    Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.

     

     


    Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.

  • Als onmisbaar

    Als onmisbaar

    Reizen begint met de drang eropuit te willen, bakens verzetten, zoiets. Voor je het weet ben je je rugzak aan het pakken. Toen de man en ik midden jaren tachtig ons huis verkochten, ieder een eigen woonruimte vonden, besloot ik per trein naar Rome te vertrekken. Iets dreef me. De man, de toen nog twee  jonge kinderen gingen mee. Op een warme augustus ochtend kocht ik aan het loket van station Arnhem de treintickets naar Rome. De trein was vol, we bleven in de doorgang steken. Sliepen op de vloer van het gangpad terwijl de kinderen tussen een oud Italiaans echtpaar ingeklemd zaten. In die tijd ontstond de liefde voor Italiaanse literatuur, Elsa Morante, Natalia Ginzburg, Cesare Pavese, Luigi Pirandello. Dat je een land leert kennen door haar literatuur. 

    In De wereld in 48 stukken wordt in evenzovele hoofdstukken de wereldkaart uitgespreid. Je kunt stuk voor stuk een werelddeel doorlezen, of neem het register als leidraad. Zoek de naam van een schrijver, laat je geografisch vervoeren naar het land waar de schrijver verbleef, wat hij er deed, over schreef, of vandaan kwam. Of neem een plaats die je bekend voorkomt. Dan blijkt niet het doel maar de reis zelf (door dit boek) je in vervoering brengt. Onder de M, vind ik ‘Mull, eiland’, net boven ‘Murray, Les’. Het zet iets in beweging.

    Bij het eiland Mull, denk ik aan Miek Zwamborn, aan haar geweldige boek Onderling waar ik zeer van onder de indruk was. Ik lees, ‘In Onderling zie je gebeuren hoe een mens een gebied wordt, hoe literatuur en kunst een territorium helpen definiëren, en wat aandacht en liefde voor de natuur aan prachtigs oplevert.’ Dat dus.

    Ik lees over schrijvers die ik lang geleden gelezen heb in de context van de plaatsen waar ze verbleven. Henry Miller, Lawrence Durrell, Paul Léautaud. Elke levensfase brengt de literatuur die je nodig hebt. Aan Lawrence Durrell werd ik enkele jaren terug al eens herinnerd door de serie The Durrells, gebaseerd op de boeken van de jongste broer van Lawrence, Gerald. In de tijd dat ik Henry Miller las, dienden ook Anaïs Nin, Djuna Barnes en Lawrence Durrell zich aan. Literatuur is als een lopend vuurtje. 

    Griekenland was geliefd onder schrijvers. In De wereld in 48 stukken lees ik. ‘Byron reisde door Griekenland. Oscar Wilde, Henry Miller, Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Corfu. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij.’ Dan, de eigen beleving van Hartman. ‘De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuigelijk schrijven en leven wel moet bekoren, omdat er ook daadwerkelijk wat waar te nemen valt. Kruiden als tijm en oregano, wilde munt zijn overal te vinden, bijna als onkruid (…). Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malve.’ 

    Dit in een stuk dat eigenlijk over reisboeken schrijver Leigh Fermor gaat. ‘Leigh Fermor (…) kon je altijd geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende.’ Ik bewonder de drang tot het delen, het overbrengen van ontdekkingen, van literatuur.  Zelf kreeg ik eens de tip Marilynne Robinsons Genesis te lezen, en Joseph Mitchell, waardoor nieuwe wegen zich openden. Nu moet ik Fermor wel lezen, eenmaal op een spoor gezet, is er geen omkeren mogelijk.

    Over het 48ste en laatste stuk van de wereldkaart schrijft Hartman (daar is het waarschijnlijk allemaal begonnen, die liefde, die gedrevenheid voor het onbekende), ‘Op deze kaart een land van mijn keuze, Nieuw-Zeeland, een land dat tot mij spreekt op de manier waarop Rusland tot Nabokov doet in zijn memoires Speak Memory: in de taal van gelukzaligheid.’ 

    Dat een boek, een continent, een gebied gelukzalig maakt spreekt uit al die 48 stukken. Een bron van informatie voor wie zijn geografische en literaire blik wil verleggen. Al die boeken die Hartman las, de landen en continenten die hij bezocht komen voort uit een gretigheid te ‘willen weten’. Een welhaast onuitputtelijk boek om je vingers bij af te likken en waarin je onvermoeid aan het dwalen raakt. Voor wie zich Het volkspark in China wil begeven, nooit gehoord heeft van de expeditie van Edward Shackleton op de Falklands, kan dit zomaar een onmisbaar boek zijn.

     

     

    De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Wereld van onvermogen

    Wereld van onvermogen

    Dat je aan niemand, zo in het dagelijkse leven, kunt zien dat er seks in het spel is. Dat er verlangens zijn. Ik bedoel, de mens, netjes gekleed, goed gekapt, zeg maar, presentabel. Hoe vreemd gedachten kunnen zijn, hoe goed verborgen de dingen kunnen blijven. Alleen ik zelf ken mijn slechtste gedachten. In een boek vinden die hun plaats. Een boek als manier om onverbloemd de waarheid te zoeken.

    Wie ik ben, van Levi Jacobs is rauw en dwingend. De ik lijdt aan eenzaamheid. ‘Een eenzaamheid zo diep dat ik erin verdrink.’ Schrijven de manier zichzelf te ontdekken. ‘Ik moet gewoon ergens beginnen. De rest komt later wel.’ Om die eenzaamheid te overwinnen, verlaat hij zijn vriendin. Begint een relatie met een jongere vrouw. Is verslaafd aan porno en drugs. Het wordt er allemaal niet mooier op als hij tijdens een triootje een van de vrouwen tegen haar zin penetreert. Diezelfde nacht een zwerver in elkaar slaat. 

    Dit boek voelt als het betreden van een gebied waar vergeten is het bordje ‘Verboden toegang’ bij te zetten. Het is intiem, en heftig. Al is er met de constructie, de intentie van de schrijver, niets aan de hand. Ik lees over de transitie van een jonge advocaat naar schrijver.

    Over het verlaten van zijn vriendin zegt hij tegen zijn vader, een gepensioneerde huisarts die in zwijgzaamheid excelleert, ‘Ze belemmerde me. Een schrijver hoort niet in een gerenoveerd appartement in een Haagse yuppenwijk.’

    In Why I Write zegt Joan Didion dat ze schrijft ‘om te ontdekken wat ik denk [..] Wat ik wil en waar ik bang voor ben.’

    Levi Jacobs raakt aan zijn diepste zelf, iets om te herschrijven. Juist vanmorgen belde ik met een vriendin die zei dat ze een nieuw mensbeeld van zichzelf moest schrijven. Haar zelfbeeld klopte niet meer met hoe ze de wereld om zich heen verdroeg.

    Hokwerda’s kind was een heftig boek. Zelfdestructie, mentale verwaarlozing, seksuele uitbarstingen die in vechtpartijen eindigen. Wie ik ben blaast je van je sokken. Levi Jacobs overschrijdt de grens van het toelaatbare. Dat is wat schrijven vraagt, de naakte waarheid.

    Hij wil Salinger, zegt hij tegen zijn ex-vriendin als hij met zijn sleutel haar (voorheen hun) huis binnendringt om zijn boeken te halen. Welke boeken zou ik willen als ik huis & haard verlaten had? Ik denk Ginzburg, Zo is het gebeurd, Pruis, die me in het gelid zet, in schrijvende zin. En Braaf meisje van Philip Roth.

    Het noemen van schrijvers als Nanne Tepper zijn als een plaatsbepaling van Jacobs  in het literaire veld. Jeroen Brouwers schreef over Nanne Tepper: De avonturen van Hilliebillie Veen is even autobiografisch als De eeuwige jachtvelden […]  men komt er dezelfde ingekookte ikken in tegen en Hillie Veen, […] is geen ander dan Nanne Tepper zelf.’ Ik zou hier kunnen zeggen dat de Levi in Wie ik ben, de ingedikte ik, geen ander is dan de schrijver Levi Jacobs zelf. Ondanks de roman aanduiding.

    Als twaalfjarige zet Levi een jongen die hem had afgerost met een afgebroken ruitenwisser, een revolver tegen het hoofd. De macht die hem bij deze overspoelt. ‘Ik Levi, onaantastbaar. Gevreesd. Niemand kan mij wat maken.’ Een beeld dat zijn leven toonzet, hem opbreekt.

    Meer over schrijven. Toen hij in Marokko was. ‘Ik struinde wat door Marrakesh, was vrij en gelukkig. Schreef verhalen, at tajine, rookte aan een stuk door’ Het is de enige passage in het boek waar van geluk gesproken wordt. Annie Dillard karakteriseert het maken van een boek als ‘het leven in zijn meest vrije vorm’. Dat we onszelf een beeld maken waarin we geloven, ten goede of ten kwade.

    Dan, de onbetrouwbare moeder. Als kind las ze hem voor uit Marga Minco en Mulisch. De jongen wil niets liever dan dat het leven zo blijft. ‘Mama die op me wacht. Mij rondrijdt, haar jongste kind, haar cadeautje, verrassing, haar kroonprinsje, haar liefje.’ Onbetrouwbaar omdat de volgende dag er geen warm welkom is, moeder rokend in haar stoel, haar theemok als asbak. Houdt ongemakkelijke monologen over de wereld die naar de klote gaat. God, wat laat dit zich goed lezen.

    Levi voelt de ogen van zijn moeder overal, het stempel dat ze op hem gezet heeft. ‘In alles wat ik deed schemerde haar oordeel door. […] Ik raakte angstig terwijl ik vree, bedacht op het beeld van haar dat zomaar weer kon komen opzetten.’ En dan: ‘Iets in mij is misvormd.’

    De moeder: ‘Waarom nemen mijn kinderen me zo serieus?’

    Het is nog niet genoeg. Levi is onaardig, een obsessieve mastrubeerder, een fetisjist van dames ondergoed, sokjes, en dat alles kan zijn onpeilbare eenzaamheid niet dempen. Hij wil een raadselachtig figuur zijn, een schrijver. Net las Robert Bolanõ en B. Traven. ‘Ik sla mijn notitieboek open en schrijf dat ik naar het vliegveld moet gaan en een vlucht moet boeken naar Mexico.’ Wat hij niet doet. Er is een wereld van onvermogen die aan zijn voeten ligt.

    Wat er doorschemert. Zijn ouders hebben hem gevormd, maar zijn niet verantwoordelijk voor zijn eenzaamheid, het ontbreken van geluk. Dat is wat waard.
    ‘Waarom, vraag ik me af, waarom moeten we overal woorden aan toekennen?’, denkt Levi als zijn vader bij de uitvaart van diens zus enkel, ‘Lieve zus… Slaap zacht.’, in de microfoon fluistert. Dit is geen biecht, maar een knap geschreven bildungsroman.

     

     

    Wie ik ben / Levi Jacobs / 205 blz. / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en wat haar beweegt.

     

     

  • Dit drieluik

    Dit drieluik

    Het begon met het ogenschijnlijk onschuldige brievenboek 3lingnieuws. Waarin Felix Oestreicher, soms Gerda Oestreicher-Laqueur, familie en vrienden per brief op de hoogte houden van de ontwikkeling van hun drie dochtertjes, waarvan de jongste een tweeling. De brieven doen verslag van een gelukkig gezinsleven waar hier en daar de oorlogsdreiging doorheen sijpelt. Brieven waaruit een grote opmerkzaamheid en liefde spreekt die, met het oog op het verloop van hun geschiedenis, me ten diepste raken.

    Op 1 februari 1938 schrijft Gerda een brief over een dag met de meisjes. Hoe ze voor het slapengaan hun lievelingsliedjes zingt. Dat Beate voortdurend roept, ‘En nu voor mij’. Dat Maria stilletjes luisterend op haar duim zuigt. Hoe, als ze bij haar komt, Maria met beide handjes over haar arm wrijft. ‘Als dit misschien wel mijn beste tijd is, dan mag ik die nooit vergeten.’ (Nooit vergeten)
    Als op  27 april 1938 blijkt dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, een verzoek voor een inreisvisum naar Engeland is afgewezen, vlucht het gezin vanuit Karlsbad, Tsjechië halsoverkop naar Nederland.

    Dit is het verhaal van een Joodse familie, vader, moeder, drie dochtertjes, de oudste 3, de tweeling 1 jaar. De komende vijf jaar verblijven ze op verschillende adressen in Nederland. Tot ze op 1 november 1943 worden opgepakt. Een van de tweelingmeisjes wordt met difterie naar De Joodse Invalide gebracht. Van daaruit naar een onderduikadres in Gorssel. De rest van het gezin, plus een grootmoeder, komen via Westerbork in Bergen-Belsen terecht. Grootmoeder overlijdt in het kamp, Gerda en Felix overlijden kort na de bevrijding aan vlektyfus in Tröbitz. Maria (9 jr.) en Beate (10 jr.) blijven alleen achter tot het Rode kruis hen naar Nederland vervoert, waar ze met hun zusje Helly worden herenigd. 

    Naderhand, is het tweede deel. Gedichten van Felix Oestreicher die hij in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz schreef. In een van zijn laatste gedichten, april 1945, net bevrijd, schrijft hij, ‘Heel langzaam sluipen we weg, / heel langzaam, vredesvreugde komt / niet in ons op. Te lang zijn we / geknecht en in de strijd vertrapt,’. En deze (stille) woorden: ‘Maar zien we een bekend gezicht, / dan glimlacht onze stille groet: / je leeft nog! Dat is mooi, heel mooi.’ Het ontbreken van zwartgalligheid, de vergevingsgezindheid van deze woorden, het breekt me op.

    Dan de finesse. In 1993  gaan de drie zussen op zoek naar het graf van hun ouders in Tröbitz. Helly, die van haar zussen hun verhaal over de oorlog wilde horen, heeft hun gesprekken tijdens hun reis opgenomen met een cassetterecorder. Gesprekken over hoe het was. Hoe een kind (dat moet je je steeds voorhouden, dat het kinderen waren) zich het kampleven, de dood van de ouders herinnert, de honger. Hoe ze twee weken lang in overvolle treinwagons door verwoest landschap reden, toen nog met hun ouders. Een dialoog uit De Wittenbergtape:

    Maria: ‘Ik heb van die Duitsers nog een kopje soep met worst gekregen.’

    Beate: ‘O ja?’

    Maria: ‘Ik mocht van mammie niet nog een keer langs die trein om wat te halen.’

    Helly: ‘Had je dat wel gewild?’

    Maria: ‘Ja, natuurlijk. Ik wilde worst. En ik was ook stomverbaasd dat hij mij dat gaf. Een Duitser die je wat geeft?’

    Beate: ‘Ja.’

    Maria: ‘Hij had een verband om zijn kop.’

    Helly: ‘En jij liep daar gewoon met je handen op je rug langs?’

    Maria: ‘Nee, want ik bedelde. Niet met mijn handen op mijn rug, natuurlijk niet. Bedelen. Ik wist niet dat het Duitse soldaten
    waren.’

    Helly: ‘Je wist niet dat het Duitse soldaten waren?’

    Beate: ‘Je zag hen als gewonden, verder niet.’

    Maria: ‘Ja, nee. Eerst wist ik het natuurlijk niet. Ik ga toch niet bij Duitse soldaten bedelen? Dat doe je natuurlijk niet.’

    Dat schokt me. Die wijsheid waar ik onbezonnenheid verwacht. Dat ik vergeet dat het nog kinderen waren. Nee, het is dat ze zelf vergeten zijn dat ze nog kind waren.

    Hoe aangrijpend deze reis achtenveertig jaar na de bevrijding is, blijkt uit de emoties die soms opspelen. Als ze de boerderij in Tröbitz  terugvinden. ‘Bij het hek van de boerderij krijgen Maria en Beate schreeuwende ruzie. Ik heb hen nog nooit zo tegen elkaar tekeer zien gaan. Het gaat nota bene over het huisnummer van de boerderij.’, schrijft Helly.

    Martien Frijns vertelt in een nawoord hoe de doden uit de overvolle wagons werden gegooid, in de spoorbermen achterbleven. Hoe de trein na een reis van twee weken, het passeren van verschillende steden Tröbitz bereikte, ‘waar in de weilanden de paardenbloemen volop bloeiden.’

    Lijken in spoorbermen, die bloeiende paardebloemen, het contrast. Het ongewone dat zich niet met het gewone verenigen laat. Moet daar niet iets van geleerd worden. Dat wat gewoon lijkt, niet altijd gewoon is? De gedoseerdheid waarmee deze familiegeschiedenis wordt opgediend bracht me nog nooit zo dicht bij de onnoembare gevolgen van genocide. Dat ik een korte column wilde schrijven, dat me dat niet gelukt is. Lees dit drieluik.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

     

  • Meesterlijk beschreven

    Meesterlijk beschreven

    Had ik nu echt tijdens een borrel tegen een schrijver gezegd dat ik aan een boek werk? Op de gekste momenten komt het bij me naar boven. Als een pop-up op de online pagina van een dagelijkse krant. Het verstoort mijn denken, zou het willen wegklikken.

    Het is dat hij het vroeg, de schrijver. Tijdens die borrel werd hij geïnterviewd over zijn boek Het archief. Na afloop vroeg hij (indringende blik) wat ik meer deed dan redactiewerk, columns. Alsof ik iets op te biechten had, zei ik het, van het boek. Hij knikte, ‘Ja, ja.’ Alsof hij het wel gedacht had. 

    Als iemand me in ‘real life’ aanspreekt op dingen die online verschenen zijn, hakkel ik me erdoorheen, spreek met stompe woorden. Zoiets. Ik vrees dat het ook werkelijk een boek gaat worden. En dan. Hoe houd je de dingen uit elkaar.

    Nog een geluk dat ik niet over zijn moeder begon. Niet dat gesprek voerde dat fietsend vanaf het station naar de borrel zomaar in mijn hoofd ontstond. ‘Goh, ik zag je moeder afgelopen zomer op Terschelling.’ Dat hij zou zeggen, ‘Oh, wat leuk, ja, ze heeft daar een huisje.’ Ik onderbrak mezelf: ‘Oh nee, geen sprake van. Je zegt niet dat je zijn moeder op een vroege ochtend bij een duinopgang op Terschelling zag.’ 

    Ik ging die ochtend met de jongste dochter zwemmen in zee. We kwamen niemand tegen.Toen zag ik haar aankomen fietsen. Ze stopte bij duinopgang Formerum, juist waar wij naar boven moesten. Ze zag er ontspannen uit, mooi ook, ze droeg iets in zwart wit. Mijn dochter had geen idee. Ik fluisterde, alsof het een zeldzaam duinvogeltje betrof dat ik niet wilde doen opschrikken, ‘Kijk, daar staat een belangrijk feministisch schrijfster, weduwe van die en die.’ Bij het zien van haar aanwezigheid, begreep ik opeens dat het wegvallen van een partner verdrietig en bevrijdend kan zijn. Het Beladen huis was nog niet verschenen. 

    Eigenlijk wilde ik het hebben over Het archief. Ik loop er al maanden mee, maar dan verschijnt die pop-up weer in mijn hoofd. Nee, dat is niet het ergste, wel het ontbreken van de juiste omschrijving van dit boek. Steeds denk ik, het is meer dan een geweldig knap geschreven boek over een literair tijdschrift. Het gaat om hoe de dingen samenvallen. De schrijver met zijn verhaal, het alter ego van de schrijver met de vader, de moeder uit Het archief, en dat weer met het dus later verschenen Beladen huis. Dat het oprechte personages zijn, er oprechte verlangens spelen. Dat verlangens een drijfveer zijn om ergens te komen. 

    Het alter ego van de schrijver wil van betekenis zijn in de literatuur. Al is het maar in de marge, als redacteur van het literaire tijdschrift Arabesk bijvoorbeeld.  Even was het alter ego bang dat hij gevraagd werd op de merites van zijn bekende vader. Dan wordt duidelijk hoe belangrijk de goedkeuring van zijn vader voor hem is. Hij legt het aanbod zijn vader (oud-hoofdredacteur opinieweekblad, programmamaker, acteur, schrijver) voor. Die zegt: ‘Mijn advies: gewoon ja zeggen.’
    Als je daarvoor gevraagd wordt, zeg je geen nee. Vertel mij wat.

    Maar dat de dingen zich niet laat dwingen, ook niet in een literair tijdschrift. Literatuur op zich is geen ‘spread the word’ ding.

    Ik lees over de nauwgezet beschreven redactievergaderingen, kwaliteit van ingezonden stukken, presentaties nieuwe edities, hoop (die gaandeweg vervliegt) op meer abonnees, zoeken naar een nieuwe uitgever, weer een nieuwe uitgever.En daar tussendoor de uitzonderlijk tedere beschrijvingen van de vader. De meesterlijk beschreven observaties. Zoals de dag dat zijn vader de diagnose kanker stadium vijf krijgt. De specialist zegt: ‘“(..) ik kan me voorstellen dat dit alles u nu een heel onwerkelijk, akelig gevoeletje geeft. Maar ik zou u willen vragen: heeft u een fijn leven gehad?” Mijn vaders handen belanden op de stoelleuningen, vielen ervan af, hij knipperde druk met zijn ogen. (…)
    “Jawel”, zei mijn vader. “Alleen het was nog niet helemaal klaar. En… ik ben niet zo geneigd tot grote tevredenheid.”
    “Het gras is groener aan de overkant?” vroeg de specialist.
    “Het gras is gewoon niet zo groen.’”

    De vader die daarna in het  ziekenhuiscafé bibberend een kopje thee drinkt. ‘Pas in de taxi naar huis vloekte hij. “Godverdomme zeg,” doorbrak hij de minutenlange stilte. “Had die arts het nou over een gevoeletje?”’
    Dat de vader overal bovenuit stijgt, daar kan een literair tijdschrift niet tegenop. Ik heb het over een zeer goed boek. 



    Het archief / Thomas Heerma van Voss / 274 blz. / DasMag


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en ziet.

     

  • Verschuivingen

    Verschuivingen

    Dat ik steeds minder veranderingen verdraag. Ik, die niets liever doet dan de woonkamer anders indelen. Columnisten die verdwijnen, ergens anders weer opduiken. Sylvia Witteman weg bij de Volkskrant (onbestaanbaar). En waar blijft Stephan Sanders? En een boekenprogramma waarbij het publiek onzichtbaar is. Na het verdwijnen van het radioprogramma De Avonden ben ik eigenlijk uit de koers geraakt. Nu switch ik als een op hol geslagen paard van podcast naar podcast. Ik verlang naar oogkleppen. Nu de zon zo fel de lente verkondigt, sluit ik de gordijnen, treed gezonnebrild naar buiten. 

    Ik hecht dus aan dingen, aan gewoonten. Waarom dan die woonkamer. Schuiven met kasten en tafels door de kamer, eerst de chaos. Dan wordt het een andere beleving, die kamer. Soms wekelijks, naar gelang het seizoen, weertype ook. Humeur heeft er ook wel mee te maken. Tot zover de zelfanalyse. Het ontbreekt me aan een onderbouwing.

    De vrouw van Nick Cave doet hetzelfde, my sorrowful wife / Who is shifting the furniture around’. Hij vindt het niet leuk die veranderingen. ‘Dus gebeurt het als ik niet thuis ben’. Dat vrouwen dat dus gewoon zijn te doen, de dingen om zich heen verschuiven, ‘the furniture around’. Dat daar geen plan aan ten grondslag ligt.

    Er is nog iets wat ik niet verdraag. MarjaPruis heeft haar column plek in De Groene Amsterdammer afgestaan. Er staat: ‘Op deze plek wordt Marja Pruis de komende tijd vervangen door Maartje Wortel’. Dat niet weten hoelang de komende tijd gaat duren.

    Terug naar Nick Cave. Hij bezocht een psychiater om velerlei redenen. Uiteindelijk hadden ze het alleen maar over zijn vrouw, Susie. ‘Die veel interessanter is dan ik’, volgens Cave. De psychiater zei dat herinrichten iets is dat vrouwen doen als ze niet doen wat ze eigenlijk moeten doen. En wat ik daarvan moet denken. Dat ik ga schuiven als ik eigenlijk moet schrijven. Alsof een veranderde omgeving de ideale zal zijn.    

    Ik dacht er weleens over om in therapie te gaan. Te onderzoeken waar die onbedwingbare drang om banken en kasten van hun plek te verslepen vandaan komt. Nick Cave vertelde over een man wiens vrouw dit ook deed. De man timmerde alle meubelen aan de vloer vast. De vrouw rukte ze weer los, ze scheidden. Dwang is niet met dwang te bestrijden. Dat ik er wel eens van droom een schuurtje midden op een kaal stuk land te betrekken. Of en nieuwe taal te leren.

    Dan, terwijl ik aan dit stukje typ, klik ik naar Tirade.nu. Oh, afleiding, dit online open veld is niet te weerstaan. Klik, en weg ben ik, lees. ‘Net buiten de dammen op de hoogte van Ooltgensplaat begon de wind in de zeilen te blazen en begon het schip te lopen. De meeste binnenvaarders waren al snel uit het zicht; een verschillende manier van tijdsbeleving. Tango klonk op het achterdek en toen de zon doorbrak werd een gitaar buiten gebracht. De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’

    Verscholen in een aantrekkend blog van Wiebe Radstake staan namen als ‘Ooltgensplaat’, begrippen als, ‘en begon het schip te lopen’. En deze zin, ‘De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’ Een woord als ‘kluiver’, ‘aangeslagen en gehesen’, geeft me vleugels, tilt me op. En dan die tango en gitaar op het achterdek, betoverend gewoon.

    Kunst werkt evenals het verschuiven van meubels, van woorden het gemoed te verlichten. Depressieve jongeren in Brussel krijgen al langer van hun arts een recept voor museumbezoek. Deze week volgde Zwitserland met dezelfde receptuur. We moeten van de bank af, of die bank tegen een andere muur zetten, liefst midden in de kamer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en ziet.

  • De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Schermeriaanse wijze

    Schermeriaanse wijze

    Marijke Schermer staat op de shortlist van de Librisprijs. Ik veerde op van de bank toen de goednieuwsbrenger met het goudkleurige tasje van de Libris Literatuurprijs bij haar de trap opliep. Schermer zei, ‘Oh, oh, oh, oh’ (vier keer). Toen vroeg ze of ze de eerste was die ze bezochten (maandagochtend voor 9 uur). ‘Uhm’, zei de goednieuwsbrenger en het beeld ging van Marijke Schermer naar een opname van Maurits De Bruijn, die uit eenzelfde tasje een pakket boeken haalde, bij opening Schermer bovenop vond. ‘Oja, Marijke Schermer met in het oog’. 

    Ik riep naar de man in de keuken dat het een geweldig boek is. Over een vrouw, (Nicola) pragmatisch als een  timmerman die bij het zien van een losse trapleuning hamer en spijkers pakt. Nicola deed me wel wat aan de man denken. Vooral in de conflictoplossing. Ik liep naar de kast, legde In het oog naast me op de bank. Keek naar de beelden van de andere genomineerden. Daar was Schermer weer in beeld. Voor haar op tafel lagen de vijf boeken. Ze tikte ze een voor een aan. Zei, (tik op Joost de Vries) ‘Ik heb deze gelezen’, (tik op Ellen Faun), ‘Deze gelezen’, (bij Safae el Khannoussi) ‘deze heb ik al wel maar nog niet gelezen’. Bij het eerste en laatste boek, ‘Niet gelezen, niet gelezen’. ‘En wie wordt de winnaar?’, vroeg de goednieuwsbrenger alsof hij met een van de juryleden sprak. ‘Tsja’ zei Schermer (ik zag haar denken), ‘Daar zeg ik… daar doe ik geen uitspraak over.’ 

    Ik houd van de romanfiguur Nicola, om haar onconventionele manier van leven. Haar relaties lijken niet te slagen omdat ze niet op zoek is naar geborgenheid (weten we eigenlijk wel wat geborgenheid doet met de mens?). Haar geliefde ‘trekt’ dat niet meer, verlaat haar. In een poging het uit te praten, dacht Nicola: ‘Bee zag er mooi uit en een beetje verhit en ze had al een tijdje niets gezegd, geloof ik. Of was ik aan de beurt? (..) ‘Zullen we naar bed gaan vroeg ik.’ Ze dacht als we tegen elkaar aanliggen, komt het wel goed. Vertel mij wat. In elke relatie is er een natuurlijke verdeling. De een houdt de boel in beweging, de ander beweegt mee, of niet. Niks mis mee. Tot die ene vindt dat die ander ook weleens in beweging mag komen. Ik denk geregeld aan Rudger Koplands ‘Geluk is gevaarlijk’. Toen ik dat voor het eerst las, leefde ik ervan op. Door In het oog moest ik daar weer aan denken.

    Over liefdesrelaties schrijft Schermer: ‘…begeerte is vaak de motor achter liefdesrelaties en daarmee ook het net waarin je gevangen kunt raken. Het opent allerlei zuchtigheid, of wakkert die aan, zoals het verlangen naar geborgenheid bijvoorbeeld.’ Zie hier, geborgenheid in de betekenis van geestdodend middel. En ‘zuchtigheid’, wat een prachtig woord om verlangen, aanbidding mee te vervangen.
    Marie, de dochter van Nicola is actievoerder voor het klimaat. Hoe Schermer het doet weet ik niet, maar naast het belang van liefde, dringt de teloorgang van alles dat vaststond, waar we op bouwden, tot ons door. En dan het einde, dat niet het einde is. ‘Dit is nog maar het begin.’, schrijft ze. Ik bewonder de schrijfster die zulke boeken schrijft. Dat je hoopt dat op 19 mei, als… dat dan… Omdat het een knap boek is, met verhaallijnen die steeds kantelen, ten goede, ook als het niet goed gaat.
    Lees dit boek. Wordt gelukkig op Schermeriaanse wijze.



    In het oog / Marijke Schermer / 191 blz. / Van Oorschot
    Lees ook: interview Marijke Schermer


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

  • Woede als aanjager

    Woede als aanjager

    Ik las over de dood van een moeder. Terwijl de dochter op een vroege zondagochtend onderweg is naar station Sloterdijk om naar Nijmegen te reizen, wordt ze gebeld door de vriend van haar moeder. Ze wil het wegdrukken, later terugbellen. Iets weerhoudt haar. Het is het vroege tijdstip waardoor ze toch opneemt. Ze hoort dat haar moeder is gevallen. Gevallen en overleden. In de momenten daarna, onderweg naar het huis van haar moeder, groeit er in de dochter een grote woede. ‘Als ik straks aankom zal ik het haar zeggen. “En nu doe je normaal godverdomme. Nu hou je op! Ik heb er schoon genoeg van. Je gaat godverdomme nu gewoon naar een dokter.” Dan zal ze wel begrijpen dat ze deze keer te ver is gegaan.’ Wat er gebeurt als een ouder overlijdt, een familiegeschiedenis zichtbaar wordt, daar is dit boek een verslag van.

    De dochter is kwaad op haar moeder omdat ze nooit een dokter wil consulteren. Ze vertrouwde op alternatieve genezers. Er is een jongste broer, die hersenletsel opliep door een val, tijdens corona in complot theorieën begint te geloven, de moeder daarin betrekt. ‘Als jij het gevoel niet had gehad dat je moest kiezen, dat je altijd, altijd, altijd de deur voor Rein open moest laten, dat je er altijd voor hem moest zijn, dan was de wereld misschien wat minder zwart geworden voor je.’ Dat ze misschien nog had geleefd ‘als ze dit of dat’. De valkuil van het ‘als’, waarmee de dood op pauzestand wordt gezet. Maar dat ongeloof, die woede.

    A.F.Th. van der Heijden werd op 31 mei 1993 gebeld door zijn moeder. Zijn vader lag met longemfyseem in het ziekenhuis. Terwijl hij luistert, wordt hij kwaad. ‘Hoe haalt hij het in zijn hoofd om in het ziekenhuis te gaan liggen, en zo mijn leven te ontregelen?’ Nooit gaf zijn vader gehoor aan zijn raadgevingen te stoppen met roken, met alcohol. Na enkele weken is zijn vader overleden. Van der Heijden schreef er het prachtige boek Asbestemming, Een requiem over.

    Op het moment van sterven van een ouder, ontstaat er iets dat een uitweg moet vinden. Er moet iets afgerond worden dat niet af te ronden is, het moment van sterven als punt van terugkeer.

    Ik denk aan mijn vader, een zachtmoedig man. Toen hij overleed heb ik geen afscheid kunnen nemen. Na een bepaalde verslagenheid was ik opeens driftig van woede. Uit woede tekende ik een portret van mijn vader, (als ik er nu naar kijk, kan ik niet geloven dat ik het maakte) de zachtheid die ik als schuld van zijn dood zag, verdrukte ik met krachtige lijnen. Er ontstond een portret van een onverzetbaar man. Het leek wel wat op Theodor Holman, waaraan ik verder niets verbinden kan.

    Op dag achttien (onderschat niet het belang van de precieze aanduiding van tijd, plaats en dag, alsof het houvast biedt) na het overlijden van haar moeder, denkt de dochter haar moeder de volgende morgen even te bellen. ‘Wat doet mijn brein? Het is alsof het de hele tijd op zoek is naar manieren om het tij te keren, ondanks het feit dat ik zo godvergeten doordrongen ben van het feit dat je dood bent, dood. Dood.’ Die woede, de catharsis die gezocht moet worden. 

    Michael Ignatieff schreef over de dood van zijn vader in Reis naar het ongerijmde. ‘Ieder stervensverhaal dat je vertelt, is bedoeld om de indruk te wekken dat je de dood hebt overwonnen, dat je het sterven hebt aanvaard en je ermee verzoend. Het is een leugen, iets wat je jezelf wijsmaakt om door te kunnen gaan.’ Hij aanvaardt de dood van zijn vader niet.

    ‘Noch heb ik er vrede mee. Ik ben het gewoon beu en dat op zichzelf is de beste reden om het verhaal opnieuw te vertellen. Vertel het verhaal om jezelf terug te vinden, om hem terug te vinden. Vertel het verhaal zodat zijn dood eindelijk plaatsvindt.’ Schrijven over verlies. Om dat definitieve punt te bereiken.

    Het is niet de bedoeling de doden tot leven te wekken, dat nu ook weer niet. De dochter stelt zich voor hoe het dan zou gaan, als haar moeder er weer/nog was. ‘Bovendien realiseer ik me maar al te goed dat jouw dood betekent dat we nooit meer ruzie hoeven te maken. Dat we niet mee hoeven te maken dat je nog meer lichamelijke klachten zou krijgen en dat je niet meer zelfstandig had kunnen wonen. Ik zou tegen je gaan roepen: “als ik er geen dokter bij mag halen, dan zoek je het maar uit!”‘ Dat de dood daar een stokje voor had gestoken.

    Wat me treft is de onversneden boosheid waarin zoveel liefde resoneert. Woede als aanjager om over liefde te schrijven is een combinatie die ten diepste ontroert.

     

     

    Dat zijn wij zelf / Heidi Koren / 175 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.