• Een brief

    Een brief

    Vorige week zondag was Jaap Scholten op de radio. Ik lees zijn verhalen, zijn eerste boek. Mooie verhalen die goed beginnen met, ‘Het regende en het regende.’ Of ‘Vanuit de trein zag ik een schaap. Of ‘Een paar weken geleden ben ik op een avond bij Louise binnengevallen.’ Ze gaan nergens over, toch ook weer over van alles. Zoals een goede brief. Waarvan elke zin je nieuwsgierig maakt naar de volgende, wat de schrijver je wil vertellen, wat hem overkomen is.

    Op de radio vertelde Scholten over het ontstaan van zijn nieuwe roman Suikerbastaard. Hoe er vijf jaar geleden in Deventer na een lezing over Horizon City, een man naar hem toekwam. Hem vertelde dat machinefabriek Stork uit Hengelo in de jaren vijftig in Ethiopië suikerfabrieken had gebouwd. Dat daar veel bastaardkinderen rondlopen, die, zoals daar gebruikelijk, de voornaam van de vader als achternaam kregen. Zijn grootvader Frans Stork leidde de machinefabriek Stork in Hengelo, was in Ethiopië geweest. De man wist dat er drie kinderen met de achternaam Frans, waren. ‘Dat was voor mij het startpunt om dit uit te gaan zoeken en een roman te schrijven.’ 

    Eenmaal in Ethiopië bleek het zoeken naar die kinderen geen doen. Zijn onderzoek richtte zich op de suikerfabrieken, het leven van de Nederlandse jongens die daar gewerkt hebben. Daar naartoe gehaald door Keizer Haile Selassie van Ethiopië, die in 1942 Koningin Wilhelmina in Londen had ontmoet, de contacten waren gelegd. Voor de bouw van deze fabrieken werden jongens van de Storkfabriek in Hengelo geronseld. Jonge jongens, ongetrouwd. Bleven er drie jaar, hadden een eigen huisje, een motor, een zogenaamde tuinboy, vrijheid.

    Begin dit jaar was de schrijver op het festival Lutterzand Literair. Op een zaterdagmiddag gaf hij drie maal een lezing over Suikerbastaard, dat in de afrondende fase zat. Eenzelfde verhaal werd drie keer verteld. Ik was een van de gastvrouwen. Goeie verhalen kun je niet genoeg horen. Tussendoor regelden we glaasjes water, ordenende stoelen, lieten een nieuwe stroom bezoekers binnen. Na afloop kregen we van de schrijver een kopie van een brief die in 1959  per Air Mail verstuurd was vanuit Djibouti, Ethiopië, naar Hengelo (O), Holland. Een brief van een van die jongens, de hoofdpersoon uit Suikerbastaard, aan zijn meisje. Een fijne attentie, een brief van vier kantjes met pen beschreven. Hierbij een fragment, een schets van de omgeving van de jongeman in Djibouti.

    ‘Ik zit onder de bogen van Hotel des Arcades (hier is schaduw) en heb het eerste al genoteerd. Ik denk niet dat ik je elke dag kan schrijven maar ga wel proberen zoveel mogelijk. Doe jij dat ook Mon chérie? Dit heb ik vandaag voor jou in het dagboek opgeschreven: bougainvillea palmen […] rioolstank lepralijders mensen met horrelvoeten gezwellen kinderen op blote voeten geen last van de kiezels vrouwen in gewaden soldaten van vreemdelingenlegioen keppies brede lege straten witte gebouwen met platte daken afgeronde kantelen de markt chaos kriskras paardenkarren dromedarissen takkenbossen op de flanken koopwaar op de zandvlakte armoede. Telegramstijl zo ga ik dat doen. Dan kan ik alles voor jou onthouden.’
    Een pracht brief, ondertekend met, ‘Honderd kussen en lieve pakkerds, Je Rinus’.
    Het moet wel een kanjer van een roman zijn geworden.

     

    Suikerbastaard / Jaap Scholten / AFdH Uitgevers|Uitgeverij Pluim / verschijnt 28 mei
    Luister hier het radiofragment bij OVT VPRO


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Veerkracht

    Veerkracht

    Afgelopen vrijdag schreef Michel Krielaars in NRC Handelsblad dat hij Natalia Ginzburg geregeld herleest ‘om er steeds weer iets nieuws in te ontdekken en verbijsterd te staan over haar tijdloze verbeeldingskracht.’ Het verheugde me enorm en las het stuk met plezier, tenminste één iemand die haar boeken geregeld uit de kast haalt. In diezelfde week was ik haar, van wie gewoonlijk zo weinig vernomen wordt, tegengekomen in het fijne boekje Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese. De auteurs Jan Kostwinder en Hein Aalders bezochten de plaatsen waar Pavese gewoond en gewerkt heeft. Natalia Ginzburg behoorde met Pavese tot dezelfde groep bevriende intellectuelen in de jaren dertig. Ze werkten enige tijd bij dezelfde uitgeverij Einaudi in Turijn. 

    Op een van de eerste bladzijden in Een man alleen, wordt haar omschrijving van Pavese in zijn functie als hoofdredacteur weergegeven. ‘Pavese zat, met zijn pijp, aan zijn bureau in razend tempo drukproeven te corrigeren. (…) Of hij schreef aan zijn romans en maakte snel en driftig doorhalingen. Pavese ontving zelden bezoekers. Hij zei, “Ik ben bezig! Ik wil niemand zien! Laat ze barsten! Kan me geen moer schelen!” Maar de nieuwe medewerkers, de jongeren, waren erg gesteld op gesprekken met bezoekers; die konden wel eens met nieuwe ideeën komen. Pavese zei dan: “Hier hebben we geen ideeën nodig! We zitten tot over onze oren in de ideeën!”’

    Het eerste dat ik van Natalia Ginzburg las, was de bundel met drie novellen De weg naar de stad. Over familie, hang naar onafhankelijkheid, de liefde, onbestemde gevoelens. Haar taal is sober, eenvoudige woorden, maar o zo mooi. Wat zij met woorden deed wilde ik ook. Haar zinnen wilde ik schrijven. Zoals zij schreef, ‘Ons huis was rood geschilderd en had een pergola aan de voorkant. We hingen onze kleren over de leuning van de trap, want we waren met zovelen en er waren niet voldoende kasten.’ De novelle Zo is het gebeurd schreef ik met inkt in een schriftje. Zinnen van eenzaamheid en berusting, ‘Als ik ’s zaterdags in Moana aankwam, ging ik vlak naast de kachel zitten en daar bleef ik de hele zondag tot het weer tijd was om te vertrekken.’ Hopende dat er iets van haar stijl in mij zou overgaan.

    Krielaars heeft het in zijn column speciaal over het autobiografische verhaal ‘Winter in Abruzzen’, uit de bundel Mensen om mee te praten. Vijf jaar zat ze met haar man Leone Ginzburg en hun kleine kinderen ondergedoken ten tijde van Mussolini. Later, na de val van Mussolini in 1943, werd haar man om zijn joods zijn opgepakt en doodgemarteld. ‘Mijn man stierf in Rome in de gevangenis van Regina Coeli, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten.’ Haar ‘Winter in Abruzzen’, moet juist nu gelezen worden, ten tijde van leven met beperkingen, de veerkracht die daaruit voortkomt. Natalia Ginzburg schreef een prachtig oeuvre bij elkaar dat getuigt van die onnoemelijke veerkracht. Daar kunnen we het mee doen.

     

    Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese / Hein Aalders en Jan Kostwinder / Uitgeverij Aalders & Co. (1996)
    Mensen om mee te praten / Natalia Ginzburg / vertaling Etta Maris / Meulenhoff (1990)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Details

    Details

    Terwijl ik nadenk over de uitspraak van de koning, ‘Sobibor begon in het Vondelpark,’ hoor ik op de radio Arnon Grunberg. Het is zaterdagochtend, ik zit aan de lange tafel aan de tuinkant van de kamer, de ongelezen krant voor me. Het waren de borden Verboden voor Joden, die de eerste stap zette naar uitsluiting van een bevolkingsgroep, naar het concentratiekamp, een schokkend begrijpen. Grunberg is te gast bij Nieuwsweekend om te praten over zijn 4 mei voordracht. Met welk doel heeft hij die geschreven? ‘Herdenken is pas zinvol als je pogingen doet tot kennisoverdracht’, zegt Grunberg. En, ‘Ik heb dit geschreven met het oogmerk om een beeld te geven van wat daar echt gebeurd is.’

    De zon straalt dwars door de kronkelende tulpen die op de vaas staan, schaduwen op het tafelblad. Grunberg zegt dat we naar de details moeten kijken, dat algemeenheden geen indruk maken. Ik denk aan het boek Draaidagen. Dat begint met het rinkelen van porselein, ‘En ik geef je de roomboter aan. Mijn ogen volgen de botervloot. (…) Ik kijk hoe je hem naast je bord zet. Het kort rinkelende geluid van porselein. Het geschuif over het tafelblad.’

    Judith is opgevoed door haar oma Nini, concentratiekamp overlevende. Na een verbroken studie woont Judith weer bij haar oma. Oma Nini heeft nooit over haar oorlogsverleden gesproken, nu ze dementeert, wordt ze angstiger, verstopt zich in een kast, verdwaalt op weg naar de bakker. Judith heeft Nini altijd in haar hoofd bij zich, praat met haar. Als figurant speelt ze in een film over de deportatie van joden uit de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch. De vernietiging van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt als een vernuftig draadje uitgesponnen van heden naar verleden en weer terug. Alles is zo uitgekiend gedoseerd dat ontroering me op verschillende momenten overvalt.

    In de film figureren kinderen met een beperking. Een jongen met het syndroom van Down wordt door een acteur die een SS’er speelt in het gezicht geslagen. Omdat hij treuzelt met zich uitkleden (de jongen acteert niet). Judith denkt, ‘Mag dit eigenlijk wel? (…) Waarom zo wreed? Ziet hij dan niet dat ze hun best doen zo snel mogelijk te zijn?’ Overheersing maakt machtig, ook als je een rol speelt.

    Boer beschrijft een gaskamer scène. De camera filmt vanuit de kleedkamer waar de gevangen zich in een eerdere scène hebben uitgekleed als de deur van de gaskamer wordt ontgrendeld (niet geopend, ‘ontgrendeld’). Lichamen rollen de kleedruimte in. Verbrijzelde schedels, gebroken lichaamsdelen, uitwerpselen, bloed. Deze passage sluit Boer af met, ‘De meesten stierven bij de deur. Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’

    Dit detail beneemt me de adem. Niet de verbrijzelde schedels of lichamelijke secreties, maar dit, ‘Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’ Waarmee de doodsangst, het gevecht om te overleven voelbaar wordt. Dat wat er echt gebeurd is, pas door de details werkelijkheid worden. Bianca Boer schreef een ongelofelijk indrukwekkend boek.

     

     

    Draaidagen / Bianca Boer / AtlasContact (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • De V van Voskuil

    De V van Voskuil

    De dagen zetten zich steeds meer naar mijn hand. Voor mij mag het nog wel even zo blijven, dat thuisblijven. Dit weekend nam ik me voor de boeken op alfabet te zetten. De eerste boekenkast begint bij de P, van Marja Pruis, de tweede kast met de A van Pearl Abraham, Afstand van Amerika, op de voet gevolgd door Frits Abrahams, in de kasten daarna rommelt het wat aan. Hoe dat zo gekomen is, is niet meer terug te halen. Elk boek heeft iets te zeggen, moet gelezen worden, die komen op een aparte stapel. Die stapel wordt hoger en hoger, ik vrees dat ik ze later niet meer tussen de andere boeken krijg. Ruimte vrijlaten in een boekenkast is lastig. Ik schrijf de titels, bedoeld voor de stapel, op een papiertje. Dat werkt lekker door, van A t/m E hup, in de eerste kast en verder. Tot ik bij de V, Voskuil tegenkom. Vorige week kwamen de hoorspelen van Het bureau op podcasts al voorbij.

    J.J. Voskuil is veruit een van de meest fascinerende schrijvers. Zijn boeken zijn een minutieus verslag van het leven van een fijngevoelig man die al schrijvende greep op het leven probeert te krijgen. Elke voetstap geteld, elke opmerking beoordeeld, elk voorbijkomend geluid opgetekend. Lezen van Bij nader inzien is gewoon een 3D beleving op literair niveau. Maar Voskuil schreef niet voor ‘de litteratuur’, liet hij uitgever Geert van Oorschot in een gesprek weten. ‘Je schrijft zo’n boek om orde op zaken te stellen. Niet om een bijdrage te leveren aan de litteratuur.’ Nu was Van Oorschot al een tijdje erg happig op een vervolg van het 1200 pagina’s tellende Bij nader inzien dat hij had uitgegeven. Hij had een geweldige schrijver in huis gehaald, er moest meer komen. Maar Voskuil liet zich niet dwingen. Hij zou schrijven aan Binnen de huid, daarna zou hij wel zien of hij het wilde uitgeven.

    Waarop Van Oorschot de verzamelde gedichten van Van Nijlen uit de kast pakte en daar, naar ik aanneem lichtelijk geïrriteerd, met rode viltstift op het schutblad schreef, ‘Goed, dan maar geèn roman, geèn proza, maar een màn, compleet, oprecht, zonder zelfbedrog, zonder zelfbeklag, een man die geen litteratuur bedrijft. 28-11-1964.’ Waarmee hij de spijker op zijn kop sloeg.
    D
    it las ik in het boek Onder andere, Portretten en herinneringen van Voskuil, over het contact met Geert van Oorschot, begin en afloop van een vriendschap.

    Ach, en dat veelvuldig gebruikte borreltje in Voskuils boeken. ‘Wil je een borrel’, direct als er iemand binnenkomt. Of, ‘We zaten net aan de borrel’. En inzake Geert van Oorschot, ‘Schenk nog eens bij.’ Of ‘Schenk Geert eens een borrel in’. En voor er verder verteld werd, ‘Eerst nog een borrel.’ Daarvan krijg je verdomde trek in een borrel. Nu zitten we elke middag klokslag vijf aan de wijn, luisteren naar de podcast Het bureau. Er zijn honderden afleveringen, we hebben de tijd.

     

    Vrijdag 1 mei was de twaalfde sterfdag van J.J. Voskuil. Programmamaker Maarten Slagboom zette een uitzending uit 1999 van De Plantage online. Schrijver J.J. Voskuil was er te gast, wat een bijzonderheid was, de schrijver kwam niet graag in beeld, maar wat een mooie aflevering.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Typisch

    Typisch

    Als een boek mijn aandacht trekt, bestel ik dat het liefst gelijk. Alsof er niet genoeg te lezen is in dit huis. En nee, ik zal niet vertellen hoe het is om bij een plaatselijke boekhandel een online bestelling te plaatsen. Hoe boeken uit winkelwagentjes verdwijnen, er geen zoekfunctie is, of winkelwagentjes waarin maar een boek past. Zo anders als bij die grote virtuele boekwinkel. Waar je je karretje vollaadt, het op een ander adres kan laten bezorgen, een boodschap bij kan schrijven, betalen eenvoudig is. Het maakt me tot onbetrouwbare klant van de echte boekhandel. Deze week gaf ik het twee keer op, verliet geagiteerd de online bestelpagina van een boekhandel. Maar daar zou ik het niet over hebben. Ik vroeg me af waarom er na het kijken van Mondo nooit een gedachte aan een boek dat ik zou willen lezen blijft hangen.

    Sinds ik iets mis inzake literatuur op tv, ging ik het boekenprogramma met Wim Brands terugkijken. Meteen begreep ik waarom het nieuwe programma waarvoor Boeken plaats moest maken, niet aanzet tot gretige boekaankopen. Mondo leidt tot ongemakkelijk schuiven op de bank. Kijkend naar een presentatrice die, omgeven door bewegende beelden, een oog dichtknijpt zogauw het gesprek interessant wordt, een soort knipoog (maar het is géén knipoog). Ik zie de prachtige haren die voor of achterlangs een oor gewerkt worden, het rechteroortje dat bevoeld wordt, het veelvuldig bewegende, knikkende, luisterhoofd. Als die buurvrouw, die met een soort gulzigheid de woorden uit mijn mond wil halen, die het al begrijpt nog voor ik uitgesproken ben. Knikkend beamend, door te vroeg gestelde vragen onderbroken, worden woorden van betekenis ontdaan. Door schaamte bevangen glijd ik van de bank. Vanaf de grond, frutsend aan mijn haar, zit ik het programma met geloken ogen uit. Mijn lief vindt dat iedereen een kans moet krijgen.

    Terwijl ik me verbeeld dat in de ogen van de genodigde schrijvers naast ontreddering een verlangen schemert. Verlangen naar een eenvoudige tafel met boeken, een glas water en twee stoelen, tegenover elkaar. Waar de enige afleiding bestaat uit een voorbijrammelende tram, of zicht op water, een haven. Zicht op iets dat geen bedoeling heeft.

    In een aflevering uit 2012 is Wim Brands in gesprek met de regisseur van de film En un Momento Dado, Ramon Gieling. Over zijn boek De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen. Brands stelt vragen die verhalen ontlokken aan de schrijver, tijd speelt geen rol. Hij lokt de schrijver met een,’Toe, vertel nu nog even hoe dat citaat van Luis Buñuel gaat dat voor in het boek staat. Kun je dat? Uit je hoofd?’ Want uit het hoofd, dan staat een tekst pas echt, wordt het een boegbeeld. En de schrijver kon dat, hij sprak: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
    Dit was dus zo’n boek dat ik moest hebben. Om de titel, het citaat van Buñuel, en dan die verhalen, schrijnend mooie verhalen, niet te filmen zo mooi.

     

    De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen / Ramon Gieling / Uitgeverij Augustus (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, bestelt boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Klein kunstproject

    Klein kunstproject

    Ik droomde dat er negen broden in de oven stonden. Door een tekort aan fabrieksbroodbakkers was ik tot buurtbakker uitgeroepen. Ik had nog nooit zoveel broden tegelijk gebakken. Het benauwde me, die broden moesten er nu wel een keer uit, maar ik was de oven kwijt. Ik dacht aan de geur van brood, hoe versgebakken brood ruikt. Ik dacht, dan weet ik waar de oven staat. Toen werd ik wakker, rook de geur van mest vanaf het land, ik moest eruit.
    Ik leef al dagen tussen koeienstal en woonwagen. Dat komt door het boek Pingping, van Mariët Meester. Over een jonge vrouw, Lily, die uit Amsterdam vertrekt en in een woonwagen bij een boerderij gaat wonen. Ze wil leven met minimale middelen. Ik fiets met haar mee over landweggetjes, gluur met haar door het raampje van de woonwagen naar buiten, sluit deuren tegen de kou, hoor de koeien in het weiland achter de woonwagen, steek de kachel aan. Leven zonder het snelle gemak van internet, zonder eigen toilet.

    Er ontwikkelt zich een bizar leven. De alleenstaande boerin, waarvan Lily het stukje grond voor haar woonwagen huurt, krijgt een relatie met een man die zomaar komt aanrijden. Hij heet Cor, Corrie voor vrienden, nou dan weet je het wel. Het loopt dan ook niet helemaal goed af, hoewel. Meester schrijft met oog voor het naïeve, het onbenullige in de mens, dat ergernis kan opwekken, tot het vertedert, komisch wordt. Het is een verhaal als een film, een slapstick. Zoals ze met een atletische jongeman in een rolstoel, op pad gaat. Hij had concertpianist kunnen worden vindt Lily (die zelf in Amsterdam telefoonhoesjes verkocht via internet), zo mooi bespeelt hij de vleugel. Deze invalide jongeman is zijn eigen hulpverlener, die moet je niet vragen of je hem even de stoep af zal helpen. Hij doet alles zelf, wat niet meevalt met een verlamd onderlijf. Zoals de mens zijn leven leeft, zo beschrijf Mariët Meester het in haar boek. De realiteitszin is sterk. Ik begon de geuren te ruiken die ze beschreef, koeiendrek, rook van houtvuur in je kleren.

    Lily zit graag met een boek, buiten of in bed. ‘Na middernacht was ze nog steeds bezig in De wand van Marlen Haushoffer, de laatste tijd las en herlas ze het liefst boeken waarin mensen in moeilijke omstandigheden hun waardigheid behielden en die omstandigheden zelfs in hun voordeel ombogen.’ Daar is over na te denken in deze tijd van stilstaande levens.

    Er zijn maar duizend exemplaren van deze roman gedrukt, een gebonden editie met leeslint, oranje kapitaalbandje. Een boek om je vingers bij af te likken. Binnenin, op het derde schutblad staat een vogel, een vinkje afgedrukt, met de hand ingekleurd. In een interview met het NRC zei de schrijver dat ze voor dit boek geïnspireerd was door Material Matters van Thomas Rau en Sabine Oberhuber. Over een wereld waarin niemand ergens eigenaar van is, enkel gebruiker, en doorgeeft wat je niet nodig hebt. Een boek niet als bezit, maar doorgeven aan een ander. Gemeenschapszin bevorderend, duurzame samenleving. Ik ben egoïstisch, want ik zal dit boek niet doorgeven. Het is een klein, mooi kunstobject.

     

    Pingping / Mariët Meester / 272 pag. / €29,90 / Vormgeving Jaap de Ruig / Uitgeverij Caprae


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft binnen en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Meebewegende taal

    Meebewegende taal

    Na de onrust in de eerste week, de feiten in de tweede en de ernst van dit alles in de derde week, wordt er nu teruggeblikt. Het aantal besmettingen, hoeveel er overleden zijn, alles in statistieken opgenomen. De kansberekeningen opnieuw bijgesteld. Nieuwe feiten naar boven gehaald, oude weerlegd, waarna alles strakker aangetrokken wordt en een heldere overzichtelijkheid overblijft, (overzicht en helderheid zijn deze dagen belangrijke woorden). Er komen steeds meer verhalen van hoe er gestorven is, hoe snel het ging, hoe er geen afscheid genomen kon worden. Het verhaal van een vader en een moeder die met een korte tijdspanne ertussen samen ziek werden, samen stierven. Het kenmerk van hun relatie was, vertelden de kinderen, dat ze alles samen deden, zag je de een, dan zag je de ander. Tot aan het ziek worden en sterven toe. Er was een vrouw waarvan haar man in het ziekenhuis overleed en zij thuis in quarantaine moest, alleen. Haar zoon kon haar niet omarmen, alles op afstand. Je hoopt op iets waarin het afscheid dat nu geen afscheid is, nog plaats kan vinden.  

    En het is waar, alles wat ooit geschreven is en nu gelezen wordt, blijkt een nieuwe betekenis vrij te geven. Alsof taal meebeweegt, zich opnieuw zet naar de omstandigheden. In De twaalfjarige bruiloft van Maeve Brennans (ja, opnieuw Maeve Brennan) lees ik een van haar lange meanderende zinnen die me treft, ‘De doden werden met dezelfde stem vermeld als de levenden, zodat vaders en zusters en neven die al tientallen jaren dood waren en masse door het huis en de boomgaarden en tuinen hadden kunnen rondlopen en zichzelf thuis zouden voelen, net zoals altijd, en ze konden er zelfs op rekenen hun eigen namen en hun eigen gezichten aan te treffen die nauwgezet geregistreerd waren ergens te midden van de generaties die hen opgevolgd waren.’ Het lijkt me opeens van groot belang over de gestorvenen te spreken met dezelfde stem als over de levenden, ze  met je mee te laten lopen door hun namen te noemen, hun namen door te geven.

    Want alles zal weer gewoon worden, toch? (waarop ik vervolgens wilde schrijven, ‘net zoals het nu gewoon is binnen te blijven’ maar dat is niet zo, het wil maar niet gewoon worden). Ze zeggen dat het ergste nog moet komen. Daarmee wordt de economie bedoeld, of iedereen wel uit het dal zal komen waarin we zitten. Of gebeurt, zoals een stem op de radio zei: ‘dat we voor de boodschappen die we nu gewoon zijn te halen, een exceptionele prijs moeten betalen’. Dat we niet meer weten hoe we rond moeten komen, dat we failliet gaan, allemaal. Gelukkig kwamen toen deze dichtregels van F. Starik voorbij: ‘Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek / en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je / naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open. / Donker bleek licht. Blijf hopen. / Alles komt terug.’
    En dat geloof ik maar al te graag. Vrolijk Pasen.

     

    ______________________________________________________________________________

    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en denkt na over een buitenleven. 

  • Eigenaardigheden

    Eigenaardigheden

    Ik ga naar buiten om zeven sprintjes rond het huizenblok te trekken. Wacht de postbode op achter de deur, als hij het pakje op de stoep legt, kom ik naar buiten. In huis ren ik de twee trappen op en af, op en af, ren twintig rondjes om de bank die in het midden van de kamer staat. We moeten blijven bewegen. Daarna zet ik koffie. En nee hoor, ik voel me niet belachelijk wanneer ik dit doe. Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw, ik las het voor het eerst midden jaren tachtig. Een heftig boek, veel vrouwenbloed, waanzin en onbestemde gevoelens van de jonge Surinaamse vrouw, Noenka. Het hele boek is een onbesuisde zoektocht naar eigenheid, eigenheid van alle vrouwen. Het verhaal drijft op de emoties van Noenka. Negen dagen na haar trouwdag verlaat ze haar man, hij verkrachtte haar tijdens de huwelijksnacht. In het dorp kan ze niet blijven, er wordt geroddeld, je verlaat je man niet. Als onderwijzeres komt ze niet meer aan het werk. Bezwerend proza, woekerend. 

    Als haar moeder ziek is gaat Noenka naar haar toe, ‘Zo dichtbij ontmoette ik de dood dat ik haar koele omarming voelde. Ik gooide de bloemen weg die ik meegenomen had. Ook de paternoster en de zilveren trommel met zandkoekjes. Een zuster stond bij haar bed. Ze groette. Ik knikte niet terug. Ik wilde stappen achteruit doen, mijn ogen dichtknijpen, mijn neus, maar een magnetische kracht rukte al mijn zintuigen open. “Mama”, riep ik door het doffe dreunen heen. Ik wilde haar tegenhouden, terugroepen, want ik zag dat ze zich ergens anders bevond dan ik. Ergens waar mensen niet worden toegelaten. Daar waar geen grond is voor de voeten, geen hemel voor het hoofd. Ik pakte haar vast: haar lichaam tegen mij aangedrukt, zacht, teer, licht en koel, als een ruiker bloemen, zonder takken en zonder groen.’

    Deze maand zou Astrid Roemer als eerste de serie ‘Grote schrijvers interview’ in De Balie openen. Ianthe Mosselman, organisator van deze serie zou haar interviewen. Daarom was ik opnieuw begonnen met lezen van Over de gekte en Olga en haar driekwartsmaten. De titel alleen zet al aan tot nadenken. Ik had me verheugd Roemer te horen spreken over haar werk, te ontdekken wat haar gedreven heeft. Over vrouwen die zich een weg banen naar zichzelf, over vrouw zijn. Heftige brokken proza die door alle gelaagdheden heen, iets raken, betekenis vrijgeven. Maar goed, alles is afgezegd, uitgesteld.

    Roemers laatste roman Gebroken wit, werd vorig jaar door Persis Bekkering besproken. Bekkering schreef dat het soms leek of Roemer ‘elke poging tot redactie moet hebben geweigerd’. Die gedachte komt onverwijld als je haar werk leest. Maar ook ‘dat je iets mist als je daar te lang bij blijft hangen’. En ja, het zijn deze eigenaardigheden die het lezen van haar boeken tot een ongekend avontuur maken. Daar moet je je aan overgeven om tot enige essentie te kunnen doordringen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Ontdaan van alles

    Ontdaan van alles

    Traag en slepend als de motor van de bevoorrading wagens die iedere ochtend met moeite de rotonde naar het dorp nemen, is het leven tot stilstand gekomen. Op de eerste dag luister ik in de vroege  ochtend naar het ontbreken van geluid. Dan een vogel, overdreven luid, alsof er iets gecompenseerd moet worden. Ik denk, ‘rustig, rustig maar, het komt goed’. Op de tweede dag fiets ik langs de uiterwaarden naar de dichtstbijzijnde stad. Aan de IJssel, waar het water over de kademuur stroomt telkens wanneer een boot voorbij gaat, drink ik meegebrachte koffie. Op de zesde dag schrik ik wakker. De stilte beneemt me de adem, er is een onpeilbaar gemis. Niet wetend hoelang ik mijn kinderen, mijn kleinkinderen niet zal zien. Ik onderdruk het verlangen nog gauw even bij ze langs te gaan voordat er – ja, voordat er wat gebeurt. 

    Ik weet niks, en als ik me heb losgerukt van alle nieuwtjes, de do’s and dont’s van deze dagen, struin ik met Maeve Brennan door New York City. We zitten aan een tafeltje in een bar, we kijken naar een man die binnenloopt, om zich heen kijkt, gaat zitten aan de bar, een drankje bestelt, dit opdrinkt, voor zich uit kijkt, afrekent en weer weggaat. Samen zitten we in een restaurant waar niemand binnenkomt. Mensen komen voorbij, staan af en toe stil om met hun hand boven hun ogen naar binnen te kijken. Om te zien of er nog plaats is, en als ze hebben gezien dat er genoeg plaats is, lopen ze door. ‘Binnen gebeurde er helemaal niets totdat er achter uit de eetzaal achterin vijf jongelui tevoorschijn kwamen, op weg naar de straat.’ Brennan brengt me goddank niet van mijn stuk. Alles is zoals het leven zelf, zonder er een mooi verhaal van te maken, te duiden, er is geen roering.

    Op een avond in 1962 verkleedt ze zich om uit te gaan, het is veertig graden Celsius en al laat als ze eindelijk klaar is. Ze snelt de zes trappen af naar beneden, ‘en dat ging prima tot ik bovenaan de laatste trap stond en daar struikelde en hals over kop naar beneden tuimelde. Mijn armen waren smerig en mijn witte handschoenen waren verpest en mijn haar zat los en ik zat op de vloer van de hal te denken dat ik in dat snikhete, vieze huis woonde en huilde van razernij.’
    Ik las deze column voor aan Mijn lief. Mijn stem raakte niet verstikt bij de tragikomische val-van-de-trapscene, ik moest bepaald niet lachen. Daarvoor is het te schoon wat zij schrijft, en weet je wat gek is, deze schoonheid kon ik niet delen. Mijn lief vond er niets aan, maar misschien kwam dat omdat hij de hele dag in de tuin had gewerkt. Ik vind het een gave, zo te kunnen schrijven dat wie het leest geen kans ziet het te vertroebelen met eigen emoties. Daar was dezer dagen grote behoefte aan.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Moment van genade

    Moment van genade

    Sinds vrijdag hebben de dagen een andere betekenis gekregen, is er een vertraging opgetreden. Ik ben beïnvloedbaar, gevoelig voor drama, die invloed moet ik bestrijden. Aan de keukentafel overdenk ik mijn stappen, er wil zich geen scenario vormen. Misschien moet ik eerst de vaatwasser uitruimen. Ondertussen komt het nieuws binnen over de toestand in het land, de wereld, het commentaar daarop. Online tips, wat wel en niet te doen, misstanden in supermarkten, welke boeken er gelezen moeten worden, grijp je kans. Boekcovers van De stad der blinden, Nemesis, Liefde in tijden van cholera, De toverberg gaan rond. Nadrukkelijk verzoek te bestellen bij de boekhandelaar zelf. Lezen zonder onderbrekingen, een leeswalhalla, de droom van elke lezer, schrijver. Toch ijsbeer ik van keuken naar kamer en weer terug. Of we niet toch een pak toiletpapier moeten halen vraag ik Mijn lief, en misschien een berg citroenen. De besluiteloosheid, zoekend naar een nieuw evenwicht in deze ongewisse dagen. Mijn aandacht versplintert, niets beklijft.

    Dan zie ik, tussen alle doemdenkersberichten de tweet ‘Grandioze columns van een New Yorkse dame’. Dat zijn nog eens aanstekelijke woorden, ik adem in. Klik de recensie van Arjan Peters open. Columns  van Maeve Brennan, die ze vanaf 1953 als ‘The Long-Winded Lady’ voor de New Yorker schreef. Peters vraagt zich even af of iemand op die oude columns van een New Yorkse dame zit te wachten. En ik denk: ‘Jawel, ik zit hierop te wachten!’ En kijk, recensies doen hun werk, dit boek moet ik hebben. Ik fiets naar het dorp, alwaar het niet bij de plaatselijke boekhandel te verkrijgen is. ‘Nee, nee, ik wil het niet bestellen’, en fiets snel terug naar huis waar ik na enkele klikken het boek in een virtueel winkelmandje plaats. De volgende dag ligt het in de brievenbus. Zevenenveertig columns geschreven tussen 1953 en 1968. Elke column werd in de krant geïntroduceerd met de zin: ‘We hebben weer een bericht ontvangen van onze vriendin de breedsprakige dame’.

    Over broccoli eten in een restaurant (in New York aten ze in 1963 al broccoli!). ‘Toen ik de tong had opgelepeld, richtte ik me op de broccoli. Ik pakte de sauslepel zoals de kelner had gedaan en hield hem boven de broccoli en daarna deed ik hem snel weer terug in de sauskom. Ik kon me niet meer herinneren welke kant van de broccoli eetbaar is. Ik kon het me echt niet meer herinneren.’ (Ze aten broccoli niet met stronk). Het onhandige van vergeten gewoontes, misvattingen, verkeerd inschatten van situaties, dat is waar The Long-Winded Lady over schrijft. Haar overdenkingen leveren ook fijne inzichten op: ‘in onze geest herinneren […] verhalen ons eraan dat we altijd aan het wachten zijn, en ze herinneren ons er ook aan waarop we wachten: uitstel, een moment van genade, iets simpels waardoor we ons ergens over verbazen.’ Ja, een moment van genade in een tijd dat ‘er niet veel aan de hand is op de weg’ er nul km file is en het gewone leven tot nader order is uitgesteld. Lees deze columns van Maeve Brennan.

     

    De breedsprakige dameColumns uit The New Yorker door Maeve Brennan, vertaling Rosalie van Witsen / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2020


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist even niet met het OV en kan niet zonder een goed verhaal. 
  • Onzekerheid

    Onzekerheid

    Het weer zit nog steeds niet mee, de donkergrijze luchten, de somberte en die kletterende buien. Ik kom nergens; oefening in quarantaine voor als het coronavirus komt. Ik las God en de sociale dienst van Mizee, een strijd met de sociale dienst, en haar God: scenariodocent op de schrijversvakschool. In bed lees ik Blauwe nachten van Joan Didion. Over de dood van haar dochter Quintana, de bloemen in de lange haren van haar kind, handen die elkaar raken, wang tegen wang.
    En ’s ochtends de krant. In de Trouw van donderdag een foto op de voorpagina van Arielle Veerman, ex-vrouw van Joost Zwagerman. Het trok mijn aandacht. Ik ben niet heel bekend met het prozawerk van Zwagerman. Wel met zijn columns, essays en als gedreven kunstkenner. Het interview gaat over een boek dat Arielle Veerman geschreven heeft, over de periode dat zij zich gedemoniseerd voelde, dat het nu tijd is voor haar kant van het verhaal. En ja, ik was ook wel benieuwd naar haar verhaal.

    Ik herinner me een filmpje waarin Zwagerman op een houten bank op een winderige dijk in Tuitjenhorn zit. Na de scheiding had hij zich daar teruggetrokken in hun vakantiehuisje. Hij zei zoiets als, ‘Tja, daar zit je dan,’ verweesde blik in de ogen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar dat het aan zijn ex lag, begreep de kijker wel. Hij had het in ieder geval niet zien aankomen. De dingen keerden zich, hij begon een jarenlange hetze tegen haar in ellenlange nachtelijke mails.
    In Blauwe nachten schrijft Joan Didion: ‘Kan het zijn dat we pogingen doen om verlating te vermijden? Kan het zijn dat dergelijke pogingen worden bestempeld als “krampachtig”? Moeten we ons de vraag stellen wat daarna gebeurt? Moeten we ons de vraag stellen welke woorden vervolgens opkomen? Is een van die woorden niet “angst”? Is een ander woord niet “onzekerheid”?’

    Er zijn boeken die geschreven moeten worden, Arielle Veerman moest De langste adem schrijven, de andere kant van een leven zichtbaar maken. De rafelige randen en de onvolkomenheden die de ontoereikende mens in dit alles laat zien. Denk aan de achterkant van een stad gezien vanuit de trein. De verveloze kozijnen, vergeten wasgoed en vuilcontainers, gammele schuurtjes, grauw beton, incompleet meubilair. Dingen die verborgen blijven, maar om een beeld compleet te maken gezien moeten worden. Een momentum in een leven, er moet gesproken worden en van de doden niets dan goed. ‘Mijn drijfveer was:’ zegt Arielle Veerman, ‘begrijpen wat er is gebeurd. Ik heb niets weggegumd, ik spaar mezelf niet. Ik heb mijn eigen achtergrond, met gescheiden ouders en mijn jeugddepressie; ook die maakt dat ons gezamenlijk leven zich zo heeft ontwikkeld.’ Een openhartig interview, het boek moet nog gelezen worden, daarover later meer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV of blijft binnen alwaar ze schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Verdoving

    Verdoving

    In Londen werd bij een vrouw een hersentumor verwijderd terwijl ze viool speelde. Ze speelde opdat chirurgen dat deel van haar hersenen, waar precieze bewegingen worden aangestuurd en die op een scherm zichtbaar werden, niet zouden beschadigen. Er ging een foto rond van de vrouw in operationele toestand (zuurstofkapje, infuus), de viool onder haar kin geklemd, arm met strijkstok geheven. Even dacht ik dat het om een nieuwe methode van ‘onder narcose brengen’ ging: mensen dingen laten doen waardoor ze boven zichzelf uitstijgen, grip krijgen op hun geestestoestand. Het leek me niet zo gek. Toen ik eens door migraine aan bed gekluisterd was, kon ik het lezen van de ochtendkrant niet laten. Tot me een interview met Martin Michael Driessen trof. Over zijn schelmenroman De heilige. Ik weet niet waardoor, maar ik werd erdoor gegrepen. Er wrong zich iets in mijn linker hersenhelft, er balde zich iets samen, ik registreerde de woorden, las het interview, en knapte er geweldig van op. De hoofdpijn verdween nagenoeg. Nu dacht ik het bewijs gevonden te hebben dat een goed interview, een intelligent gesprek iets met de hersenen doet waardoor migraine (hersenpijn) verslagen kan worden. 

    In Geluk, een geheimtaal, beschrijft Arthur Japin iets soortgelijks. In een periode waarin hij aan een zware depressie leed, zijn gevoelens afgevlakt, is hij getuige van een mishandeling in de tram. Een vrouw wordt bij het uitstappen door een jonge vrouw in haar rug getrapt. De vrouw valt, de jonge vrouw schopt nog eens. Japin grijpt in, trekt ze uit elkaar. Het slachtoffer vlucht naar buiten, de tram rijdt verder. Als Japin weer zit, wordt hijzelf aangevallen. Een man grijpt hem bij zijn revers, stompt hem, dreigt hem te doden. Dan laat hij hem los, gaat achter hem zitten, om hem even later opnieuw beet te pakken. Dat herhaalt zich een paar keer. Als de vrouw en de man eindelijk de tram verlaten, registreert Japin: ‘Korte tijd leefde ik in het moment. Wat voelt dat goed! Het vóélde. (…) De schrik is te midden van de geestesvlakheid eindelijk een prikkel.’ 

    Japin ontmoet veel bekende mensen, (Vanessa Redgrave, Sandro Veronesi, Barack Obama). Ontmoetingen vinden over de hele wereld plaats, Rio, Londen, Houston, Frankrijk, Rusland. Je zou er jaloers van worden, ben ik ook, want wie zou er niet willen sparren met Stephen Fry? Maar er is een verdrietige onderstroom gelijk deze sombere februaridagen. Japin keert wie hem beschimpt (ja, dat gebeurt in letterenland) de andere wang toe, steeds weer, soms op het pijnlijke af. Er is de zelfmoord van Japins vader die zijn leven bepaalt, en dan Wim Brands, Joost Zwagerman, en zelf hoeft hij eigenlijk ook niet meer. De schrijver die in noodgevallen op zijn best is: ’Het is de rest van het leven waarvan ik in paniek raak.’ Die aangrijpende ondertoon, die laat niet los.

     

    Geluk, een geheimtaal, Dagboeken 2008 – 2018 / Arthur Japin / Privé-domein nr. 306 / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, en leest.