• Uitgestelde dood

    Uitgestelde dood

    Maandag was ik met mijn jongere broer onderweg. We bevonden ons midden in een op handen zijnd overlijden van mijn broer net boven mij. Die van de stille wateren, diepe gronden, waar altijd wat mee te lachen viel, binnenpretjes, breeduit lachend, glimlachend. ’s Avonds gingen we langs bij de zoon van mijn jongste broer aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Er werd koffie en water op tafel gezet toen mijn mobiel oplichtte,‘A.L. Snijders is overleden’. Bericht van mijn jongste dochter, die weet wat mijn leven kleur geeft. Ik drukte het weg, ruimte creërend voor het toekomstige sterven van de een, de dood van de ander uitstellend. Schrijver A.L. Snijders is altijd in de buurt, terwijl ik dit schrijf, lees ik zoals hij schrijft. Ik delete het voegwoord ‘en’ zo gauw het opduikt. Dat is in korte stukjes volledig overbodig, vond hij, die leest de lezer er vanzelf wel bij. Na Rotterdam brachten we mijn jongste zoon naar Utrecht, onderweg meed ik social media, hield de waarheid op afstand. Tussentijds schemerde de dood door mijn gedachten. Veel mensen zijn gestorven, niemand heb ik zien sterven.

    Thuis pakte ik de nieuwe bundel zkv’s van Snijders, waarin een nieuw begin door de schrijver werd vastgelegd. Op 28 mei 2019 schrijft hij in het zkv Kleine hamers. “Mijn vriendin kent me niet, want het is acht dagen geleden dat we elkaar voor het eerst ontmoetten. We staan te wachten op het station van Deventer, ze neemt de trein die regelrecht naar haar woonplaats Amsterdam rijdt, ze hoeft niet over te stappen. Het wachten heeft een betekenis die los van alles is en zonder meer doet denken aan een warm bed.’ Kort daarna, op tweede Pinksterdag, bezocht ik hem op zijn boerderij in Klein Dochteren voor een interview. We mailden al gedurende een klein jaar met elkaar, het was de tijd na het overlijden van zijn vrouw, Yvonne. Kleine berichtjes over de somberheid die hem overviel, voorgeschreven slaappillen, de wodka’s die gedronken moesten worden. Op die Pinksterdag vertelde hij hoe grijs en traag zijn leven was geworden. Dat de kwalen die hij kreeg volgens de huisarts te maken hadden met het verlies van zijn vrouw. Wat hij een wonderlijke samenvoeging van gebeurtenissen vond. ‘Maar toen leerde ik deze dame kennen’, zei hij , terwijl hij naar buiten keek waar de vrouw zat die hij zijn verloofde noemde, ‘nu is het leven lichter.’

    Er was een kiertje opengegaan met zicht op een ander soort leven. Van minder schrijver, meer leven. Over de houdbaarheid van literatuur en schrijvers zei hij. ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’ Ja, de schrijver is dood, maar weet dat ik altijd een een bundel van deze schrijver zal openslaan in trein en metro, in hotelkamers en langs de oever van een rivier. A.L. Snijders blijft.

     

    Citaat uit: Tat Tvan Asi / A.L. Snijders / 645 blz./ AFdh Uitgevers (2021)
    Citaat uit: Rimbaud het dit prachtig gevonden / Interview met A.L. Snijders


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • In boeken

    In boeken

    Van een schrijver wil ik alleen weten of het boek waaraan gewerkt is me vermaakt, eventueel verbijstert. Het hoeft niet lekker (weg) te lezen, wat als criterium voor een goed boek wel gebruikt wordt, dat het ‘lekker wegleest’. Dan denk ik, je moet er wel bijblijven, bij wat je leest. Het leven is al versnipperd genoeg, laat het lezen ons een zorg zijn. Ik wil niet weten (weet niet of ik hier helemaal oprecht ben) of de schrijver aardig is, veel drinkt of tegen haar/zijn man/vrouw schreeuwt. Als ik dat weet, sluipt er een ‘meeleef’ factor in, die de dingen besmoezelt. Wat ik lees, daar moet ik het mee doen, al gluur ik wel eens bij de buren. Ik las Schoonheidsdrift van Arie Storm.

    Eigenlijk is het geen doen deze nieuwe van Storm te lezen als je je hebt voorgenomen de opmerkelijkste passages in de roman te markeren, met potlood, stickertjes. Na honderd bladzijden was het boek niet meer te hanteren, op elke bladzijde stond wel iets dat omcirkeld moest worden, zoals, ‘Ik was inderdaad alleen in Londen: mijn vrouw en dochter waren in Amsterdam gebleven. Ik denk dat ik deze kwestie (wel/geen vrouw en dochter I.M.) nu maar eens moet oplossen, anders gaat ze tegen me werken. Het zit zo. Een lezer houdt wel van een onbetrouwbare of manipulatieve verteller. maar tot op zekere hoogte.’ Ach, denk je, wat een eerlijke schrijver! Maar daar kom je op de laatste pagina’s wel achter. Storm schrijft en leest, dat is zijn leven hoorde ik in een interview op Radio Bloemendaal, en zijn belangrijkste bezit is zijn computer (nee, geen laptop). 

    In Schoonheidsdrift vindt een ontmoeting met de dichter Keats in Londen plaats, anno 2020. Het is bizar, maar waar. Er gebeurt veel onverklaarbaars dat geen verklaring nodig heeft. Storm neemt de literatuur en degenen die het bedrijven op de hak. De verteller is een wat suf, afwezig persoon (wat de schrijver misschien ook is, dat krijg je als je steeds maar in de boeken zit). Nog zo’n omcirkelde alinea, ‘Met Ruby heb ik nooit een seksuele relatie gehad, al kan ik me op een bepaalde manier wel voorstellen dat het misschien ooit zover zou zijn gekomen (terwijl ik dit opschrijf vind ik het een erg foute opmerking, maar ik laat haar toch maar staan, misschien dat ik haar later weghaal.)’ Wat hij niet deed, anders had ik het niet kunnen lezen. Kijk, dat is nu zo fijn aan dit boek, of dit verslag zoals de schrijver het noemt, dat je meegenomen wordt in het maakproces, (ik denk niet dat de schrijver dit een fijn woord vindt, maar ik laat het toch maar staan), in zijn overwegingen. 

    Wat wil een schrijver meer dan zijn lezers bereiken. ‘Ik kijk naar mijn vingers die dit typen en haal ze van het toetsenbord en ik strek ze naar je uit, niet slechts om contact te maken  door tijd en ruimte heen, maar in een poging samen te zijn in de droom die lezers en schrijvers die in de tijd en ruimte verstrooid zijn op deze wereld met elkaar verbindt.’ En verdomd, ik voelde me verbonden, met Londen, met de schrijver, die zweefde door tijd en ruimte. Geweldig boek.

     

     

    Schoonheidsdrift / Arie Storm/ Uitgeverij Prometheus
    Interview Radio Bloemendaal


    Inge Meijer leest en reist met het OV.

     

     

  • Overgebleven dingen

    Overgebleven dingen

    Eind april was ik eindelijk weer eens in Amsterdam. Vanaf Centraal station nam ik tram 2, (of 12) naar het Leidseplein, vandaar moest ik een stuk lopen. Ik had een interviewafspraak met een schrijfster van geweldig bizarre verhalen. Het was stil in de tram. Bij het Leidseplein tegenover het American hotel stapte ik uit, vlakbij was een brug, moest ik links of rechts? Ik liep eerst een stuk naar links, tot ik begreep dat ik rechts moest. Het regende alsmaar, ik droeg een afgrijselijk grijze, lange regenjas, capuchon over mijn hoofd. Een gele tas dwars over mijn schouder. Ik werkte me door de straten heen, keek uit naar een bloemenwinkel, voor de schrijfster. Toen ik die niet vond, kocht ik bij een buurtwinkel een fles wijn, een rode wijn. Er was geen speciale verpakking voor de fles. Wel een papieren zak, waardoor ik aan New York moest denken. Waar ze in parken en portieken uit papieren zakken hun alcoholische drank drinken. Het was zo guur en koud in de stad dat ik dat ook wel wilde doen. 

    Er waren weinig mensen op straat, enkel daklozen, die  aan de roep om thuis te blijven geen gehoor konden geven. Ik zag ze in groepjes in portieken, in voorportalen van winkels die gesloten waren, voor de ingang van een AH. De lange mouwen van trui of jas waarin handen verdwenen, afhangende schouders, plastic tasjes. Als waren de daklozen achtergebleven voorwerpen, vergeten. De stad als een rommelige zolder nadat die was opgeruimd, heerlijk overzichtelijk gemaakt. De overgebleven dingen waarvan je niet weet wat je ermee moet kwamen in beeld. In de verhalen van de schrijfster waarnaar ik op weg was, figureren mensen die nergens bij horen, niet meer mee doen. In het verhaal, ‘De dag dat Alfred besloot te gaan liggen’heeft een man er genoeg van. Van stoplichten die maar niet op groen springen, vervelende gesprekken op de zaak, een wasmachine die het opgeeft net nadat de koelkast vervangen is, onbegrijpelijke brieven van de Belastingdienst.

    Tijdens een wandeling door een sjieke buurt gaat de man op het trottoir liggen. ‘Zijn ledematen spreidde hij uit. Een bleke zeester in een grijze pantalon en groen-blauw ruitjesoverhemd. De bestrating was al een beetje warm van de vroege lentezon’. Hij vindt het wel lekker zo. Er wijst een kind naar hem, ‘niet aanzitten’, zegt de moeder. ‘”De jottem”, murmelde Alfred, en hij lachte zachtjes om zichzelf.’ Er snuffelt een hondje aan hem. Een dakloze zegt ‘goede morgen’, de postbode rijdt met zijn postkarretje over zijn enkels, een oude man denkt dat hij onderdeel is van een kunstroute. Alfred verdwijnt in de omgeving, straatvegers vegen opgehoopte bladeren uit zijn oksels. ‘Hij was, mijmerde hij onder een stofstorm die tachtig jaar duurde, de laatste en enige man op aarde, en dat was nooit anders geweest.’ Een fantastische zin in een, ja, toch wel opbeurend verhaal, waarna hij voorgoed de ogen sluit.

    Ik was te vroeg, wachtte tot het tijd was, belde aan. Beklom de vijf (ik was gewaarschuwd) inderdaad lange trappen van een oud zusterhuis, werd verwelkomd.

     

     

    De dwaler, verhalen/ Roos van Rijswijk / 204 blz. / Uitg. Querido


    Inge Meijer reist met het OV, vergeet geregeld haar mondkapje, leest boeken uit.

     

  • Uitgummen

    Uitgummen

    Een interviewer wil weten wat het volgende boek is, wat de schrijver drijft en zo meer. De schrijver zegt, wacht maar af, ik weet het niet, we zien wel. Of zoals Jeroen Brouwers in het interview rond de uitreiking van de Libris Literatuurprijs zei, ‘Hier is mijn oeuvre en je moet het er maar mee doen’. Dan wil de interviewer weten, ‘Ja, maar een schrijver die wil toch schrijven, die heeft een innerlijke noodzaak?’ En de schrijver, de tachtig gepasseerd, zegt er ‘geen zin meer’ in te hebben, dat het ‘mooi geweest’ is. Dat die hele innerlijke noodzaak, die stuwende drijfkracht, tot rust is gekomen. Dat was de schrijver aan te zien. Je dacht altijd al, het is geen doen. Steeds weer een boek schrijven, al die drank die er toe leiden moet. En alles met de hand hè, met potlood, in schriftjes, op elke losliggende snipper papier. Ach, deze schrijver is een vakman. Die moet je niet vragen hoe hij het doet, waarom en waarvoor, die doet. 

    Nadat in 1981 Bezonken rood verschenen was, begon Brouwers aan De zondvloed te werken, het begon met aantekeningen (op losse blaadjes, in schriftjes, neem ik aan). In 1988 was het boek klaar, tussendoor schreef hij aan Winterlicht, dat in 1984 verscheen. Over de nadagen van een schrijver, Jacob Voorlandt. Op afstand deed Voorlandt me denken aan de oude schrijver Lonoff, uit Ghostwriter van Philip Roth. Het is wat je leest waartussen de verbindingen ontstaan. In 1983 schrijft Brouwers in Het is niets, dat zijn huwelijk op orde is. Wel wordt de schrijver gekweld door verlangens, als was hij een trillend schoolmeisje in vroegere dagen, ‘altijd, altijd ogenblikkelijk verliefd op iedere vrouw die toevallig mijn pad dwarst.’ En ja, als je eenmaal Brouwers leest, teruggaat in al die boeken, brievenboeken, zelfmoordboeken, dan spreekt een groots binnenhuis leven, gedreven door de wil te schrijven. Daarbij de drank, slapeloze nachten, verbroken relaties, en immer, immer dat smachten. Ook als het leven goed was, hunkerde hij.

    De zondvloed is zijn kernboek. Over de getergde schrijver, die zijn vrouw en kinderen verliet, door zijn nieuwe geliefde in de steek gelaten, trekt hij zich terug in een dennenbos. In een huis dat kraakt en piept, dozen vol jenever. Conversaties met de telefoon (geweldige passages). Lege flessen gooit hij uit het raam. ‘Om mij heen was die immense stilte van het bos dat allengs vol lege flessen kwam te liggen’. De schrijver denkt aan zijn verramsjte boeken, denkt aan de dood. Maar hij leeft, is zich de dingen scherp bewust, schrijft in schriftjes. ‘Er werd klaarblijkelijk nog iets van mij verwacht: – misschien moesten er in de toekomst toch nog dingen door mij worden geschreven die niemand anders dan ik zou kunnen schrijven, of willen schrijven, of kunnen schrijven…’.
    Die toekomst is bereikt, meer dan zestig boeken. Niet meer schrijven is een keuze. ‘
    Naarmate de schrijver schrijft, gumt hij zichzelf uit.’, schrijft Brouwers in de jaren tachtig. Nu is de schrijver klaar, dus hup, lezen, heel dat oeuvre. Dan spreken we verder.

     

     


    Inge Meijer reist met het OV, vergeet geregeld haar mondkapje, leest boeken uit.

     

  • Theepotten gooien

    Theepotten gooien

    Hoe mensen steeds weer op reis gaan, huis en liefdes verlaten, daar is geen regel voor. Het is weten wanneer het moment daar is, dan koffers pakken, trap af, het huis uit. In de film Hope Gap wordt een vrouw door haar man verlaten. Ze had veel op hem aan te merken, maar hij hoort bij haar, dacht ze. Hij pakt zijn koffer, zegt dat hij niet degene is die zij in hem ziet. Het gevaar van een huwelijk is dat je degene wordt die de ander in je ziet. Meidagen zijn weemoedige dagen, het herdenken, het weten dat toen, op net zulke dagen, met net zulke kwinkelerende vogels, de vernietiging inzette. Deze dagen trek ik vaak naar de boeken van Josepha Mendels, schrijfster die zich hoede voor elke conventionele vorm van leven. Ze was Bewust Ongehuwd Moeder avant le lettre, maar wilde nergens bijhoren, geen stempel, geen stigma. Steeds als ik haar boeken lees, verrassen ze me. Ze had een schrijfster van deze tijd kunnen zijn.

    ‘Ik pak van alles in een tas, dingen die ik absoluut niet nodig heb, ik haal er ook nog een koffer bij want Ramuz wil mee, een Alain Fournier, ook het rode theekopje van Wandy waar ik ‘s nachts mijn horloge in leg, ‘en ik’ vraagt Stendhal, ‘vergeet je Le Rouge et le Noir met de opdracht a Wollie?’ Ik ben eerst op de verhoging van het badje gaan zitten en toen op de bodem, eerst ben ik V.J. geweest die Wollie heeft gestreeld en toen was ik Wollie die tegen V.J. is opgeklauterd. Mijn bed heb ik loodrecht tegen de muur gezet, stoelen en tafel ondersteboven gekeerd, de theepot op de grond gegooid, doorweekte zwarte blaadjes gelijk gestorven vliegen. En ik heb de deur gesloten, de sleutels in mijn zak gedaan en ben het huis uitgelopen.’
    Dit gaat over het moment dat ze haar appartement aan de Rue Vavin in 1942 moet verlaten, vluchten voor de Duitsers. 

    Als de moeder in Hope Gap op het dieptepunt van haar verdriet zit, wil ze het liefst op een ochtend niet meer wakker worden. Dat zegt ze haar zoon. Ik werd geraakt door die zoon, niet alleen omdat het Josh O’Conor was die hem speelde, maar ook om wat hij zei. ‘Ik kan je niet vragen voor mij te leven. We moeten allemaal onze eigen last dragen, maar… jij bent net als de ontdekkingsreiziger. Jij bent al vooruitgegaan, en als jij na een tijdje niet meer verder gaat… dan weet ik dat de weg te zwaar is, en te lang. Dan weet ik dat uiteindelijk, het verdriet overwint. Maar als je het wel verdraagt… hoe erg het ook is …weet ik dat ik het ook kan verdragen. Omdat jij dat al voor mij deed.’
    Dat is wat ik in de boeken van Josepha Mendels vind, nieuwe wegen inslaan voorbij het oude, een leven van doorgaan. En zo af en toe een theepot op de grond smijten om het te markeren.

     

     


    Inge Meijer reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Schrijf dat op

    Schrijf dat op

    Wat ik doe als ik schrijf. Ik zet de radio aan, of uit. Ga naar de gang, trek schoenen aan. Draai de voordeur van het nachtslot, kijk door het voordeurraam naar buiten, hang de sleutel aan het sleutelplankje, (deur enkel openen voor pakketbezorgers). Loop naar de kamer, zet de radio uit, of aan. Leg op tafel een stapel boeken, zet de laptop er op. Schuif er nog een boek onder. Denk aan de verschillende manieren hoe mensen verongelukken. Open een Word document, kijk naar de beschreven vellen papier op tafel. Tik de eerste regels over. Stop. Pak het luciferdoosje van tafel, steek een kaars aan, steek twee kaarsen aan en ook de derde. Kijk naar drie brandende kaarsen. 

    Loop naar de keuken, pak het brood uit de broodtrommel. Streel het brood, klop het meel eraf, durum meel (zoek dat op). Leg het op een plank, neem het broodmes uit de la. Zet het mes op het brood, snijd een plak af. Neem boter uit de koelkast, plantaardige boter (dat is belangrijk). Eet een stuk van het brood, ga naar de kamer. Typ twee minuten achter elkaar. Stop. Zoek in een kookboek een eenvoudig recept, açorda uit de Alentejo. Stamp knoflook en verse koriander fijn, doe er zout, olijfolie, azijn bij. Smeer het op een stuk brood, bewaar dat voor later. Ga op weg naar de kamer langs de boekenkast. Blijf staan, neem er een boek uit. Lees een bladzijde, zet het terug. Ga opnieuw naar de keuken, spoel bekers en bordjes af. Zet de verwarming aan. Denk aan de ontelbare manieren hoe mensen kunnen verongelukken.

    Wat ik doe als ik schrijf. Ik verschuif de sofa naar de andere kant van de kamer. Laat de kat naar buiten, of naar binnen. Lees over het conflicthuwelijk van de ouders van A.N. Ryst, (weet dat achter die naam Daan Remmerts de Vries zit). Denk aan de vele manieren hoe een mens…, enzovoort.  Schenk heet water in de theepot. Zet het compostemmertje bij de achterdeur. Ga voor het keukenraam staan, kijk naar buiten. Lees hoe de vader reageert als hij begrijpt dat zijn vrouw overweegt de Drion pil te nemen: ‘Mijn vader reageerde met een kort, haast jongensachtig lachje. “Als jij hem neemt,” zei hij, “dan hoef ik hem niet meer.”‘
    Lees een andere passage. Begrijp hoe verschillend een mens kan zijn.

    ‘Mijn moeder kwam ineens naast hem zitten. Ze nam een van zijn handen tussen de hare. “Tjee, wat koud…” Ik keek toe. Het was een zeldzaam gebaar van innigheid; bij mijn vader welden tranen op.
    “Ja… Ook tijdens die wandeling had ik steenkoude handen…”
    “Ja, dat hou je altijd,” zei mijn moeder. “Mensen die bloeddrukpillen slikken hebben altijd koude handen en voeten…”
    “Ja…” zijn mijn vader, met een brok in zijn keel.’

    Doe het boek dicht. Schuif de sofa weer terug. Eet het stuk brood besmeerd met het smeerseltje uit de Alentejo. Doe niet open voor collectes. Denk aan één manier hoe iemand verongelukken kan. Schrijf dat op. 

     

     

    Citaat uit: De nadagen / A.N. Ryst / Uitgeverij Querido (2018)


    Inge Meijer leest boeken helemaal uit, .

     

     

  • Maaier in het literaire veld

    Maaier in het literaire veld

    We moesten iets met Pasen, hingen gekleurde houten eieren in een wilgentak die tot het plafond reikte. Het gedoe in het kabinet, waarvan de scharnierpunten al nooit gesmeerd liepen en nu waren vastgelopen, sudderde nog na. Rutte als verrader, zondaar en eeuwige opstandeling, die zijn rol tot het bittere einde wilde uitspelen. Daarbij was het koud, zou het nog kouder worden, sneeuw enzo. Nee, het vrolijke van Pasen kregen we niet te pakken. Toen las ik ook nog een stukje in de boekenbijlage van de Volkskrant door Bo van Houwelingen over De atlas van overal van Deniz Kuypers. Alsof het haar taak is, ze er geschiedenis mee wil schrijven, maakt zij boeken in kort bestek af. Ze is er goed in. Deze keer deed ze het in 173 woorden, in 12 brakke zinnen. Kort en krachtig, als de maaier met de zeis in het literaire veld. Geen enkele onderbouwing. We moeten haar op haar woord geloven dat als zij het niks vindt, het ook niks is. Maar goed, het was Pasen. Er was koffie, een likeurtje, een stuk citroencake met maanzaad (gedoopt in dat likeurtje een heerlijkheid). We gaan hier geen recensie recenseren.

    Dus maakte ik een quinoasouffle met tijm, nootmuskaat, parmezaan. Een salade van veldsla, tomaat, walnoten, peer, eieren. De witte wijn zou een zekere mate van tevredenheid teweeg brengen. Toch bleef de gemakzuchtige toon van het stukje in me doorzagen. Wanneer neem je een recensie niet meer serieus? Het boek, waarin de schrijver zijn zelfzuchtige en agressieve vader poogt te begrijpen, was Van Houwelingen duidelijk niet bevallen. Schrijvers met kinderen die de noodzaak voelen hun eigen jeugd te onderzoeken, vindt ze een algemeenheid. Over de mooie, fictieve verhalen over de vader in dit autobiografische boek is ze kort, ‘Ja, volop verhalen in deze roman, maar echt beklijven doen ze niet.’ Heeft ze het boek wel gelezen? Naar het einde wordt het cryptisch, ‘De les is al geleerd, de wijsheid al ingezonken.’ Over welke les heeft ze het hier, welke wijsheid, en in wat is die gezonken? 

    In tegenstelling tot dat wat er in het verwaarloosbare krantenberichtje staat, beklijft er veel uit dit boek. De rusteloosheid wanneer je tussen twee culturen opgegroeid bent, je nergens thuisvoelen krijgt hier een intensere belichting dan ooit. De agressiviteit van de vader, de poging als zoon hiermee te dealen. Het beklijft hoe de auteur, vol wrok zit jegens zijn zelfzuchtige vader, waarover hij tijdens het schrijven aan dit boek niet meer te weten komt dan hij al wist, hem fictief vormgeeft. Hem een beetje in de richting schrijft waar hij hem zou willen hebben. Uiteindelijk laat hij zijn vader, die hem in de twintig jaar dat hij in Amerika woont nooit heeft gebeld, naar hem bellen. Ze spreken in een haspelende, haperende taal, er is een poging tot toenadering. Verhalen brengen je verder dan de werkelijkheid. Wat bijblijft is hoe de schrijver aan zichzelf voorbijging. Maar je moet deze knap geconstrueerde roman natuurlijk wel helemaal lezen om dat erin te zien. Intussen viel de sneeuw, wilde het maar geen Pasen worden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt wel eens verliefd op een tekst, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Nog van alles mogelijk

    Nog van alles mogelijk

    In de boekenkast zou Josien Laurier tussen de schrijvers Michael Laub en Violette Leduc moeten staan. Ik wist het zeker, haar boek Een hemels meisje en een verhalenbundel zouden daartussen staan. Boekenkasten veranderen van inhoud, zij was er niet meer. Laurier is een van die schrijvers waar ik wel eens aan denk, me afvraag waar ze gebleven is. Net als Annelies Passchier, waarvan ik nu weet dat zij in 2009 is overleden.

    Vorige week schreef Jan van Mersbergen op zijn blog over de genomineerden voor de DIF/BNG Aanmoedigingsprijs 2005, waartoe hijzelf ook behoorde. Hij had een foto gevonden waarop ze alle zeven poseerden. Zes van die schrijvers zijn nog in het literaire veld actief. De zevende, Josien Laurier was verdwenen. Van Mersbergen vroeg zich af waar ze gebleven was. Na zijn post op Facebook vroegen velen zich dat af: ‘Oja, Josien Laurier’. ‘Schrijft ze nog?’ Er werden foto’s gedeeld met haar boeken die uit kasten waren getrokken als bewijs. In mijn boekenkast dus niets. Een dag later dacht ik aan mijn oudste dochter, ik appte haar, of Josien Laurier bij haar stond. Ja, daar stond ze. Opeens wilde ik alles van haar terugzoeken.

    Ik vond een (verouderde) website, teksten op DBNL, verhalen die in literair tijdschrift Parmentier (ook verdwenen) stonden. Ik vond een e-mailadres, kopieerde het, plakte het in een op te stellen mail. Schreef dat haar boek Een hemels meisje in mijn geheugen als belangrijke literatuur lag opgeslagen. Ik vroeg hoe het haar ging. In de tussentijd tweette Marja Pruis dat ze haar laatst in Amsterdam op straat had gezien, dat er in die zin dus niks aan de hand was. Ze bedoelde: ze leeft. Er zou dus nog van alles mogelijk kunnen zijn. Een schrijver blijft een schrijver blijft een schrijver. Er dook een laatste interview met haar op, uit 2010. Daarin zegt ze te stoppen met schrijven, dat ze nu leest, Aristoteles, Thomas van Aquino, Hume en Kant. Dat ze dat veel eerder had moeten doen. Dat er in de vorm van verhalen en romans voor haar geen uitdaging meer zit. En dan moet er ook steeds maar weer die psychologie bij, die mij eigenlijk helemaal niet interesseert.’ Mooi interview, intrigerende persoonlijkheid. Ik zou een ideeënroman van haar hand willen lezen. 

    Op DBNL staat de tekst, ‘Veel gestelde vragen’ van Josien Laurier. Dat begint zo: Hoe gaat het met u? Zijn er omstandigheden waaronder methaanrivieren op Titan tot de mogelijkheden behoren? Waarom geen mooie blouse in champagne- of goudkleur? Is net-art dood? Was de aarde, in de eerste vijfhonderd miljoen jaar dat hij bestond, een hel? Is dat een integratieprobleem, een communicatieprobleem, of helemaal geen probleem? Zijn dit nu de reacties van een geschokte samenleving? Wie heeft in Europa de macht over de euro? Wat verstaat men onder de halveringsdikte van een stof? We hebben toch een probleem met de migratie? Hoor ik een gelukkige vrouw aan de andere kant van de lijn?’ Zeven pagina’s gaat dat zo door, waar je doorheen leest als een gek die constant pingpongballetjes van zich af moet slaan, onderwijl de geest vullend met verhalen, aangespoord, door die vragen.
    Een paar dagen terug ontving ik een antwoord van de schrijfster. Dat het haar uitstekend gaat. Dat ze jaren geleden met schrijven gestopt is, dat het ‘denkelijk’ daarbij blijft. ‘Maar een mens weet nooit…’ schreef ze nog. Dus is er nog van alles mogelijk.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een tekst, is een gevoelig lezer.

     

     

  • Struikelen

    Struikelen

    Ik maakte me zorgen over de roep om sensitivityreaders, meelezers die schrijvers moeten behoeden voor een ‘faux pas’ in het vormen van hun beeld van anderen die zij, gezien hun identiteit eigenlijk niet zouden mogen vertegenwoordigen. Of er niet op teveel slakken zout werd gelegd, vroeg ik me af. De weekendeditie van de Volkskrant wijdde er een stuk aan waarin verschillende schrijvers gevraagd werd of het goed voor de literatuur zou zijn, zulke meelezers. Ik dacht, een goed schrijver weet waarmee hij bezig is, zijn boek is de spiegel waarin hij zichzelf recht in de ogen moet kunnen kijken. De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver liet al eens weten (in Amerika heeft men al langer met dit verschijnsel te maken) dat op het moment haar werk naar een sensitivityreader gaat, zij met schrijven stopt.

    In haar laatste boek, De weg van de meeste weerstand, schrijft Shriver over alles waar een sensitivityreader over zou kunnen struikelen, neemt het op de hak. Er is een onduidelijke gebruiksaanwijzing, geschreven in China. Een van haar karakters zegt, ‘geschreven door mensen die duidelijk geen idee hebben hoe we dat in Amerika doen. Niet dat er iets mis is met Chinese mensen, dat bedoel ik niet. Moet je ze zo noemen? “Chinese mensen?” dat klinkt een soort van beledigend.’ 

    In de Volkskrant werd schrijver Vamba Sherif gevraagd wat hij van het nut van zulke meelezers vindt. Hij denkt dat het wel nodig is, ‘Literatuur heeft altijd geworsteld met het beeld van de ander. (…) de soms schrijnende onwetendheid over die ander.’ Hij noemt de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in 1958 de roman Een wereld valt uiteen schreef. Een boek dat hij waarschijnlijk niet had geschreven als hij niet Mister Johnson (1938) van de Ierse schrijver Joyce Cane had gelezen. Over een Nigeriaanse man met een kinderlijk naïef karakter. Achebe kon zich in het geheel niet met hem identificeren. Hij wilde iets rechtzetten en schreef Een wereld valt uiteen. Het werd een moderne klassieker, vertaald in vijftig talen. Wat een geweldig verhaal is natuurlijk. Ik dacht: Wat als Joyce Cane een sensitivityreader had gehad, die het imperfecte beeld van een Nigeriaanse man had voorkomen? Dan had Achebe niet de noodzaak gevoeld dat boek waar hij wereldwijd mee doorbrak te moeten schrijven. 

    A.L. Snijders zei eens ‘Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk’. Dan raakt de bron vertroebeld. Shriver creëert werelden die (soms) ook de schrijver vreemd zijn, zoals in, We moeten het even over Kevin hebben, over een jongen die een aanslag pleegt op zijn middelbare school. De weg van de meeste weerstand opent met een citaat uit Een wereld valt uiteen van Chinua Achebe. Hoe meer ik erop let hoe meer verwijzingen er naar exit sensitivityreader in zitten. Serenata, een stemactrice mag geen zwarte personages meer doen, om de culturele toe-eigening. Remington, haar man, wordt op een zijspoor gezet door zijn nieuwe cheffin, een 27-jarige Nigeriaanse, die streeft naar genderneutrale toiletten. Shriver lijkt te willen zeggen, we kunnen niet alle hoeken van de tafel afzagen om te voorkomen dat we ons er aan stoten.

     

     

    De weg van de meeste weerstand / Lionel Shriver / Atlas Contact 2020
    Volkskrant 20 maart / ‘Het ligt allemaal gevoelig’  door Hans Bouman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, is een gevoelig lezer.

  • Onbereikbare vaders

    Onbereikbare vaders

    Om het vuur onder het lezen aan te wakkeren is het soms goed kennis te nemen van de teksten van de gedreven lezer en criticus Anthony Mertens. Voor Mertens was lezen ‘verleid worden’. En verdomd, nadat ik een week niet wist waar ik het (als lezende) zoeken moest, kreeg ik De atlas van overal in handen. Werd ik, die dagenlang verschillende boeken vruchteloos opensloeg, overgehaald tot verder lezen. Over een zoon die zijn vader zoekt in de verhalen die hij over hem kent. De schrijver woont sinds zijn twintigste in Amerika. Aan zijn Turkse vader denkt hij met enige wrok, heeft geen contact meer met hem. Als hij zelf kinderen krijgt wordt hij onrustig. Wat voor vader zal hij zijn? Zal hij zijn kinderen kunnen liefhebben, ze verdragen? Zijn vader is een zeer gepreoccupeerd mens. Als enige uit zijn boerenfamilie had zijn vader ambities. Hij wilde schrijver worden. Als hij wordt aangesteld als onderwijzer in een dorpje, lijkt het er even op dat hij het verschil gaat maken. Dan, door ongelukkige omstandigheden, een gedwongen huwelijk, wegen die elkaar kruisen die elkaar beter niet hadden kunnen kruisen, doodt hij een jongen.

    Na zijn gevangenisstraf vertrekt hij als gastarbeider naar Duitsland. Eind jaren zeventig wordt hij leraar Turks op een school in Twente. Daar ontmoet hij de toekomstige moeder van de schrijver. Ze krijgen twee kinderen. Zij weet dat hij in Turkije een gezin heeft, dat hij elk jaar bezoekt. Gespletenheid van levens, niet te overbruggen. De vader is een autoritair man. Wie hem in de weg zit, wordt hardhandig aangepakt. Zat zijn vrouw eens achterna met een hamer, wurgde bijna zijn dochter omdat ze niet gehoorzaamde.

    De schrijver reconstrueert het leven van zijn vader in Turkije. Als vierjarig kind hazelnoten rapend, in bomen klimt voor de laatste noten. Als jonge man, verliefd op de dochter van de hoofdredacteur van een krant. De armoede, opdringerige geiten, de stank, het schrale eten, de ongeïnspireerde levens, het Turkse platteland, de woede van de vader om dit alles. Niets geen fraai gebouwde zinnen maar eerlijke taal, met een grote, aansprekende kracht. Ik heb mij een beeld gevormd.

    De overwegingen van de schrijver hoe hij het verhaal van zijn vader vorm zal geven in een boek, een roman. Stromeningen, bronnen komen samen in een waarachtig geheel. Zeer on-Nederlands ook, ik moet denken aan John Fante, de sfeer in Wacht tot het voorjaar Bandini. Ongekend mooie literatuur.

    Hoewel de zoon niet werkelijk nader tot zijn vader komt, eindigt zijn zoektocht met een innerlijke toenadering. Waarin eenzelfde ontroering te voelen is als in Een goede vader van Jean Paul Franssens. Had ook zo’n onbereikbare vader, tijdens de oorlog collaborerend met de Duitsers, zijn vrouw eens opsloot in een koelcel. Hij besefte dat zijn vader hem nooit zal zoeken, dus zoekt hij hem. Aan zijn sterfbed fluistert hij herhaaldelijk, als om zichzelf te overtuigen: ‘Je bent een goede vader.’ Dan opent zijn vader zijn ogen. ‘Hij staart me aan of hij vreselijk van me schrikt. Alsof hij heel erg bang voor me is. Hij komt even overeind, rukt zijn hand los en slaat me in mijn gezicht.’
    De schrijver van De atlas van overal brengt zijn vader in een denkbeeldige belofte thuis. ‘Ergens in de kosmos, op een verre dag, zal ik mijn vaders boeken naar zijn geboortedorp brengen.’ Mooi boek.

     

     

    De  atlas van overal / Deniz Kuypers / Atlas Contact (2021)
    Een goede vader / Jean Paul Franssens / De Harmonie (1993)


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, zoekt de verleiding.

  • Legende

    Legende

    Vorige week is onze kat gestorven. Eerst liep hij nog soepel met zijn slanke zwarte kattenlijf naar buiten. Later lag hij in een wat ongelukkige houding bij de achterdeur, sleepte zich naar binnen. Hij leek een zeemeermin, zo sierlijk hief hij kop en bovenlijf omhoog, sleepte zijn fluweel glanzende vissenstaart achter zich aan. Dat hield hij niet lang vol. Twaalf jaar geleden kwam hij als kitten. We noemden hem Maupie, maar hij had net zo goed Koos kunnen heten. Hij was een kat, niet een afhankelijk dier dat zijn eigenheid op het spel zette. Katten zijn soms net mensen. Eerder, toen Maupie nog onverstoorbaar rondliep, drinkend uit druppende kranen, slapend op bed, voor uren ontraceerbaar, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet dit verhaal over een zelfmoord me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann 1940-1980. Die zichzelf doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. 

    De schrijver zelf was een jongen toen. In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, hij suïcidaal is. Daarom ging de jongen ook op zijn aanbod in, om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij wil hem naar het vasteland brengen, denkt aan de moeder van de jongen. 

    Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is, langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde. Ik dacht eraan toen Maupie, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, voorpootjes ontspannen bij zijn kopje. Die behoefte hem wakker te willen aaien. Eén oortje werd al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht. Maupie is nu een plekje in de tuin, een gedachte aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

     

    Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, zoekt verhalen.

  • Geschikte verhalen

    Geschikte verhalen

    In Brummen wordt de krant onregelmatig bezorgd, vaak helemaal niet. Eigenlijk zijn we zo gewend dat er geen krant komt, dat we verrast zijn als hij er wel is. De krantenjongen krijgen we nooit te zien. Een keer hoorde ik hoe hij de krant door de brievenbus duwde. Het was of ik voor het eerst een ijsvogel, waarvan ik wist dat die er was, te zien zou krijgen. Ik snelde naar beneden, trok de voordeur open, riep “Hé, hallo! maar weg was hij. De afgelopen week was er geen krant. Eerst omdat het sneeuwde, toen omdat het dooide. In plaats van de krant doornemen aan de keukentafel, zijn we overgegaan tot het elkaar voorlezen van verhalen. Hoewel, ik lees voor. Mijn lief luistert, gedwee. Als ik zeg, ‘zal ik een verhaal voorlezen?’, zegt hij, ‘…Toe maar’, alsof ik hem een trucje wil laten zien. Soms lees ik een zeer kort verhaal, soms een wat langer. Afhankelijk van de hoeveelheid geduld die er in de lucht zit. 

    Het is als samen een modewinkel binnengaan (waar ik nooit kom, maar stel je voor), ik weet welke jurk ik wil, deze pas, koop, en klaar. Ga ik daarentegen besluiteloos wat kleerhangers heen en weer staan schuiven in rekken met blouses en truien, dan verdwijnt de gedweeheid. Tijdens het voorlezen van een lang verhaal ben ik daarop bedacht, of er niet teveel in gedraaid wordt, het ergens heengaat. Of, liever nog, je ergens mee laat zitten. Dan zijn het geschikte verhalen. Gister las ik ‘Projecties’ van F.B. Hotz voor. Over een man die voor twee nachten zijn vijfjarige kleinzoon, wiens ouders aan hun relatie moeten werken, te logeren heeft. De tijd moet om, ze gaan een middagje naar het strand. Daar, terwijl de man zijn colbert uittrekt, deze met precisie  opvouwt, in een tas legt, daarna een schoen uittrekt, verdwijnt het kind. Ik lees: ‘Mark was weg.’ ( Mijn liefs adem stokt een tel) ‘Hij was verdwenen; door de grond verzwolgen, weggeblazen.Van hieruit door een duivel in zee gekwakt en, niet gewend aan golf en branding, meteen verdronken. Of een meer aardse gruwel had hem in een tent gesleurd. Misschien vermaakte een morsige krankzinnige zich giechelend met hem in de kleedhokjes verderop.’ (een diepe zucht).

    Ik lees verder: ‘Grote kwaadheid kwam over me. Klootzak! dacht ik; al in de eerste minuut verspeel je het kind dat je toevertrouwd is. Je hebt meer belangstelling voor je colbertje. Dat moest zo nodig in een tas; opgevouwen nog wel.’ Het kind wordt ongeschonden teruggevonden. Het ging om de man die zichzelf niet meer kon zijn in bijzijn van het kind.

    Vanmorgen las ik leunend tegen het aanrecht dit zeer, zeer korte verhaal van Lydia Davis voor: ‘In een belegerd huis woonden een man en een vrouw. Vanwaar ze ineengedoken in de keuken zaten, hoorden de man en de vrouw kleine ontploffingen. “De wind,” zei de vrouw. “Jagers,” zei de man. “De regen,” zei de vrouw. “Het leger,” zei de man. De vrouw wilde naar huis maar ze was al thuis, daar midden op het land in een belegerd huis.’ Een geweldig verhaal voor bij het aanrecht.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de krant als die er is, zoekt naar verhalen.