• The Capote Tapes

    Soms ben je ervan overtuigd dat je iets geweldigs onder handen hebt. Je vertelt niemand erover, hoewel, nou vooruit, zo nu en dan laat je los dat je met een meesterwerk bezig bent, het vordert gestaag. Er komt een soort voorpublicatie in een van de glossy’s van New York, waarna opeens heel de beau monde over je heen valt. Het overkwam Truman Capote, beroemd geworden met Breakfast at Tiffanys. Na de verschijning van In Cold Blood, waarmee hij de non-fictie roman in de literatuur  initieerde, liep de upper-class van New York met hem weg. In de documentaire The Capote Tapes van Ebs Burnough, die ik thuis op de bank zag, (lucky me) komt een beminnelijke Capote naar voren in het New York van de bruisende, broeierige jaren ’50, ’60, ’70. Het gekke is dat je direct van deze schrijver, deze kleine, springerige man gaat houden. Natuurlijk, door zijn geweldige boeken en verhalen, maar ook door Kate Harrington, zijn ‘geadopteerde’ dochter die liefdevol over hem spreekt. Dat hij zich ooit over een veertienjarige dochter van een man waarmee hij een affaire had, ontfermde! Het biedt direct een andere kijk op de Capote die vooral bekend stond als ‘freak’, ‘bitchie’, ‘mean’.

    Kate trok bij hem in, hij zorgde voor haar, liet haar kennis maken met literatuur, (ze vroeg hem waar zijn televisie stond, hij nam haar mee naar zijn bibliotheek en toonde haar zijn boeken, ‘dit is mijn televisie’). Ze ging mee naar lunches, waar ze zich verveelde. Capote adviseerde haar te luisteren naar de gesprekken naast haar, ‘en op weg naar huis vertelde ik hem alles wat ik gehoord had, en daar genoot hij van’. Capote werd van schrijver steeds meer entertainer van de upper-class. Hij werd meegenomen op bootreizen, grootverbruiker van drank, drugs, graag geziene gast in talkshows. Zijn opmerkelijk hoge stemgeluid, het slissen, (alsof de tong te groot is voor de mondholte), verrast me telkens wanneer hij spreekt. Misschien dat Capote daarom in (voortreffelijke) one-liners sprak. In een opname uit eind jaren ’50, begin jaren ’60 flaneert hij gearmd met een jonge vrouw van buiten Manhattan langs etalages. Voor een winkelpui passeren ze een homoseksuele jongeman in een lange dames bontjas. De vrouw kijkt om, giechelt, ‘Bij ons heb je dat niet.’ Waarop Capote zegt, ‘Oh yes you have dear, but they are not wearing fur coats.’

    Slim Keith, vroegere bewonderaarsters uit de upper-class, vertelt op band hoe Capote bij het afscheid nemen tegen haar zei, ‘I love you, big mama!’ Zij, ‘I love you to, Truman,’ riep, waarop hij riposteerde, ‘No, you don’t!’ Hij zei dat mensen niet van hem houden. Dat ze hem amusant en fascinerend vinden, maar niet van hem houden. Hij vertelde welke reacties hij oproept als hij, de overduidelijk homoseksuele, springerige, kleine man, met zijn hoge jongensstem een vertrek binnenkomt. ‘You see the shock on people’s faces. I see how they look. And when I’m so outrageous, so squeaking and carrying on, is simply to release them of this sudden embarrassment. And all they can do is laugh. And then it’s ok.’ Zo blijf je afwijzingen altijd een stap voor.

    The Capote Tapes wekt de verwachting dat er in de documentaire uitspraken onthuld worden die niet voor derden bedoeld waren. Het ligt anders, de tapes bevatten gesprekken van biograaf George Plimpton, met vriend en vijand van Capote. Die gesprekken staan merendeels in de biografie van Capote. Neemt niet weg dat die tapes een goed raamwerk vormen voor de film.
    Het laatste beeld van de documentaire is een dansende, springende Capote, een Mexicaanse omslagdoek om zich heen, op een verlaten strand. Hij springt steeds dichter op de camera toe. Met de omslagdoek voor zijn mond gedrapeerd, focust hij in de lens, als een onberekenbare beminde. Ik kan er niet genoeg van krijgen het steeds opnieuw te bekijken. Alsof in die opname alles (wat dan?) besloten ligt. En wat zou je verdomd graag die Answered Prayers willen lezen.

     

     

    The Capote Tapes / vanaf 26 mei in verschillend Filmhuizen te zien.


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest altijd tot de laatste bladzijde.

  • Enig gewicht

    Enig gewicht

    De laatste weken was ik nogal uithuizig, voldeed aan wat anderen van mij verwachtten (betwijfelde of ik het wel goed deed) waardoor ik veel uit het oog verloor. Weer thuis hing ik verveeld rond, als een kind op een vrije middag dat niemand te spelen vindt. Ik was vergeten dat er ergens een lijstje was waarop: ‘doelloosheid’ → ‘boekenkast’, staat. Dat ik mijn ogen als een wichelroede langs de boeken beweeg tot, pats!, het juiste boek in trillende vreugde mij in de handen springt. Nou ja, zoals je vroeger langs de boeken in een boekwinkel ging, of bibliotheek. Geen auteursnaam op een briefje, geen titel in je kop, maar wat je van de boekenschappen trok, leidde altijd naar iets van betekenis. In Walt Whitman’s Oud ben ik en jong ben ik, zoek ik naarstig naar overeenkomsten, een oorsprong van alles zodat ik de diepte weer voel. Alsof anderen het allemaal voor je kunnen oplossen (dat wens je toch?). Walt Whitman (1819-1892) debuteerde in 1855 met Leaves of Grass, de uitgave bekostigde hij zelf (wat in die tijd nog niet zo’n ding was, want niet iedereen dacht toen dat ie schrijven kon). Dagboekfragmenten en losse aantekeningen liet hij in 1882 drukken. Gebrek aan samenhang van die fragmenten wilde hij laten voor wat het was. En hij had gelijk, want, ‘Het resultaat zal hoe dan ook een fase in het menselijk bestaan illustreren’. 

    Steeds opnieuw moet ik mij een weg vinden om te herinneren wat ik mij gesteld heb. Whitman herinnert zich Edgar Allan Poe, toen hoofdredacteur van The Broadway Journal waarin een artikel van hem geplaatst was. ‘Poe was heel hartelijk, op een bedaarde manier, en maakte een welvarende indruk naar voorkomen en kleding enz.’ Hier komen twee levens samen waar ik beiden, los van elkaar, weet van had. Ik raak onder de indruk van Walt Whitman, die naast natuurliefhebber, humanistisch geestelijk verzorger ‘avant la lettre’ was. Als vrijwilliger brengt hij zijn dagen door in militaire hospitalen  in Washington tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij kwam er terecht nadat zijn broer George als officier van het 51ste regiment vrijwilligers van New York, ‘ernstig gewond was geraakt (eerste slag bij Fredericksburg op 13 december 1862).’ Dit schrijf ik zo volledig op omdat mijn jongste zoon op 13 december geboren werd. Voortaan zal ik op zijn verjaardag aan de slag bij Fredericksburg Virginia denken, aan Walt Whitman.

    Whitman beschrijft wat hij aantrof bij het veldhospitaal bij Fredericksburg. ‘Buiten, aan de voet van een boom, zie ik een berg geamputeerde voeten, benen, armen, handen enz. liggen, een volle vracht voor een eenspans wagen.’ Amoureuze gevoelens worden kort als in een voetnoot genoemd. Zoals bij de Ierse, vrijwillig soldaat Thomas Haley die getroffen door een kogel in zijn longen, binnen drie dagen zal sterven. Whitman ziet hem als ‘voorbeeld van jeugdige fysieke manhaftigheid’. Hij bewondert zijn atletische gestalte, het glanzende haar, zoals ik die zelf ook zou bewonderen. Weet dat schoonheid en gruwelijkheden naast elkaar kunnen bestaan. Dikwijls zit hij zo’n tien minuten aan het bed van de jongen. ‘Och hoe onkundig was hij, arme, reddeloze knaap, van het hart van de onbekende die hem ter zijde zat.’ Whitman schreef niet met het oog op een lezer, hij schreef omdat er een dringende behoefte was te noteren wat hij waarnam. Kom daar nog maar eens om.

     

     

    Oud ben ik en jong ben ik / Walt Whitman / vertaling René Kurpershoek / uitgeverij Van Oorschot (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Ik waste mijn handen onder de kraan, er reed een auto door de straat, de stem van de nieuwslezer wrong zich in flarden door deze ruis heen, ‘vanmorgen… na een kort ziekbed… schrijver…’. Ik opende mijn laptop, mail van de uitgeverij van de schrijver van wie ik vermoedde dat hij het was die op het nieuws bezongen werd als ‘overleden schrijver’. Ik las, ‘Vanochtend bereikte ons het verdrietige bericht dat Jeroen Brouwers, na een kort ziekbed, is overleden.’ De komma’s negeerde ik. Bij het verscheiden van een bewonderd auteur komt altijd mijn eerste kennismaking met het werk van de schrijver in me op. Midden jaren tachtig had ik mij losgeweekt van gezins- en samenleven, ik betrok een etage boven een groenteboer in de stad, ging schrijven. Wat vooreerst inhield dat er gelezen moest worden, en wel veel. Ik kocht Privédomein boeken, De Beauvoir, Kierkegaard, Philip Roth, Doris Lessing, en Brouwers. Het verzonkene, over zijn moeder. ‘Ik herinner mij haar groene ogen. Dat zij koninklijk was.’ Maar ook, ‘Ik ga haar, als zij eerdaags komt te sterven, niet mee begraven. Haar laatste woorden heeft zij al tegen mij gezegd.’ Over haar verval, ‘Zo wenste ik mij haar niet te herinneren.’ Na haar dood in 1981 schreef hij Bezonken rood, uitgangspunt was het bericht van haar overlijden. Daar doorheen herinneringen aan zijn moeder en grootmoeder in het jappenkamp waar hij als peuter/kleuter met hen verbleef.

    Ed van Thijn, die als kind tijdens de oorlog op achttien onderduikadressen zat, vertelt in een aangrijpende documentaire over zijn getroebleerde kinder- en jeugdjaren, dat zijn moeder hem kort na de oorlog bij een psychiater bracht omdat hij ‘zo druk’ was. Dat hij alles doorstaan had, niemand hem tijdens die verschrikkelijke oorlogsjaren ooit een klap had gegeven, maar dat zij het toeliet dat hem elektroshocks werden toegediend. ‘Nou, toen was het wel over’, zegt Van Thijn in de camera, waarbij uit de blik in zijn ogen de schok van verraden te zijn door zijn moeder nog spreekt. Brouwers wordt na de oorlog, als ze naar Nederland zijn gerepatrieerd, als tienjarige direct op pensionaat gedaan. Het verblijf in het interneringskamp heeft hem volgens zijn ouders verwilderd, heeft geen gevoel voor wat ‘deugt’ en ‘nietdeugt’ ontwikkeld. Zijn moeder brengt hem weg. Zegt dat hij ‘gezeglijk’ moet zijn, dat hij over vijf weken ‘alweer’ een weekend naar huis mag. ‘-mijn haat jegens mijn moeder siert sedertdien mijn “levensbesef”.’ Lees hierin de blauwdruk voor een getormenteerd schrijversleven.

    Er was een levenslange weerstand aan het leven te moeten deelnemen, te converseren met mensen. ‘Puur uit mensenangst was ik weer zo zenuwachtig geweest om van huis te moeten, helemaal naar Tilburg, dat ik mij de dag tevoren tussen 16.00 en 21.00 uur heb lens gezopen.’ Het lijden onder kritieken. In een brief aan Harry Prick schrijft hij over een recensie in De Volkskrant van De laatste deur. ‘Zo’n kritiek als laatst in De Volkskrant, geschreven door een Heumakers of zoiets (wie is dát nou weer?), waarin stond dat mijn zelfmoordboek hoofdstukken vol ‘bric à brac’ zou bevatten, daar ga ik van door de muur door drift en verdriet. Zo’n Heumakers zal wel even in een paar kwartiertjes een stukkie plengen over een 500 pagina’s boekwerk waar ik zo’n jaar of 15 mee aan bezig ben geweest.’ Het literaire bedrijf was een levenstaak. Zijn boek Client E. Buskens noemt hij ‘een boek over niks’. Alles een schrijfoefening, ook als er niets gebeurde, al was de dood nooit ver weg.

    Hij schrijft, ‘Doos nietjes gekocht. Vijfduizend stuks. Nu heb ik wel regelmatig iets te nieten, maar er gaan ook weken voorbij dat er niets te nieten valt. Wanneer kocht ik een vorige doos nietjes? In ieder geval toch wel zoveel jaren geleden dat ik nu licht draaierig word van de gedachte, dat ik over nog eens hetzelfde aantal jaren best dood kan zijn, zonder alle vijfduizend thans aangeschafte nietjes te hebben gebruikt.’

    Aan Cliënt E. Busken werkte Brouwers vier jaar, onderbroken door ziekenhuisopnames. Met de pen schreef hij soms vijf, soms tien regels op een dag. Daar bewonder ik de schrijver om. Na voltooiing, dacht hij dat het niks was (Het is niets). Hij won er de Librisprijs mee. Arjan Peters vroeg hem wat er voor nodig was geweest om zich al die tijd voor Busken te kunnen openstellen. Brouwers zei, ‘Gewoon, pak je pennetje en begin maar.’ Je hoort het hem zeggen. Wie wil weten wat deze schrijver bewoog, kennis wil nemen van zijn vertelkracht, zijn zinnen wil bewonderen, lees Kroniek van een karakter, Het verzonkene, Bezonken rood, De Zondvloed, de rest volgt vanzelf. Brouwers wenste dat zijn boeken hem zouden overleven, ‘dit is de enige reden waarom ik schrijf.’ Schrijven was zijn leven en maakt, zoals hij zelf zei, een biografie overbodig. Ondertussen zoek ik een kamertje om zijn boeken, zijn epistels opnieuw te ondergaan.

     

     

    Bronnen: Het verzonkene / Bezonken rood / Het vliegenboek / Kroniek van een karakter / Het is niets / Interview Volkskrant 


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

     

     

  • Freeze

    Freeze

    Achter in de tuin, onder het dak van het open tuinschuurtje heeft een merel een nest gemaakt. Boven op het jute dat om de zeis gewikkeld is die aan een balk hangt, steekt een bruin vogelkopje boven de rand van een slordig in elkaar gestoken woonstee uit. Vader merel had ik eerder al opgemerkt, druk zoekend naar worm en slak op plekken waar ik de aarde had omgewerkt. Toen hij met volle snavel het tuinschuurtje invloog, sloop ik er achteraan, zag het vrouwtje broedend op het nest. Hij ging er als de wiedeweerga vandoor het vrouwtje stijf van schrik achterlatend. Met opengesperde snavel keek ze blind voor zich uit, alsof ze uitgetreden was. Snel stapte ik achterwaarts terug het tuinpad op. Ik dacht houd stil, blijf zitten, verroer je niet. Ik dacht ‘Freeze’, een gedicht uit de bundel Meestal tussen bomen, dat ik de laatste dagen herhaaldelijk gelezen heb. 

    ‘Als ik diep in balans ben, zoals mij wel eens
     overkomt, waarom zou ik dan ooit
     nog willen bewegen? 

     Ik kan de lichtheid voelen van een boom
     of struik te zijn en als ik mijn denken
     loslaat weet ik meteen het meeste -’

    Waarin ik het, ‘zoals mij wel eens overkomt’ meesterlijk vind. Net als, ‘als ik mijn denken loslaat het meeste weet’. Zeventwintig gedichten die ik gretig lees tot de bundel zomaar uit is. Dan opnieuw begin (het moet, er is magie in het spel) met het eerste gedicht, ‘De negende maand’

    September en de atmosfeer is stil
    er valt nog nauwelijks een blad

    zelfs op de kleinste schaal van zichtbaarheid
    houdt de natuur zich in, de minuscuulste

    bloei treedt aan het licht, er is
    alleen verademing – ook in mijzelf

    het is mijn geboortemaand, een
    cyclus komt ten einde en er wacht

    een zoveelste begin, een nieuwe jaarring

    De verzadigde atmosfeer van een septembermaand is voelbaar, dan het plotselinge, ‘ook in mijzelf’. De dichter is present, ze verjaart. Betoverend, ‘een zoveelste begin, een nieuwe jaarring’. Ik lees achter elkaar door, en weer opnieuw. Steeds bij dezelfde regels verschuift er iets in mij, grijpt iets mij aan (maar wat?). De dichter telt zijn dagen en zegeningen. Geen sprake van dramatiek, er is een nuchter weten dat de hemel ‘op een kier’ gezet, wordt ‘alvast’. Er is de, ‘Rust van een hoge sloot / van water dat op land ligt onder regen /glanzende plas met stille hemel / waarin een ruimte als voorbij de dood’. Lees nog eens, ‘van water dat op land ligt onder regen’. Elly de Waard was ooit popjournalist, melodieën spelen nog regelmatig door haar hoofd, ‘Ze staan daar altijd zachtjes aan’. Nu al meer dan veertig jaar dichter. Meestal tussen bomen is haar twintigste bundel. Ik lees nog eens ‘Oudejaarsavond op een benzinestation’, waarin tijdens een stormachtige nacht een ‘Romance- kort als een verwaaide oogopslag.’, wordt beschreven. Eindigend met, ‘Maar dit is een herinnering van lang geleden’. Daar is het dat er iets verschuift, alles dichterbij komt. Het is een magische bundel, waarin een terugkijken op een leven in de bossen rond huize Vogelwater. Een memoreren van de honden Vosje en Peerke, van een vossenmoeder. Van al dat groeide, voorbij ging, in leven en liefde.

     

     

    Meestal tussen bomen / Elly de Waard / De Harmonie (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

     

  • Wat ze wenste

    Wat ze wenste

    Terwijl ik dit stukje schrijf check ik acht keer mijn mail, raak tig keer verdwaald op social media, beantwoord dwingende apps. Klik, klik, klik weg ben ik. Daarna opnieuw mijn gedachten bij elkaar zoeken. Tove Ditlevsen schreef in het geheim (nooit iemand laten weten dat je aan een boek werkt) haar eerste roman. Na publicatie daarvan en een abortus, begint ze verhalen te schrijven, ‘het gordijn tussen mij en de werkelijkheid is weer dik en geeft me een gevoel van geborgenheid.’ Vanaf haar twaalfde schreef ze gedichten, droomde ervan een boek te zijn dat door anderen meegenomen zou worden, gelezen worden. Dromen is het begin van succes. Ditlevsens kwam uit een armoedig gezin, wilde al jong schrijven, maar verlangde ook naar een gewoon leven. Als haar eerste kind geboren is, zegt ze tegen haar toenmalige man, ‘Nu zijn we vader, moeder en kind, een doodgewoon normaal gezin.’ Hij vraagt waarom ze dit zegt, want ze is bepaald niet normaal. ‘Daar kan ik hem geen antwoord op geven, maar dit wens ik al zo lang als ik me kan herinneren.’ 

    Daar schuurt het. Schrijver willen zijn en een dienstbaar leven als moeder, vrouw. Haar boeken zijn verslavend. Ze schrijft in strakgetrokken, betekenisvolle zinnen. Lees, ‘Edvin [haar broer] is bij zijn vrouw weg. Nu woont hij weer thuis in mijn oude kamer achter het gordijn en mijn moeder is gelukkig, al zal hij verhuizen zodra hij een kamer heeft gevonden. Mijn moeder zegt dat ze best begrijpt waarom hij bij Grete weg is, want ze dacht alleen maar aan kleren en flauwekul en dat houdt geen man  vol. Maar mijn broer pikt het niet dat Grete zo wordt afgekamd. Hij zegt dat de fout bij hem ligt. Hij hield niet van haar en daar kon zij niets aan doen. (…) Ik vind het een stuk prettiger om bij mijn ouders langs te gaan nu mijn broer er weer woont. We praten over mijn poëziebundel en Edvin kan maar niet begrijpen dat je met zoiets geen geld verdient. ‘Het is werk’, zegt hij, ‘en het is ronduit schandalig dat je er niet voor wordt betaald.’ We praten ook over Edvins gehoest en over alle nieuwe ziekten van mijn moeder.’ 

    Naast twee abortussen krijgt ze drie kinderen. Trouwt vier keer terwijl het verlangen naar onafhankelijkheid overheerst. Leven van pen en papier, een boek het geluk. Het literair bedrijf is schoner dan het leven. Haar verhalen ontstaan in het verborgene (ik wens me een gesloten afdeling). Het is gruwelijk mooie taal die recht je hart in gaat. Zoals de pijl van de legendarische kruisboogschutter Wilhelm Tell de appel op het hoofd van zijn zoontje doorboort. In de eerste jaren van haar tweede huwelijk droomt ze van haar vriendin Ester, ziet ‘haar donkere, kleine jongensgezicht’ voor zich terwijl ze met haar man vrijt. Als ze door haar derde man, die arts is, verslaafd raakt aan verdovende middelen, wordt ze meerdere keren opgenomen in psychiatrische klinieken. Daar schreef ze Kindertijd en Jeugd. Om te schrijven moet je niet al te gelukkig zijn, anders wordt het niks. Een eenmaal gepubliceerd boek kan niet meer ongedaan gemaakt worden, schrijft ze aan het eind van Jeugd. ‘Misschien zal een kind dat heel stiekem van poëzie houdt deze gedichten lezen en er iets bij voelen wat haar omgeving niet begrijpt.’ Op achtenvijftigjarige leeftijd maakte ze een eind aan haar leven. Lees haar boeken, dat is wat ze wilde.

     

     

    Afhankelijkheid / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag
    Citaat uit: Jeugd / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.

     

  • Deze schrijver

    Deze schrijver

    Bij gebrek aan ‘Boekenmendel’, uit het gelijknamige verhaal van Stefan Zweig over de joodse boekensjacheraar, een levend lexicon ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, google ik naar informatie over Kees Verheul. Op wikipedia vond ik een tiental publicaties en vertalingen. En een recensie van T. van Deel over Villa Bermond, deel l van de romancyclus De Tutcheffs.

    Het begon met Tirade die laatst op de deurmat viel, een vrij dunne, maar evengoed met een keur aan bijdragen die niet onderdoen voor een doos exquise bonbons (er is even niets anders bij de hand). Een prozastuk van Delphine Lecompte, ‘Frauke naast de composthoop’, brengt smaken van herkenning door de ‘chagrijnige vroedvrouw’, ‘blinde beiaardier’, ‘weergaloze bietenboer’, ingezet om Frauke, die Lecompte een nier wil aftroggelen, te weerstaan. Er is een prachtig essay van Sander Kollaards over De jaren van Virginia Woolf, dat ik natuurlijk zelf had willen schrijven. Ik las zijn ‘Woolfiaanse choreografie’.

    Wat vindt Kollaard van De jaren van Woolf? Hij vindt het samen met Mrs Dalloway, een paar essays het beste wat hij van Woolf las. In de autobiografie van Leonard Woolf las Kollaard dat hij De jaren geen goed boek vond, maar omdat het Woolf jaren had gekost het te schrijven en Leonard bang was dat ze eraan onderdoor zou gaan, liet hij zich lovend uit over het boek. ‘Zonder de lof van Leonard zou ze het boek denk ik hebben vernietigd en daarmee zichzelf’, schrijft Kollaard. Zijn mooiste oordeel over het boek is wat het spiegelt, ‘de afgronden die steeds weer opengaan tussen mensen, zonder dat ze het willen, (…) en waarin wat er was aan liefde, intimiteit, vriendschap, oprechtheid, (…) kennelijk gedoemd is te verdwijnen.’ Dan Kees Verheul (1940), schrijver, slavist, vertaler, essayist, ik kende hem niet. Zijn bijdrage, ‘De Tutcheffs’, ondertitel: ‘mensen zonder kinderen, notities voor een roman’, is een hernieuwd oppakken van de romancyclus die hij in 1992 begon en in 2006 moest laten liggen omdat hij kanker kreeg. Nadat hij genezen was, werd hij mantelzorger voor zijn man, Kees Smit die aan alzheimer leed.

    Over hun tweeënvijftig jaar samenleven schrijft Verheul, ‘Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst gelezen en bekritiseerd had.’ Buiten dat hij zijn meelezer mist, is ook zijn schrijven zelf veranderd. Zijn woordkeus, het tempo van zijn zinnen. Er zit niets anders op, ‘mij schikken naar wat ik als tachtiger kan’. ‘Je est un autre – ik is een ander’, zou Verheul als devies boven zijn ‘Uiteindelijk wel of niet voltooide vierluik’ willen zetten. Denkend aan Rimbaud die in mei 1871 ‘deze subliem ongrammaticale zin bedacht’, nog maar zestien was. Waarna de tekst van deel lll begint, lees die tekst in Tirade 487.
    T. van Deel schreef in 1992, ‘Het autobiografische schrijven van Verheul heeft met Villa Bermond een imposante vernieuwing ondergaan. De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’ Inderdaad, grote indruk! Ik vond Kees Verheul in een literair tijdschrift, nu zijn boeken nog. Iemand?

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • Metamorfose

    Metamorfose

    Zul je net zien, werd ik op de avond van het boekenbal ziek, twee roze streepjes in een kakelwit kadertje, een mooi accessoire om de dresscode van dit jaar te eren. Nog een geluk dat ik niet was uitgenodigd. Vier dagen in bed met zakdoekjes, kruik, paracetamol, boek en potlood. Ik droomde veel, hoorde Portugese stemmen, zag een ontvelde haas naast een geplukte haan liggen. Ik keek naar de felrode spierbundels van de haas tot de haas zich oprichtte, wegsprong, de oren geschulpt als kano’s op zijn rug. Tussendoor las ik Veranderen: methode van Édouard Louis. Telkens wanneer ik ontwaakte, greep ik ernaar. Onderstreepte zinnen, krabbelde in de kantlijn (‘waarom ontfermt iemand zich over de ander?’; ‘wiens naam geschreven staat, bestaat’), bij de passage waar de directeur van het cultureel centrum in Amiens hem vraagt of het ‘Eddy’ of ‘Édouard’ moet worden op het kaartje van zijn kluisje. Het wordt Édouard, voor het eerst weg met Eddy. ‘Zijn metamorfose is zichtbaar, daar, voor de hele mensheid.’

    De onderwerpen in zijn vier voorgaande boeken, komen opnieuw voorbij. ‘Dat verhaal, die odyssee, wil ik hier proberen te vertellen.’ Hij beschrijft de laatste keer dat hij zijn moeder in zijn ouderlijk huis bezoekt. Tegen wie hij zei, ‘Trouwens, je bent geen moeder, je bent geen moeder, je verdient het niet om een moeder te zijn, (…) waarom ben ik in de dit gezin terecht gekomen en op dat moment schreeuwde ze Stop!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!’ en begint hem te stompen, schreeuwt dat ze nooit eens rust heeft met die klootzakken van kinderen. Door de ontmoeting met de schrijver Didier Eribon, van Terugkeer naar Reims, begrijpt Louis hoe hij definitief kan breken met zijn verleden. Hij moet schrijven. Waardoor ik me aan hem verwant voel, weer wegdommel. Droom van een brandend fornuis waar de poes met driepoten bovenop springt, er kats een oortje afbrandt. Ik zag het liggen, zo’n mooi aandachtig kattenoortje. Ik legde het poesje, dat steeds kleiner werd in mijn handen, in een hoedendoos, het oortje ernaast. 

    Louis eindigt met, ‘dat ik soms spijt heb afstand te hebben genomen van het verleden, (…) dat ik door te vluchten heb gevochten voor een geluk dat ik nooit heb gekregen.’ De verschillende vormen die Louis gebruikt om dit verhaal te vertellen, maken het tot verlichtende literatuur. Waaronder de (fictieve) ‘monoloog van Elena’, zijn eerste vriendin uit de middenklasse, in de vorm een hommage aan de Franse komiek en toneelschrijver Jean-Luc Lagarce (19571995). Ik lees wat Louis, Elena in de mond legt. ‘Ik wilde je plaats van bestemming zijn en ik was alleen maar het vertrekpunt. / (…) Jij zou geschiedenisleraar worden en ik journalist of kunstenaar, / (…) een kunstenaar zonder publiek, / Maar we zouden gelukkig geweest zijn.’ Als alles bereikt is, zijn tanden rechtgezet, zijn haarlijn aangepast, zijn naam veranderd, zijn studie voltooid, het eerste boek geschreven, blijft het stomme verlangen, ‘Naar de tijd dat mijn moeder haar schouders ophaalde en zei Wat een rotleven hebben we toch. Naar de tijd dat ik nog met haar kon praten. Naar de tijd dat ik droomde.’ Blij dat ik dit boek in huis had, het schudde mijn dromen. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest in bed.

     

     

     

  • Meneer Markowitz

    Meneer Markowitz

    Iemand vroeg of ik ‘al die’ boeken die in deze columns voorkomen, ook echt gelezen heb. Ik antwoordde, dat wat niet gelezen is, niet genoemd wordt. De vraagsteller vroeg verwonderd, ‘Wanneer lees je dan, waar vind je de tijd?’ Ik zei dat wanneer  je lezen niet beschouwt als lezen, zoals je lopen niet beschouwt als lopen, maar een drang om ergens te komen, gaat het vanzelf. Ik zei, zoals je ademhaalt om te leven, zo kan er gelezen worden. Soms is het moeilijk te geloven, (geloven is accepteren) dat een ander, anders in elkaar steekt dan jijzelf. Ik las Minjan van Margot Vanderstraeten in de trein naar Groningen, in de badkamer, op de bijrijdersplaats onderweg naar vrienden, in bed, aan de keukentafel, in afwachting van een pakketje. Ik stond er niet bij stil, maar er zijn vele plekken (en momenten) om te lezen. Vanderstraeten publiceerde vier romans voor in 2017 Mazzeltov verscheen. Over haar kennismaking met een orthodox joodse familie waar ze in de jaren tachtig als werkstudent bijles gaf aan de vier kinderen. Daarna bleef ze betrokken bij het leven van de orthodox-Joodse samenleving.

    Bij  een van haar lezingen over Mazzeltov is een chassidische vrouw aanwezig die haar vraagt, ‘Kunt u zich voorstellen wat antisemitisme is?’ Vanderstraeten antwoordt dat ze gevoelig is voor elke vorm van racisme, discriminatie en antisemitisme. ‘Op die manier weet ik misschien een beetje wat het is.’ De vraagstelster knikt minzaam, ‘Dank u.’ En vraagt, ‘Denkt u, mevrouw, dat u weet wat het Jodendom is?’ Ter illustratie vertelt Vanderstraeten over meneer Markowitz, een gepensioneerd diamantkliever die ze ontmoette om over de teloorgang van de Belgische diamantindustrie te spreken. Hoe de edelsteenambachten zich van Europa naar Azië verplaatste. Waar de lonen laag zijn, de mensen fijne vingers hebben. Markowitz, op zijn beurt, vraagt waarom ze dit wil weten. ‘Omdat ik een boek over het jodendom schrijf.’ Waarop Markowitz haar feliciteert om haar kundigheid. ‘Want weet u, ik belijd al bijna tachtig jaar het orthodoxe Jodendom, en toch zou ik, die van Joodse cultuur en godsdienst ben doordrenkt, tot op de dag van vandaag niet durven zeggen dat ik een boek over het Jodendom zou kunnen schrijven…’  Ze kijkt zwijgend de zaal in. De vraagstelster leunt glimlachend, in zekere tevredenheid achterover in haar stoel.

    Na de lezing stelt ze zich voor als Esther Apfelbaum, zegt dat meneer Markowitz een slimme man is, wil haar onder vier ogen spreken. Ze hebben het over Joodse scholen, zijn het niet eens over elkaars opvattingen over vrijheid van onderwijs. Apfelbaum zegt, ‘U denkt: hoe meer visies je aan een kind geeft, hoe minder je het beperkt.’ Geregeld zegt Esther de vriendschap op, ze wil niet dat er over haar geschreven wordt. Over joden die uit de gemeenschap stappen is ze duidelijk, OTD (Off the derech) genoemd. Unorthodox van Deborah Feldman, dat ze niet gelezen heeft, staat volgens haar vol leugens. Ze vindt dat Vanderstraeten Mazzeltov nooit had mogen schrijven. Wat ze later weer terugneemt. Ze is opgegroeid zonder grootouders, een witregel in vele joodse generaties. Zo veel om te beseffen. ‘Hoe kan een ‘gitte Frau’ nu een boek over ons schrijven? zegt Esther op het einde van het boek. Margot Vanderstraeten, balancerend op een koord van mededogen en oprechte belangstelling boven schijnbaar onverenigbare werelden, kan dat. Schrijven over dat wat niet ten volste begrepen kan worden, is nochtans een begin van weten, van acceptatie. Zegt het voort.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Wat dit boek doet

    Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

  • Meesterlijke vertelling

    Meesterlijke vertelling

    Elke verschuiving in de geschiedenis kent zijn kantelmoment, de overgang van het een naar het ander. Zoals bij het overkoken van melk het moment tussen warm en oververhitting niet gezien wordt (al sta je er met je neus bovenop), zo zien we veel niet. Op zo’n moment dromen we weg, drukdoende andere zaken. Life is what happens while you’r busy making other plans.’ Geloven dat het allemaal wel zal meevallen. Omdat je er niet aan wilt dat wat jij niet wilt, toch geschiedt. Zo trekt Poetin triomfantelijk met zijn zelfbenoemde vredesmissie gebieden binnen waar hij niets te zoeken heeft. En ik deed het ook, terwijl het nieuws gonsde, liet ik me bekoren door een verhaal. Een prachtig verhaal, een meesterlijke vertelling, om het idee, de constructie. Over een jongeman die vorig jaar, terwijl hij in schrijversresidentie was op de Cité Universitaire Paris, in een secretaire op zijn kamer een ‘geparfumeerde’ brief, gedateerd 06/08/1986 van ene Gambetti Lodizio vond.

    Deze Lodizio, zoon van een Nederlandse non en een Milanese klokkenmaker, was in 1986 schrijver in resident in dezelfde kamer als de jongeman in 2021. De brief richt zich tot de in Rome wonende ‘Sig. Murau’, zijn literaire leermeester. ‘Beste Murau,’ schrijft Lodizio, ’Toen ik nog een internaatskind was, prees ik de dagen waarop de regen tegen mijn zolderraam sloeg. Gehuld in een liturgisch dekbed voerde ik een dankregendans uit. Ik hoefde met regen niet naar buiten. Ik hoefde niet te spelen met andere kinderen.’ Waarna Lodizio de omgeving, die hij vanuit zijn raam beziet, en het gedrag van de mederesidenten beschrijft, ‘De andere schrijvers (…) vulden hun verblijf in met veldonderzoek in de stad. Elke dag zag ik (…) een opgewonden polonaise voorbijtrekken van residenten die gebroedelijk elkaars ruggen als ondergrond gebruikten voor hun notitieboekjes.’ Lodizio voelt angst en schaamte opkomen bij de gedachte dat hij zich onder de mensen zou moeten begeven. Een goed schrijver heeft zich immers enkel te verhouden tot zijn werktafel. Maar het waren de tijden van engagement, verhalen die op straat lagen.

     ‘Ik slenterde naar mijn kamer, Murau. Daar probeerde ik mezelf aan mijn bureau al schrijvend op een terras te fantaseren’. En later: ‘Als schrijver zal ik dan ook wel uit de tijd zijn. De contemporaine schrijver mag blijkbaar niet meer uit woorden bestaan, maar moet van vlees en bloed zijn. Hij wordt op podia gesleurd, weg van zijn natuurlijke habitat; het bureau en de witte muur, waarop zijn ogen de beelden projecteren die hij optekent. Daar staat de echte schrijver op het podium, zijn handen vastgeklampt aan het katheder.’ Lorizio schrijft over het ‘Bal masqué’ waartoe het schrijversleven verworden is. ‘Op de gang spotte ik een actrice, die ook de rol van schrijfster op haar naam had staan. Een rol die ze zo goed speelde dat ze een toegangskaartje tot de residentie had veroverd.’ Dit alles geschreven in de lijdzame vertelsfeer van Le grand Meaulnes. Deze brief stuurde de vinder naar de redactie van Kluger Hans, die deze plaatste. Maar belangrijker is te weten dat donkere regendagen en schrijvers samengaan. Je afvraagt, wanneer was dat kantelmoment dat een schrijver zijn werk niet meer genoeg was eigenlijk?

     

     

    Let wel: dit verhaal ‘Brief aan Murau’ is fictie, geschreven door Daan de Jager, gelezen in het prachtig uitgegeven literair tijdschrift Kluger Hans #41, waarin nog veel meer moois staat, maar waarvan dit verhaal zich even als beste verhaal voordeed. Wat natuurlijk een zeer persoonlijke, maar geen fictieve mening is.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Naar Berlijn

    Naar Berlijn

    Het was zo’n middag dat ik erop uit moest, een onbedwingbare lust de trein te nemen, naar Berlijn desnoods. Waar videokunstenaar, componist en obsessief sporter Guido van der Werve in 2016 met zijn fiets tegen een openslaand autoportier knalde, eroverheen vloog, geschept werd door een touringcar. Hij sprak erover in een interview in de Volkskrant, dat bij hem niets gewoon kon gaan, zelfs een ongeluk niet. Hij had jaren nodig om te revalideren. Zijn arts zei dat als hij niet zo overdreven veel getraind had, hij dit ongeluk niet had overleefd. Ik nam me voor dagelijks tien kilometer te lopen. Dus trok ik mijn jas aan, liep naar het station. Het was guur, grijs weer. De wind ging dwars door mijn jas. Ik stopte de losgewaaide einden van mijn sjaal stevig vast. Op het volgende station waar ik moest overstappen, kocht ik een krant. De trein naar Deventer liet op zich wachten, er was een tekort aan verkeersleiders. Toen ik eindelijk in Deventer aankwam, leek het me opeens geen goed plan op de trein naar Berlijn te wachten. Ik sjorde mijn sjaal nog eens vast en ging de stad in.

    In een zaakje waar koffie met barista havermelk werd geschonken, las ik in de NRC dat Michiel Krielaars in de trein van Brussel naar Nederland een roman van Lucinda Riley las. Het las ‘als een lange tweet’, schreef hij. En, ja, een literatuurcriticus moet ook De zeven zussen lezen. Ondertussen dacht ik aan Ischa Meijer. Geboren op 14 februari 1943, tweeënvijftig jaar later op 14 februari gestorven, zomaar. Zesentwintig jaar afwezigheid waarin zijn Dikke Man verhaaltjes en ander teksten steeds meer aan betekenis toenemen. Er zijn een handvol gedichten, liedjes, theaterteksten in De handzame Ischa, een aantal Dikke Man stukjes over zijn ouders in Mijn lieve ouders. Teksten die het programma Een uur Ischa op de radio aankondigden in, Zing m’n jongen zing!, voorgelezen met de ronkende stem van Cor Galis. Teksten die over Ischa gingen, wat hem die week had beroerd, altijd eindigend met, ‘Hé, jôh, sta daar niet zo oenig te koekeloeren. En zing maar eens lekker. Ja, zing mijn jongen, zing, zing, zing!’ Of een variant daarvan, ‘En zing kleine klootzak, zing, verdomme, zing, zing, zing!’ En dan zong hij.

    In de biografie Jaap en Ischa Meijer, een Joodse geschiedenis door Evelien Gans wordt Ischa geboren in het derde oorlogsjaar. Hoe liefdevol zijn vader in een brief aan vrienden schreef, ‘Isga, die overigens best groeit, lief is en nu en dan er lustig op los keuvelt’. Ischa, die eerst Isga was. En zijn vader, die later, na de oorlog, niets liefdevols meer heeft. Om het minste geringste uitviel, vrienden, kennissen en zijn kinderen van zich afstootte, confronteerde. Ontberingen en de dood doen veel met een mens. Ischa schreef: ‘de dood maakt elk talent kapot / om te beminnen wat verging / ik ben de leegte die hier bleef; een bod / een gat, niet eens een ding / geen snaar die nog kan trillen van de angst / om te vergeten wat verging // ik blijf de leemte die beklijft; de vangst / die wel genoemd wordt: de herinnering’. Ik nam de trein naar huis, dacht erover volgende week nog eens naar Berlijn te gaan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

     

     

     

  • Opmerkelijk schrijfster

    Opmerkelijk schrijfster

    Keri Hulme is overleden. Ik las het op de site van The Guardian, op 27 december is ze gestorven. De kranten, op het Parool na, hadden er niets over geschreven. Is ze een vergeten schrijfster? Ze was wel een opmerkelijk schrijfster die in afzondering leefde op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Deels Maori, deels Europees, geboren in Christchurch, de grootste stad van het eiland. Na haar middelbare school werkte ze als tabakplukker, begon te schrijven, brak een rechtenstudie vroegtijdig af omdat ze vond dat ze niet thuishoorde op een universiteit. Ze trok zich terug om verder te schrijven. Twintig jaar werkte ze aan haar debuutroman waarvan ze twaalf jaar probeerde het uitgegeven te krijgen. Toen het herhaaldelijk werd afgewezen, dacht ze erover het manuscript in hars te verpakken en als deurstop te gebruiken. Ze was een nuchter mens.

    In 1984 brengt de feministische uitgeverij Spiral Publishing Collective het uit onder de titel The Bone People. Datzelfde jaar won ze er een belangrijke Nieuw-Zeelandse literaire prijs mee. Een jaar later won ze de Booker Prize, was daarmee de eerste Nieuw-Zeelandse schrijver die de prijs won. De aanhouder wint en (schrijvers)geluk schuilt in een klein hoekje. Kerewin is vele malen herschreven, uit elkaar gehaald, opnieuw in elkaar geschoven, het moet een hels werk zijn geweest. Zo gauw je de proloog gelezen hebt, wordt je voortgedreven, bladzijde na bladzijde. Over de kunstenares Kerewin, deels Maori, die zich een toren bouwt op het strand, zich daarin terugtrekt. Joe, half Maori, verloor vrouw en kind aan de griep. Er is een aangespoeld jongetje dat door zijn vrouw in huis werd gehaald. Na haar dood blijft Joe achter met de vondeling, een getraumatiseerd kind dat niet kan spreken, amper slaapt. ‘Het knaagt aan hem: het enige dat van haar is overgebleven, dit tweedehands, nauwelijks aangeraakte, halfgevormde aandenken aan haar aanwezigheid.’ Waarbij ‘nauwelijks aangeraakte’, betreffende een kind, diep inwerkt.

    Het is een boek over eenzaamheid, er is veel miscommunicatie. Joe, doet zich mooier voor in gezelschap van Kerewin maar kan de zorg voor het jongetje niet aan. Die op zijn beurt naar Kerewin trekt, inbreekt in haar toren, zich daar verschuilt. Kerewin ziet hem als verstoring van haar zelfverkozen kluizenaarschap. Ze wil hem buiten zetten. Dan pakt ‘een handvol dunne vingers’ haar pols. ‘Kerewin kijkt naar de vingers, kijkt met een scherpe blik op en ontmoet voor het eerst de ogen van het kind.(…) Hij kijkt bang en beschroomd, maar op een vreemde wijze heel intens.’ Dit kind is een raadsel, de personificatie van eenzaamheid. Hulme wilde met deze roman de Maori vermengd met de Europese cultuur in beeld brengen. Hoe het half tot een cultuur behoren een leven zonder achtergrond lijkt. Ze schrijft: ‘Ze waren niets meer dan mensen, op zichzelf. Zelfs gekoppeld, op welke wijze dan ook, zouden ze niets meer geweest zijn dan alleenstaande mensen. Maar samen vormen ze het hart en de spieren en de geest van iets gevaarlijk nieuws, iets vreemds, dat groot en groeiende is. Samen, allemaal samen, zijn ze werktuigen van de verandering.’ Daarom kent het boek een ‘happy end’. Dat is wat Keri Hulme als toekomstbeeld zag, een ‘happy end’, hoe gemixt je oorsprong ook is. Dit boek een kunstwerk, de schrijfster om nooit te vergeten. 

     

     

    Kerewin / Keri Hulme  / vertaling Anneke Bok / De Arbeiderspers (2016 verscheen de laatste druk)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.