• Gillend wakker worden

    Gillend wakker worden

    Ik nam me voor elke ochtend een wandeling naar de rivier te maken. Om de weidsheid van het water te zien. Het leek me een goed begin van de dag. Het duurde even voor ik ook werkelijk ging. Er was veel dat zich tussen het voornemen en de uitvoering ophield. Maar vanmorgen liep ik dan met de man de tuin uit, het gangpad tussen de huizen door, het trottoir over, rechtdoor naar de rivier. Het wateroppervlak glinsterde ons tegemoet. In het midden smalle stroken land, bevolkt door ganzen. We vermaakten ons met voorspellingen over hoe hoog het water nog zou stijgen. Speelden met het idee van rampspoed.

    ‘Sinds de overstroming hoor je overal druppelen, kabbelen, stromen, kolken.’, lees ik in het openingsverhaal van Weertij.

    Maar wacht, zag ik nu een bootje. Daar, in de verte? Ik vertelde de man het verhaal van die vrouw in een roeiboot die ze in de chaos van mensen op de vlucht voor water van haar buurman had gestolen. Drie dagen roeide ze over ondergelopen land. Er verdrinken mensen, er drijft een koe. Dan, een overlevende grijpt zich vast aan haar boot. Ze hakt met haar zakmes in die hand. De hand laat los. Dat het zo gaat als je in nood verkeerd. Red eerst jezelf en daarna de ander is het adagio, toch?

    Het ene verhaal is als een voorspelling van rampspoed, in een ander verhaal zit je er middenin. Verhalen die spiegelend werken. Zou ik in de overleef stand ook zo radicaal handelen als die vrouw met de roeiboot?

    Eén verhaal liet me in verwarring achter. Ik las het nog eens, maar begreep het niet. De man zei, (alsof het een Rubik Kubus betrof waarvan ik de stukjes niet op hun plaats kreeg), zal ik het eens lezen? Het verhaal van de oude vrouw die met haar dochter een paar dagen aan zee logeert. Daar treft ze haar jeugdliefde, (of toch niet?). Later, als ze het dorp verlaten, ziet ze vanuit de bus een man die rozen snoeit. Ze herkent hem, (is dat hem dan?). De man las het verhaal. Hij vond het een mooi verhaal. Hij zei dat het een geval was van je de dingen anders herinneren dan degene waarmee je het beleefd hebt. Dat het daarover ging. Ik zei, O, ja!

    Verrassend is hoe personages en gebeurtenissen van het ene verhaal in een ander en een volgend verhaal overlopen. De weervrouw, die en passant door een tienermeisje op tv wordt gezien terwijl ze zich innerlijk voorbereid op een ontmoeting met haar vriendje waarbij ze het gaan ‘doen’, waarschuwt voor smeltende gletsjers en stijgend zeewater. In een volgend verhaal een vrouw op de vlucht (naar een pension aan zee) nadat ze in haar laatste tv optreden de waarheid over het klimaat vertelde en online wordt afgemaakt.

    Dat is het ook.

    Al die thema’s. Die op een ‘be the way’-achtige wijze worden aangestipt. Zoals de vrouw uit ‘De pas gearriveerden’, drie keer moet ze opnieuw inparkeren voor het lukt. Dan: ‘de nieuwe Audi is groter dan haar vorige auto’. Dat het leven ons te groot is geworden. Dat is wel een dingetje. Deze vrouw kiest voor modemerken, datingapps en wil haar puberzoon gelukkig zien. Ook zij overnacht met haar zoon in een pension aan zee. Wat een uitstapje lijkt, blijkt een raadselachtige onderneming. Raadselachtig, omdat ik het niet wil geloven. Want gaan mensen nu en masse wachten op een boot vluchtelingen in de hoop er een mee naar huis te kunnen nemen?

    En dan zijn er die hoofdjes van klei die in verschillende verhalen opduiken. Op een plank, in de vensterbank. Soms wel veertig bij elkaar. Het is de dagelijkse werkelijkheid die Van der Kind op soms hilarische wijze uitvergroot. Verhalen waarin het geluid van roeispanen weerklinkt. Er hangt een gele jurk in een boom in het ene-, en een vrouw draagt ‘haar gele jurk, haar vlecht hangt tussen haar schouderbladen’ in een ander verhaal.

    Ik zit op de bank. Kneedwezens, de laatste bundel van Judith Herzberg naast me. Die opent met een fragment uit haar toneelstuk, Leedvermaak. Hoe kinderen voor van alles en nog wat bang zijn. ‘Pien: (…) en angst, angst, angst! Voor van alles en nog wat. De een voor wezens van een andere planeet, de ander voor kneedwezens,…’

    Riet:
    ‘Kneedwezens?

    Pien:
    ‘Ja, dat heeft Rifka. Kneedwezens. Van klei of zo zeker. Ik weet het niet. Maar ze is er als de dood voor. Gillend ‘s nachts wakker worden en zo.’

    Ik dacht, ja, dit is het. De mens een kneedbaar wezen. Gekneed naar de omstandigheden. Van der Kind kruipt in het hoofd van haar protagonisten. Ze zet een sfeer neer die doet denken aan de verhalen van Vonne van der Meer. Het eigengereide van haar protagonisten die denken dat wat zij doen, goed is. Of in ieder geval kunnen ze niet anders. Dat je daar soms gillend van wakker wordt.

     

    Weertij / Michelle van der Kind / 146 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Zachte hand

    Zachte hand

    Een boek als een zachte hand. Kan dat? Ik ben daar gevoelig voor. Dat alles zonder oordeel wordt gepresenteerd, de auteur zich niet op de voorgrond dringt, het verhaal mij toekomt. Hoe de schrijfster op elke pagina een geschiedenis met zachte hand naar voren schuift. Hier, neem het, voor jou.

    Ook de moordaanslagen in Dublin worden op deze manier naar voren geschoven. En ik neem ze aan. Het is wel even slikken hoe nuchter, precies en meedogenloos het er staat. Dit is een knappe roman over het leven op een Iers eiland tijdens ‘The Troubles’ in 1979.

    ‘Joseph McKee loopt op zaterdag 9 juni in Belfast naar de slager, vlak bij de speelhal aan Castle Street waar hij een baan heeft als portier. Hij is vierendertig jaar, katholiek en werkt als vrijwilliger voor de IRA. Twee leden van Ulster Defence Association komen op een motor vlak naast hem rijden en schieten Joseph McKee vier keer in het achterhoofd, terwijl ze flink gas geven om de schoten te maskeren.’

    Als leesclub waren we ervan onder de indruk. Het meest indrukwekkende boek tot nu voor de leesclub gelezen, klonk er. We vroegen ons niet af wat de schrijfster ons wilde laten zien. We zagen het.

    Ik fietste langs de IJssel waarvan het water met de dag stijgt. Ik dacht aan een  jongen van lang geleden, denk jaren zeventig. Vriend van  de man (toen mijn vriend). Ze speelden schaak. Na elke zet smeerde de schaakvriend een stokbroodje voor zichzelf, waarna hij het mes in zijn mond stak, het door opeen geperste lippen naar buiten trok, in een bergje boursin stak. Toen was alles zacht. Ik bedoel, je hield je oordeel voor je.

    De moorden op het vasteland lijken het leven op het eiland niet te beïnvloeden. De Atlantische oceaan als buffer. De vrouwen bakken scones, er is room en appeltaart, er wordt whisky geschonken. De dertienjarige James vangt en vilt konijnen voor in de stoofpot.

    In de film The Banshees of Inisherin, dat speelt tijdens de Ierse burgeroorlog in 1923 op het kleine, (fictief) Ierse eiland Inisherin, hebben de eilanders ook genoeg aan hun hoofd om zich om een burgeroorlog te bekommeren. Twee vrienden maken elkaar het leven tot een hel, de enige huwbare vrouw verlaat het eiland om als bibliothecaresse te gaan werken. Van over het water worden rookpluimen waargenomen, de eilanders kijken elkaar aan, zeggen, ze schieten weer, en gaan verder. Dan het besef. Dat waar ook ter wereld, we uitzicht hebben op een oorlog, erlangs leven. Dit is schrijven in een nieuwe vorm, ver voorbij aan poëzie.

    James zegt voorbij de helft van het boek:

    ‘Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte.
    Ze was jonger dan mama.
    We praten hier niet over politiek, James, zei Michéal.
    Dat is toch geen politiek, zei James. Het is een feit. Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte. Opgeblazen met een bom.’

    Er zijn alinea’s waarin zonder onderbreking van perspectief wordt gewisseld. Ik lees het, bewonderend. ‘James snoof om zijn longen vol te zuigen met de vreemde geur die ik de hele dag zou willen inademen, nooit meer naar buiten.’ Vanuit de verteller die beschrijft hoe James geuren (verf, terpentine) opsnuift, gaat het perspectief als vanzelfsprekend over naar James zelf. En ik neem het.

    Er kwam een berichtje voorbij over een gevierd Australisch schrijfster die haar literaire prijzen aan de oorspronkelijke bewoners van Australië geeft. Het voelde als belangrijks, ik kan het niet meer terugvinden.

    De Engelse kunstschilder, Lloyd en de Franse taalonderzoeker JP Masson, die aan proefschrift over de taal werkt,verstoren de orde op het eiland. James, de jongste bewoner van het eiland is gefascineerd van de schilder. Masson dwingt James haast om zijn Ierse naam, Séamus, te gebruiken. Al wat menselijk is komt in dit boek voor. Heimelijkheid, rivaliteit, verraad. Aan het eind is er een iemand die teleurgesteld wordt, een iemand die zijn belofte niet nakomt, iemand die in zijn vuistje lacht.

    Sommige boeken zijn een voorrecht om te lezen. Een boek als een zachte hand waarmee de geschiedenis van Ierse kolonisatie door de Engelsen (en hoe dat uit de hand is gelopen) gepresenteerd wordt. Dat ik Audrey Magee bij het dichtslaan van dit boek intens bewonder.

     

     

    De kolonie / Audrey Magee / vertaling Lette Vos / 390 blz. / uitgeverij Oevers (2025)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Sturende kunst

    Sturende kunst

    Het aansturen van dingen, daar geloof ik wel in. Ik bedoel, als mijn moeder op zondagochtend riep dat er een grote pan soep gemaakt moest worden omdat ze onze oom en tante met hun autootje volgepakt met kinderen uit Groningen verwachtte, dan kwamen ze ook. Dat was nog voordat een huistelefoon gewoon was.
    Ik zoek me een weg door deze februaridagen. Ik ging naar het Nul-Museum Eicas en zag de documentaire over de Belgische kunstenaar Paul Van Hoeydonck (1925 – 2025), The Fallen Astronaut. Ik wilde die helemaal niet zien, kwam voor een andere tentoonstelling. Van die dagen. Een suppoost van het museum hoefde alleen maar te zeggen, ‘Als u voortmaakt, bent u precies op tijd voor de documentaire over Paul Van Hoeydonck.’ En hup, daar ging ik al.’

    Ik kende Van Hoeydonck niet. Toen hij zei, ‘I’m always expected that I become more famous than Picasso.’ It was just in contrary, people hated me.’, werd ik nieuwsgierig. Hij maakte het kunstwerk ‘verloren handschoen’: een gehelmd astronautenhoofd met een losse handschoen ernaast. Hij zei dat kort daarna een astronaut op de maan een handschoen verloor. Hij keek erbij alsof hij het nog steeds niet geloofde, toch was het echt gebeurd.

    In ‘Het blauwe notitieboekje’ van Sander van Leeuwen gebeuren ook zulke dingen. Over een detectiveschrijver die nu eens een ‘boek van betekenis’ wil schrijven. Ter inspiratie leest hij zijn hele boekenkast leest. Capote, Thoreau, Ishiguro. The New York Trilogy van Paul Auster speelt een belangrijke rol in dit verhaal vol onverwachte wendingen. Die beginnen met een blauw notitieboekje gevonden in een ‘eigenaardig soort’ boekwinkel. Op eerste pagina van het verder lege boekje staat, Wees voorzichtig met wat je opschrijft. P.A.. De dingen worden raadselachtig op een geloofwaardige manier.

    Om op gang te komen schrijft hij een paar willekeurige zinnen in het notitieboekje, ‘De telefoon gaat. Verkeerd verbonden. / Een kat schiet voor de tram langs. Verdwijnt in een steeg. / Op de hoek ruikt het naar herfstbladeren en koffie.’ Dan, wandelend met zijn vrouw, ziet hij een kat voor een passerende tram oversteken, in een steeg verdwijnen. Krijgt zijn vrouw een verkeerd verbonden call. Er gebeurt wat hij geschreven heeft. Het verhaal verrast na elke alinea meer. Zal ik verklappen dat de schrijver Paul Auster ontmoet, (of is het toch niet Paul Auster?).

    Deze hele Tirade staat trouwens vol prachtige verhalen en gedichten. Er klopt iets, er verschuift iets.

    Van Elisa Veini een serie getiteld ‘Winter was hard’. Ik lees ze als notities over de tijd waarin we leven, elke regel is raak. Ik bedoel, ik zie, voel het. ‘de krant schrijft wat iedereen allang weet / en wat nu gebeurt // krijgt een stem / pas als het niemand meer treft // dan zullen allen er altijd al tegen zijn geweest’. Dat dat het is, de dingen ongrijpbaar, de dagen gebeuren.

    In het verhaal ‘Cuidado’, van Marijn Sikken gaat een vrouw voor het eerst alleen op vakantie naar de Canarische eilanden. Een man zoekt contact, waar ze niet op ingaat. Hij duikt op waar zij ook gaat (dit is een lijntje in een verhaal over hoe een vrouw gezien wordt als een object). Er komt politie aan te pas om haar te bevrijden van deze man. Al heeft hij haar met geen vinger aangeraakt, het kwaad is al geschied, ‘ook als hij er niet is, niet fysiek, zal ze de rest van de tijd op haar hoede zijn. Ze is niet meer alleen.’ Dat alleen willen zijn ook in de openbare ruimte iets is waar de ander van af moet blijven.

    Thomas Heerma van Voss schreef ‘Het interview’. Als interviewer in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, beschrijft hij de omgeving en reacties van de geïnterviewde, oude schrijvers die in de vergetelheid zijn geraakt. ‘Het interview’ is vanuit de geïnterviewde geschreven, een omgekeerd perspectief. Dat levert sterke beschrijvingen op in hoe de schrijver zichzelf als interviewer waarneemt. De geïnterviewde: “‘Er is hier in geen maanden iemand op bezoek geweest,’ zeg ik. Hij knikt kalm, maar ik zie ook iets anders in zijn blik: gretigheid. De oogopslag van iemand die iets bruikbaars opvangt.’” En dat je denk te weten wie de geïnterviewde, de verteller is. Heerma van Voss is een zuiver balanceerder op het lijntje waar verdichting en werkelijkheid met elkaar oplopen.

    Dan dit nog. ‘Jij kiert zo prachtig / tussen mijn donkerblauwe gordijnen / iedere ochtend opnieuw // Ik ben van jou ik ben van au, / ik ben van koperzeer en van kou, / ik ben van wankelmoed en trouw’, dicht Frans Kuipers in ‘Proloog’.

    Een Tirade met opvallend veel sterke en mooie bijdragen, ook van Lena Claassen, Paul Demets, Lisa Rooijackers, Inge Marleen Anton Minne, Anouk Bosch, Caspar Dulaart, Julien Staartjes, Ingmar Heytze, Daan Doesborgh en Fien Vanderbeke.

    Gun jezelf zo’n literair tijdschrift. Vind in deze februaridagen de weg naar buiten.

     

    Tirade nr. 151 / redactie: Sophia Blyden, Nikki Dekker, Daan Doesborgh e.a. / Van Oorschot / 108 blz. /


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

  • Tegen een stootje kunnen

    Tegen een stootje kunnen

    Mijn afspraak liep uit, 10:00 uur werd 10:15, werd 10:25 uur. Er was een spoedbehandeling. Vanuit de behandelkamer hoorde ik de tandarts zeggen, ‘Dit kan even pijn doen.’ Een vrouwenstem klonk, ‘Oh, ik kan wel wat hebben. Ik heb vijf kinderen gebaard.’ Op een toon van, wat dacht je, ik kan wel tegen een stootje hoor.

    Het was maandagochtend, ik zat in de wachtkamer van de tandartsenpraktijk in mijn vorige woonplaats. Vanuit de stad was ik er met de intercity, daarna met de stoptrein heen gereisd. Ik had een boek mee. Van Dis over zijn liefde voor een vrouw die hij veertig jaar deelde met een ander (de Ander genoemd). Een liefdevol boek, al wekte het ook enige wrevel. De onderdaan en vereerder in de persoon van de schrijver in relatie tot zijn geliefde. Daar kon ik niet goed tegen op die koude maandagochtend. Zo steriel, afstandelijk, en soms die toon van het jongetje dat nooit had gedeugd. Ik wilde maar niet betrokken raken bij hun levens, hun liefde. Er ontbrak een bepaalde waarachtigheid.

    Misschien kwam het door dat andere boek, Monsterlijk Moederschap van Jozefien Van Beek dat ik had gelezen, hele stukken opnieuw gelezen. Een zoektocht naar wat een vrouw beweegt een kind te willen, naar de relatie moeder en kind. Wat haarzelf bewogen heeft een kind te willen. De kern van dit essay is haar moeder, die haar alleen opvoedde en zegt dat zij het gelukkigste is dat haar is overkomen. En dat ze dat niet van zichzelf met betrekking tot haar kind kan zeggen. Het boek zwerft al weken door het huis. Het lag op de keukentafel toen mijn oudste dochter er was. Toen ik het zag liggen vond ik de titel opeens confronterend, als beledigend. En dat je soms niet weet wat je moet vinden van jezelf, als moeder.

    ‘De eerste keer dat ik heel duidelijk voelde dat ik een kind wilde, was in 2016 in New York.’, begint Jozefien Van Beek haar essay. Hoe dwingend het verlangen van een vrouw naar een kind kan zijn, onontkoombaar (kent een man, een jongen zulke verlangens naar het vaderschap?).

    Ik zag mezelf als vrouw zonder kinderen. Reizend naar Berlijn, Lissabon, Londen, elke dag (vooruit) schrijven aan iets. Als Frida Vogels, de godganse dag achter mijn werktafel (dit is geromantiseerd, ik weet het). Geen gehoor geven als er iemand voor de deur staat, enkel brood, appeltjes en noten eten. Toch had ik die kinderwens, vurig ook. Ik werd de vrouw die jaarlijks twee keer met trein en bus naar Friesland vluchtte. Zeulend met een typemachine, schrijfpapier, boeken. Na ontheemde dagen, alles weer terug naar huis bracht. ‘Als ze bij hen is, is ze niet zichzelf; als ze niet bij hen is, is ze niet zichzelf; en dus is het even moeilijk om je kinderen achter te laten als het is om bij ze te blijven.’, citeert Van Beek Rachel Cusk. Niemand laat zijn eigen kind alleen (toch?), zong Willy Alberti ooit.

    Een gedachte die me bekruipt tijdens het lezen: als we nu stoppen met ons voort te planten, wordt het leven van vrouwen er dan beter op? Natuurlijk weet ik beter, maar toch.

    ‘Samen met de baby wordt het schuldgevoel van de moeder geboren.’ schrijft Van Beek. Ze verlangde zo hevig naar een kind dat het haar emotioneerde. Als haar zoontje geboren is, lijken de dagen eindeloos lang en heeft ze nergens tijd voor. ‘Ik moet zo vaak huilen. Ik ben zo moe.’ Ze vraagt zich af of haar zoontje haar haat, ‘Ik vraag het mij echt af’.  En dan. ‘Ik prijs me gelukkig dat mijn kinderwens zo oorverdovend was. Dat ik geen greintje twijfel had. En toch. Toch vraag ik me af of het een vergissing was, of ik misschien de grootste vergissing van mijn leven heb gemaakt.’

    Op dat punt, van verlangen naar het verlangde gekregen te hebben. Daar gebeurt iets, daar zit een wankel punt.

    Van Beek spiegelt haar verlangens, ervaringen en onzekerheden over het moederschap aan films (Rosemary’s baby, The lost Daughter), citeert Rachel Cusk, Vivian Gornick, Deborah Levi, Chantal Akerman waar het moeder en kind relaties betreft. Ze laat de literatuur spreken. Je laten aanzwengelen tot introspectie, nadenken over wat je ziet. Hoe waardevol dit is. Boeken en films (om dit samengebracht te zien) als reflectie op het moederschap. De waarde van dit alles. Lees, en lees nogmaals over ons (monsterlijk) bestaan als moeders, en waar het wringt. Dat de drang tot creëren en moederschap ten koste van wat dan ook wel samengaat, heeft Van Beek met dit essay bewezen.

     

    Monsterlijk Moederschap / Jozefien Van Beek  / uitgeverij Flaneur


    Inge Meijer schrijft over de boeken die ze leest.

     

  • Uit de hand gelopen

    Uit de hand gelopen

    Een boek lezen en dan de vergelijking met het eten van koekjes, krokant, zoet, met citroensmaak. Je blijft pakken, happen, de tanden in het krokante, het zoet, waarna het licht zure vrijkomt. En dat telkens opnieuw. Ik lag geïsoleerd in mijn kamertje, het hoofd vrij van dingen, en werkte me gretig de wereld van Joost Zwagerman binnen. De biografie is zo nu en dan een verwarrend geheel, het begint enigszins chronologisch, maar dat lijkt algauw niet te werken voor het leven van Zwagerman. Waarna feiten, en jawel, fictie uit het leven van de schrijver, nogal door elkaar lopen. Maar terwijl ik lees, stijgt mijn bewondering voor de biografe die uit de vele verwarrende levenslijnen van de schrijver een geweldig wervelend literair tijdsbeeld heeft opgetrokken. Ondanks de soms overdoses aan informatie, herhaling van feitelijkheden, overviel me hoe knap dit was en nam ik alles voor lief.

    Dat was zondag. Oh oh oh, appte een vriend die gevraagd had of ik ook naar het interview met Zwagermans biografe, Maria Vlaar ging. Snotterend en proestend appte ik hem dat ik wel wilde maar in de lappenmand lag. Dat nu de klus geklaard was, alles verdragen was (verhuizen is de dingen verdragen) stortte het bouwwerk van voortgaan en ‘alles komt goed’ in elkaar. Ik bleef het best in bed. Met Zwaag,  de omvangrijke, krap anderhalf kilo wegende biografie. En stiekem geloofde ik dat ik die dag om drie uur, wanneer het interview met zijn biografe zou beginnen, er bij zou kunnen zijn. Als ik lees lacht de wereld me toe, word ik overmoedig. Ik was al tot pagina 255 gekomen.

    Kruik aan mijn voeten, gefilterd zonlicht door de gordijnen, het geluid van zoevende auto’s door de laan waar ik nu dus woon, las ik verder over de jaren dat Zwagerman debuteerde met de Houdgreep, leurde met gedichten, korte verhalen en ideeën voor een roman bij verschillende uitgevers. Die daar onderling weer onmin over kregen. Een kort verhaal publiceren in het literair tijdschrift van de ene uitgeverij, een contract voor een boek bij een andere uitgeverij. Ruzie maakte met Roderik Six die een slechte recensie (maar dan zijn we opeens in 2014 beland) over Americana had geschreven voor het tijdschrift Knack. Hoe De schrijver op zulke momenten direct in de pen (computer) klom. Schreef dat Six een ‘luie recensent’ was. En, ‘De man verzint, verdraait en marchandeert uit voorbedachte rade.’

    Maar dat ‘unstoppable’ leven van een man die de wereld naar zijn hand wilde zetten. Bij DWDD wilde hij alleen over kunst komen praten als Matthijs van Nieuwkerk hem niet in de rede zou vallen. Een man die als schrijver begon en de literaire wereld wilde veroveren, werd presentator op radio en tv, BN’er, politiek- en kunstduider. En dan was er steeds die ene roman in wording. Hij verspreidde het nieuws dat hij er mee bezig was, maar waarvan geen letter op papier stond. De vetes met recensenten als Michael Zeeman, Arjan Peters. Ruzies met uitgever Wouter van Oorschot, verbroken vriendschappen. Alles omwille van de literatuur. Ik krijg met hem te doen, begrijp het wel. Als je dingen hoog hebt te houden, is de uitputting steeds nabij.

    ‘De zoon, de schrijver, de lezer, de minnaar, de bewonderaar, de zieke en de boetedoener.’ Al die levens vervulde hij met verve, tot het niet meer ging. ‘Om na te denken heb je overzicht een weidsheid nodig.’ Daar ontbrak het Zwagerman aan. Toch, nu ik het geheel overzie, ben ik begaan met deze schrijver die zo zijn best deed maar steeds een verkeerde afslag nam.

    Dat literatuur om betekenis gaat laat Vlaar bovenal zien. Het schrijverschap van Zwagerman wordt op een meer dan betekenisvolle manier geduid. Hoe zijn gemarchandeer, zijn gewenste zelfbeeld (man uit een stuk)  in zijn romans is terug te vinden. En hoe dat hele uit de hand gelopen leven tot stilstand kwam. Bewondering voor de biografe die deze vaardig geschreven biografie afleverde. Biografie als een intense beleving.

     

    Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman /  Maria Vlaar / 768 blz. / Arbeiderspers


    Inge Meijer schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

     

  • Waar verhalen zich ophouden

    Waar verhalen zich ophouden

    Vrouwen doppen hun eigen boontjes ze slaan er niet op los. Die zin zat in mijn hoofd toen ik wakker werd. Gisteren, naast een jonge vrouw in de auto, mijn jongste dochter. We gingen naar Twente een houten vloer uitzoeken.  Ze zei in een land te leven waar vrouwen geen ruimte kunnen innemen of ze worden vermoord. In mijn woorden dan. Zonder die mannen die een vrouw het licht niet gunnen, blijft er genoeg over voor vrouwen om behoedzaam met de openbare ruimte om te gaan. Ik mijd bepaalde plekken als ik alleen door het donker fiets, scan in twee blikken een treincoupé. Uit gewoonte. Het gevoel dat iets me op de hielen zit.

    Er is een verhuizing op handen, vloeren moeten gelegd, muren gesausd, het huidige huis ontmanteld. Ik probeer mezelf te vangen terwijl ik gaande ben. Ik bedoel, er is opeens zoveel betekenis in de dingen om me heen. We zijn onderweg (de man en ik) naar de dochter die meegaat een vloer uitzoeken. Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid van Rebecca Solnit in mijn tas. Niet dat ik het eruit zal halen. Ik ken mezelf. Maar in deze dagen van verandering houdt dit boek me bij de les. Spotify speelt Green Eyes van Kate Wolf. Ik zing mee, ‘Green eyes they don’t miss a thing’. Zeg de man hoe mooi dit is. Dan zingt ze, ‘You don’t throw a word away’, waarmee ze de zwijgzaamheid van haar man bezingt. Ik zie er een verhaal in maar waar begin ik. Zwijgzame mannen geven me een ongemakkelijk gevoel, maar als Kate Wolf erover zingt, smelt ik. Ik kijk naar de man achter het stuur en denk, doe maar, zwijg maar.

    Dat ik dingen gemist heb en alles al eens geschreven werd. Er beweegt iets. Solnit schrijft, ‘In de meest traditionele en akelige vorm komt een vrouw neer op een grote verdwijntruc, op jezelf wegcijferen en de mond snoeren om mannen meer ruimte te geven in een wereld waarin je bestaan als een aanval wordt gezien.’ Dat veel geografische plekken naar mannen zijn vernoemd. Niet dat die namen moeten verdwijnen. Het feit dat vrouwen niet genoemd werden en wij het niet zagen, is wat ze wil benadrukken. Ik lees het gretig.

    Deze week wordt er aandacht voor meer veiligheid op straat voor vrouwen gevraagd. Angst maakt weerloos, zei mijn dochter nog. Ook daar zie ik een verhaal in. Als ik nu eens begin.

    Later die dag bekeken we het huis voor de tweede keer. Dat de afmetingen van de verschillende kamers van het appartement kleiner leken dan ze zich in mijn hoofd hadden voorgedaan. Dat achter de woorden, ‘ze slaan er niet op los’, mannen staan die erop los slaan. Geweld als taal om duidelijk te maken dat iets niet bevalt. Daarover zou ik een essay willen schrijven, om dingen uit te zoeken.

    Solnit citeert een dagboekfragment van de toen negentienjarige Sylvia Plath. ‘Dat ik als vrouw geboren ben is mijn grootste tragedie. Ja, mijn brandende verlangen om me te mengen onder wegwerkers , zeelieden en soldaten, onder stamgasten in de kroeg – deel uit te maken van zo’n groep, anoniem, en te luisteren en te registreren – het wordt allemaal verhinderd door het feit dat ik een meisje ben, een vrouw die altijd het gevaar loopt aangerand of verkracht te worden. Mijn vurige belangstelling voor mannen en hun levens wordt vaak ten onrechte uitgelegd als de wens om hen te verleiden of als uitnodiging tot intimiteiten.’ Ook dit wordt gretig en met herkenning gelezen. Solnit over intimidatie en geweld tegen vrouwen als onderdeel van een systeem. Lees haar, (gebiedende toon).

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

  • Op de grond spuwen

    Op de grond spuwen

    Dat ik nooit een boek kan vinden, daar lig ik wel eens wakker van. Het boek dat ik nu zoek, heeft een stevige omslag, wit van kleur. Zoals Een sterfgeval in de familie van James Agee, Romeinse koorts van Edith Wharton. Die dikte ook. Dacht ik. Ik liep mijn boekenkasten erop na. Als ik nu maar wist wie de schrijver was.

    Het kwam door De stenen engel van de Canadese schrijfster Margaret Laurence. Hoewel ze in het rijtje van Margaret Atwood en Alice Munro thuishoort, had ik nog nooit iets van haar gelezen. Ik las over een leven op de prairie waar een vader in een klein stadje een kruidenierswinkel runt. Waar een meisje met haar broer tussen de kieren van het plankieren trottoir naar muntgeld vist. Verloren door drinkers die op zaterdagavond slingerend over die plankieren op huis aangingen. Laurence schrijft over een samenleving van pioniers, ploeteraars, alcoholisten. Een tijd waarin geen enkel mate van geluk werd nagestreefd. Ze hadden wel wat anders te doen.

    De wereld is gebouwd op de verhalen die we elkaar vertellen. Denk Adam en Eva, een verhaal. Zonder verhaal geen houvast. Blijkbaar zoek ik naar houvast, een reling waarlangs ik de berg die ik in alles zie, kan beklimmen.

    Hagar, de vrouwelijke verteller in De stenen engel, denkt als oude vrouw terug aan haar leven in het pioniersstadje, haar huwelijk met een brute man. Hoe ze alles doorstond, ervandoor ging toen het moment daarvoor aanbrak. De kracht, overlevingsdrang die je alleen ziet bij onderdrukking. Denk Myanmar. Wacht. Ga niet te ver. Houd het bij het boek dat ik niet kon vinden. Het houdt mijn hoofd bezet.

    Het ene verhaal roept het andere op. Alsof mijn hoofd een internetverbinding aangaat. Klik, zie ik opeens het beeld van mannen, rokend, fluimen op de grond spuwend rond een kachel in een kruidenierszaak. Het was iets met Winesbury in de titel.

    En ja, er is een berg. Een uitnodiging een eerste exemplaar van een boek in ontvangst te nemen, of ik dat wilde. Maak mij niet zenuwachtig.

    En dan gebeurt me zoiets. Een onvindbaar boek is alsof de wereld stilstaat. Vroeg in de ochtend ga ik naar zolder, zoek dozen door. Vind niets. Ga nu maar schrijven aan dat andere, voor het weer deadline werk wordt.

    Toen was er opeens een naam, ik riep het uit, Sherwood Anderson. Natuurlijk, Sherwood Anderson. Voor de zoveelste keer neem ik de drie treden van het houten trapje om in de bovenste rij langs de letter A te gaan. Ik lijk wel gek, kan dit niet wachten? Nou ja zeg, het staat er gewoon. Winesburg Ohio. Wel de helft dunner dan ik dacht.

    Kijk, daar staan ze, bij de kachel. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed in de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Dat ik dat van die fluimen en op de grond spuwen er zelf bij bedacht heb. Dat alles een zelftest is.

     

     


    Inge Meijer schrijft over dingen die ze leest.

     

     

     

  • Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Voorwaarts en lezen

    Voorwaarts en lezen

    Zondagochtend stond ik in de keuken sinaasappelen te persen, radio aan op Vroege vogels. Bibi Dumon Tak las een column voor, over lezen en boerenburgerbeweging leider Caroline van der Plas. Die nooit een boek leest. Daar had ze geen tijd voor (hoor). Je zult het weten ook. Dat iemand het zich kan veroorloven niet te lezen. In mijn wereld struikel ik over boeken. Waar je kijkt, vind je er een, of meer. Weet je niet welke richting je op moet? Lees maar. Met elk boek, begrijp ik de wereld om me heen een beetje meer. Een boek als inspirator, een schrijver als voorbeeld.

    Ik dacht aan de kinderen (als die er waren) van Van der Plas. Ze lijkt me een stoere moeder die haar kinderen aan de oren bij de dingen van de dag zou houden. Maar, als zij niet leest, zou ze haar kinderen, (als ze die dus had) dan hebben voorgelezen? Zou ze anders naar de veestapels van nu hebben gekeken als ze haar kinderen had voorgelezen uit (bijvoorbeeld) Het koeienboek van Dumon Tak? Hoe zouden de dingen zich dan ontwikkeld hebben.

    Toen dacht ik aan Monica Keijzer. Leest zij wel eens een boek, en die verongelijkte man met zijn geblondeerde haren. Zou hij wel eens een goede roman of een andersdenkende openslaan? Aan de mate van zelfingenomenheid is de niet-lezer te herkennen. Aan de toon van het grote gelijk.

    Noem niet de naam van degenen die de samenleving schade berokkenen, de wereld als hun eigendom (lees dan toch een boek) zien. Hun denkbeelden, evenals zijzelf zullen als verdorde zaden uit het gemeenschappelijk gedachtegoed verdwijnen. Let op, geef het geen water. Maar dan, nederigheid.

    Eens zong ik in een strijdkoor (waar zijn ze gebleven). We zongen het Solidariteitslied van Bertolt Brecht op muziek van Hanns Eisler. Zangadvies: hard en vals. ‘Voorwaarts en niet vergeten / bij honger en bij eten / de solidariteit!’ Hoe dat voelde. Brecht toont waar het rafelt tussen rijk en arm en de angst voor het vreemde. Verzet om te bevrijden wat is vastgelegd.

    In Gesprekken tussen vluchtelingen zijn dialogen tussen twee mannen in exil begin jaren veertig. De uit Duitsland gevluchtte mannen, een intellectueel en een arbeider, ontmoeten elkaar in de stationsrestauratie van Station Helsinki.De tegenstelling van denken bij de intellectueel en de arbeider is essentieel in deze gesprekken.

    Mijn instemmigheid onderstreepte ik met potlood. Dingen als ‘Orde heb je tegenwoordig meestal waar niets is. Het is een teken van gebrek.’ te onderstrepen. Na elke ontmoeting (19 gesprekken) volgt steeds als een refrein: ‘Toen namen ze afscheid en vertrokken ze, ieder naar zijn eigen plek.’

    Ik omcirkelde in zijn geheel wat de arbeider aan de intellectueel vertelde. ‘Toen ik een jaar of zeven was, moest ik sogges vroeg voor school kranten rondbrengen, da’s vlijt – en het geld pakten pa en ma me af, da’s gehoorzaamheid. Als pa lazarus thuiskwam, had hij er de pest in dat hij zijn halve weekloon had opgezopen, en dan kregen we een pak rammel, zo hebben we pijn leren verdragen, en als we aardappels kregen en ook nog eens te weinig, moesten we dank u wel zeggen, uit dankbaarheid, geloof ik.’ En wat me daarin aanspreekt.

    Meesterlijke, maar ook wrange gesprekken over armoede, Hegel, leiderschap, verbanning en ja, alles is politiek. Ik onderstreepte, ‘Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.’ Hoe je de logica van het leven ontdekt wanneer je geen thuis hebt. Er wordt gesproken over Hitler als ‘hoeheetienou’, en Mussolini als ‘Dinges’.

    Ik omcirkelde waar ze voor het eerst over fascisme hoorde. En over Hoeheetienou dit: ‘Als rijkskanselier had hij bevolen dat we hem (…) niks mochten betalen, allemaal liefdewerk oud papier natuurlijk, maar meteen daarna heeft hij bevolen dat we zijn boek Mein Kampf van hem moesten kopen, zodat zijn strijd nog een bestseller werd ook. Van de opbrengst heeft hij de Reichswehr en de rijkskanselarij gekocht en kon hij er nog aardig van leven.’ Meesterlijk, zei ik het niet.

    Waarop ze afscheid namen en vertrokken, ieder naar zijn eigen plek. Zie dit boek als een mustread tijdens het kerstreces. Voorwaarts en lezen maar.

     

     

    Gesprekken tussen vluchtelingen / Bertolt Brecht / 167 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

     

  • De ware

    De ware

    Ik liep deze Cinekid Week door de stad met de tweeling kleindochters aan de hand. We gingen naar het filmhuis aan de IJssel waar Hola Frida draaide. We praten over Frida Kahlo, (dat ze echt heeft geleefd, of er popcorn zou zijn). We passeerden een spandoek waarop ‘Jezus houdt van jou’ stond. En even was ik terug in de jaren zeventig. Toen ik zwelgend in liefdesverdriet door de stad doolde. Omdat de jongen die leefde op de teksten van Leonard Cohen en Boudewijn de Groot, de jongen ‘wilde enkel samenwonen met een zwart geklede schone’, mij had ingeruild voor een ander. De jongen met wie ik naar concerten ging, de nacht door danste, de  eerste was waarmee ik samenwoonde, meubels van houten groentekistjes maakte.

    En toen hoefde hij mij niet meer. Liep ik met gebogen hoofd door de stad. Hoorde ik plots, als omzwermde mij een stel muggen, van meerdere kanten de fluistering ‘Jesus loves you, Jesus loves you’. Het was de tijd van de film Jesus Christ, ik adoreerde Ted Neeley die voor Jezus speelde. Ik dacht, mijn god, hij houdt van me. Ik was bereid tot veel. Ware het niet dat ik zo opging in mijn staat van onbegrepene, mijn zicht versluierd door tranen, dat ik me een uitweg door het jesuslovesyou gefluister baande.

    Ach, dat verlatene, en dan weer een liefde te vinden. Ik las erover in Ik ontmoette een man. Wat een grappig, (lees het nog eens, en zie dat het ook een pijnlijk) boekje over liefde is. Over misverstanden (talrijke) tussen man en vrouw in kleine vertellingen. Een bonte verzameling mannen (zoveel typen, zoveel liefdes) met de schrijfster als uitgangspunt. Mannen waar ze mee samenwoonde. Onbereikbare mannen, een man waar ze naar verlangde, een die zich opdrong, een die ze ontmoette in het OV, een die haar verkeerd begreep, een die wel wilde maar niet durfde, een waar ze ruzie mee maakte. Dat was degene waar ze van hield (je maakt nu eenmaal ruzie met de man waar je van houd). Die man vond het niet leuk dat zij ging huilen als ze ruzie hadden. Zij beloofde dat niet meer te doen Ging het voortaan zo, als de ruzie voorbij was ,‘ging de man naar bed en liet mij achter in de huiskamer, waar ik nog een uurtje ging huilen.’ Zo zijn vrouwen (vertel mij wat).

    Het zijn vermakelijke verslagen van man – vrouw verhoudingen. Waarin teleurstellingen, verlangens, misverstanden en ondernemingslust in de liefde spelen. Eerst is het vooral komisch, door de stijl die licht cabaretachtig is. Lees het nog eens, dan proef je bittere tonen, iets verlorens ook, wel mooi. Hoe al die verhalen samen een verhaal van liefde vormen. Er loopt zelfs, haast onzichtbaar verweven, een fijne draad van ware liefde (ja,ja, die bestaat) doorheen. Je vermoedt een liefde voor een en dezelfde man.

    ‘Ik ontmoette een lieve man. We sliepen in zijn huis, en in de ochtend ging hij naar zijn werk. Ik gaf hem een kus en zwaaide hem uit. ‘Blijf zolang je wilt’, had hij gezegd. ‘Gewoon de deur achter je dichttrekken.’
    Nog in mijn pyjama draaide ik me om op de drempel, en ging het huis weer binnen. Voorzichtig betrad ik kamers die ik nog niet eerder had gezien. Overal kunst. Overal boeken. Romans in vier talen, wetenschappelijke verhandelingen, geschiedenisboeken, biografieën, vakliteratuur.
    De angst sloeg mij om het hart.’

    Dat als iets van geluk zich aandient, de angst je om het hart slaat. Dat je ruzie maakt met degene van wie je houdt er ruzie. Dat liefde een ding is met haken en ogen. En een belofte is, ja, zeg het maar. Belofte maakt schuld, angst dat die niet ingelost wordt. Overdenkingen (en veel meer) die ontstaan bij het lezen van deze ontmoetingen. Ze vertellen meer dan er staat, en dat is een kunst.

    Na de film zei een van de tweelingmeisjes dat ze tekenfilms platte films vond. Dat ze bij Hola Frida al snel geen tekeningen meer zag, maar een verhaal waarin ze meeging. Dat ook dat het verhaal van liefde is, je moet er in meegaan.

     

     

    Ik ontmoette een man / Gerrie Hondius / De Vergulde Snuitbeer, (jubileumuitgave) 2025
    (in 2010 verschenen bij Uitgeverij Contact)


    Inge Meijer schrijft op het vlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Lyrisme

    Lyrisme

    En de pompoenen, die zich lang hulden in de belofte van een groter groeien, liggen zomaar naakt tussen verwelkend pompoenblad. De aanblik daarvan ontneemt me iets. Zoals ze zijn, passend in een hand, oogst ik ze. Deemoedigheid, dat dus ook. Het moet de herfst wel zijn, wie of wat maakt anders dat ik me zo vol van, (ja van wat eigenlijk), voel. Noem het hardvochtig, de herfst. Want sterker dan het koude ijs in de winter, drijven deze vochtige, zacht druppende dagen me in de hoek van de troostzoekers. Lees dit als zijnde overpeinzingen tijdens het vegen van de stoep. Wat ik enkel doe in woorden, ten dienste van deze column. Daar kwam toen ook de buurman bij.

    ‘Ah’, zei de buurman toen hij met zijn scooter over het met  bladeren bezaaide pad zijn voortuin uit reed. ‘hoog tijd voor de bladblazer.’ Ik riep dat een bezem voldeed, maar hij was al weg. En zie, daar begint het al, zelfs een bladblazer maakt me weemoedig. Al dagen achtereen pak ik dezelfde dichtbundel op. Alsof er niets anders te lezen is, wil ik beleven hoe onuitspreekbare dingen door woorden tastbaar worden. Ik wil, om mezelf te leren kennen, steeds opnieuw ervaren hoe uitstelgedrag in poëtische taal klinkt. Lyrisme overvalt me bij het lezen van het gedicht over een gebroken relatie. Hoe in kleine dingen het definitieve verborgen zit. De beslissende rol van een deurbel, het werkelijke einde van een relatie in die laatste regel.

    ‘En op een dinsdag stond je voor mijn deur
    Je ogen leken uitgehuild en dof. De bel vloog
    als een valbijl door de kamer heen en sneed ons los.’

    Lyrisme, ik zei het al, het bevangt me telkens weer. Zoals hier, over niet in beweging komen waarin de afwezigheid van iemand in weemoedige observaties aanwezig is. ‘De tafel is sinds een maand te groot voor mijn bestaan: / loze ruimte rond de randen, Rorschachvlekken op het blad // en een vastgeplakte krant die ik kan lezen als ik te laat / wil weten hoe het de wereld is vergaan.’

    En dan lees ik opnieuw over pakketjes die nooit zijn aangekomen of afgehaald en nu te koop worden aangeboden. Onuitgepakte dozen, waarin alles zit waaraan ik mij spiegel. ‘Je koopt er eentje op de tast’ en fietst ermee naar huis, zet de doos in een kast. En dan:

    ‘De volgende dag zet je de doos op bed, onuitgepakt
    Klaar om het plakband er eindelijk vanaf te scheuren –
    je doet het niet, wacht af en alles kan je nog gebeuren.’

    Dat is het. Dat alles nog kan gebeuren, de belofte van het niet weten ‘dat houdt de moed erin’, zou mijn vader zeggen.

    In sommige gedichten voel ik de vleugelslag van vorige dichters. Bij de regels, ‘- je wilt het wel / maar krijgt de treurbuis niet meer uitgezet.’, komt even Komrij voorbij. En, (lichtjes maar toch) die van Herzberg en Perquin in, ‘Ik ben de dakloze / (…) / De demente man (…) / En het kind dat struikelt, valt. / hartverscheurend om zijn moeder snikt: / zowel de moeder als dat kind, ben ik.’ Daar zit het (wat zit daar?), het zoekende, het verlangen naar, het behouden van, de troost ook, en eenzaamheid.
    Deze prachtige bundel is een belofte der dingen. Dat het nog alle kanten op kan, bevalt me zeer. Lees het!

     

    Troostpogingen / Twan Vet / De Bezige Bij (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

     

  • De vader een hond

    De vader een hond

    Tijdens het lezen van Het jubileum van Andrea Bajani, voelde ik dezelfde verstilling en eenzaamheid als in Het hoogste goed waarin een jongen zijn verdriet als een trouwe hond altijd bij zich weet. Het is het eerste boek waarin Bajani over verwaarlozing en mishandeling uit zijn kind- en jeugdjaren in romanvorm schrijft. In Het boek van de huizen speelt datzelfde verdriet een rol. Er komt een schildpad in voor die voor verstilling van de tijd staat. Alles op een afstand beschreven, niets maakt de lezer van dichtbij mee, er wordt door de vader geen hand geheven, toch die dreiging.

    Het was een herfstige mooie zondag, er moest gewandeld worden. Ik nam de trein naar een dorp verderop. Vanaf het station liep ik terug, langs weteringen, door stukken bos. De jongen uit Het hoogste goed vergezelde me, hoe hij in het huis van zijn ouders onopvallend, (om de lieve vrede) om hen heen bewoog. Er met zijn hond (het verdriet) steeds op uitgaat om niet thuis te hoeven zijn.

    Er stond een bankje aan een zandweg. Ik las alsof ik iets zocht, iets dat zich buiten de geschreven woorden bevond. Ik nam een potlood uit mijn zak, schreef in de kantlijn ‘zogend kind vult zich met leegte van moeder’, omcirkelde een stuk over het verdriet van zijn vader dat zo groot was, ‘dat de vader het amper aan de riem wist te houden.’ Verdriet dat zich losrukte, anderen aanviel, zoals de zoon. ‘Hij sperde zijn bek open, blafte en daarna hoorde je de schreeuw van degene die was gebeten.’ Dat die bedekte manier van schrijven (alsof het jou niet aangaat) het mogelijk maakt om dat wat je niet van je af kunt schudden, enigszins te benaderen. Verdriet moet je in de bek kijken, dat dus.

    Wat de schrijver in Het jubileum ook werkelijk doet. In deze kleine roman komt alles aan de oppervlakte. Bajani schrijft voor het eerst in niet mis te verstane bewoordingen over mishandelingen door- en het controlerende gedrag van de vader. De inmiddels volwassen zoon heeft zijn ouders tien jaar lang niet gezien. Met die afstand begint hij een zoektocht naar wie ze waren, en dan vooral zijn moeder wil hij kennen. Het tweede hoofdstuk begint met, ‘Ik heb nooit geschreven over mijn moeder.’ Waarna hij op zoek gaat naar die moeder. En hoewel hij weet dat zij degene was die het eten kookte, de afwas deed, de was opvouwde, kan hij haar in die rol niet visualiseren. Wel herinnert hij zich dat haar ene been dunner was dan haar andere ten gevolge van polio. ‘Ze werd gedefinieerd door een ietwat manke tred, (…) als ik haar kuit zag, dat is zeker, ervoer ik iets van smartelijke vertedering.’ Na vele pogingen om zijn moeder in beelden te kunnen vatten, eindigt hij dit hoofdstuk met, ‘Of het wel of niet is gebeurd doet er nu niet toe, dit is het begin van de roman.’

    Hoe de schrijver laveert tussen werkelijkheid en verzonnen versie. Dat hij zijn moeder, de dingen die hij zich niet van haar herinnert, alleen in romanvorm tot leven kan brengen. Wanneer hij als kind met zijn zus en moeder de vakantie doorbrengt bij de ouders van zijn moeder, de vader daar wegblijft, beschrijft hij een moment waarin de moeder een brief ontvangt, zich daarmee terugtrekt op haar kamer. ‘Wat een soort intimiteit is, of tenminste, dat is het gevoel dat opkomt tijdens het schrijven van deze scene.’ Hoe hij zijn moeder zoekt, haar naar zich toe tracht te halen, wat niet lukt. Zoveel kan ik wel zeggen.

    En dat moment, als de zoon zich aan het losmaken is, voor het eerst met kerst niet thuiskomt. Hoe de vader hem via de telefoon toebrult: “Hou je koest! Kop dicht! Koest, hond!”’ Dat die vader opeens als het ‘grote verdriet’ dat de jongen als een hond begeleidde, in dit boek naar buiten breekt. Lees deze boeken. Begin met Het hoogste goed, dan Het boek van de huizen en Het jubileum. Verschillende gradaties van het verhaal over een destructieve familie. Geweldig knap geschreven.

     

     

    Het jubileum / Andrea Bajani / vertaling Manon Smit / Van Oorschot


    Inge Meijer schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.