• Niemand werd ter verantwoording geroepen

    Niemand werd ter verantwoording geroepen

    De Amerikaanse journalist en schrijver Nathan Thrall werkte jaren aan Een dag uit het leven van Abed Salama, over een noodlottig busongeluk in 2012 met Palestijnse kinderen tijdens een schoolreisje in bezet gebied bij Jeruzalem. Thrall deed onderzoek naar alle feiten en vertelt het verhaal van Abed Salama, vader van een van de kinderen. Maar ook vertelt hij het verhaal van omstanders zoals de buschauffeur, de arts die als eerste ter plaatse was en andere betrokkenen. Hij won met dit indrukwekkende en hartverscheurende boek de Pulitzer prijs voor non-fictie in 2024.

    Nathan Thrall (1979) werd in een joods gezin geboren, zijn moeder emigreerde vanuit de Sovjet Unie  naar de VS. Thrall schrijft onder meer voor de New York Review of Books en de New York Times en was docent aan het Bard College in New York. Met zijn echtgenote en drie dochters woont hij in Jeruzalem. Voor het schrijven van Een dag uit het leven van Abed Salama heeft hij zich drie jaar verdiept in de wereld van alle personen die betrokken waren bij het ongeluk en de slachtoffers. 

    Achterin het boek is een lijst van de ruim zestig (!) betrokkenen, de meesten met hun eigen naam, opgenomen. De eerste zinnen van zijn boek zijn dezelfde als van zijn  artikel dat hij in 2021 over het ongeluk schreef voor de New York Review of Books: ‘De avond voor het ongeluk was Milad Salama haast door het dolle heen vanwege het schoolreisje. Hij stond opgewonden aan de arm van zijn vader Abed te trekken. ‘Baba, ik wil iets te eten kopen voor de picknick morgen.’ Na dit artikel werd Thrall aangemoedigd een boek over dit tragische ongeval te schrijven.

    Iets schrijven dat mensen in tranen brengt 

    Het boek werd kort voor de aanslagen op 7 oktober 2023 gepubliceerd. Thrall zegt in een interview: ‘De wereld wordt steeds onverschilliger, steeds ongevoeliger voor de situatie van deze mensen. De enige manier waarop we indruk kunnen maken is als we iets schrijven dat mensen in tranen brengt.’  

    In de proloog helpt Haifa haar vijfjarige zoontje met aankleden. Milad ontbijt snel en rent dan naar de bus voor zijn schoolreisje. Zijn vader Abed slaapt nog en wordt als hij wakker is gebeld door een vriend waarmee hij afgesproken heeft. Hij zegt in een file te staan door een ongeluk. Daarna belt een familielid en vertelt dat het een ongeluk met een schoolbus is. ‘Abeds maag draaide zich om’ terwijl hij op weg gaat naar de plek van het ongeluk. De door een vrachtwagen aangereden en uitgebrande bus ligt op zijn kant en de inzittenden zijn al vervoerd naar verschillende ziekenhuizen. Abed gaat naar het ziekenhuis in Ramallah waar het een chaos is. Ambulances, verpleegkundigen met brancards, huilende ouders en tv-ploegen die artsen interviewen. ‘Abed kreeg een beklemmend gevoel op zijn borst en zijn ademhaling ging snel. Hij baande zich een weg door het gekkenhuis en probeerde zijn groeiende angst de kop in te drukken.’

    Een Palestijnse James Dean

    In het eerste en langste deel van het boek beschrijft Nathan Thrall de familiegeschiedenis en persoonlijke ontwikkeling van Abed Salama.  Abed ging op school in het Palestijnse  dorp Anata waar iedereen elkaar kende. De helft van de inwoners bestaat uit drie grote families en allen stammen af van één voorvader. Het open landschap van Anata stond vol olijf- en vijgenbomen tussen de korenvelden en linzenplanten. Anata veranderde snel na de oorlog van 1967. Ieder jaar werden de Palestijnen meer en meer geabsorbeerd door de fabrieken van het uitbreidende Jeruzalem.   

    Abed was een lange en slanke jongeman met donker haar. Met zijn opengeknoopte shirt leek hij op een Palestijnse James Dean. Hij was seculier en tegen het gebruik van de hijab. In die tijd bedekten de helft van de meisjes in Anata hun haar, ook zijn – geheime – geliefde Ghazl. Anderhalf jaar nadat Abed zijn middelbare school heeft afgemaakt, breekt in december 1987 de eerste Intifada uit. Hij hoopte in Moskou te kunnen studeren, maar zijn vader weigert hem te helpen. Via een familielid wordt hij lid van het Bevrijdingsfront van Palestina, een marxistisch-leninistische afdeling van het PLO.

    Als Abed hoort dat Ghazls vader haar verbiedt met een Salama te trouwen, verbreekt hij de relatie met haar. Waarna zijn zuster voor hem een huwelijk met een nicht arrangeert. In zijn grote verdriet accepteert Abed het aanbod en trouwt met Asmahan. Het is geen gelukkig huwelijk. Abed ontmoet tijdens de tweede Intifada, Haifa, zij wordt zijn tweede vrouw. Een jaar na hun huwelijk krijgt Haifa een zoon en drie jaar later wordt hun tweede zoon, Milad geboren.

    Het ongeluk en het ontstaan van de muur

    Thrall beschrijft eerst het ongeluk met de bus op de Jaba Road – door de vele ongelukken ook wel de ‘weg des doods’ genoemd – vanuit het perspectief van Huda, een Palestijnse arts en alleenstaande moeder. Zij is onderweg op Jaba Road als een grote vrachtwagen de bus heeft aangereden. De bus is omgevallen en de voorkant staat in brand. Huda springt uit de auto en helpt de kinderen uit de bus te halen. Het ongeluk doet haar denken aan de ergste dag uit haar leven. Die was na een Israelische bomaanval op het PLO hoofdkwartier in Tunesië in 1985 – ‘een hel van puin, as en lichamen’.

    Vervolgens laat Thrall het ongeluk zien door de ogen van de chauffeur van de bus, de verpleegkundigen ter plekke, een Israelische militair, een leerkracht, de chauffeur van de vrachtwagen en via een video-opname door een van de omstanders. De eerste Palestijnse ambulance arriveerde na tien minuten en kon de dode slachtoffers meenemen, de eerste Israelische ambulance ariveerde pas na 24 minuten, toen alle slachtoffers al waren afgevoerd. 

    Dan beschrijft Thrall hoe de bouw van de muur is ontstaan. Hij noemt de Palestijnse zelfmoordaanslagen die begonnen zijn nadat in 1994 een religieuze kolonist negenentwintig biddende Palestijnsen vermoordde. Door die aanslagen vond de Israelische politie het nodig een muur te bouwen. Daarna werden de vrijheden van de Palestijnen ingeperkt, maar niet die van de kolonisten. Door de muur werden dichtbevolkte Palestijnse wijken afgezonderd van Jeruzalem, er kwam een avondklok, huiszoekingen en nieuwe checkpoints. Tienduizenden bevonden zich aan de verkeerde kant van de muur en de hulpdiensten mochten niet naar de andere kant van de muur zonder begeleiding van militairen. Daardoor kwam hulp vaak te laat. In 2006 werd een ambulance zolang opgehouden dat hulp te laat kwam voor een slachtoffer met een hartaanval.

    Bizarre omstandigheden en werkelijke oorzaken

    In het laatste deel is Abed op zoek naar zijn zoontje. Hij kan niet naar het ziekenhuis in Jeruzalem waar sommige kinderen zijn terechtgekomen omdat hij niet over de geschikte ID beschikt. In Ramallah gaat hij naar een ziekenhuis, maar vindt Milad niet. Wel zes andere slachtoffers, een lerares en vijf kinderen van wie drie onherkenbaar door de brandwonden. Een arts vraagt Abed om een DNA test van hem en zijn vrouw en hun andere zoontje. Na het wachten op de uitslag van de test, gaat Abed ‘s middags  met zijn jongere broer Bashir naar het ziekenhuis. Daar krijgen ze te horen dat Milad een van de kinderen in het lijkenhuis is. Bashir wil niet dat Abed zijn zoon ziet. Milad was te ernstig verbrand om begrafenisrituelen uit te kunnen voeren. Ze rijden achter de ambulance naar de begraafplaats. Milad’s lichaam, in een lijkwade gewikkeld, wordt door een van zijn broers het familiegraf ingedragen.

    Een dag later wordt Abed gevraagd te praten met een boze groep ouders en familieleden die de school het ongeluk kwalijk nemen en in brand willen steken. Hij weet het te voorkomen.   

    Een maand na het ongeluk wordt Abed voor een Israelisch televisieprogramma geïnterviewd, samen met een stel Israëlische jongeren en een paar kolonisten. De jongeren maken zich vrolijk over de omgekomen kinderen, de kolonisten zeggen dat ook hun kinderen in een bus hadden kunnen zitten. Abed zegt: ‘We hebben extremisten in onze maatschappij, en jullie ook.’ Als er een filmpje van Milad met Abed wordt vertoond, bedekt hij zijn gezicht en begint te huilen.   

    Thrall vertelt nauwgezet het verhaal van de betrokkenen en onthoudt zich van commentaar. Tot de laatste alinea’s, die over een ministeriële  commissie van de Palestijnse Autoriteit gaan en die in hun verslag ‘de ware oorzaken van de calamiteit’ niet noemen. Hij stelt dan vast dat er  geen voorstel werd gedaan om de ouders van de kinderen te compenseren door het Israëlisch fonds voor verkeersslachtoffers. En dat voor de bizarre omstandigheden en werkelijke oorzaken van het ongeluk niemand ter verantwoording werd geroepen. 



  • Oogst week 43 – 2023

    Ruitjesblues

    Wiskundige en kleinkunstenaar Jan Beuving is schatplichtig aan Drs. P, George Groot, Jurrian van Dongen, Maarten van Roozendaal en Kees Torn ‘maar er was nooit iets van hem geworden’, schrijft Ivo de Wijs in het voorwoord bij Beuvings bundeling teksten Ruitjesblues, ‘als hij niet zo’n uniek talent had gehad en zulke interessante voorkeuren’. Het is niet veel tekstschrijvers gegeven dat ze al na negen jaar een boekuitgave krijgen waarin (bijna) alle teksten worden opgenomen.

    Liedteksten wel te verstaan, geschreven voor de eigen zes cabaretprogramma’s sinds 2014, maar ook voor anderen. Beuving heeft elke liedtekst voorzien van een meestal anekdotische nabeschouwing over de aanleiding voor het lied, de ontvangst ervan door het publiek en zijn eigen kritische noten achteraf. Uiteraard zijn ook de twee Annie M.G. Schmidt-beprijsde en de daarvoor genomineerde in de bundel terug te vinden. De titel Ruitjesblues is een knipoog naar de ruitjesbloes die hij in zijn wiskundig geïnspireerde programma’s droeg, maar ook de titel van één van de liedjes daaruit.

    Ruitjesblues
    Auteur: Jan Beuving
    Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar

    Nachtgevechten

    De eerste twee in het Nederlands vertaalde romans van de Canadese Miriam Toews gaan over vrouwen die zich met moeite losmaken uit de situatie waarin ze leven. In 2020 was er  Wat ze zeiden (ook verfilmd) over een groep misbruikte vrouwen in een mennonitische gemeenschap in Bolivia en in 2022 is de hoofdpersoon in Niemand zoals ik een suïcidale concertpianiste die deze gemeenschap heeft verlaten. De auteur is zelf in 1964 geboren in een mennonitische gemeente in Manitoba (Canada). Nu is er van haar Nachtgevechten.

    De verteller is een kind van negen jaar, Swiv, dat van school is gestuurd. De belangrijkste persoon in haar leven is haar oma Elvira. De vader is afwezig; Swiv onderhoudt in de roman via brieven contact. De voortdurend tierende moeder laat tijdens haar zwangerschap de opvoeding over aan Elvira. Zij is het ook die Swiv had aangeraden haar pestkoppen op school in elkaar te slaan. Oma is een zonderlinge vrouw: ‘Vandaag begint onze neorealistische periode, zei oma vanochtend. Ze smakte gebakken aardappels op tafel en een fles ketchup. Wat een pret! zei ze (…) Onze gezinstherapeut heeft gezegd dat we brieven moeten schrijven, maar mama zegt dat we geen geld meer hebben voor therapie als we toch alleen maar brieven moeten schrijven aan mensen die weg zijn. Oma zegt dat ze denkt dat het nuttig is. Ze zegt dat we net kunnen doen alsof we journalisten zijn, met ons eigen persbureau. Ze zegt dat brieven beginnen als brieven maar iets anders worden. Maar mama vertrouwt ze niet, net als foto’s. Ik wil niet gevangen worden in een moment!

    Toews vertelt tragikomisch. Over de moeder, die in verwachting is van Gord lezen we: ‘Ze liegt. Ze haat woorden als slim en creatief en seksualiteit en ze haat acroniemen. Ze haat bijna alles. Het is oma een raadsel hoe het mama is gelukt om zo lang te stoppen met schelden dat ze in verwachting kon raken van Gord’.

    Nachtgevechten
    Auteur: Miriam Toews
    Uitgeverij: Cossee

    Een zucht van Aleppo

    Willem Bruls (1963) is dramaturg en schrijver met een liefde voor muziek uit het Syrische Aleppo. Hij maakte er in 2002 een radioserie over voor de VPRO. In 2021 ging hij in de inmiddels door de oorlog verwoeste stad de musici die hij destijds sprak weer opzoeken. De neerslag van dit bezoek is te lezen in zijn boek Een zucht van Aleppo. Bruls legt er in uit hoe joodse, christelijke en islamitische invloeden zijn terug te vinden in de muziek van de stad. De plaatselijke ondernemer Antoine Makdis laat hem zien hoe de Aleppijnse muziek de oorlog heeft overleefd ondanks de vele verloren levens.

    Vóór die nieuwe reis naar Aleppo interviewde hij al veel musici die sinds het uitbreken van de oorlog naar (merendeels) Europa zijn gevlucht en daar de muziek lin ere houden. Op 26 september j.l. verklaarde hij in het programma Kunststof zijn liefde voor de stad: ‘Aleppo is door de fysieke schoonheid maar vooral door de culturele mengeling van niet alleen een islamitische stad of een Arabische stad, maar ook alle andere lagen, joods, christelijk – alles wat je kunt bedenken is daar samen. Dat maakt de stad extra mooi’. Over de rol die muziek daarin vervult gaat zijn boek.

    Een zucht van Aleppo
    Auteur: Willem Bruls
    Uitgeverij: Jurgen Maas