• Schrijnende roman over het leven van contractkoelies

    Schrijnende roman over het leven van contractkoelies

    Waar al zoveel grote schrijvers mooie romans over Nederlands-Indië geschreven hebben, lijkt het ondoenlijk aan die reeks er nog een toe te voegen.
    Njai Inem, Kroniek van een steen is een eenvoudig, chronologisch geordend verhaal over jonge Indiërs die een vel papier tekenen waardoor ze ‘contractkoelie’ worden en daarmee de zeggenschap over hun leven uit handen geven. Voor de zestienjarige Inem en haar twee beste vrienden, het meisje Siti en haar vriend Djoko is dat een gedenkwaardige dag.

    Het verhaal omvat een geringe tijdspanne. Het relaas begint met de beschrijving van een willekeurige dag in Muntilan, een stadje op Midden-Java. De werkeloosheid is groot, men lijdt voortdurend honger. Jongeren hangen wat rond. Er komen twee mannen om koelies (ongeschoolde arbeiders die zwaar werk moeten verrichten) te ronselen voor een rubberplantage op Sumatra. De volgende dag (deel twee) wordt aan vijftig sterke, gezonde mannen en vrouwen, onder wie zich Inem en haar twee vrienden bevinden, een contract van drie jaar aangeboden en een voorschot gegeven. Inem geeft de helft van haar voorschot aan haar vader, zodat haar broertjes en zusjes weer naar school kunnen gaan.
    In deel drie lezen we het verslag van de reis naar Sumatra, waarbij de dagen op de boot de verschrikkelijkste zijn: de koelies zitten, op elkaar gepakt, dagenlang in het maar voor de helft afgedekte ruim, in weer en wind. Na aankomst op de plantage worden Inem en Siti van de groep gescheiden, Inem is bestemd voor de toean (heer, gebieder), de Hollandse baas van de rubberplantage, Siti voor een van de twee assistenten.
    Hoewel nergens in het verhaal de chronologie wordt doorbroken, is het geen droge opsomming, doordat het verhaal verteld wordt enerzijds door een alwetende verteller, anderzijds vanuit het perspectief van Inem of haar meester. Wanneer Inem de ik-verteller is, wordt een ander lettertype gebruikt.

    De delen vier, vijf en zes zijn interessanter dan de eerste drie, omdat daarin Inem en haar meester om de beurt van dezelfde gebeurtenissen of situaties verslag doen, ieder vanuit hun eigen perspectief. Zo betreuren zij zeer de dood van Djoko. (Hij viel een mandoer, een Indische leider van een werkploeg aan toen ‘zijn’ Siti door een van de assistenten meegenomen werd; daarop werd hij door drie mandoers zó mishandeld voor het oog van de net aangekomen groep koelies, dat hij twee dagen later aan zijn verwondingen overleed. Siti mag om onrust te vermijden terug naar haar dorp). Beiden doen dat om verschillende redenen. Inem omdat zij nu helemaal alleen zonder vrienden drie jaar moet zien te overleven als njai (huishoudster/concubine), haar toean omdat dergelijke onnodige wreedheid onrust veroorzaakt bij de andere koelies en omdat, niet onbelangrijk, de regels zijn overtreden. Hij heeft namelijk eindeloos herhaald dat er geen wrede lijfstraffen gegeven mogen worden, dat er genoeg eten en drinken moet zijn voor de koelies. Als Hollander krijgt hij niet echt contact met de inlandse mandoers, ook al worden zij redelijk betaald en behandeld.

    Van de vriendelijke, begripvolle kokkin, leert Inem wat haar meester van haar verlangt: naast een enkele huishoudelijke taak moet zij vooral zorgen voor zijn welzijn, en daar hoort ook bij dat ze het bed met hem deelt. Ongetrouwd seks hebben is voor haar als moslim echter de grootste vernedering die er bestaat.

    Deel zes maakt een sprong in de tijd, de baas kijkt tevreden terug op de eerste zes maanden met Inem: ‘Waarschijnlijk betekent ze meer voor me dan ik me bewust ben. Zij verandert en ik verander mee, waardoor we steeds beter op elkaar afgestemd raken. In bed heeft ze leren aanvaarden. Ze heeft geen angst meer en ze laat duidelijk voelen wat ze prettig en niet prettig vindt.’ Dat het voor hem niet mogelijk is de inlandse geest te doorgronden, blijkt uit hoe Inem over de situatie denkt: ‘Terwijl ik de voordeur op slot doe, moet ik steeds denken aan hoe het verder moet. Dan moet ik altijd oppassen dat ik niet eindeloos ga piekeren en uiteindelijk in huilen uitbarst. (…) Nu zwijg ik over mijn ware verlangens, over mijn wanhoop en mijn schaamte. Alles hou ik binnen, een steen in mijn borst.’

    Alle zes delen worden voorafgegaan door een of meer citaten. Achter in het boek staan een woordenlijst en als addenda een aantal (kranten)artikelen over mensenhandel en slavernij, en een bibliografie.
    Een vlot geschreven kroniek die een overtuigend beeld geeft van het schrijnende bestaan van contractkoelies en njais.

     

    Njai Inem
    Kroniek van een steen

    Auteur: Barney Agerbeek
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer
    Aantal pagina’s: 176 blz.
    Prijs: € 17,50

  • De andere kant van de Caribbean

    Met De prijs van de zee laat Erich Zielinski zijn lezers een andere kant van de Caribische samenleving zien dan die uit de toeristische brochures. Er is meer onder de zon op Playa Frans dan een wit strand en een blauwe zee. Zielinski, die in 2004 debuteerde met De Engelenbron, laat ook in deze spannende roman de personages tot leven komen met een grote mate van compassie en zonder enig oordeel. De oudere Mèmè die de touwtjes op het strand strak in handen heeft, de gesloten Djin Chirino die de storm aan gevoelens in zichzelf niet altijd goed in bedwang heeft, de jonge vrouw Elise Berkenbos die op Playa Frans op adem kan komen. Wel vond ik De prijs van de zee net wat minder gaaf, minder briljant dan de debuutroman van deze Curaçaose schrijver. Dat heeft vooral te maken met het einde, waarin plotseling losse draadjes wel heel snel aan elkaar gebreid worden. Maar desalniettemin: een absolute aanrader.

    Marieke Visser

    De prijs van de zee, Erich Zielinski. In de Knipscheer, Haarlem, 2008. 190 pp.

  • Gesignaleerde vergankelijkheid

    Gesignaleerde vergankelijkheid

    Recensie door Thomas Mölhman

    In de 45 gedichten uit de bundel De Grote Vakantie neemt dichter, schrijver, beeldend kunstenaar, fotograaf, zanger F. Starik zijn lezer mee op een persoonlijke gang langs vakantieadressen als de camping, de volkstuin, de stadswoning, het platteland en het graf.
    Onderweg is hem niets kleins te klein, niets groots te groot. Een kwijnende appelslak, Prins Claus, een lege fietsband en een verloren geliefde, ze zijn al even welkom in Stariks gedichten van alledag als de koe die moet kalven, de ‘spreker van éénletterwoorden’, de ‘kleine filosoof van wereldraadsels’ en ‘de vermaarde kunstcritica A.T.’

    We beginnen schijnbaar onbekommerd met een strandtafereeltje in het titelgedicht: ‘Zo op het oog hier alles/ welvaart en gemoedsrust./ Waar de Noordzee loom/ haar brede zandstrand kust’, maar al na enkele regels wordt een schaduw over het vakantievierende gezelschap aan zee geworpen: ‘Eén van hen zal volgend jaar/ niet langer bij ze zijn’.

    Na vier afdelingen waarin de dichter talloze tekenen van vergankelijkheid signaleert, beschrijft of overdenkt, en twee afdelingen vol In Memoriams en uitvaartgedichten leidt De Grote Vakantie niet tot de dood, maar tot een actieve daad in het slotgedicht ‘Een man steekt zijn huis in brand’. De lezer heeft tegen die tijd de indruk zijn dichter aardig te hebben leren kennen. Hij is bij hem op de fiets en over de vloer geweest, heeft zijn zoon, zijn lief en enkele vrienden leren kennen, is langs geweest bij zijn Egyptische sigarenman en meneer Scussi, van wie hij zijn voordeelkostuums betrok tot de aanleg van een nieuwe metrolijn hem de winkel deed sluiten. Ook is er intussen een dure lepel gekocht, een roze honkbalknuppel weggegeven, een boek in de winkel blijven liggen en afscheid genomen van vele bekenden en onbekenden.

    Dit alles en meer wordt de lezer doorgaans medegedeeld op Stariks haastloze toon, die zowel ruimte laat voor lyrische zwiepers als voor flauwe grappen. Voor baanbrekend taalspel hoeft men De Grote Vakantie niet te lezen, evenmin voor duizelingwekkende nieuwe inzichten of ideeën. Men schuift simpelweg aan bij een aangename verteller, die de moeite neemt ongeveer alles wat hem voor de voeten komt eens goed te bekijken en te beschrijven wat dat zoal voor hemzelf of de mensheid betekenen mag. De bundel bevat meer dan voldoende materiaal om hem af te kraken en meer dan voldoende om hem te prijzen. Maar uiteindelijk is het eenvoudig gesteld met het werk van deze dichter van levenslied en dodenzang: je leest en beluistert het en je houdt ervan of je vindt het helemaal niks. Ik houd ervan.