• In memoriam Ilse Starkenburg 1963 – 2019

    Op 11 november is onverwacht dichteres en schrijfster Ilse Starkenburg overleden. De in Dieren geboren schrijfster overleed in haar woonplaats Amsterdam. Sinds haar debuut, Verdwaald ontwaken in 1990 was De Arbeiderspers haar uitgever. Haar laatste bundel, De boom valt op mij uit 2017, waarin ze inging op dingen die zomaar kunnen gebeuren, is geïnspireerd op het voorval hoe een boom ook werkelijk op haar viel toen zij zich op straat begaf. Deze bundel werd door critici zeer goed ontvangen.
    Starkenburg was geen dichteres van het complexe en moeilijk te doorgronden metaforen. Ze stond bekend om haar eenvoudige en vaak spaarzame taalgebruik waarmee ze hele werelden kon oproepen.

    In 1996 ontving Ilse Starkenburg voor haar debuut en haar tweede bundel het Charlotte Köhler Stipendium, een stimuleringstoelage voor beginnende auteurs. Ook maakte ze deel uit van de  Poule des Doods, een dichtersgroep in Amsterdam die met een speciaal voor de overledene een gedicht schrijft en daarmee de laatste eer bewijst aan eenzaam afgestorvenen. Vertalingen van haar werk verschenen in Duitsland en Spanje. De Duitse vertaling leidde in 2000 tot een nominatie voor de Nordrhein-Westfalen Literaturpreis.
    Ook heeft ze werk gepubliceerd in de literaire tijdschriften Maatstaf, Rottend Staal, Tirade en komen haar gedichten veelvuldig voor in samengestelde bloemlezingen.

    ‘dat wat ik draag laten vallen
    de kakkerlak vertrappen
    soms is het of niemand
    iemand anders kan verdragen

    toch zullen de stenen een lichte
    aanraking toe moeten laten
    stof verdwijnt niet zomaar.’

    Ilse Starkenburg publiceerde de volgende bundels en een essay over Louis Lehmann:

    Verdwaald ontwaken (1990, gedichten)
    Afspraak met een eiland (1995, gedichten)
    De blinde vlek op de kaart (1998, verhalen)
    Thuisreis (1999, bibliofiele uitgave)
    In plaats van alleen (2003, gedichten)
    Gekraakt klooster (2007, gedichten)
    Louis Lehmann als Homo Universalis (essay over dichter en scheepsarcheoloog Louis Lehmann, 2007)
    De boom valt op mij (2017, gedichten)

     

    (fragment uit de bundel: afspraak met een eiland)

     

  • De lezer blijft peinzend en knikkend achter

    De lezer blijft peinzend en knikkend achter

    Ilse Starkenburg is geen dichteres van de complexe, moeilijk te ontwaren metaforen – zoals veel, met name jonge puzzelpoeëten dat tegenwoordig vaak wel zijn. Toch kan Starkenburg met haar relatief eenvoudige en vaak spaarzame taalgebruik in een schijnbaar simpele vergelijking hele universa oproepen. Maar waar dat in eerdere werken met verve werd uitgevoerd, blijft de beeldspraak in De boom valt op mij veelal jammerlijk steken in het oppervlakkige.

    In lijn met eerder werk zoomt ook Starkenburgs jongste bundel in op de gemakken en ongemakken van het menselijk contact. In dit geval vooral de ongemakken, aangezien vooral gevoelens van vervreemding prominent door de regels dreunen. Dit is niet de vervreemding op de moderne manier zoals die vaak aan de kaak gesteld wordt: toenemende eenzaamheid, individualisering, afstomping en stress door social media en smartphones gepaard met een vervreemding van de fysieke wereld en maatschappij waar mensen deel van uitmaken. Kritieken hierop zagen we in recent poëtisch werk van Eva Rovers, Thomas Möhlmann en de duettenbundel van Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens.

    Nee, de vervreemding die Starkenburg in haar hoofdletterloze gedichten belicht is van een zuiverder orde. Zo beschrijft zij in het naar een Grieks eiland vernoemd gedicht ‘Santorini’ hoe de mens natuur thans ziet als iets dat buiten de samenleving ligt, als een uitstapje waarvan je uiteindelijk weer terugkeert – in plaats van de leefomgeving waar wij inherent onderdeel van uitmaken:

    ‘ik bekijk de rotsen en de zee
    alsof ik in een dierentuin
    langs kooien loop waar
    rotsen en zee in opgesloten zijn’

    Ook de vervreemding die volwassenen ervaren ten opzichte van het leven als kind en jongere, waarvan de vaste zekerheden zijn weggevallen en hebben plaatsgemaakt voor eigen en opgelegde verantwoordelijkheden, komt aan de orde. Het gedicht ‘gedachteoefening’ begint typisch Starkenburg ogenschijnlijk met een doodgewone, haast zakelijke observatie:

    ‘gisteren was een feestdag
    vandaag is
    een gewone dag
    die zijn naam deelt
    met vele andere dagen

    alsof hij iets gemeen heeft
    met die naamgenoten’

    Ze beschrijft met zeer simpel en staccato taalgebruik hoe naamaanduidingen ogenschijnlijke overeenkomsten kunnen suggereren die er in werkelijkheid niet zijn. Dan, in de laatste strofe:

    ‘vroeger was dit de dag
    dat ik gymnastiek had
    maar ik heb geen gymnastiek meer
    terwijl, er bleven dinsdagen komen’

    Ineens gaat het gedicht tevens over verdwijnende zekerheden waar een mens voorheen nog op kon terugvallen. Met eenvoudige taal en korte regels weet Starkenburg beelden op te roepen waarin diepe inzichten en gevoelswerelden besloten liggen. Een zeer knappe gave, die ook in de gedichten ‘Horizontale boom’ en ‘Haputt’ kundig naar voren komt.

    Helaas zijn niet alle gedichten van bovenstaand niveau. Met name in de tweede helft van de bundel slaat de kracht van Starkenburg, het oproepen van complexe emotionele situaties met simpel en direct taalgebruik, om in een zwakte. Dan resteren vaak enkel wat eenvoudig geformuleerde regels – en blijft de diepgang achter. Zoals in het gedicht ‘De dochter van’:

    ‘ik ben bezig schriften na te kijken
    de zon schijnt onverbiddelijk naar binnen

    ik maak een krul, ik zet een streep
    de zon schijnt onverbiddelijk naar binnen

    lees ik hier dagboeken van andere kinderen
    ik lach ze niet uit, ik lach ze toe

    ik zit schriften na te kijken
    ik kom mijn eigen handschrift tegen

    welk cijfer moet ik mij nu geven
    ik maak een aarzelende krul’

    Ontbreken van dieper inzicht
    Het thema en de opbouw van het gedicht hebben alle ingrediënten voor een typisch Starkenburgiaans poëem, dat de lezer peinzend en knikkend achterlaat. Toch komt een eventueel dieper inzicht hier niet aan, omdat het ontbreekt aan die diepere laag. Aan deze kwaal lijden veel gedichten in de bundel, waardoor ze blijven steken in het oppervlakkige.

    Het meest spijtige aan De boom valt op mij is dat veel van de mindere gedichten wel schreeuwen van potentie. Dat is met name in het geciteerde ‘De dochter van’ te proeven. Had een iets meer gelaagde schrijftrant, een iets minder recht-voor-zijn-raap-stijl tot een bevredigender resultaat geleid?, aldus vraagt de lezer zich af.

    Het antwoord lijkt ja. En niet alleen omdat dit te voelen is in de gedichten uit de bundel die wel geslaagd zijn. In eerdere boeken bewees Starkenburg haar talenten al. Sla eens haar laatste dichtwerk van alweer tien jaar geleden, Gekraakt klooster, open. De ene na de andere poëtische parel passeert in die bundel de revue, met citaten als ‘we spraken / van die wittewijzinnen’. Mocht u die bundel in handen krijgen, lees dan het gedicht ‘met iemand wachten’, over een sleets wordende relatie. Of raadpleeg in de nieuwe bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer Starkenburgs gedicht ‘de misstap’, dat de plek in die imposante poëziecollectie dubbel en dwars verdiende.

    Hoewel De boom valt op mij een aantal echt indrukwekkende hoogtepunten kent, mag van een gedistingeerd dichteres als Ilse Starkenburg meer worden verwacht. De meeste gedichten blijven achter bij het niveau dat de auteur eerder toonde. De uitschieters in de nieuwste bundel bewijzen dat Starkenburg nog steeds over haar talenten beschikt. Hopelijk komen die in een toekomstige bundel weer prominenter naar voren.

     

     

  • Bedaarde onrust

    Recensie door Thomas Möhlmann

    ‘Ik geloof (…) dat ik wel een vis had willen zijn,’ vertelde Ilse Starkenburg jaren geleden eens in een interview. In het korte gedicht ‘fantasie’ stelt ze zich deze wens concreet voor:

    ‘als ik mijn oranje vis was
    dan was ik oranje
    dan was ik een vis

    ik woonde in een kleine wereld
    waar ik alle anderen kende
    nooit verdwaalde ik

    ik riep: draai
    en ik draaide
    ik riep: daar
    en daar was ik

    en ik viel nooit als ik’

    Het is een van de zesenveertig gedichten die Starkenburg in haar vierde dichtbundel Gekraakt klooster heeft opgenomen. Zonder opsmuk, met eenvoudige woorden, doet elk van de gedichten secuur verslag van wat er in en buiten het hoofd van de dichteres gebeurt. Een zeer aandachtig hoofd, omringd door een soms aangenaam merkwaardige, maar doorgaans bedreigende en niet geheel begrijpelijke wereld. De vissenkom waarin de dichteres leeft, is niet deze hele wereld, maar haar eigen hoofd. Precies wat in de vis benijd wordt, lijkt dit mensenhoofd te ontberen: overzicht, grip en vertrouwdheid met de omgeving en de anderen daarin. Beklemmende gedachten en gedichten levert het op, die met een bedaarde onrust aan het papier zijn toevertrouwd. Er is een behoefte, een hunkering soms, aan werkelijk contact met wie zich buiten de kom bevindt, af en toe lijkt dat ook wel plaats te vinden, maar steeds doemt de glazen wand op tussen binnen- en buitenwereld: uiteindelijk blijft ‘de ander’ voor de dichteres een in de kern onkenbaar verschijnsel. En vice versa, getuige ‘gesprek op het strand’:

    ‘het moet iemand zijn
    met een ander karakter dan
    ik: een rustig iemand

    maar jij bent zelf toch heel rustig?

    nee, van binnen
    ben ik niet heel rustig.’

     

    Deze recensie werd eerder gepubliceerd in: Poëzietijdschrift Awater, winter 2008, jaargang 7, nummer 1.