• Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Zomerlezen – Herlezen

    Oorlogsenthousiasme

    Als ik drie boeken als tip voor de vakantie moet noemen denk ik het eerst aan Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Maar dat las iedereen natuurlijk al. Naast de hoofdthema’s migratie (van toeristen en vluchtelingen) en de identiteit van Europa zitten er ook aardige grapjes in. Toch even één voorbeeld: Ilja heeft in de auto van de vrouw van de Nederlandse ambassadeur in Noord-Macedonië een gesprek over het belang van je geworteld kunnen voelen: ‘Met bloedstollende nonchalance haalde ze via de buitenbocht een tractor in die een kar met bieten trok. “Wortels zijn belangrijk”, zei ze’.
    Wie deze roman niet las heeft wat in te halen.

    Nee. Laat ik enkele oudere boeken noemen waarnaar ik regelmatig nog eens grijp.
    Allereerst twee tegenvoeters: Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft en De duizelingwekkende jaren van Phillip Blom. Ze beschrijven beide de tijd vanaf ongeveer 1900 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar vanuit gezichtspunten die soms diametraal op elkaar lijken te staan. Kieft verhaalt bijzonder boeiend hoe allerlei bewegingen van kunstenaars en schrijvers oorlog verwelkomden als een revolutie waarin een vastgeroeste en verouderde wereld een wedergeboorte zou doormaken vol energie en levenslust. Daarnaast ontstond er een verheerlijking van het patriottisme. Een toenemend aantal mensen was bereid zich te offeren voor het vaderland.

    Oorlogsenthousiasme
    Auteur: Ewoud Kieft
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De duizelingwekkende jaren

    Dat zijn aspecten die in De duizelingwekkende jaren bijna niet voorkomen. Blom probeerde zich in te leven in de mensen in die vooroorlogse jaren, die nog geen enkele vermoeden hadden van wat wij weten over 1914 en daarna. Bij hem lezen we over optimisme in de vooruitgang in een wereld die steeds sneller werd (denk aan de opkomst van de auto en de consumptiemaatschappij). Een opwinding die echter gepaard ging met angst. Er was dan ook tevens een tendens om juist oude waarden te benadrukken.
    Met die paar zinnen doe ik de boeken geen recht, ook niet in relatie tot elkaar, maar het is erg boeiend om ze allebei te (her)lezen en te toetsen aan ons eigen beeld van het lange decennium vóór WO I.

    De duizelingwekkende jaren
    Auteur: Philipp Blom
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het leven een gebruiksaanwijzing

    Als er één schrijver is met wie ik een dag zou willen optrekken is het Georges Perec (1936-1982). Deze Franse schrijver gaf een bijzondere invulling aan het gezegde ‘In de beperking toont zich de meester’. Het bekendste voorbeeld is zijn roman’t Manco, geschreven zonder de letter E te gebruiken. Perecs Het leven een gebruiksaanwijzing is en grandioos boek gebouwd op vooraf bepaalde patronen. Plaats van handeling een appartementengebouw aan de rue Simon-Crabellier 11, van honderd ruimtes. Perec doorloopt die via de paardensprong uit het schaakspel, waarbij elk appartement één keer mag worden aangedaan. Zo spint hij een web van meer dan honderd verhalen die elkaar kruisen (de genre-aanduiding van het boek is ‘romans’). Hij stelde zich als taak dat in elk hoofdstuk een aantal zelfde elementen terugkeren (eten, drinken, een boek, muziek). De grote lijn wordt gevormd door een legpuzzel, annex schilderij. Het boek ontpopt zich net zo: als een legpuzzel vol woordspelletjes, intertekstuele grappen en raadselachtige gebeurtenissen. Bij tweede lezing zag ik dat er iets raars was met ‘de partituur van een beroemde Amerikaanse hit, Gertrude of Wyoming, van Arthur Stanley Jefferson’. Je leest er overheen, maar in alles zit een grap: het ‘lied’ is een gedicht van de Schot Thomas Campbell; het is nooit op muziek gezet, was nooit een hit en de genoemde componist was de echte naam van Stan Laurel. Op internet wemelt het van de sites waarop de structuur van het boek wordt beschreven en bediscussieerd en dit soort grappen worden ontrafeld.
    Het leven een gebruiksaanwijzing lezen gaat dan ook gepaard met veel gesnuffel op internet, resulterend in marges vol aantekeningen.

    Het leven een gebruiksaanwijzing
    Auteur: Georges Perec
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • De ondergang van Europa

    De ondergang van Europa

    Na La Superba heeft Ilja Leonard Pfeijffer met Grand-Hotel Europa weer een schitterend boek geschreven. Het is een scherpe, soms satirische analyse van de tijdgeest, van de liefde, van relaties, van het massatoerisme, van de wereld van de kunsten en van Italië. Maar het is ook een somber boek over de toekomst van Europa: Pfeijffer ziet voor het oude continent alleen nog een rol weggelegd als exploitant van een rijk verleden waar massa’s toeristen op afkomen. Europa is in veel opzichten niet meer wat het ooit is geweest. Hij staaft die stelling met veel feiten en weet de boodschap overtuigend te brengen. Hij lardeert zijn opvatting met hilarische scènes over de groteske uitingsvormen van het massatoerisme. Overigens is ‘de massatoerist’ bij hem een beklagenswaardig mensensoort.

    Het boek is deels autobiografisch, deels fictie; veel gegevens over Pfeijffers leven kloppen, getuige zijn Brieven uit Genua. Je zou deze roman dan ook kunnen opvatten als een egodocument: het hoofdpersonage heeft immers ook dezelfde naam als de schrijver. Hoewel de schrijver zichzelf niet spaart, is hij wel erg overtuigd van zichzelf, met name op seksueel gebied. Je krijgt door de expliciete seksscènes de indruk dat Pfeifer een van de weinigen op deze wereld is die weet hoe een vrouw te beminnen. Tegelijk besef je dat delen van het verhaal gefictionaliseerd zijn; zo staat er in Napels een hotel met de naam Grand- Hotel Europa, maar in het boek wordt de locatie van het hotel niet gemeld. Pfeijffer mag graag spelen met werkelijkheid en fictie, maakt er een spel van door zó te schakelen tussen beiden dat niet duidelijk is wat wat is.

    Het verhaal in het kort

    De schrijver neemt zijn intrek in het in verval geraakte Grand-Hotel Europa (what’s in a name) om zijn mislukte relatie met Clio te reconstrueren en er een boek over te schrijven. Met haar verhuist hij van Genua naar Venetië, omdat zij daar – eindelijk – een baan heeft kunnen vinden als kunsthistorica, gespecialiseerd in Caravaggio. Hij onderneemt met haar een Dan-Brown-achtige zoektocht naar het laatste en verdwenen schilderij van Caravaggio. Samen reizen ze door naar het prachtige Italië: naar Cinque Terre, naar Palmaria, naar Portovenere. Daar komt hij in aanraking met het massatoerisme dat hij zo verafschuwt. Gaandeweg komt de relatie tussen de schrijver en Clio onder druk te staan en vindt die zijn apotheose wanneer Clio een baan aangeboden krijgt in het Louvre Abu Dhabi.

    Ook Ilja’s verblijf in het Grand-Hotel Europa is fascinerend om te lezen, enerzijds wegens enkele memorabele vaste gasten met wie de schrijver relaties probeert aan te gaan zoals de Franse dichteres Albane, de maitre d’hotel Mr. Montobello en Abdul, de piccolo; anderzijds omdat het vervallen hotel opgekocht wordt door Chinezen die het gaan ‘moderniseren’.

    Actualiteit

    Een van de bijzonderheden aan deze roman is dat actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen een plek krijgen. De discussie over de effecten van massatoerisme op de leefbaarheid van steden zoals Venetië krijgt prominent aandacht en verbindt de schrijver met de toekomst van Europa. De discussie in de kunstwereld over de positie van de moderne kunst zoals geëxposeerd op de Biënnale Venetië 2018 en de gelijktijdige tentoonstelling van Damien Hirsts Treasures from the Wreck of the Unbelievable komt uitvoerig aan de orde. Naar aanleiding van de opening van het Louvre Abu Dhabi vraagt de schrijver zich af wat het nut is van kunst in de woestijn. Deze gebeurtenissen brengen de schrijver tot de overtuiging dat de kunst in de greep van het grootkapitaal verkeert.
    Het opkopen van het vervallen Grand-Hotel Europa door Chinezen brengt hem tot gedachten over globalisering en de ondergang van Europa. Azië en Amerika worden grootmachten, Europa heeft niet meer te bieden dan enkel haar rijke verleden.

    Omdat het boek gesitueerd is in Italië, is het als inwoner van dat land een extra genot om te lezen. De vele mooie maar ook niet-mooie elementen van het leven in Italië die de revue passeren zijn heel herkenbaar. Zo staat in het begin van het boek een lange tirade van Clio over wat er allemaal niet goed is/gaat in Italië en die slaat de spijker op zijn kop: wat mij betreft een messcherpe analyse van de politieke en maatschappelijke crises waarin het land verkeert. Tegelijk is het qua cultureel erfgoed het mooiste land van Europa. Die paradox zet Pfeijffer ook buitengewoon scherp neer. Maar bovenal sleept hij de lezer mee door zijn barokke en rijke stijl en zijn hilarische beschrijvingen van voorvallen. Wie een taalkunstenaar aan het werk wil zien, lees dit boek.

     

  • Oogst week 51

    Verzamelde gedichten

    De laatste Oogst van dit jaar. Vladimir Nabokov en Lolita. Veel verder komen veel lezers niet als hen wordt gevraagd naar het werk van deze grote meester. De meesten weten ook nog wel dat de schrijver meer geschreven heeft dan die ene roman die zo wereldberoemd is geworden, maar lang niet iedereen weet dat Nabokov ook een groot aantal gedichten heeft geschreven.
    Bij uitgeverij Koppernik is onlangs een tweetalige uitgave verschenen met daarin al zijn gedichten: de poëzie die Nabokov zelf selecteerde voor de uitgave Poems and Problems (1970), met zowel door hem uit het Russisch vertaalde als rechtstreeks in het Engels geschreven gedichten, maar eveneens de poëzie die zijn zoon Dimitri uit het Russisch vertaalde.

    Nabokov ontvluchtte in 1917 zijn vaderland Rusland, ging in eerste instantie in Groot-Brittannië wonen, vervolgens in Duitsland en Frankrijk en vluchtte uiteindelijk – toen de Nazi’s half Europa innamen –naar de Verenigde Staten om ten slotte het einde van zijn leven door te brengen in Zwitserland. Nabokov was ook een groot vlinderliefhebber en -kenner.
    De gedichten vormen de weerslag van dat leven: lesgeven over Russische poëzie, vlinders, schaatsen, erotiek en liefde, de Russische Revolutie, ballingschap, eenzaamheid, een Amerikaanse ijskast. ‘Wie Nabokov wil leren kennen moet zijn poëzie lezen’, aldus de flaptekst.

    Vertaler van deze gedichten is dichter en prozaïst Huub Beurskens die de uitgave ook voorzag van een voorwoord en verhelderende aantekeningen.

     

    Verzamelde gedichten
    Auteur: Vladimir Nabokov
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Metamorfosen

    Marietje d’Hane-Scheltema vertaalde al in 1993 de Metamorfosen van Ovidius.

    Na haar succesvolle samenwerking met tekenaar Floris Tilanus bij haar vertaling van de Fabels van La Fontaine, ontstond de wens om ook een dergelijke uitgave te maken van het beste uit de Metamorfosen.
    In deze eenmalige uitgave staan alle bekende mythen bij elkaar, over Narcissus en Echo, Jason en Medea, Daedalus en Icarus, Apollo en Daphne, Pyramus en Thisbe, Venus en Mars. En dat alles geïllustreerd door Floris Tilanus.

    Van Marietje d’Hane-Scheltema verscheen in 2013 het boek Alles altijd anders, Over Ovidius, hier op Literair Nederland besproken door Machiel Jansen.

    Metamorfosen
    Auteur: Ovidius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Leonardo literair

    Komend jaar is het 500 jaar geleden dat Leonardo da Vinci overleed. Het zal geen toeval zijn dat nu in Teylers Museum in Haarlem de tentoonstelling ‘Leonardo da Vinci’ te zien is, en dat er bij uitgeverij Athenaeum Leonardo literair is verschenen.

    Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling in Haarlem zijn de drie voorstudies van Het Laatste Avondmaal, waaronder het portret van Judas. Teylers Museum wijdt een speciale ruimte aan deze wereldberoemde wandschildering, die als replica op origineel formaat (4,6 x 8,8 meter) te zien is. Met daar recht tegenover een replica op ware grootte van de bijzondere versie van Het Laatste Avondmaal uit de abdij in Tongerlo.

    Niet zo bekend is dat Leonardo da Vinci (1452-1519) niet alleen een groot kunstenaar was, maar dat hij ook veel geschreven heeft. Hij heeft zelf nooit iets gepubliceerd maar na zijn dood heeft men duizenden vellen met losse invallen, annotaties, aanzetten van traktaten e.d. gevonden. Er zijn allegorieën en filosofische overwegingen, fabels en een bestiarium, voorspellingen en raadsels, grappige verhalen en fantastische evocaties, gedachten over de waarde van kennis en de betekenis van kunst. Aantekeningen vol persoonlijke herinneringen, brieven en boekenlijsten geven een bijzondere inkijk in zijn persoonlijk leven.

    De Belg Patrick Lateur, (o.a. Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren in – Vertalingen 2013 en de Homerusprijs van het Nederlands Klassiek Verbond in 2017) staat garant voor de vertaling

    De tentoonstelling in Teylers Museum is nog t/m 6 januari a.s. te zien, kaarten zijn alleen online verkrijgbaar.

     

    De volgende editie van deze rubriek verschijnt weer in de tweede week van januari 2019. En vergeet niet: met elk boek dat u via Literair Nederland bestelt, steunt u ons.

    Leonardo literair
    Auteur: Leonardo da Vinci
    Uitgeverij: Athenaeum

    Grand Hotel Europa

    Tot slot aandacht voor een boek van veel recenter datum: de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer.
    Massatoerisme, nostalgie, geschiedenis, vergane glorie, Europa in ‘beter’ tijden, de nieuwe tijdsgeest, migratie, liefdesverdriet en kunst.
    Deze nieuwe, omvangrijke roman van Pfeijffer bevat het allemaal. De uitgever noemt het op de flaptekst ‘zijn beste boek tot nu toe’:

    ‘De schrijver neemt zijn intrek in het illustere maar in verval geraakte Grand Hotel Europa om te overdenken waar het is misgegaan met Clio, op wie hij in Genua verliefd is geworden en met wie hij in Venetië is gaan wonen. Hij reconstrueert het meeslepende verhaal van liefde in tijden van massatoerisme, van hun reizen naar Malta, Palmaria, Portovenere en de Cinque Terre en hun spannende zoektocht naar het laatste schilderij van Caravaggio. Intussen vat hij een fascinatie op voor de mysteries van Grand Hotel Europa en raakt hij steeds meer betrokken bij het wedervaren van de memorabele personages die het bevolken en die uit een eleganter tijdperk lijken te stammen, terwijl de globalisering ook op die schijnbaar in de tijd gestolde plek om zich heen begint te grijpen.

     

    Grand Hotel Europa
    Auteur: Ilja Leonard Pfeijffer
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Zo wonen ze

    Je hoeft tegenwoordig niet meer naar Nieuwsuur te kijken om te weten wie de shortlist van de Libris Literatuurprijs heeft gehaald. Op enig moment wordt dat ergens officieel bekendgemaakt door de juryvoorzitter. Daar zijn media bij en voordat je het weet, heeft het nieuws ook jou bereikt. Misschien ging dat altijd al zo en was ik me daar niet voldoende van bewust of wilde ik er niet aan dat het langs de deuren van genomineerde schrijvers gaan een milde vorm van nepnieuws is. Hoe dan ook: dit jaar kwam het me vooral goed uit dat ik niet van Nieuwsuur afhankelijk was.

    Hoewel ik op de avond van de bekendmaking van de nominaties met een gerust hart ver voor tienen in een snotterslaap viel, kon ik het een dag later niet laten om toch even te kijken naar Martin Michael Driessen, Murat Isik, Marjolijn van Heemstra, Ilja Leonard Pfeijffer en Arjen van Veelen die (deden alsof ze) voor het eerst kennis namen van het voor hen goede nieuws. Er werd als vanouds aangebeld en op deuren geklopt, er werd opengedaan en schoorvoetend binnengelaten. Dit keer was het Tommy Wieringa die zijn uitgever de honneurs liet waarnemen.
    Van alle genomineerden leek Ilja Leonard Pfeijffer het meest op een echte schrijver. Hij speelde zijn rol met verve en was op minstens zeven manieren ‘wellevend’.

    Dankzij de ‘sfeerreportages’ die Nieuwsuur sinds jaar en dag maakt, ben ik heel wat huiskamers van Nederlandse schrijvers binnen getuimeld. Hoewel schrijvers bijna altijd onmiddellijk weten wat die cameraploeg voor hun deur doet, weten de meesten toch de indruk te wekken overvallen te worden door de situatie.
    Ondanks dat zijn ze kort daarna tot spreken in staat en hebben ze aardige woorden over voor hun concullega’s. Een enkeling slaagt er zelfs in zinnige dingen te zeggen, zoals Alex Boogers die zich twee jaar geleden niet liet verleiden tot een uitspraak over zijn kansen. ‘Ik win als ik meedoe aan een sportwedstrijd en in de literatuur weet ik niet precies wat het is om te winnen.’
    Er is voor televisiemakers geen eer te behalen aan deze items. Heel creatief kunnen ze in de amper zes minuten die er uiteindelijk overblijven niet zijn en dus lijkt in the end elke reportage op die van het vorige jaar.

    Wat zou ik graag schrijven dat het om sterke staaltjes camp gaat. Dat verslaggever van het eerste uur Tonko Dop met zijn wat lullig aandoende filmpjes liet zien dat hij precies begreep wat Susan Sontag bedoelde toen ze schreef dat ‘liefde voor het kunstmatige en de overdrijving’ de essentie van camp is (en er geen weg terug was, toen hij die toon gezet had).
    Maar zo is het niet. Nieuwsuur is geen kwestie van kunst of Kitsch. Nieuwsuur brengt achtergronden bij het nieuws, en met de berichtgeving over de genomineerden voor de Libris Literatuurprijs is van alles mis.  Het gaat niet om de inhoud van de titels op de shortlist en ook de schrijvers zijn van ondergeschikt belang. Het enige dat van hen verwacht wordt is dat zij het spel vol overgave meespelen. En dat doen ze dan maar. Want dat is goed voor het boek.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Record aantal dichtbundels verkocht tijdens 5e Poëzieweek

    Record aantal dichtbundels verkocht tijdens 5e Poëzieweek

    Kijk, dat is mooi nieuws. De Poëzieweek vierde dit jaar haar eerste lustrum en tijdens deze week werden er meer dichtbundels (11 %) verkocht dan tijdens een gewone week.  Stapjes in de goede richting, waarmee gezegd wil zijn dat het doel van De Poëzieweek: ‘poëzie bekender maken bij een breder publiek’ in vijf jaar tijd zijn werk begint te doen. Poëzie zal het land stukje bij beetje veroveren en zoals Dichteres des Vaderlands Ester Naomi Perquin de optimistische woorden uitsprak bij de aanvaarding van haar functie: ‘Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd,’ Hoop doet leven en poëzie hoopt op nog meer lezers van poëzie.

    Best verkochte bundels
    Op de lijst van best verkochte dichtbundels in die week staat Peter Verhelst met Koor (Bezige Bij) in Vlaanderen op de eerste plaats. Tim Hofman met de Gedichten van de broer van Roos (Meulenhoff) is de best verkochte poëziebundels in Nederland. Het Poëziegeschenk door Jules Deelder, Rotterdamse kost verscheen in de grootste oplage ooit, 17.000 exemplaren.

    Op de tweede plaats van best verkochte bundels staat de nieuwe ‘dikke Komrij’ van Ilja Leonard Pfeijffer, De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten (Prometheus), gevolgd door Nachtroer (De Arbeiderspers), van Charlotte Van den Broeckde. Op de vierde plaats (waarmee Verhelst twee plaatsen inneemt op dit lijstje) staat Zing zing (Prometheus) van Peter Verhelst, de bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs 2017 in de wacht sleepte.

    Zie hier een overzicht van de activiteiten die tijdens de Poëzieweek plaatsvonden.

    Volgend jaar wordt de Poëzieweek gehouden van 24 januari t/m 31 januari 2018.

     

     

  • Van Saulus naar Paulus 

    Van Saulus naar Paulus 

    ‘Zeg maar ja tegen het leven’

    Ilja Leonard Pfeijffer heeft in Brieven uit Genua zijn brieven uit de jaren 2012-2015 bij elkaar gebracht, die gericht zijn aan werkelijk bestaande personen, onder meer zijn vroegere geliefde Gelya, zijn moeder en officiële instanties, waaronder zijn uitgever. De auteur heeft dit brievenboek geconstrueerd tot een roman van het echte leven van Ilja Leonard Pfeijffer. De lezer neemt aanvankelijk deze constructie voor lief, totdat er een wending plaatsvindt, die de geloofwaardigheid van het boek enigszins op losse schroeven zet.

    Aanvankelijk is het lezen van dit brievenboek een spannend avontuur. In majestueuze brieven stelt de auteur allerlei zaken aan de orde die hij belangrijk vindt: zijn schrijverschap, zijn leven in Genua, zijn reizen, naar Nederland en naar Italiaanse steden, zijn liefdes en zijn vriendschappen. Verder becommentarieert hij belangrijke en minder belangrijke kwesties, zoals de Nederlandse politiek en het koningslied. In enkele, kort na elkaar geschreven brieven rond de kerstdagen van 2014, gericht aan zijn jongere ik, slaat hij een ronkende toon aan over zijn drankgebruik, zijn liefdesleven en zijn schrijverschap. Wie deze brieven als maatgevend neemt voor het geheel –zoals Volkskrantrecensent Arjan Peters doet – kan niet anders dan met afschuw over dit boek spreken. Maar het boek bestaat uit veel meer dan deze – vermoedelijk later toegevoegde – brieven aan zijn jongere ik.

    Gegrepen door de stijl
    Pfeijffers stijl is meeslepend en rijk, zijn taal versiert, betovert, omfloerst, stelt aan de kaak, ontwricht, snijdt, steekt, verfraait en spiegelt. De lezer die zich door hem laat meevoeren komt overal. Pfeijffer neemt de tijd om zichzelf en de wereld om zich heen, met name Genua, breedvoerig aan de orde te stellen, en hij lokt uit tot tegenspraak, instemming, overdenking, schouder ophalen. Hier is een schrijver aan het woord die de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking wil brengen met alle literaire instrumenten waarover hij beschikt.

    De achtbaan van zijn leven in deze brieven is geloofwaardig tot de grote wending, die wel aangekondigd wordt als literair-compositorisch middel, maar niet onvermijdelijk wordt gemaakt vanuit de ontwikkeling van de auteur die zich tot ons richt. Die omslag kan simpelweg worden weergegeven met de regel ‘Zeg maar ja tegen het leven’, verwijzend naar een liedje dat Wim Sonneveld in de jaren zestig zong. Na de omslag is de lezer niet meer onder de indruk van de prachtige zinnen, scherpe gedachten, ironische oprispingen en intellectuele opmerkingen uit de eerste 630 pagina’s van het boek, maar vraagt hij zich af of deze omslag wel geloofwaardig is.

    Teleurgesteld door de constructie
    De omslag houdt in, dat Ilja Leonard Pfeiffer, volgens een brief, gedateerd 31 maart 2015, helemaal gegrepen is door de liefde voor ene Stella (haar achternaam komen we niet te weten), waardoor hij eindelijk een echt mens wordt, in plaats van de geschreven, onechte persoonlijkheid die hij daarvoor was. Mede door haar uitdrukkelijke wens stopt hij met drinken, waardoor hij de gelukkigste mens ter wereld wordt omdat hij eindelijk ‘bij zijn gevoel kan’, zonder de deken der ironie die de drank hem verschafte. Stella is de nieuwe verslaving waardoor hij onaantastbaar wordt.

    Deze wending is zo totaal dat het leven dat hij voordien leefde er eigenlijk niet meer toe doet. Die ‘oude mens’ kan hij en wil hij niet meer worden. Al is de cold turkey hem op sommige momenten te veel en wordt hij hierdoor meerdere malen tot een zielig hoopje mens. Hij zal echter niet terugkeren naar zijn oude ik, dat is voorbij, voorgoed voorbij, zoals alleen een bekeerling kan zeggen dat het verleden voorbij is. De wending komt voor de lezer als een verrassing omdat de lezer in de eerste 630 bladzijden nergens het idee heeft dat Pfeijffer niet verder kan met zijn oude leven. In de eerste 630 pagina’s van het boek is hij in literair-theoretische zin op zoek naar de liefde, maar dit verlangen is ingebed in een kathedraal van taal zodat je ver moet zoeken naar de pijn die er blijkbaar al die jaren onder heeft gelegen. Hij lijkt gelukkig en overtuigd van zijn bestaan. Daardoor lijkt de wending op de bekering van een boef in Arendsoog, een serie jongensboeken van de rooms-katholieke schrijver C.P. Nowee. De omkering gaat zover dat Pfeijffer de dronkaard Don die hij een paar jaar geleden opvoerde als een held in zijn met de Libris Literatuurprijs bekroonde roman La Superba nu afbeeldt als een loser, een aan lager wal geraakte man die eenzaam sterft op een ziekenhuisbed: ‘Op de dag van Dons dood heb ik beseft dat ik niet net als hij wil leven van de bijval voor mijn fictie, maar echt leven.’ Pfeijffer wil niet bekend blijven als de mythe die hij zelf heeft gecreëerd, maar als een echt mens. Hij zegt ja tegen het leven.

    Het brievenboek is de tegenhanger van La Superba waarin hij het leven van de hoofdpersoon Ilja Leonard Pfeijffer in Genua benadert vanuit de fantasie. Nu is de werkelijkheid het uitgangspunt, maar dan wel de werkelijkheid van deze schrijver die de taal en de drank hanteert om de werkelijkheid draaglijk te maken. In een brief aan zijn vroegere geliefde en huidige vriendin Gelya zegt hij dat de ware schrijver het werk niet modelleert naar het leven, maar omgekeerd. En dat doet hij inderdaad: hij laat Stella in zijn leven komen, omdat zijn brievenroman haar nodig heeft. Doet het ertoe of Stella echt bestaat? Doet het ertoe of hij echt gestopt is met drinken? Uiteindelijk is dat onbelangrijk, zolang de constructie voor de lezer geloofwaardig is. En op dat punt schiet het tekort. Hoe verpletterend mooi het brievenboek ook begint, de wending lijkt een literaire constructie, beter gezegd een deus ex machina, zonder een gerede aanleiding. Pfeijffer krijgt de compositie niet goed rond en de lezer blijft zitten met de paradox dat de persoon die hij leerde kennen, niet meer bestaat. Pfeijffer is als romanfiguur niet geloofwaardig als het personage dat hij van zichzelf heeft gemaakt.

     

  • Liefdesgedicht

    Liefdesgedicht

    Vrouwen en de liefde zijn niet eenvoudig te verenigen. Ze zijn kritisch, of noem het onzeker. Dat doet de liefde geen goed. Ik dacht er alles van te weten. Ik wist niets van degene die al die kritische noten (je drinkt teveel, je verrast me nooit, snurkt en dus: je houdt niet van me) moet zien te kraken. Het zijn nogal veel noten die in het vrouwelijke liefdeslied verwerkt zijn. Maar eerst was ik op weg naar een gesprek met een psycholoog. Nadat ik driemaal had aangebeld, er verder niets gebeurde, begreep ik dat ik mij in de week moest hebben vergist. Ik stak het marktplein over, zag onder ogen dat ik nog een week moest zien door te komen met ongelukkig zijn.

    Toen had ik de nieuwe Tirade nog niet gelezen. Waarin Ilja Leonard Pfeijffer die andere kant, de bekritiseerde kant, verwoordt in een liefdesgedicht. Met: ‘Wat ik je eerder eigenlijk had willen zeggen’, begint het gedicht waarin de hij ‘als radeloos ontvolkt gehucht kapotgeschoten’ achterblijft.  In dezelfde editie verklaart Maartje Wortel dat zij niet gelooft in de liefde. En dat beschrijft ze zo liefdevol  dat je de liefde zo bij het grof vuil wilt zetten. Maar dat had ik allemaal nog niet gelezen.

    Ik stond inmiddels in een Koffiebranderij waar ik maar niet kon kiezen tussen een pond Java bonen (zwaar, aromatisch) of Nicaragua bonen (licht, mild). Naast me, aan een cafétafeltje, hoorde ik een doorrookte stem zeggen: ‘’Ik mag het eigenlijk niet zeggen. Maar ik weet dat er subsidie voor is.’ Er zaten twee vrouwen aan het tafeltje. Die met de doorrookte stem had een flink ontwikkelde neus. Tegenover haar een tengere vrouw in een onmogelijke jas van aan elkaar gelapte stukjes bont. Een serveerster met dienstbare glimlach nam hun bestelling op. Toen ze zich verwijderd had, zei de ontwikkelde neus, terwijl ze een vaasje met tulpen resoluut opzij schoof, handen over de tafel naar voren stak: ‘Kunnen we samen niet iets doen. ‘ Met de nadruk op ‘doen’. Ze keek de Koffiebranderij rond alvorens verder te gaan. ‘Er was een zwakbegaafde vrouw die een kind kreeg en het in de kast legde, voor later. Het was geen opzet. Het kind ging dood. Ze werd veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.’ Beiden weken iets naar achteren toen koffie en scones werden bezorgd door de dienstbare glimlach. Het stellige, ‘Kunnen we dáár niet iets mee’, overlapte de aarzelende opmerking van de onmogelijke jas: ‘Meen dat het negen maanden waren…’. En toen, ‘Oké’, piepte. Waarop  de ontwikkelde neus uitriep: ‘Zullen we gaan brainstormen!’

    Ik schrok ervan, koos prompt voor de Nicaragua bonen. Aan het tafeltje werden suikerzakjes opengescheurd, tikten lepeltjes door koffiekopjes, werden scones gehalveerd, met room en jam bedekt, vingertoppen afgelikt. En gezwegen. Wat Pfeijffer, (in het gedicht waarin hij verlaten wordt door zijn lief en dat ik vond toen ik thuis kwam), altijd nog had willen zeggen was niet dat hij van haar houdt, want dát had hij al gezegd. Wat hij had willen zeggen was: ‘Sorry. Ik voldoe niet aan je beeld van mij. (…) Jij hebt mij verkeerd verzonnen.’ Ik had opeens behoeft aan een brainstorm, met mijzelf. Dacht aan Maartje Wortels, visie. Dat liefde niet bestaat, dat geluk en liefde nu eenmaal niets met elkaar gemeen hebben. 

     

     

  • Met een oude Batavus over de bergen

    Door Coen Peppelenbos

    Een van de merkwaardigste reisboeken die ik ken, is geschreven door Julio Cortázar en zijn vrouw, de fotografe Carol Dunlop: De autonauten van de kosmosnelweg. De twee leggen de afstand Parijs-Marseille af met een Volkswagenbusje. Ze hebben alleen besloten om op elke parkeerplaats langs de weg te overnachten. Ze doen er drieëndertig dagen over en beschrijven elke parkeerplaats alsof ze expeditieleden zijn die het nieuwe land en de daarbij behorende gebruiken in kaart moeten brengen. Een vreemd, blijmoedig boek met een wrange nasmaak omdat Dunlop overleed aan een ernstige ziekte (het zal wel weer kanker zijn) bij de daadwerkelijke afronding van het boek.

     

    Godzijdank is er geen sprake van ziekte bij de afronding van De filosofie van de heuvel van Ilja Leonard Pfeijffer en fotografe Gelya Bogatishcheva, maar het lezen van dat boek is net zo avontuurlijk en opwindend. Pfeijffer en zijn Russische vriendin Gelya (die hij geen vriendin mag noemen) besluiten namelijk opeens zonder voorbereiding naar Rome te fietsen. Het idee komt van de wispelturige Gelya en Pfeijffer laat zich meeslepen door haar enthousiasme. En zo vertrekken ze licht bepakt uit Leiden om eenenveertig dagen later in Rome aan te komen. Gelya heeft een sportief leven geleid en rijdt op een gele mountainbike, de ietwat gezette dichter denkt de tocht te kunnen maken op een oude Batavus racefiets.
    De lichtelijk krankzinnige tocht door afgelegen streken, over heuvels en bergen, met hevige regenbuien en bloedhete zomerdagen, met stukken over de snelweg en met aanvallen van wilde zwijnen wordt door Pfeijffer met milde ironie beschreven. De dichter probeert bij elke fysieke uitdaging filosofieën te bedenken om de prestatie maar te kunnen vervolmaken. Ook psychisch is het een uitputtingslag en hij kan zich maar het beste vasthouden aan het adagium van Gelya ‘prosta tak’: alles wat van belang is gebeurt gewoon zo. Een ‘flodderfilosofie’ noemt hij het nog op de eerste bladzijde van de reisbeschrijving, maar later blijkt dat die filosofie meer waard is dan elke filosofie van hemzelf.

     

    Wat me aangenaam verraste was de nieuwe toon die uit dit boek sprak. Wie eerdere romans van Pfeijffer gelezen heeft, weet dat de schrijver houdt van bizarre taalcontructies en prachtige formuleringen, maar zichzelf niet blootgeeft. In dit boek is dat anders: de dichter toont zich naakt en beschrijft met ironie, maar oprecht zijn gevoelens. Woede, wanhoop, tederheid, verliefdheid en geluk, zonder in clichés te vervallen. Alle maskers zijn afgelegd, de nadruk ligt niet meer louter op de taal en dat maakt De filosofie van de heuvel tot een heerlijke leeservaring.
    Als Cortázar en Dunlop Marseille bereiken dan maakt zich een lichte beklemming van hen meester: ‘Een zege die werd bewolkt door tranen die wij droogden in een café’. Ook Pfeijffer houdt het niet droog als hij achter Gelya Rome binnenrijdt en de schrijvers trekken dezelfde conclusie over het doel van de reis, dat van veel minder belang is dan de reis zelf. ‘De reis op de fiets naar Rome is achteraf een reis gebleken naar een nieuw leven,’ zegt Pfeijffer en als je het boek uit hebt weet je dat de dichter niet terug kan naar zijn gewone leventje in Leiden. Ik zou mezelf en anderen een Gelya willen toewensen.